Regeling · BWBR0005321

Bouwbesluit

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 16 december 1991, houdende technische voorschriften omtrent het bouwen van bouwwerken en de staat van bestaande bouwwerkenBouwbesluitWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordrachten van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 23 januari 1991, nr. MJZ20d90002, en van 16 juli 1991, nr. MJZ16791004, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Overwegende, dat uit het oogpunt van veiligheid technische voorschriften moeten worden gegeven omtrent het bouwen van een bouwwerk en de staat van een bestaand bouwwerk die ertoe strekken dat gevaar voor gebruikers van dat bouwwerk of voor derden wordt voorkomen of beperkt;

dat uit het oogpunt van gezondheid technische voorschriften moeten worden gegeven omtrent het bouwen van een bouwwerk en de staat van een bestaand bouwwerk die ertoe strekken dat schadelijke of hinderlijke gevolgen voor gebruikers van dat bouwwerk of voor derden worden voorkomen of beperkt;

dat uit het oogpunt van bruikbaarheid technische voorschriften moeten worden gegeven omtrent het bouwen van een bouwwerk en de staat van een bestaand bouwwerk die ertoe strekken dat in dat bouwwerk de voor dat bouwwerk kenmerkende activiteiten kunnen worden verricht;

dat uit het oogpunt van energiezuinigheid technische voorschriften moeten worden gegeven omtrent het bouwen van een gebouw die ertoe strekken dat dat gebouw bijdraagt tot een zuinig verbruik van energie in dat gebouw;

dat voorschriften moeten worden gegeven ter uitvoering van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake voor de bouw bestemde produkten (89/106/EEG, PbEG L40);

Gelet op de artikelen 2, 3, 5, 6, 88 en 120 van de Woningwet (Stb. 1991, 439);

De Raad van State gehoord (advies van 4 september 1991, no.W08.91.0043);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 december 1991, nr. MJZ 13d91024, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage16 december 1991BeatrixDe Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,E. Heermade eenendertigste december 1991De Minister van Justitie,E. M. H. Hirsch Ballin

Een hoogteverschil van meer dan 0,21 m tussen vloeren van verblijfsgebieden, toiletruimten, badruimten en gemeenschappelijke verkeersruimten dan wel tussen één van die vloeren en het aansluitende terrein moet, opdat die gebieden en ruimten op veilige wijze kunnen worden bereikt en verlaten, zijn overbrugd door een trap of hellingbaan.

Onverminderd de artikelen 12 tot en met 18, moet een woongebouw waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 70 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw, wat brandveiligheid betreft zodanig zijn ingericht dat het gebouw in gelijke mate brandveilig is als is beoogd met de bij of krachtens die artikelen gegeven voorschriften.

De getalwaarde van de in NEN 5078 bedoelde totale geluidsabsorptie van een besloten gemeenschappelijke verkeersruimte die is bestemd voor het ontsluiten van in een woongebouw gelegen woningen, moet, ter beperking van geluidhinder in aan die verkeersruimte grenzende woningen, in elk van de octaafbanden met middenfrequenties van 250, 500, 1000 en 2000 Hz, uitgedrukt in m2 en bepaald overeenkomstig die norm, ten minste gelijk zijn aan 1/8 van de getalwaarde van de inhoud van die ruimte, uitgedrukt in m3.

Bij ministeriële regeling kunnen, ter beperking van de aanwezigheid in of bij een woning of woongebouw van een voor de gezondheid onaanvaardbare mate van vergiftige of hinderlijke stoffen of van ioniserende stralen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Kernenergiewet (Stb. 1963, 82), voorschriften worden gegeven omtrent het in de constructie toepassen van materialen waaruit die stoffen kunnen vrijkomen of die stralen kunnen ontstaan.

Bij ministeriële regeling kunnen, ter beperking van blootstelling van gebruikers van een woning of woongebouw aan uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling, voorschriften worden gegeven waaraan een uitwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met de grond, alsmede een constructie die de scheiding vormt tussen een woning of woongebouw en de kruipruimte, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die constructie aan dit artikel, moeten voldoen.

In afwijking in zoverre van artikel 49, mag de buitenruimte van een in een woongebouw gelegen woning met een gebruiksoppervlakte van minder dan 50 m2, deel uitmaken van een gemeenschappelijke buitenruimte, mits die gemeenschappelijke buitenruimte:

Onverminderd de artikelen 70 en 71, heeft ter verdere besparing van energie, een woning geen deel uitmakend van een woongebouw, of een woongebouw, bepaald volgens NEN 5128, een energieprestatiecoëfficiënt, als bedoeld in die norm, van ten hoogste 1.

Een hoogteverschil van meer dan 0,22 m tussen vloeren van verblijfsruimten, toiletruimten, badruimten en gemeenschappelijke verkeersruimten dan wel tussen één van die vloeren en het aansluitende terrein moet, opdat die ruimten op veilige wijze kunnen worden bereikt en verlaten, zijn overbrugd door een trap of hellingbaan.

Een voorziening voor gas moet, opdat op veilige wijze over energie kan worden beschikt, zijn aangesloten op het distributienet van gas en moet ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor gas van de Vereniging van Exploitanten van Gasbedrijven in Nederland.

Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich in enige stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg, moet, ter voorkoming van gevaar voor gebruikers van die weg, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, hoger zijn gelegen dan 4,2 m boven die weg.

Een woongebouw waarin een vloer van een verblijfsruimte hoger is gelegen dan 20 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw, moet, met het oog op brandbestrijding, zijn voorzien van een of meer droge blusleidingen die voldoen aan bij ministeriële regeling gegeven voorschriften.

Indien een toegang van een woongebouw is voorzien van een deur die van buitenaf alleen met behulp van een sleutel kan worden geopend, moet die deur, met het oog op het tegengaan van veel voorkomende criminaliteit, zelfsluitend zijn en moet ter plaatse van die deur aan de buitenkant een voorziening aanwezig zijn waarmee een in de woning waarneembaar signaal kan worden gegeven.

Een constructie die de scheiding vormt tussen een badruimte en een andere besloten ruimte, de buitenlucht, de grond of het water, mag, ter beperking van het vanuit de badruimte kunnen binnendringen van vocht in die constructie, aan de naar de badruimte toegekeerde oppervlakte tot een hoogte van 1 m boven de vloer van die ruimte, bepaald overeenkomstig NEN 2778, gemiddeld geen grotere wateropname als bedoeld in die norm hebben dan 0,01 kg/(m2.s½), met dien verstande dat op geen enkele plaats op die oppervlakte de wateropname groter mag zijn dan 0,2 kg/(m2.s½).

De inrichting van een voorziening voor warm water moet, opdat kan worden beschikt over voor de menselijke hygiëne geschikt warm water, ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor drinkwater van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland.

Een gemeenschappelijke badruimte in een woongebouw moet, met het oog op het zich kunnen wassen, een vloeroppervlakte hebben van ten minste 0,36 m2, waarvan de breedte ten minste 0,6 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2 m is.

Een beweegbaar constructie-onderdeel van een woonwagen mag zich, ter voorkoming van gevaar voor gebruikers van een aangrenzend perceel of terrein of van een aangrenzende openbare weg, in geopende stand slechts bevinden boven de standplaats waarop de woonwagen is geplaatst.

De in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een woonwagen moet, ter beperking van geluidhinder in de woonwagen, bepaald overeenkomstig die norm, ten minste 20 dB(A) zijn.

Een uitwendige scheidingsconstructie van een woonwagen moet, ter beperking van het kunnen binnendringen van vocht in de woonwagen, bepaald overeenkomstig NEN 2778, waterdicht zijn.

Bij ministeriële regeling kunnen, ter beperking van de aanwezigheid in de woonwagen van een voor de gezondheid onaanvaardbare mate van vergiftige of hinderlijke stoffen of van ioniserende stralen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Kernenergiewet, voorschriften worden gegeven omtrent het in de constructie van een woonwagen toepassen van materialen waaruit die stoffen kunnen vrijkomen of die stralen kunnen ontstaan.

Bij ministeriële regeling kunnen, ter beperking van blootstelling van gebruikers van een woonwagen aan uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling, voorschriften worden gegeven waaraan de vloer van een woonwagen moet voldoen.

De toegang van een woonwagen moet, met het oog op de toegankelijkheid, een vrije doorgang hebben met een breedte van ten minste 0,8 m en een hoogte van ten minste 2,1 m.

Het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een woonwagen mag, ter beperking van warmteverlies door tocht, bepaald overeenkomstig NEN 2686, geen grotere luchtvolumestroom als bedoeld in die norm hebben dan 0,2 m3/s.

Een uitwendige scheidingsconstructie van een woonwagen moet, ter beperking van het kunnen binnendringen van vocht in de woonwagen, bepaald overeenkomstig NEN 2778, waterdicht zijn.

Een constructie die de scheiding vormt tussen een badruimte en een andere besloten ruimte of de buitenlucht mag, ter beperking van het vanuit de badruimte kunnen binnendringen van vocht in die constructie, aan de naar de badruimte toegekeerde oppervlakte tot een hoogte van 1 m boven de vloer van die ruimte, bepaald overeenkomstig NEN 2778, gemiddeld geen grotere wateropname als bedoeld in die norm hebben dan 0,01 kg/(m2.s½), met dien verstande dat op geen enkele plaats op die oppervlakte de wateropname groter mag zijn dan 0,2 kg/(m2.s½).

Tot een woonwagen behoren, opdat spijzen kunnen worden bereid, een opstelplaats voor een aanrecht en een opstelplaats voor een kooktoestel, gelegen in een besloten ruimte.

Een hoogteverschil van meer dan 0,21 m tussen vloeren van verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten dan wel tussen één van die vloeren en het aansluitende terrein, moet, opdat die vloeren op veilige wijze kunnen worden bereikt en verlaten, zijn overbrugd door een trap of hellingbaan.

Een voorziening voor gas moet, opdat op veilige wijze over energie kan worden beschikt, ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor gas van de Vereniging van Exploitanten van Gasbedrijven in Nederland.

Een gebouw, voor zover dat een voor mensen toegankelijke, overdekte en geheel met wanden omsloten ruimte vormt, moet zodanig zijn ingericht in rookcompartimenten dat bij brand rook zich niet binnen korte tijd kan verspreiden naar een ander deel van het gebouw of naar een ander gebouw, de loopafstand vanaf een punt in een rookcompartiment, gemeten langs de kortste route, naar de toegang van het rookcompartiment beperkt is, en dat een ruimte waardoor een vluchtweg voert in voldoende mate gevrijwaard blijft van rook.

Een gebouw, voor zover dat een voor mensen toegankelijke, overdekte en geheel met wanden omsloten ruimte vormt, moet, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, zodanig zijn ingericht dat daarin voldoende vluchtmogelijkheden aanwezig zijn.

Onverminderd artikel 174, zevende lid, moet een vluchtmogelijkheid als bedoeld in artikel 189, zodanig zijn ingericht dat gebruikers van het gebouw bij brand op doeltreffende en voldoende veilige wijze binnen redelijke tijd naar het aan het gebouw aansluitende terrein kunnen vluchten.

Een gebouw, voor zover dat een voor mensen toegankelijke, overdekte en geheel met wanden omsloten ruimte vormt, moet zodanig zijn ingericht dat in het gebouw aanwezige personen bij brand binnen redelijke tijd eigener beweging het gebouw kunnen verlaten dan wel binnen redelijke tijd door de brandweer kunnen worden gered.

In een gebouw moeten, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, zodanige voorzieningen aanwezig zijn dat een brand binnen redelijke tijd kan worden geblust.

Het in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidsniveau van een toilet met waterspoeling, een warmwatertoestel, een hydrofoorinstallatie, een kraan, een mechanisch ventilatiesysteem of een lift mag, ter beperking van geluidsoverlast, bepaald overeenkomstig die norm, in een niet tot het gebouw behorend verblijfsgebied niet hoger zijn dan 30 dB(A).

Bij ministeriële regeling kunnen, ter beperking van de aanwezigheid in of bij een gebouw van een voor de gezondheid onaanvaardbare mate van vergiftige of hinderlijke stoffen of van ioniserende straling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Kernenergiewet, voorschriften worden gegeven omtrent het in de constructie toepassen van materialen waaruit die stoffen kunnen vrijkomen of die stralen kunnen ontstaan.

Bij ministeriële regeling kunnen, ter beperking van de blootstelling van gebruikers van een gebouw waarin een verblijfsgebied is gelegen, aan uit de grond afkomstige schadelijke stoffen of straling, voorschriften worden gegeven waaraan een uitwendige scheidingsconstructie die de scheiding vormt met de grond, alsmede een constructie die de scheiding vormt met de kruipruimte van het gebouw, met inbegrip van de op die constructie aansluitende delen van andere constructies, voor zover die delen van invloed zijn op het voldoen van die constructie aan dit artikel, moeten voldoen.

Een verblijfsruimte moet een vloeroppervlakte hebben van ten minste 5 m2, waarvan de breedte ten minste 1,8 m en de hoogte boven die oppervlakte ten minste 2,4 m is.

De verlichtingsinstallatie, bedoeld in artikel 180, eerste lid, van een kantoorgebouw met een gebruiksoppervlakte van meer dan 1000 m2, moet zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom als bedoeld in artikel 180, derde lid.

Onverminderd de artikelen 231 tot en met 238, moet een kantoorgebouw waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 70 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het kantoorgebouw, wat brandveiligheid betreft, zodanig zijn ingericht dat het gebouw ten minste in gelijke mate brandveilig is als is beoogd met de bij of krachtens die artikelen gegeven voorschriften.

Indien een kantoorgebouw is gebouwd overeenkomstig de bij of krachtens deze paragraaf gegeven voorschriften, is voldaan aan de artikelen 185 tot en met 192.

In een kantoorgebouw moet een voorziening voor afvalwater en faecaliën als bedoeld in artikel 199, eerste lid, aanwezig zijn.

Een kantoorgebouw moet een voorziening voor hemelwater als bedoeld in artikel 200, eerste lid, hebben.

Onverminderd artikel 203, derde lid, moet voor een opstelplaats voor een stooktoestel zijn uitgegaan van een op gas gestookt verbrandingstoestel met een belasting van ten minste 30 W per m2 gebruiksoppervlakte van het kantoorgebouw met een minimum van 6 kW.

In een kantoorgebouw moet een voorziening voor drinkwater als bedoeld in artikel 207, eerste lid, aanwezig zijn.

In afwijking in zoverre van artikel 215, moet een verblijfsruimte een vloeroppervlakte hebben van ten minste 10 m2.

Onverminderd artikel 216, eerste lid, moet in een kantoorgebouw voor elke 300 m2 gebruiksoppervlakte of gedeelte daarvan, ten minste één toiletruimte aanwezig zijn.

In een kantoorgebouw moet, voor zover artikel 222, derde lid, niet van toepassing is, ten minste één opstelplaats voor een stooktoestel als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, aanwezig zijn.

Artikel 223, eerste lid, is niet van toepassing op een kantoorgebouw.

De energieprestatiecoëfficiënt, bedoeld in artikel 228a, eerste lid, van een kantoorgebouw is ten hoogste 1,6.

In afwijking van artikel 174, zevende lid, geldt geen eis ten aanzien van de brandwerendheid met betrekking tot bezwijken voor een niet in een logiesgebouw gelegen logiesverblijf met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 100 m2.

Openingen tussen een vloer en een afscheiding, alsmede openingen en opstapmogelijkheden in een afscheiding moeten ten minste voldoen aan artikel 175, vijfde, zevende en achtste lid.

Onverminderd de artikelen 256 tot en met 263, moet een logiesgebouw waarin een vloer van een verblijfsgebied hoger is gelegen dan 70 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw, wat brandveiligheid betreft, zodanig zijn ingericht dat het logiesgebouw in gelijke mate brandveilig is als is beoogd met de bij of krachtens die artikelen gegeven voorschriften.

Indien een logiesverblijf of logiesgebouw is gebouwd overeenkomstig de bij of krachtens deze paragraaf gegeven voorschriften, is voldaan aan de artikelen 185 tot en met 192.

In afwijking van artikel 196, eerste lid, moeten de in NEN 5077 bedoelde karakteristieke isolatie-index voor luchtgeluid en de in die norm bedoelde isolatie-index voor contactgeluid tussen een in een logiesgebouw gelegen besloten ruimte van een logiesverblijf en een niet tot dat logiesverblijf behorend verblijfsgebied dat deel uitmaakt van het logiesgebouw, ter beperking van geluidhinder in dat gebied, bepaald overeenkomstig NEN 5077, ten minste gelijk zijn aan -5 dB.

In afwijking in zoverre van artikel 198, eerste en derde lid, mag in een logiesgebouw de in die leden bedoelde factor van de temperatuur van de binnenoppervlakte niet lager zijn dan 0,65.

In een logiesverblijf en logiesgebouw moet een voorziening voor afvalwater en faecaliën als bedoeld in artikel 199, eerste lid, aanwezig zijn.

Een logiesgebouw moet een voorziening hebben voor hemelwater als bedoeld in artikel 200, eerste lid.

Ten aanzien van een niet in een logiesgebouw gelegen logiesverblijf is artikel 206, derde lid, niet van toepassing.

In een logiesverblijf en logiesgebouw moet een voorziening voor drinkwater als bedoeld in artikel 207, eerste lid, aanwezig zijn.

In een niet in een logiesgebouw gelegen logiesverblijf moet ten minste één toiletruimte als bedoeld in artikel 216, eerste lid, aanwezig zijn, met dien verstande dat, indien het logiesverblijf een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 500 m2, voor elke 125 m2 gebruiksoppervlakte of gedeelte daarvan, ten minste één toiletruimte aanwezig moet zijn.

Tot een logiesverblijf behoeft geen badruimte te behoren.

In een logiesgebouw moet ten behoeve van de in het gebouw gelegen logiesverblijven voor elke gebruiksoppervlakte van 250 m2 of gedeelte daarvan, van het totaal aan gebruiksoppervlakten van die logiesverblijven ten minste één badruimte als bedoeld in artikel 217, eerste lid, aanwezig zijn.

In afwijking in zoverre van artikel 218, tweede lid, mag zijn volstaan met een stallingsruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 0,5% van de gebruiksoppervlakte van het logiesgebouw.

Artikel 222, eerste lid, is niet van toepassing op een niet in een logiesgebouw gelegen logiesverblijf.

Een hoogteverschil van meer dan 0,22 m tussen vloeren van verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten dan wel tussen één van die vloeren en het aansluitende terrein, moet, opdat die vloeren op veilige wijze kunnen worden bereikt en verlaten, zijn overbrugd door een trap of hellingbaan.

Een voorziening voor gas moet, opdat op veilige wijze over energie kan worden beschikt, zijn aangesloten op het distributienet van gas en moet ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor gas van de Vereniging van Exploitanten van Gasbedrijven in Nederland.

Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich in enige stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg, moet, ter voorkoming van gevaar voor gebruikers van die weg, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, hoger zijn gelegen dan 4,2 m boven die weg.

Een gebouw, voor zover dat een voor mensen toegankelijke, overdekte en geheel met wanden omsloten ruimte vormt, moet zodanig in brandcompartimenten zijn ingericht dat een in dat gebouw begonnen brand zich niet binnen korte tijd kan uitbreiden naar een ander deel van het gebouw of naar een ander gebouw.

Een gebouw, voor zover dat een voor mensen toegankelijke, overdekte en geheel met wanden omsloten ruimte vormt, moet, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, zodanig in rookcompartimenten zijn ingericht dat bij brand rook zich niet binnen korte tijd kan verspreiden naar een ander deel van het gebouw of naar een ander gebouw, de loopafstand, gemeten langs de kortste route, naar de uitgang van een rookcompartiment beperkt is en dat een ruimte waardoor een vluchtweg voert in voldoende mate gevrijwaard blijft van rook.

Een gebouw, voor zover dat een voor mensen toegankelijke, overdekte en geheel met wanden omsloten ruimte vormt, moet, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, zodanig zijn ingericht dat daarin voldoende vluchtmogelijkheden aanwezig zijn.

Onverminderd artikel 289, derde lid, moet een vluchtmogelijkheid als bedoeld in artikel 303, zodanig zijn ingericht dat gebruikers van het gebouw bij brand op doeltreffende en voldoende veilige wijze binnen redelijke tijd naar het aan het gebouw aansluitende terrein kunnen vluchten.

Een gebouw, voor zover dat een voor mensen toegankelijke, overdekte en geheel met wanden omsloten ruimte vormt, moet, afhankelijk van zijn bestemming en inrichting, zodanig zijn ingericht dat in het gebouw aanwezige personen bij brand binnen redelijke tijd eigener beweging het gebouw kunnen verlaten dan wel binnen redelijke tijd door de brandweer kunnen worden gered.

In een gebouw moeten, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, zodanige voorzieningen aanwezig zijn dat een brand binnen redelijke tijd kan worden geblust.

Een constructie die de scheiding vormt tussen een badruimte en een andere besloten ruimte, de buitenlucht, de grond of het water, mag, ter beperking van het vanuit de badruimte kunnen binnendringen van vocht in die constructie, aan de naar de badruimte toegekeerde oppervlakte tot een hoogte van 1 m boven de vloer van de badruimte, bepaald overeenkomstig NEN 2778, gemiddeld geen grotere wateropname hebben dan 0,01 kg/(m2.s½), met dien verstande dat op geen enkele plaats op die oppervlakte de wateropname hoger mag zijn dan 0,2 kg/(m2.s½).

Een voorziening voor warm water moet, opdat over voor de menselijke hygiëne geschikt warm water kan worden beschikt, ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor drinkwater van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland.

De bijdrage tot brandvoortplanting van een constructie-onderdeel, met uitzondering van een dak, moet, ter beperking van ontwikkeling van brand, bepaald overeenkomstig NEN 6065 en, voor zover het een vloer of tredevlak is, NEN 1775, ten minste voldoen aan bij ministeriële regeling gegeven voorschriften.

Een naar een besloten ruimte toegekeerde zijde van een constructie-onderdeel moet, ter beperking van rookproduktie, bepaald overeenkomstig NEN 6066, ten minste voldoen aan bij ministeriële regeling gegeven voorschriften met betrekking tot de rookdichtheid.

In een kantoorgebouw moeten, opdat het gebouw bij brand op veilige wijze kan worden verlaten, overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften vluchtmogelijkheden aanwezig zijn.

Een vluchtmogelijkheid als bedoeld in artikel 328, moet, opdat snel en veilig kan worden gevlucht, ten minste voldoen aan bij ministeriële regeling gegeven voorschriften.

Onverminderd de artikelen 324 tot en met 331, moet een kantoorgebouw waarin een vloer van een verblijfsruimte hoger is gelegen dan 70 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het kantoorgebouw, wat brandveiligheid betreft, zodanig zijn ingericht dat het gebouw in ten minste gelijke mate brandveilig is als is beoogd met de bij of krachtens die artikelen gegeven voorschriften.

Indien een kantoorgebouw in overeenstemming is met de bij of krachtens deze paragraaf gegeven voorschriften, is voldaan aan de artikelen 299 tot en met 306.

In een kantoorgebouw moet een voorziening voor afvalwater en faecaliën als bedoeld in artikel 310, eerste lid, aanwezig zijn.

De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht als bedoeld in artikel 311, tweede lid, moet voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsruimte en de afvoer van binnenlucht uit die ruimte een capaciteit hebben van ten minste 10.10-3 m3/s.

In een kantoorgebouw moet een voorziening voor drinkwater als bedoeld in artikel 315, eerste lid, aanwezig zijn.

In een kantoorgebouw moet voor elke 450 m2 gebruiksoppervlakte of gedeelte daarvan, ten minste één toiletruimte als bedoeld in artikel 320, eerste lid, aanwezig zijn.

In een kantoorgebouw moet, voor zover artikel 322, derde lid, niet van toepassing is, ten minste één opstelplaats voor een stooktoestel als bedoeld in artikel 322, eerste lid, aanwezig zijn.

De bijdrage tot brandvoortplanting van een constructie-onderdeel, met uitzondering van een dak, moet, ter beperking van ontwikkeling van brand, bepaald overeenkomstig NEN 6065 en, voor zover het een vloer of tredevlak is, NEN 1775, ten minste voldoen aan bij ministeriële regeling gegeven voorschriften.

Een naar een besloten ruimte toegekeerde zijde van een constructie-onderdeel moet, ter beperking van rookproduktie, bepaald overeenkomstig NEN 6066, ten minste voldoen aan bij ministeriële regeling gegeven voorschriften met betrekking tot de rookdichtheid.

In een bij ministeriële regeling aangegeven logiesverblijf en een logiesgebouw moeten, opdat het verblijf of het gebouw bij brand op veilige wijze kan worden verlaten, overeenkomstig bij ministeriële regeling gegeven voorschriften vluchtmogelijkheden aanwezig zijn.

Een vluchtmogelijkheid als bedoeld in artikel 344, moet, opdat snel en veilig kan worden gevlucht, ten minste voldoen aan bij ministeriële regeling gegeven voorschriften.

Onverminderd de artikelen 340 tot en met 347, moet een logiesgebouw waarin een vloer van een verblijfsruimte hoger is gelegen dan 70 m boven het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het logiesgebouw, wat brandveiligheid betreft, zodanig zijn ingericht dat het gebouw in ten minste gelijke mate brandveilig is als met de bij of krachtens die artikelen gegeven voorschriften is beoogd.

Indien een logiesverblijf of logiesgebouw in overeenstemming is met de bij of krachtens deze paragraaf gegeven voorschriften, is voldaan aan de artikelen 299 tot en met 306.

In een logiesverblijf en een logiesgebouw moet een voorziening voor afvalwater en faecaliën als bedoeld in artikel 310, eerste lid, aanwezig zijn.

De voorziening voor de toevoer van verse lucht en de afvoer van binnenlucht als bedoeld in artikel 311, tweede lid, moet voor de toevoer van verse lucht naar een verblijfsruimte en de afvoer van binnenlucht uit die ruimte een capaciteit hebben van ten minste 7.10-3 m3/s.

In een logiesverblijf en logiesgebouw moet een voorziening voor drinkwater als bedoeld in artikel 315, eerste lid, aanwezig zijn.

In het totaal van de uitwendige scheidingsconstructies van een verblijfsruimte moet een equivalente daglichtoppervlakte als bedoeld in artikel 317, eerste lid, aanwezig zijn van ten minste 0,35 m2.

In een niet in een logiesgebouw gelegen logiesverblijf moet ten minste één toiletruimte als bedoeld in artikel 320, eerste lid, aanwezig zijn.

Tot een logiesverblijf behoeft geen badruimte te behoren.

In een logiesgebouw moet ten behoeve van de in het logiesgebouw gelegen logiesverblijven voor elke gebruiksoppervlakte van 400 m2 of gedeelte daarvan, van het totaal aan gebruiksoppervlakten van die logiesverblijven ten minste één afsluitbare badruimte als bedoeld in artikel 321, eerste lid, aanwezig zijn.

In een logiesgebouw moet, voor zover artikel 322, derde lid, niet van toepassing is, ten behoeve van de in het gebouw gelegen logiesverblijven ten minste één opstelplaats voor een stooktoestel als bedoeld in artikel 322, eerste lid, aanwezig zijn.

Een hoogteverschil van meer dan 0,21 m tussen voor mensen toegankelijke vloeren dan wel tussen één van die vloeren en het aansluitende terrein, moet, opdat die vloeren op veilige wijze kunnen worden bereikt en verlaten, zijn overbrugd door een trap of hellingbaan.

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, moet, afhankelijk van zijn bestemming, zodanig kunstmatig kunnen worden verlicht dat op veilige wijze van dat bouwwerk gebruik kan worden gemaakt.

Een voorziening voor gas moet, opdat op veilige wijze over energie kan worden beschikt, ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor gas van de Vereniging van Exploitanten van Gasbedrijven in Nederland.

Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich in enige stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg of boven een strook van 0,6 m, grenzend aan die weg, moet, ter voorkoming van gevaar voor gebruikers van die weg of strook, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, hoger zijn gelegen dan 4,2 m boven die weg of strook.

Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich in enige stand kan bevinden boven een niet voor motorvoertuigen openstaande weg, moet, ter voorkoming van gevaar voor gebruikers van die weg, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, hoger zijn gelegen dan 2,2 m boven die weg.

Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich in enige stand kan bevinden boven een vloer waarover een vluchtmogelijkheid voert, moet, ter voorkoming van gevaar voor gebruikers van die vluchtmogelijkheid, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, hoger zijn gelegen dan 2,2 m boven die vloer.

Het derde lid is niet van toepassing op een deur, indien de vloer waarover de vluchtmogelijkheid voert, gemeten ter plaatse van die deur in een onder een hoek van 90° geopende stand, een vrije doorgang heeft van ten minste 0,85 m.

Het derde lid is niet van toepassing op een deur, raam, kozijn en op een daarmee gelijk te stellen constructie-onderdeel.

De bijdrage tot brandvoortplanting van een naar de weg toegekeerd constructie-onderdeel van een voor het verkeer bestemd bouwwerk van enige omvang moet, bepaald overeenkomstig NEN 6065, behoren tot klasse 1.

Het eerste tot en met derde en het vijfde lid zijn niet van toepassing op ten hoogste 5% van de totale oppervlakte van de in die leden bedoelde constructie-onderdelen.

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, moet, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, zodanig zijn ingericht dat gebruikers van het bouwwerk bij brand op doeltreffende en voldoende veilige wijze binnen redelijke tijd naar het aan het bouwwerk aansluitende terrein kunnen vluchten.

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, moet, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, zodanig zijn ingericht dat gebruikers van dat bouwwerk bij brand binnen redelijke tijd door de brandweer kunnen worden gered.

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, moet, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, zodanige voorzieningen hebben dat een brand binnen redelijke tijd kan worden geblust.

Vervallen

Vervallen

Bij ministeriële regeling kunnen, ter beperking van de aanwezigheid in of bij een bouwwerk, geen gebouw zijnde, van een voor de gezondheid onaanvaardbare mate van vergiftige of hinderlijke stoffen of van ioniserende straling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Kernenergiewet, voorschriften worden gegeven omtrent het in de constructie toepassen van materialen waaruit die stoffen kunnen vrijkomen of die straling kan ontstaan.

Een voorziening voor drinkwater moet, opdat over voor de menselijke consumptie en hygiëne geschikt water kan worden beschikt, ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor drinkwater van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland.

Een voorziening voor warm water moet, opdat over voor de menselijke hygiëne geschikt warm water kan worden beschikt, ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor drinkwater van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland.

Een hoogteverschil van meer dan 0,22 m tussen voor mensen toegankelijke vloeren dan wel tussen één van die vloeren en het aansluitende terrein, moet, opdat die vloeren op veilige wijze kunnen worden bereikt en verlaten, zijn overbrugd door een trap of hellingbaan.

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, moet, afhankelijk van zijn bestemming, zodanig kunstmatig kunnen worden verlicht dat op veilige wijze van dat bouwwerk gebruik kan worden gemaakt.

Een voorziening voor gas moet, opdat op veilige wijze over energie kan worden beschikt, zijn aangesloten op het distributienet van gas en moet ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor gas van de Vereniging van Exploitanten van Gasbedrijven in Nederland.

Een beweegbaar constructie-onderdeel dat zich in enige stand kan bevinden boven een voor motorvoertuigen openstaande weg moet, ter voorkoming van gevaar voor gebruikers van die weg, gemeten vanaf de onderzijde van dat onderdeel, hoger zijn gelegen dan 4,2 m boven die weg.

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, moet, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, zodanig zijn ingericht dat gebruikers van het bouwwerk bij brand op doeltreffende en voldoende veilige wijze binnen redelijke tijd naar het aan het bouwwerk aansluitende terrein kunnen vluchten.

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, moet, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, zodanig zijn ingericht dat gebruikers van dat bouwwerk bij brand binnen redelijke tijd door de brandweer kunnen worden gered.

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, moet, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, zodanige voorzieningen hebben dat een brand binnen redelijke tijd kan worden geblust.

Een tunnel of een daarmee vergelijkbaar bouwwerk, geen gebouw zijnde, moet, afhankelijk van zijn bestemming en grootte, zodanig zijn geventileerd dat geen gevaar ontstaat voor de gezondheid van de gebruikers van dat bouwwerk.

Een voorziening voor drinkwater moet, opdat over voor de menselijke consumptie en hygiëne geschikt water kan worden beschikt, ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor drinkwater van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland.

Een voorziening voor warm water moet, opdat over voor de menselijke hygiëne geschikt warm water kan worden beschikt, ten minste voldoen aan artikel 5, eerste lid, onderdeel 2, van de Model-aansluitvoorwaarden voor drinkwater van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland.

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven omtrent hetgeen met het oog op de implementatie van de richtlijn bouwprodukten overigens regeling behoeft.

Indien voor het geheel of gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een monument als bedoeld in de Monumentenwet 1988 (Stb. 638) of in een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, een vergunning ingevolge die wet of verordening is verleend, doch de bouwvergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, niet kan worden verleend tenzij burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van enig voorschrift van dit besluit, verlenen burgemeester en wethouders die vrijstelling tot het in eerstbedoelde vergunning aangegeven niveau.

Indien bij of krachtens dit besluit een eis is gesteld ten aanzien van een bouwmateriaal of bouwdeel en voor dat bouwmateriaal of bouwdeel een op die eis toegesneden, door Onze Minister erkende kwaliteitsverklaring is afgegeven, is, mits dat bouwmateriaal of bouwdeel overeenkomstig die kwaliteitsverklaring is toegepast, aan de desbetreffende eis voldaan.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van een in dit besluit genoemde NEN of aansluitvoorwaarde.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Het Woonketenbesluit (Stb. 1965, 328), het Besluit schuilplaatsen bij bouw van woningen 1968 (Stb. 391), het Besluit geluidwering gebouwen (Stb. 1982, 755) en het Besluit geluidwering kantoorgebouwen (Stb. 1989, 158) worden ingetrokken.

Dit besluit kan worden aangehaald als Bouwbesluit.

Trefwoordenregister bouwbesluit