Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 10 november 1993, houdende een regeling met betrekking tot de toekenning van bijdragen aan publiekrechtelijke lichamen ter zake van de kosten van opsporing of ruiming van als gevolg van de Tweede Wereldoorlog achtergebleven explosieven Bijdragebesluit kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog 1994 Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 16 juli 1993, nr. fip 93/337, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en de Staatssecretaris van Defensie;

Gelet op artikel 237b van de gemeentewet;

Gezien het advies van de Raad voor de gemeentefinanciën van 16 juli 1993, nr. Rgf 03.00/001.003;

De Raad van State gehoord (advies van 29 september 1993, nr. W06.93.0438);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 2 november 1993, nr. fip 93/567, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en de Staatssecretaris van Defensie.

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage 10 november 1993 Beatrix De Staatssecretaris van Financiën, M. J. J. van Amelsvoort de vijfentwintigste november 1993 De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin

Dit besluit verstaat onder:

Bij een opsporing kunnen de volgende kostensoorten voor een bijdrage in aanmerking komen:

Bij een ruiming kunnen de in artikel 4 onder c, d en e genoemde kostensoorten voor een bijdrage in aanmerking komen.

De kosten van de verzekering van het risico dat verbonden is aan het opsporen of ruimen van de explosieven zoals bedoeld in artikel 3 van dit besluit, kunnen voor een bijdrage in aanmerking komen tenzij van rijkswege ter zake een collectieve verzekering is afgesloten of het risico door het Rijk is overgenomen.

In geval van calamiteit kunnen, op verzoek van het bestuursorgaan, ook andere dan de in dit besluit vermelde kostensoorten voor een bijdrage in aanmerking komen, indien deze, naar het oordeel van Onze Ministers, redelijkerwijs niet of slechts gedeeltelijk voor rekening van het bestuursorgaan kunnen blijven.

Van grote risico's voor de bevolking als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is sprake indien:

in geval van opsporing:

Aan het bepaalde in artikel 3, tweede lid, wordt voldaan als het bestuursorgaan, naar het oordeel van Onze Ministers, in voldoende mate kan aantonen dat:

Van het bepaalde in artikel 9 kan worden afgeweken indien in een gebied sprake is van een zodanig ernstige verontreiniging van het grond- of oppervlaktewater als gevolg van de vermoede aanwezigheid van explosieven dat er grote risico's voor de bevolking ontstaan, terwijl het niet mogelijk is afdoende beheersingsmaatregelen te treffen.

Indien het bestuursorgaan verkeert of door de toepassing van artikel 11 zou komen te verkeren in omstandigheden zoals bedoeld in artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet, kan Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken, gelet op het advies van de Inspectie Financiën Lagere Overheden, op verzoek van burgemeester en wethouders het gemeentelijk aandeel in de voor een bijdrage in aanmerking komende kosten verlagen.

De kasruimte voor de ruimingen wordt gelijkgesteld aan de op grond van artikel 14, eerste lid, vastgestelde verplichtingenruimte voor de ruimingen. Onbesteed gebleven bedragen worden op 1 oktober van het begrotingsjaar toegevoegd aan de kasruimte voor de opsporingen.

In afwachting van de definitieve vaststelling van een bijdrage kan een voorlopige bijdrage betaalbaar worden gesteld. De voorlopige declaratie moet voorzien zijn van de nodige bewijsstukken.

Bij een overschrijding van de bij begrotingswet toegestane ruimte voor het doen van uitgaven, worden de bijdragen, met inachtneming van het gestelde in artikel 21, op een nader door Onze Minister te bepalen tijdstip uitbetaald.

Opsporingen en ruimingen die vóór 1 januari 1994 in uitvoering zijn genomen, worden mede betrokken bij de vaststelling van de betalingsvolgorde zoals genoemd in artikel 22, voorzover de desbetreffende bijdragen bij de inwerkingtreding van dit besluit nog niet tot uitbetaling zijn gekomen.

Bij de toepassing van artikel 12 worden opsporingen en ruimingen dan wel, naar het oordeel van Onze Ministers, op zich zelf staande onderdelen daarvan, die vóór 1 januari 1994 in uitvoering zijn genomen, mede bij de beoordeling betrokken.

Dit besluit treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het is geplaatst en werkt zonodig terug tot en met 1 januari 1994. De werking van dit besluit eindigt op 31 december 1998 doch kan bij algemene maatregel van bestuur voor een periode van 5 jaar worden verlengd. Dit besluit is van toepassing op opsporingen en ruimingen, dan wel, naar het oordeel van Onze Ministers, op zich zelf staande onderdelen daarvan, waarvan de werkzaamheden op of na 1 januari 1994 in uitvoering zijn genomen.

Dit besluit kan worden aangehaald onder de titel: Bijdragebesluit kosten ruiming explosieven Tweede Wereldoorlog 1994.