U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 10-10-2010.

Regeling · BWBR0004788

Wet militair tuchtrecht

Wijzigingen Officiële bron
Rijkswet van 14 juni 1990, tot herziening van het militair tuchtrechtWet militair tuchtrechtWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de gedragsregels van het militair tuchtrecht vast te stellen bij de wet, alsmede nieuwe voorschriften te geven inzake de tuchtstraffen en de behandeling van tuchtzaken;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage14 juni 1990BeatrixDe Minister van Defensie,A. L. ter BeekDe Minister van Justitie,E. M. H. Hirsch Ballinde negentiende juli 1990De Minister van Justitie,E. M. H. Hirsch Ballin

De zowel in deze wet als in het Wetboek van Militair Strafrecht voorkomende uitdrukkingen hebben in beide dezelfde betekenis. Artikel 61 van het Wetboek van Militair Strafrecht is van toepassing.

De straffen, in deze wet voorzien, zijn van toepassing op de militair die een gedragsregel van deze wet schendt.

In deze wet wordt onder beschuldigde verstaan de militair aan wie een beschuldiging is uitgereikt op grond van het op feiten of omstandigheden gebaseerde vermoeden dat hij een in deze wet omschreven gedragsregel heeft geschonden.

Indien een Nederlandse militair behoort tot een internationaal militair samenwerkingsverband wordt ten aanzien van die Nederlandse militair voor de toepassing van Hoofdstuk II van deze wet mede verstaan onder:

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die ongeoorloofd afwezig is.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair aan wiens schuld het is te wijten dat hij niet in staat is dienstverplichtingen te vervullen.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die zich onttrekt aan dienstverplichtingen, deze verplichtingen zonder toestemming niet vervult of ophoudt te vervullen.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich hij die zijn taak als militair onzorgvuldig verricht.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, geen hulp verleent, indien en voor zover deze nodig is en kan worden gevergd.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die zich door lijdelijkheid of onwilligheid tegen militaire diensten verzet.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een dienstbevel niet opvolgt.

Het voorgaande artikel is niet toepasselijk indien de bevolen gedraging onrechtmatig is of door de militair te goeder trouw als onrechtmatig werd beschouwd.

Indien twee of meer onderling strijdige dienstbevelen zijn gegeven, is het niet opvolgen van een bevel dat voorafgaat aan het laatst gehandhaafde geen met de militaire tucht strijdige gedraging.

Het voorgaande artikel is niet toepasselijk indien een van het dienstvoorschrift afwijkend dienstbevel is opgevolgd.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, in het openbaar of in zijn tegenwoordigheid met enig kwaad bedreigt, uitscheldt of bespot.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die tegen beter weten in een aantijging tegen of een klacht over een andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is inbrengt of inzendt.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die de persoon van een andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, aantast.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, nodeloos in gevaar brengt.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een mededeling, die hij uit hoofde van zijn ambt moet doen, niet of onjuist doet.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die, wetende dat een mindere inbreuk maakt of heeft gemaakt op een gedragsregel van deze wet, nalaat maatregelen te nemen.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een onrechtmatig bevel geeft aan een mindere.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die wanordelijkheden veroorzaakt of daaraan deelneemt.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een geschrift verspreidt of op enige andere wijze openbaar maakt op een plaats, een tijdstip of een wijze, waaromtrent bij dienstvoorschrift een verbod is gegeven in het belang van het verkeer of ter voorkoming van belemmering van de dienst of ter bescherming van rijksgoederen of goederen van derden.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die inbreuk maakt op de regels die bij dienstvoorschrift zijn vastgelegd inzake meningsuiting die anders dan door middel van geschrift plaatsvindt, voorzover die regels niet de inhoud van de uiting betreffen, en zijn gegeven in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van ongeregeldheden en verstoringen van het ordelijk verloop van de dienst.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die een vergadering organiseert of daaraan deelneemt, indien die op een militaire plaats wordt gehouden zonder dat toestemming is gevraagd van het bevoegd gezag, dan wel indien de toestemming is geweigerd in het belang van het verkeer, of omdat redelijkerwijs is te verwachten dat ongeregeldheden zullen plaatsvinden of het ordelijk verloop van de dienst zal worden verstoord.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die enig goed, in gebruik bij of ten behoeve van de krijgsmacht, onzorgvuldig behandelt of onderhoudt.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die in uniform nodeloos slordig gekleed gaat.

In strijd met de militaire tucht gedraagt zich de militair die de aan een andere militair of iemand, die anderszins bij of ten behoeve van de krijgsmacht werkzaam is, voor persoonlijk gebruik ter beschikking gestelde ruimte niet respecteert.

De straffen zijn:

Bij of krachtens algemene maatregel van Rijksbestuur worden regels gesteld met betrekking tot de invordering, de inhouding, de verantwoording en de bestemming van de ingevorderde of ingehouden gelden.

De beschuldiging vermeldt:

Het feitelijk verblijf onder de wapenen kan door de beklagmeerdere worden verlengd voor het houden van een tuchtproces in eerste aanleg, behoudens in het geval bedoeld in artikel 80, eerste lid.

Medebeschuldigden in dezelfde zaak worden niet als vertrouwensman toegelaten.

Het optreden als vertrouwensman is dienst.

De beschuldigde en zijn vertrouwensman kunnen na de uitreiking van de beschuldiging de op de zaak betrekking hebbende stukken inzien, tenzij het belang van geheimhouding van gegevens of het belang van derden zich daartegen verzet.

De beschuldigde is niet verplicht te antwoorden. Dit wordt hem voor of bij de aanvang van het onderzoek ter kennis gebracht.

De beschuldigde wordt voor de sluiting van het onderzoek in de gelegenheid gesteld het laatste woord te voeren.

Als bewijsmiddelen worden alleen erkend:

Op zichzelf leveren voldoende grondslag voor de overtuiging dat de in de beschuldiging omschreven gedraging heeft plaatsgevonden:

Feiten of omstandigheden van algemene bekendheid behoeven geen bewijs.

Na sluiting van het onderzoek beraadt de commandant zich of hij door de inhoud van de in artikel 70 genoemde bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen dat een in de beschuldiging omschreven gedraging van de beschuldigde heeft plaatsgevonden en, in bevestigend geval, of zulks de schending van een gedragsregel oplevert.

Bij bestraffing van een militair die een of meer in deze wet genoemde gedragsregels heeft geschonden, wordt slechts een straf opgelegd.

De uitspraak vermeldt in ieder geval:

De gestrafte is niet verplicht te antwoorden. Dit wordt hem voor of bij aanvang van het onderzoek op beklag ter kennis gebracht.

De gestrafte wordt voor de sluiting van het onderzoek op beklag in de gelegenheid gesteld het laatste woord te voeren.

Ten aanzien van de bewijsmiddelen zijn de bepalingen van paragraaf 5 van Titel I van dit hoofdstuk van toepassing. Als bewijsmiddel wordt tevens erkend de eigen waarneming door de beklagmeerdere tijdens het onderzoek op beklag.

Indien de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf is opgeschort of geschorst, wordt, als de beslissing van de beklagmeerdere daartoe aanleiding geeft, de straf of het resterende deel van de straf zo spoedig mogelijk ten uitvoer gelegd.

Als dag van indiening geldt de dag van ontvangst van het beroepschrift door of namens de commandant. De dag van ontvangst wordt terstond op het beroepschrift aangetekend.

Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Een beslissing ter zake is gemotiveerd.

Zodra het beroepschrift is ingediend, kan de voorzitter van de militaire kamer, bedoeld in artikel 87, de tenuitvoerlegging van een straf van strafdienst of van uitgaansverbod opschorten of schorsen. Hiervan wordt aantekening gesteld op het beroepschrift.

De griffier van het gerecht stelt zo spoedig mogelijk afschriften van het beroepschrift en van de op de zaak betrekking hebbende stukken ter beschikking van het openbaar ministerie.

Het openbaar ministerie kan desgewenst bij de behandeling van het beroep zijn oordeel over de zaak kenbaar maken aan de militaire kamer.

De beslissing waartegen beroep is ingesteld wordt vernietigd:

Indien bij de beslissing in beroep een reeds geheel of gedeeltelijk tenuitvoergelegde straf van strafdienst of van uitgaansverbod wordt tenietgedaan of verminderd, of een beroep als bedoeld in artikel 81, vierde lid, geheel of gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, bepaalt het gerecht, volgens bij of krachtens algemene maatregel van Rijksbestuur te stellen regelen, op welke wijze het door de gestrafte geleden nadeel zal worden hersteld.

Indien de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf is opgeschort of geschorst, wordt, als de beslissing van het gerecht daartoe aanleiding geeft, de straf of het resterende deel van de straf zo spoedig mogelijk ten uitvoer gelegd.

Tegen de beslissing in beroep staat geen verdere voorziening open, onverminderd de bevoegdheid van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad om zich in het belang der wet in cassatie te voorzien.

Indien het beroep is ingesteld bij een mobiele rechtbank, is het bepaalde in deze paragraaf omtrent de militaire kamer van overeenkomstige toepassing.

Onverminderd de bepalingen van het Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen, van 12 augustus 1949, is deze wet, met uitzondering van hoofdstuk III, van overeenkomstige toepassing op krijgsgevangenen en andere geïnterneerde personen die ingevolge artikel 65 van het Wetboek van Militair Strafrecht gedeeltelijk met Nederlandse militairen zijn gelijkgesteld, met dien verstande dat:

De Wet op de Krijgstucht wordt ingetrokken, behoudens het bepaalde in de volgende artikelen.

De krijgstuchtelijke straffen, op grond van de Wet op de Krijgstucht opgelegd voor het tijdstip van inwerkingtreden van deze Rijkswet, of met toepassing van artikel 107, eerste lid, van deze Rijkswet opgelegd, worden ten uitvoer gelegd op de wijze als bij of krachtens die wet bepaald.

De Algemene termijnenwet (wet van 25 juli 1964, Stb. 314) is van toepassing.

Deze Rijkswet kan worden aangehaald als "Wet militair tuchtrecht".

Deze Rijkswet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.