U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 28-09-2006.

Wet · BWBR0003245

Wet milieubeheer

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 13 juni 1979, houdende regelen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op het gebied van de milieuhygiëne Wet milieubeheerWij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, naast de wettelijke regelingen, geldende voor de onderscheidene onderdelen van het gebied van de milieuhygiëne, regelen te stellen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op dat gebied;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven ten Paleize Soestdijk 13 juni 1979 Juliana De Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, L. Ginjaar de eenentwintigste augustus 1979 De Minister van Justitie, J. de Ruiter

Bij de provinciale milieuverordening worden geen regels gesteld, die het naar of uit de provincie brengen van afvalstoffen beperken of uitsluiten.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Onverminderd de artikelen 16.8 en 18.3 stemmen het bestuur van de emissieautoriteit en het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 te verlenen voor een inrichting waarop hoofdstuk 16 betrekking heeft, dan wel Onze Minister van Economische Zaken in geval voor een inrichting waarop dat hoofdstuk betrekking heeft, het in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet vervatte verbod geldt, onderling de uitoefening van de taken af, waarmee zij zijn belast bij of krachtens hoofdstuk 16, onderscheidenlijk hoofdstuk 8, onderscheidenlijk artikel 40 van de Mijnbouwwet.

De emissieautoriteit draagt op de voet van de ter zake voor de Rijksdienst geldende voorschriften zorg voor de nodige technische en organisatorische voorzieningen ter beveiliging van haar gegevens tegen verlies of aantasting en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging en verstrekking van die gegevens.

Vervallen

De commissie brengt elk jaar aan Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij een verslag uit van haar werkzaamheden. Onze Ministers maken het verslag openbaar.

De rechtspositie van de voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters en de overige leden wordt voor zover nodig nader geregeld bij algemene maatregel van bestuur.

De commissie heeft een secretaris, die door Ons wordt benoemd en ontslagen, op gezamenlijke voordracht van Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, de commissie gehoord. De commissie heeft een bureau, dat onder leiding staat van de secretaris.

De commissie stelt nadere regels betreffende haar werkwijze en zendt deze aan Onze Minister.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder genetisch gemodificeerde organismen: organismen waarvan het genetisch materiaal is veranderd op een wijze die van nature niet mogelijk is door voortplanting of recombinatie en die het vermogen bezitten dat genetisch materiaal te vermenigvuldigen of over te dragen.

Er is een Commissie genetische modificatie.

Onze Minister en Onze Ministers wie het mede aangaat, dragen er zorg voor dat de commissie op de hoogte wordt gehouden ten aanzien van het beleid op het terrein van het vervaardigen van of van handelingen met genetisch gemodificeerde organismen.

Telkens binnen een termijn van vier jaren brengt de commissie een rapport uit aan Onze Minister, waarin ten minste de taak, de samenstelling, de inrichting en werkwijze van de commissie aan een onderzoek worden onderworpen en voorstellen kunnen worden gedaan voor gewenste veranderingen. Onze Minister zendt dit rapport, voorzien van zijn standpunt, aan de beide kamers der Staten-Generaal.

De commissie houdt de op de door haar uitgebrachte adviezen betrekking hebbende voorbereidende stukken ter beschikking van Onze Minister en van de bestuursorganen, bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, onder b en c.

De commissie stelt nadere regels betreffende haar werkwijze en de werkwijze van haar subcommissies en zendt deze aan Onze Minister.

Gereserveerd.

In dit hoofdstuk wordt onder Onze Ministers verstaan: Onze Minister, te zamen met Onze Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en van Economische Zaken voor zover het onderdelen van het milieubeleid betreft, die tot hun verantwoordelijkheid behoren.

Ten behoeve van het opstellen van milieubeleidsplannen en van milieuprogramma’s verschaffen de onderscheidene overheidsorganen elkaar desgevraagd alle inlichtingen en gegevens, waarover zij kunnen beschikken, voor zover die voor dat opstellen redelijkerwijs noodzakelijk zijn.

Indien ter uitvoering van dit hoofdstuk een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 21.6, zesde lid, wordt vastgesteld, zijn daarop de artikelen 5.1, derde, vierde en vijfde lid, 5.2 en 5.3 van overeenkomstige toepassing.

Gereserveerd.

Dit hoofdstuk is mede van toepassing op:

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over een aanwijzing als bedoeld in artikel 7.6, eerste tot en met derde lid.

Degene die een activiteit, aangewezen krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, wil ondernemen, is verplicht een milieu-effectrapport te maken indien:

De artikelen 7.8a tot en met 7.8d vinden geen toepassing ten aanzien van een activiteit, aangewezen in een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 7.2, eerste lid, onder b, voor zover die activiteit bij een provinciale verordening krachtens artikel 7.6, eerste lid, overeenkomstig de omschrijving in die algemene maatregel van bestuur is aangewezen en het een besluit betreft dat ter zake van die activiteit bij die verordening overeenkomstig die maatregel is aangewezen.

Alvorens het milieu-effectrapport op te stellen, raadpleegt het bevoegd gezag de bestuursorganen die ingevolge het wettelijk voorschrift waarop het plan berust bij de voorbereiding van het plan moeten worden betrokken over de reikwijdte en het detailniveau van de informatie die gericht is op wat relevant is voor het plan en die op grond van artikel 7.10 in het milieu-effectrapport moet worden opgenomen.

De artikelen 7.12 tot en met 7.15 vinden geen toepassing indien degene die het milieu-effectrapport zou moeten maken, reeds beschikt over een milieu-effectrapport, opgesteld overeenkomstig het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde, en in dat milieu-effectrapport als alternatief de activiteit is beschreven, waarop het besluit betrekking heeft, bij de voorbereiding waarvan het milieu-effectrapport moet worden gemaakt.

Het bevoegd gezag kan een orgaan aanwijzen, dat voor de toepassing van artikel 7.20 voor hem in de plaats treedt.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Indien van een aanvraag als bedoeld in artikel 7.28, openbaar kennis wordt gegeven, wordt van het milieu-effectrapport - zo nodig in afwijking van artikel 7.20, tweede lid, derde volzin - in ieder geval gelijktijdig openbaar kennisgegeven.

Vervallen

Indien over een aanvraag als bedoeld in artikel 7.28 dan wel het voorontwerp of het ontwerp van een besluit zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht, kunnen zienswijzen over het milieu-effectrapport in ieder geval gelijktijdig naar voren worden gebracht met zienswijzen over die aanvraag dan wel dat voorontwerp of ontwerp.

Vervallen

Een krachtens een andere wettelijke regeling te nemen besluit wordt, ook voor zover daarbij artikel 7.35 wordt toegepast, geacht krachtens die regeling te worden genomen.

Behoudens het bepaalde in artikel 7.38a, eerste dan wel tweede lid, informeren Onze Minister onderscheidenlijk het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk nadat uit de in het kader van dit hoofdstuk verzamelde informatie duidelijk is geworden dat er sprake is van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in een ander land de regering of een door die regering aan te wijzen autoriteit in dat andere land. Artikel 7.38a, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Indien een ander land belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu meent te kunnen ondervinden van een in een plan, dan wel besluit voorgenomen activiteit in Nederland, geven Onze Minister, onderscheidenlijk het bevoegd gezag op verzoek van dat land toepassing aan artikel 7.38a, eerste tot en met derde lid.

Indien een ander land belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan ondervinden van een in een plan, dan wel besluit voorgenomen activiteit in Nederland kan Onze Minister:

De motivering van een besluit vermeldt in ieder geval:

Degene die de in dat plan, dan wel besluit voorgenomen activiteit onderneemt, is verplicht aan het bevoegd gezag desgevraagd alle medewerking te verlenen en alle inlichtingen te verstrekken, die het redelijkerwijs voor het verrichten van het in artikel 7.39 bedoelde onderzoek behoeft.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het bepaalde in de artikelen 7.39, 7.41 en 7.42.

Vervallen

Vervallen

Op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een vergunning is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Het bevoegd gezag draagt er bij de beslissing op de aanvraag zorg voor dat er geen strijd ontstaat met regels die met betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of krachtens deze wet, dan wel bij of krachtens de in artikel 13.1, tweede lid, genoemde wetten.

Aan de vergunning worden in ieder geval de voor de betrokken inrichting in aanmerking komende voorschriften verbonden met betrekking tot:

In een vergunning kan worden bepaald:

Een ingevolge deze afdeling gegeven beschikking waarop artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is, wordt gegeven binnen twaalf weken na de terinzagelegging van het ontwerp van die beschikking.

In gevallen waarin een vergunning krachtens deze wet wordt aangevraagd, die betrekking heeft op een inrichting van waaruit stoffen als bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in het oppervlaktewater worden gebracht, worden, indien daarvoor een vergunning krachtens die wet vereist is, bij de toepassing van dit hoofdstuk, van hoofdstuk 13 en van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht de bepalingen van deze paragraaf in acht genomen.

Indien in de vergunning krachtens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren een bepaling wordt opgenomen als bedoeld in artikel 8.17 over de termijn waarvoor zij geldt, kan een gelijke bepaling worden opgenomen in de vergunning krachtens deze wet.

De motivering van de beschikking vermeldt in ieder geval de invloed die de samenhang tussen de beschikkingen op de onderscheidene aanvragen heeft gehad op de inhoud van de vergunning of de beschikking tot wijziging van de vergunning krachtens deze wet.

Ten aanzien van een wijziging van een vergunning overeenkomstig de artikelen 8.22, tweede lid, en 8.23 zijn de artikelen 8.28, 8.29, 8.31, eerste en tweede lid, 8.31a en 8.32 van overeenkomstige toepassing.

In gevallen waarin een verklaring als bedoeld in artikel 8.36a vereist is, geeft het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag om de vergunning geen toepassing aan artikel 8.8 en evenmin aan artikel 10.14 j° artikel 10.4, voor zover deze bepalingen betrekking hebben op de criteria, genoemd in artikel 10.5, tweede lid.

Vervallen

Deze titel is slechts van toepassing op stortplaatsen waarvoor een vergunning ingevolge artikel 8.1 is vereist, waar op of na 1 september 1996 afvalstoffen worden gestort, en

De rechthebbende ten aanzien van de plaats waar de in artikel 8.49 bedoelde zorg met betrekking tot een gesloten stortplaats wordt uitgevoerd, is verplicht te gedogen dat werkzaamheden worden verricht ten behoeve van die zorg, onverminderd zijn recht op schadevergoeding.

Vervallen

Vervallen

Onze Minister stelt ten minste eenmaal in de vier jaar een afvalbeheersplan vast.

Bij de vaststelling van het afvalbeheersplan houdt Onze Minister er rekening mee dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat in de navolgende voorkeursvolgorde:

Vervallen

Bij de vaststelling van het afvalbeheersplan houdt Onze Minister rekening met het geldende nationale milieubeleidsplan.

Ten behoeve van het opstellen van het afvalbeheersplan verschaffen de bestuursorganen aan Onze Minister op zijn verzoek alle inlichtingen en gegevens waarover zij kunnen beschikken, voor zover die voor dat opstellen redelijkerwijs noodzakelijk zijn.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van het bevorderen van nuttige toepassing of anderszins in het belang van de bescherming van het milieu, personen, behorende tot een bij de maatregel aangewezen categorie, worden verplicht bij die maatregel aangewezen categorieën van afvalstoffen of andere producten in ontvangst te nemen en vervolgens op een bij die maatregel aangegeven wijze toe te passen.

Vervallen

Bij de afvalstoffenverordening kunnen in ieder geval regels worden gesteld:

In gevallen als bedoeld in artikel 10.26, eerste lid, onder b en c, dragen de gemeenteraad en burgemeester en wethouders er zorg voor dat op ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente of binnen de gemeenten waarmee wordt samengewerkt, in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen achter te laten.

De artikelen 10.21 tot en met 10.29 en titel 10.6 zijn niet van toepassing op het brengen van afvalwater en andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, het inzamelen en transporteren van afvalwater in een zodanige voorziening en het vanuit een zodanige voorziening afgeven van afvalwater aan een persoon die een zuiveringstechnisch werk beheert.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van een doelmatig beheer van afvalwater regels worden gesteld met betrekking tot het brengen van afvalwater en andere afvalstoffen in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, anders dan vanuit een inrichting.

Onze Minister stelt regels over het ontwerpen, bouwen, aanpassen en onderhouden van de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie.

Voor de toepassing van deze titel worden ingezamelde of afgegeven huishoudelijke afvalstoffen gelijkgesteld met bedrijfsafvalstoffen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De artikelen 8.5 tot en met 8.25 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het verlenen, weigeren, wijzigen en intrekken van een vergunning als bedoeld in artikel 10.52, tweede lid.

zonder vermelding als respectievelijk vervoerder, handelaar of bemiddelaar op de lijst van vervoerders, handelaars en bemiddelaars.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de titels II, VII en VIII van de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen van overeenkomstige toepassing zijn met betrekking tot de overbrenging van afvalstoffen binnen Nederland.

Op een kennisgeving als bedoeld in de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen, zijn de artikelen 4:2, 4:5 en 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

Gereserveerd.

Vervallen

Vervallen

Indien degene die de inrichting drijft, verplicht is aan een ander bestuursorgaan dan de bestuursorganen, bedoeld in artikel 12.4, gegevens ter beschikking te stellen, die in de vereiste vorm zijn opgenomen in een milieuverslag als bedoeld in artikel 12.4 dat ten behoeve van een bestuursorgaan is opgesteld, kan aan deze verplichting worden voldaan door dat verslag over te leggen en voor deze gegevens te verwijzen naar het betrokken onderdeel van dat verslag.

Vervallen

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Indien bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag om een vergunning of een ontheffing een milieu-effectrapport moet worden gemaakt, wordt van die aanvraag kennisgegeven uiterlijk tien weken na ontvangst van de aanvraag. Met betrekking tot die kennisgeving zijn de artikelen 3:11, 3:12, eerste en tweede lid, en derde lid, onder a, en 3:14 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 13.4 en 13.6 van overeenkomstige toepassing.

Zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht, kunnen naar voren worden gebracht door een ieder.

Indien de aanvraag om een vergunning of ontheffing betrekking heeft op een inrichting of werk, geschiedt de terinzagelegging, bedoeld in artikel 3:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in ieder geval ter secretarie van de gemeente waarin de inrichting of het werk geheel of in hoofdzaak zal zijn gelegen.

Vervallen

Indien de aanvrager daarom heeft verzocht, stelt het bevoegd gezag hem, voordat het stukken ter inzage legt die niet van zijn kant zijn ingebracht, in de gelegenheid die stukken in te zien met het oog op de toepassing van de artikelen 19.3 tot en met 19.5. Tot de in de eerste volzin bedoelde stukken behoren niet de verslagen, gemaakt overeenkomstig artikel 3:17, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en afschriften van zienswijzen, door anderen dan betrokken bestuursorganen ingebracht overeenkomstig artikel 3:15 van die wet. Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur is niet van toepassing.

In afwijking van artikel 3:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht houdt het bevoegd gezag de beslissing op de aanvraag aan indien deze betrekking heeft op een inrichting, behorende tot een krachtens artikel 41 van de Wet geluidhinder aangewezen categorie, die is gelegen op een terrein als bedoeld in dat artikel, waaromheen nog geen zone is vastgesteld. De verplichting tot aanhouding geldt niet, indien het bevoegd gezag van oordeel is dat de vergunning op andere gronden moet worden geweigerd. Het bevoegd gezag doet de aanvrager schriftelijk mededeling van de aanhouding. Binnen twaalf weken nadat een zone rond het betrokken terrein is vastgesteld, geeft het bevoegd gezag de beschikking op de aanvraag.

Indien een aanvraag ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gecoördineerd behandeld wordt met andere aanvragen om een beschikking, op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van die wet van toepassing is, geldt de ingevolge dat artikellid bepaalde termijn tevens voor de beschikking op de andere aanvragen.

Indien een beslissing op een aanvraag om een vergunning of ontheffing of een beschikking tot wijziging daarvan niet kan worden gegeven dan nadat is voldaan aan een uit een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie voortvloeiende verplichting, wordt de termijn voor het geven van die beschikking opgeschort tot de ten aanzien van die verplichting geldende procedure is afgerond.

In gevallen waarin Onze Minister bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, kan hij in overeenstemming met Onze betrokken Minister in het belang van de veiligheid van de Staat de toepassing van afdeling 3.4 en artikel 3:44 van de Algemene wet bestuursrecht en van de artikelen 8.7, 8.30, eerste lid, tweede volzin, en 8.31 geheel of gedeeltelijk achterwege laten, voor zover dat belang zulks vereist.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Gedeputeerde staten kunnen van de bestuursorganen die bevoegd zijn te beslissen op de aanvragen waarover de in artikel 14.1 bedoelde coördinatie zich uitstrekt, alsmede van de bij de beslissingen op die aanvragen betrokken adviseurs de medewerking vorderen, die voor het welslagen van de coördinatie nodig is. Die bestuursorganen en adviseurs zijn gehouden de van hen gevorderde medewerking te verlenen.

In deze paragraaf wordt onder activiteit, plan of besluit verstaan een activiteit, plan of besluit als bedoeld in artikel 7.1.

Ingeval terzake van een activiteit tegelijkertijd een besluit en een plan worden voorbereid en dat plan uitsluitend wordt voorbereid met het oog op de inpassing van die activiteit in dat plan wordt ter voorbereiding van dat besluit en dat plan één milieu-effectrapport gemaakt. Het rapport wordt voorbereid met toepassing van de paragrafen 7.5 en 7.6.

In gevallen als bedoeld in artikel 14.5, derde lid, onder c, wordt bij de beslissing op het verzoek uit de bevoegde bestuursorganen het orgaan aangewezen dat met de in artikel 14.9, eerste lid, bedoelde coördinatie wordt belast.

Met betrekking tot de termijn waarbinnen de betrokken besluiten moeten worden genomen, is artikel 7.34 van overeenkomstige toepassing.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de taken van het met de coördinatie belaste orgaan.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

In afwijking van artikel 4:21, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing op subsidies die krachtens deze titel uitsluitend worden verstrekt aan rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Met betrekking tot beschikkingen tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing krachtens deze wet worden geen rechten geheven.

Voor de toepassing van deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

afvalbeheersbijdrage: bijdrage in de kosten van het beheer van een afvalstof;

overeenkomst over een afvalbeheersbijdrage: schriftelijke overeenkomst tussen degenen die een stof, preparaat of ander product in Nederland invoeren of op de markt brengen, tot het afdragen van een afvalbeheersbijdrage.

Een ieder is tot naleving van een voor hem geldende algemeen verbindend verklaarde overeenkomst over een afvalbeheersbijdrage gehouden tegenover ieder ander, die bij de naleving een redelijk belang heeft.

Indien een of meer van degenen die een stof, preparaat of ander produkt in Nederland invoeren of op de markt brengen, waarvoor een overeenkomst over een afvalbeheersbijdrage algemeen verbindend is verklaard, het vermoeden gegrond achten dat door een of meer anderen een of meer van de algemeen verbindend verklaarde bepalingen uit die overeenkomst niet worden nageleefd, kunnen zij met het oog op het instellen van een rechtsvordering op grond van artikel 15.40 Onze Minister verzoeken een onderzoek daarnaar te doen instellen. De inspecteur stelt het onderzoek in en brengt aan Onze Minister verslag uit van hetgeen bij het onderzoek is gebleken. Onze Minister stelt het verslag ter beschikking van degene of degenen, die om het onderzoek hebben gevraagd.

In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt onder «stortplaats», «gesloten stortplaats» en «bedrijfsgebonden stortplaats» verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in titel 8.3.

Deze titel is niet van toepassing op stortplaatsen waar baggerspecie is gestort en die worden gedreven of mede worden gedreven door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

Onder inrichtingen als bedoeld in artikel 16.2, eerste lid, worden mede begrepen inrichtingen binnen de Nederlandse exclusieve economische zone.

Een wijziging van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten of van een bijlage bij die richtlijn gaat voor de toepassing van deze titel gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij een besluit van Onze Minister, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

Op de voorbereiding van een besluit krachtens artikel 16.5, eerste lid, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Het bestuur van de emissieautoriteit draagt er bij de beslissing op de aanvraag zorg voor dat geen strijd ontstaat met regels die met betrekking tot de inrichting gelden, gesteld bij of krachtens dit hoofdstuk of hoofdstuk 8.

Het bestuur van de emissieautoriteit zendt van elk bij hem ingediend emissieverslag een exemplaar aan het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning krachtens artikel 8.1 voor de betrokken inrichting te verlenen, dan wel, in geval voor de inrichting het in artikel 40, tweede lid, van de Mijnbouwwet vervatte verbod geldt, aan Onze Minister van Economische Zaken. Het verslag gaat vergezeld van de verklaring, bedoeld in artikel 16.12, eerste lid, onder c.

Indien degene die een inrichting drijft, waarop de in artikel 16.5, eerste lid, gestelde verboden betrekking hebben, niet tijdig een emissieverslag bij het bestuur van de emissieautoriteit heeft ingediend, of het bestuur van de emissieautoriteit ingevolge artikel 16.16, eerste of tweede lid, heeft verklaard dat het emissieverslag niet voldoet aan de eisen die daaraan bij of krachtens dit hoofdstuk zijn gesteld, kan het bestuur van de emissieautoriteit de betrokken gegevens op basis van een redelijke schatting ambtshalve vaststellen.

Een voor een inrichting verleende vergunning geldt voor een ieder die de inrichting drijft. Deze draagt ervoor zorg dat de aan de vergunning verbonden voorschriften worden nageleefd.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot inrichtingen waarvoor de in artikel 16.5, eerste lid, vervatte verboden gelden en die behoren tot een bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel aangewezen categorie, regels worden gesteld, die nodig zijn in het belang van de goede werking van het systeem van handel in emissierechten. Bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel kan worden bepaald dat bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. Artikel 8.44, vierde lid, vijfde lid, eerste en tweede volzin, en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot inrichtingen waarvoor de in artikel 16.5, eerste lid, vervatte verboden gelden en die behoren tot een bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel aangewezen categorie, regels worden gesteld, inhoudende de verplichting voor het bestuur van de emissieautoriteit aan de vergunning voorschriften te verbinden, die nodig zijn in het belang van de goede werking van het systeem van handel in emissierechten. Bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel kan worden bepaald dat bij onderscheidenlijk krachtens de maatregel gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen. Artikel 8.45, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Het nationale toewijzingsplan wordt vastgesteld met inachtneming van de artikelen 10 en 30, derde lid, eerste alinea, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten en van de termijnen, genoemd in artikel 9 van de richtlijn. Het plan wordt vastgesteld met gebruikmaking van objectieve en transparante criteria, waaronder de criteria die zijn opgenomen in bijlage III bij die richtlijn, en de richtsnoeren die de Commissie van de Europese Gemeenschappen daaromtrent overeenkomstig artikel 9, eerste lid, van de richtlijn heeft vastgesteld.

Indien de Commissie van de Europese Gemeenschappen het overeenkomstig artikel 9, eerste lid, van de EG-richtlijn handel in broeikasgasemissierechten aan haar toegezonden nationale toewijzingsplan geheel of gedeeltelijk verwerpt, stellen Onze Ministers het nationale toewijzingsplan opnieuw vast nadat daarin de door hen voorgestelde en door de Commissie aanvaarde wijzigingen zijn aangebracht. Artikel 16.26, eerste tot en met derde lid, is niet van toepassing. Artikel 16.26, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Het nationale toewijzingsplan geldt met ingang van de dag na die waarop in de Staatscourant een mededeling is gedaan als bedoeld in artikel 16.26, vijfde lid, dan wel, indien het plan dient te worden gewijzigd naar aanleiding van de beoordeling door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, bedoeld in dat lid, de dag waarop het overeenkomstig artikel 16.26, vierde lid, in verbinding met artikel 16.27, laatste volzin, is bekendgemaakt in de Staatscourant.

In een geval als bedoeld in artikel 16.25, tweede lid, onder c, wijzen Onze Ministers ambtshalve de broeikasgasemissierechten die niet zijn toegewezen, voor 1 oktober van het een na laatste kalenderjaar van de desbetreffende planperiode toe aan degenen die een inrichting drijven en aan wie in de desbetreffende planperiode reeds eerder broeikasgasemissierechten zijn toegewezen. Het besluit omtrent toewijzing wordt genomen overeenkomstig de daaromtrent in het geldende nationale toewijzingsplan opgenomen regels.

Indien degene die een inrichting drijft, ter voldoening aan artikel 16.37, eerste lid, met betrekking tot een kalenderjaar minder broeikasgasemissierechten, emissiereductie-eenheden of gecertificeerde emissiereducties heeft ingeleverd dan overeenkomt met de hoeveelheid van de emissie, die de inrichting gedurende dat kalenderjaar heeft veroorzaakt, wordt het aantal broeikasgasemissierechten dat hij in het daarop volgende kalenderjaar ter uitvoering van dat artikel dient in te leveren, van rechtswege verhoogd met het aantal broeikasgasemissierechten, emissiereductie-eenheden of gecertificeerde emissiereducties dat hij te weinig had ingeleverd.

Een ieder kan broeikasgasemissierechten, emissiereductie-eenheden en gecertificeerde emissiereducties bezitten.

Onze Minister kan regels stellen ter uitvoering van de EG-verordening registratie handel in broeikasgasemissierechten.

Voor de toepassing van deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder projectdeelnemer: persoon die een verzoek om instemming als bedoeld in artikel 16.46b, derde lid, of artikel 16.46c, derde lid, in verbinding met artikel 16.46b, derde lid, indient.

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de bescherming van het milieu dan wel ter uitvoering van een voor Nederland verbindend verdrag of een voor Nederland verbindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie voor een bij de maatregel aangegeven tijdvak regels worden gesteld omtrent het aantal NOx-emissierechten dat degene die een inrichting drijft, in een kalenderjaar opbouwt per bij de maatregel aangegeven eenheid brandstof die in de NOx-installatie wordt verbruikt, of, in bij de maatregel aangegeven gevallen, per bij de maatregel aangegeven eenheid product dat in de NOx-installatie wordt vervaardigd.

Het aantal NOx-emissierechten dat degene die een inrichting drijft, ter voldoening aan het bepaalde in artikel 16.51, eerste lid, ten behoeve van enig kalenderjaar mag inleveren, wordt bepaald door:

Artikel 16.46 is van overeenkomstige toepassing.

Onze Minister zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel I, van de wet van 28 april 2005 tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten ten behoeve van de invoering van een systeem van handel in emissierechten met het oog op het beperken van de emissies van stikstofoxiden (handel in NOx-emissierechten) (Stb. 233), en vervolgens telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze titel in de praktijk.

Indien zich in een inrichting een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, treft degene die de inrichting drijft, onmiddellijk de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd, om de gevolgen van die gebeurtenis te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken.

Het bevoegd gezag ziet er op toe dat de nodige gegevens worden verzameld om een ongewoon voorval, als bedoeld in artikel 17.1, te analyseren en de oorzaken ervan te achterhalen. Om herhaling te voorkomen wijzigt het zo nodig de vergunning met toepassing van de artikelen 8.22 of 8.23, of doet het zo mogelijk daarop gerichte aanbevelingen.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

overtreding: gedraging die in strijd is met het bij of krachtens hoofdstuk 16 bepaalde, artikel 18.18, voorzover het een voorschrift betreft dat is verbonden aan een vergunning krachtens hoofdstuk 16, of artikel 22, eerste lid, van de EG-verordening registratie handel in broeikasgasemissierechten;

overtreder: de persoon die de overtreding pleegt of medepleegt;

bestuurlijke boete: bestuurlijke sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom, gericht op bestraffing van de overtreder;

dwangbevel: schriftelijk bevel van een bestuursorgaan dat ertoe strekt de betaling van een geldsom af te dwingen, voorzover de verplichting tot betaling van de geldsom uitsluitend aan dat bestuursorgaan voortvloeit uit een bij of krachtens deze wet gestelde regel;

onderzoek: handelingen die worden verricht met het oog op de vaststelling dat al dan niet een overtreding is begaan.

Bij het uitoefenen van de taak, bedoeld in de artikelen 18.2 tot en met 18.2d, wordt rekening gehouden met het voor het betrokken bestuursorgaan geldende milieubeleidsplan.

De emissieautoriteit draagt zorg voor de handhaving van de bij of krachtens hoofdstuk 16 gestelde verplichtingen.

Gedeputeerde staten dragen zorg voor de coördinatie van de uitvoering van het bepaalde krachtens artikel 18.3 in de provincie.

Onze Minister draagt zorg voor de coördinatie van de uitvoering van het bepaalde krachtens artikel 18.3, voorzover die coördinatie naar zijn oordeel van meer dan provinciaal belang is.

De krachtens artikel 18.4 aangewezen ambtenaren zijn voor de vervulling van hun taak met betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.

Het bevoegd gezag is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover het betreft de verplichting tot het verlenen van medewerking aan de krachtens artikel 18.4 aangewezen ambtenaren.

Onze betrokken Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wet in gevallen waarin:

Artikel 18.7, aanhef en onder b, is niet van toepassing voorzover het betreft de handhaving van het bij of krachtens hoofdstuk 16 bepaalde.

Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang krachtens artikel 18.7 behoort het in Nederland door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan beheren van afvalstoffen in gevallen waarin die afvalstoffen in strijd met het bij of krachtens de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen of titel 10.7 bepaalde, binnen of buiten Nederlands grondgebied worden gebracht.

Het bestuursorgaan dat een beschikking tot toepassing van bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom heeft gegeven terzake van overtreding van de artikelen 1.1a, 10.1, 10.2 of 10.54, van artikel 13 van de Wet bodembescherming of van het bepaalde bij of krachtens de Wet milieugevaarlijke stoffen, zendt onverwijld een afschrift van die beschikking aan de bestuursorganen die eveneens bevoegd zijn tot bestuursrechtelijke handhaving van die bepalingen.

Indien een verzoek als bedoeld in artikel 5:34 van de Algemene wet bestuursrecht wordt gedaan, geeft het bestuursorgaan dat de last onder dwangsom heeft opgelegd, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken, de beschikking op het verzoek.

In een geval als aangegeven krachtens artikel 8.35, geeft het bevoegd gezag geen beschikking tot toepassing van bestuursdwang, oplegging van een last onder dwangsom of intrekking van een vergunning dan na overleg met Onze Minister, voorzover het uitoefenen van die bevoegdheid verplichtingen betreft, die betrekking hebben op de continuïteit of de capaciteit, bedoeld in artikel 10.5, tweede lid.

Het bestuursorgaan zendt een afschrift van de beschikking tot toepassing van bestuursdwang, tot oplegging van een last onder dwangsom of tot intrekking van zodanige beschikkingen dan wel van de beschikking tot intrekking van een vergunning of ontheffing aan:

Het bestuur van de emissieautoriteit legt geen bestuurlijke boete op voorzover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.

Het bestuur van de emissieautoriteit legt geen bestuurlijke boete op indien aan de overtreder wegens dezelfde gedraging reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een mededeling als bedoeld in artikel 18.16i, derde lid, onder a, is gedaan.

De beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete vermeldt:

Artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de aanmaning, bedoeld in artikel 18.16m, derde lid, en het dwangbevel, bedoeld in artikel 18.16n, eerste lid.

Een gedraging in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan een krachtens deze wet verleende vergunning of ontheffing, is verboden.

Vervallen

Na het einde van de termijn waarbinnen beroep kan worden ingesteld tegen een beschikking als bedoeld in artikel 13.1 waarop afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, wordt, zolang zij niet is tenietgegaan, door het bevoegd gezag aan een ieder desgevraagd kosteloos inzage gegeven in en tegen vergoeding van ten hoogste de kosten een exemplaar verstrekt van de beschikking en voor zover mogelijk van de stukken die in verband met de totstandkoming daarvan overeenkomstig deze wet dan wel afdeling 3.5 of artikel 3:44 of 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage dienden te worden gelegd.

Onverminderd artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur verstrekt een bestuursorgaan uit eigen beweging informatie over de openbare verantwoordelijkheden en functies die het heeft alsmede de openbare diensten die het verleent met betrekking tot het milieu.

Vervallen

De artikelen 19.3 tot en met 19.5 zijn van overeenkomstige toepassing op gegevens die voorkomen in een stuk ten aanzien waarvan openbaarmaking wordt voorgeschreven of die uit zodanig stuk kunnen worden afgeleid en die niet als milieu-informatie zijn te beschouwen.

Indien bij de voorbereiding van een besluit dat is aangewezen krachtens artikel 7.2 ter zake van een activiteit bij de voorbereiding waarvan een milieu-effectrapport moet worden gemaakt, dan wel van een besluit inzake vergunning voor een inrichting krachtens artikel 8.1, ingevolge een wettelijk voorschrift of een besluit van het bevoegd gezag informatie openbaar wordt gemaakt, en dat wettelijk voorschrift of besluit zich op andere gronden dan voorzien in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur tegen de openbaarmaking verzet, is artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur van overeenkomstige toepassing en blijft het wettelijk voorschrift of besluit dat zich tegen de openbaarmaking verzet, buiten toepassing. Indien milieu-informatie niet ter inzage wordt gelegd, wordt daarvan mededeling gedaan.

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 20.3 is niet van toepassing op besluiten:

In gevallen waarin het onverwijld in werking treden van een besluit als bedoeld in artikel 20.1, eerste lid, naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is, kan het in afwijking van artikel 20.3, eerste lid, in het besluit bepalen dat het terstond in werking treedt.

Vervallen

In afwijking van artikel 20.3, eerste lid, eerste volzin, treedt een besluit als bedoeld in artikel 20.6, eerste lid, in gevallen als bedoeld in artikel 8.5, tweede lid, - waarin de vergunning betrekking heeft op het oprichten of veranderen van een inrichting, dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet - niet eerder in werking dan nadat de betrokken bouwvergunning is verleend.

Indien in een geval als bedoeld in artikel 8.28 ingevolge dit hoofdstuk beroep is ingesteld tegen een beschikking op de aanvraag om verlening of wijziging van een vergunning krachtens artikel 7 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en krachtens artikel 8.1 of artikel 8.24 van deze wet een daarmee samenhangende beschikking is gegeven, kan de uitspraak in beroep ook op de laatstbedoelde beschikking betrekking hebben.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De stichting heeft tot taak aan de administratieve rechter op diens verzoek deskundigenbericht uit te brengen inzake beroepen op grond van artikel 20.1 van deze wet. Op verzoek van de administratieve rechter brengt de stichting tevens deskundigenbericht uit inzake beroepen op grond van andere wetten, voor zover het onderwerpen betreft die samenhangen met aspecten van het milieubeheer waarvoor Onze Minister verantwoordelijk is.

De personen die deel uitmaken van de organen van de stichting, en het personeel van de stichting vervullen geen functies en betrekkingen, waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op de handhaving van de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de stichting dan wel van het vertrouwen daarin.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Een bestuursorgaan verstrekt Onze Minister de gegevens die hij nodig heeft ter uitvoering van de in artikel 16 van de EG-richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging opgelegde verplichting tot informatieverstrekking. Bij ministeriële regeling kunnen daaromtrent nadere regels worden gesteld.

Vervallen

Voor de uitvoering van deze wet ten aanzien van gebieden die niet deel uitmaken van een gemeente of provincie, worden, voor zover nodig, bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld ten aanzien van de bestuursorganen die de in deze wet vervatte bevoegdheden uitoefenen en ten aanzien van de bestuursorganen die bij die uitvoering dienen te worden betrokken.

De bevoegdheid van gemeenteraden en waterschappen tot het maken van verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin hoofdstuk 10 voorziet, gehandhaafd, voor zover deze verordeningen niet met het bij of krachtens deze wet bepaalde in strijd zijn.

Indien in deze wet geregelde onderwerpen in het belang van een goede uitvoering van deze wet nadere regeling behoeven, kan deze geschieden bij algemene maatregel van bestuur.

Het bevoegd gezag draagt ervoor zorg dat vergunningen, verleend krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor inrichtingen waartoe gpbv-installaties behoren, voor zover die niet in overeenstemming zijn met de regels die voor 31 oktober 2007 ter uitvoering van de EG-richtlijn geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging bij of krachtens deze wet zijn gesteld, uiterlijk met ingang van die datum daarmee in overeenstemming zijn.

Deze wet kan worden aangehaald als: Wet milieubeheer.

Vervallen

Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.