U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 28-05-2003.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 18 november 1986, houdende uitvoering van de artikele 4, eerste lid, 5, 6, vierde lid, 13, eerste lid, onder a, tweede en derde lid, 14, zevende en negende lid, 15, tweede lid, 16, vierde lid, 19, derde en vierde lid, 65, derde lid, en 67, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffenKennisgevingsbesluit Wet milieugevaarlijke stoffenWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 12 februari 1986, no. MJZ 1226008, Centrale Directie Juridische Zaken, mede uit naam van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mr. A. Kappeyne van de Coppello;

Gelet op de artikelen 4, eerste lid, 5, 6, vierde lid, 13, eerste lid, onder a, tweede en derde lid, 14, zevende en negende lid, 15, tweede lid, 16, vierde lid, 19, derde en vierde lid, 65, derde lid, en 67, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1985, 639);

De Raad van State gehoord (advies van 12 augustus 1986, no.W08.86.0085.);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 november 1986, no. MJZ 11N6002, Centrale Directie Juridische Zaken, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage18 november 1986BeatrixDe Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,E. H. T. M. NijpelsDe Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,L. de Graafde elfde december 1986De Minister van Justitie,F. Korthals Altes

In dit besluit wordt verstaan onder:

Het is verboden een stof, al dan niet verwerkt in een preparaat, in Nederland in te voeren, dan wel aan een ander ter beschikking te stellen:

Onze Minister kan bepalen dat degene die een kennisgeving doet als bedoeld in artikel 2 of artikel 2a die betrekking heeft op een polymeer, in afwijking van artikel 2, eerste en tweede lid, onderscheidenlijk artikel 2a, eerste en tweede lid, met betrekking tot die stof de door Onze Minister aan te wijzen gegevens dient over te leggen.

Onze Minister kan, indien ten aanzien van een tussenproduct met een beperkte blootstelling als bedoeld in punt 7 van bijlage VII.A van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen aan de aldaar bedoelde voorwaarden wordt voldaan, op verzoek van de kennisgever, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, toestemming geven om, in afwijking van artikel 2, eerste en tweede lid, met betrekking tot dat tussenproduct de door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij ministeriële regeling aan te wijzen gegevens over te leggen.

Indien voor een buiten de Europese Economische Ruimte vervaardigde stof meer dan één kennisgeving is gedaan en deze kennisgevingen betrekking hebben op een stof die is vervaardigd door dezelfde fabrikant, en de totaal ingevoerde hoeveelheid van de stof de grens bereikt van 10 ton per jaar per fabrikant of 50 ton in totaal per fabrikant, 100 ton per jaar per fabrikant of 500 ton in totaal per fabrikant of 1000 ton per jaar per fabrikant of 5000 ton in totaal per fabrikant:

Vervallen

De gegevens, bedoeld in de artikelen 6, tweede lid, 13, eerste lid, 14, tweede lid, 15, tweede lid, en 16, eerste lid, van de wet, onderscheidenlijk in de artikelen 10, tweede lid, 11, derde lid, en 12, vijfde en zesde lid kunnen door Onze Minister dan wel Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid worden toegezonden aan:

Onverminderd artikel 65, eerste en tweede lid, van de wet is een gedraging in strijd met artikel 2e of met de artikelen 10 tot en met 12 een strafbaar feit.

Met betrekking tot stoffen die door het in werking treden van artikel 1, onder b, niet als polymeer worden aangemerkt, zijn de artikelen 3 tot en met 18 van de wet, voor zover deze artikelen betrekking hebben op het in Nederland invoeren of het in de Europese Economische Ruimte aan een ander ter beschikking stellen van een stof, niet van toepassing indien degene die deze stoffen invoert of ter beschikking stelt, aantoont dat zij vóór 31 oktober 1993 in de Europese Gemeenschappen werden ingevoerd of aan een ander ter beschikking werden gesteld.

Vervallen