Regeling · BWBR0006923

Rijnvaartpolitiereglement 1995

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 15 september 1994, houdende het van kracht zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement van politie voor de RijnvaartRijnvaartpolitiereglement 1995

In dit reglement wordt verstaan onder:

De schipper moet, ook bij ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften in dit reglement, alle voorzorgsmaatregelen nemen die door de algemene plicht tot waakzaamheid en door goede zeemanschap worden gevorderd, teneinde met name te voorkomen dat:

De schipper moet bij dreigend gevaar alle maatregelen nemen die de omstandigheden vorderen, zelfs indien deze ertoe zouden nopen af te wijken van dit reglement.

Onverminderd de artikelen 8.08, 9.02, tiende lid, 10.01, 10.02, 11.01 en 11.02 moeten de lengte, de breedte, de hoogte boven water, de diepgang en de snelheid van een schip of een samenstel verenigbaar zijn met de karakteristiek en de afmetingen van de vaarweg en van de kunstwerken.

Indien een schip of een drijvend voorwerp een kunstwerk (sluis, brug, krib, enz.) heeft beschadigd, moet de schipper daarvan onverwijld kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit.

Een schipper is verplicht aan een verkeersaanwijzing gevolg te geven die hem door de ambtenaren van de bevoegde autoriteit ter verzekering van de veiligheid en de goede orde van de scheepvaart wordt gegeven. Dit geldt ook in geval van een grensoverschrijdende achtervolging.

De schipper moet de ambtenaren van de bevoegde autoriteit de nodige medewerking verlenen, in het bijzonder het onmiddellijk aan boord komen van hen vergemakkelijken, teneinde hen in staat te stellen zich er van te vergewissen dat de bepalingen van dit reglement worden nageleefd.

De Centrale Commissie voor de Rijnvaart kan voorschriften van tijdelijke aard vaststellen met een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaren, wanneer het noodzakelijk wordt geacht om:

Voor het houden van sportevenementen, festiviteiten te water en andere evenementen, die de veiligheid en de vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer in gevaar kunnen brengen, is toestemming van de bevoegde autoriteit vereist.

Dit reglement is eveneens van toepassing op wateroppervlakten die deel uit maken van havens en van laad- en losplaatsen, onverminderd de bijzondere voorschriften voor de scheepvaart die voor deze havens en laad- en losplaatsen zijn vastgesteld in verband met de plaatselijke omstandigheden en de eisen van het laden en het lossen.

Voorschriften, toestemmingen en vergunningen kunnen door de bevoegde autoriteiten van voorwaarden en voorbehouden worden voorzien.

Een binnenschip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, met uitzondering van een klein schip, moet zijn gemeten.

(vervallen)

De lichten en de bollen van de gesleepte schepen moeten, voor zover mogelijk, op gelijke hoogte boven het wateroppervlak worden gevoerd.

Een varend schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren en waarvan de maximale lengte van de romp minder is dan 20 m moet des daags voeren:

een gele ruit, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.

Een schip waaraan de bevoegde autoriteit het recht van voorrang heeft verleend voor de doorvaart op plaatsen waar de volgorde van doorvaren is geregeld moet, behalve de overige tekens voorgeschreven bij dit reglement, des daags voeren:

een rode wimpel op het voorschip op een voldoende hoogte om goed zichtbaar te zijn.

Een varend schip dat onmanoeuvreerbaar is moet, behalve de overige tekens voorgeschreven bij dit reglement, zo nodig:

De vlag mag worden vervangen door een bord van dezelfde kleur.

Onverminderd de bijzondere voorwaarden die ingevolge artikel 1.21 kunnen worden gesteld, moeten varende drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen des nachts voeren:

witte heldere rondom schijnende lichten, in voldoend aantal om hun omtrek aan te duiden.

Artikel 3.14 is eveneens van toepassing op het in dat artikel bedoelde schip, duwstel en gekoppeld samenstel, wanneer deze stilliggen.

Onverminderd de bijzondere voorwaarden die overeenkomstig artikel 1.21 kunnen worden opgelegd, moeten drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen bij het stilliggen des nachts van alle zijden zichtbare witte gewone lichten voeren, in voldoende aantal om hun omtrekken van de zijde van het vaarwater herkenbaar te maken.

De in de eerste volzin voorgeschreven lichten hoeven niet te worden gevoerd, wanneer aan de voorwaarden van artikel 3.20, derde lid, onderdeel b of c, is voldaan.

Een vissersschip, met inbegrip van een klein schip, dat een net of een uitlegger in of in de nabijheid van het vaarwater heeft uitstaan en dat stilligt, moet des nachts voeren:

het bij artikel 3.20, eerste lid, voorgeschreven licht.

Bovendien moet het net of de uitlegger zijn aangeduid door:

Een schip van toezichthoudende ambtenaren mag om zich kenbaar te maken zowel des nachts als des daags een blauw flikkerlicht tonen. Hetzelfde geldt voor een brandweerboot die hulp biedt of daartoe op weg is en voor een reddingsvaartuig bij een reddingsoperatie met toestemming van de bevoegde autoriteit.

Een varend schip dat in of nabij het vaarwater werkzaamheden, peilingen of metingen uitvoert mag, behalve de overige tekens voorgeschreven bij dit reglement, met toestemming van de bevoegde autoriteit, zowel des nachts als des daags, tonen:

een geel helder of gewoon rondom schijnend flikkerlicht.

Een schip dat gebruikt wordt bij het duiken, voert, naast de door de andere bepalingen van dit reglement voorgeschreven tekens, als bijkomend teken:

een ten minste 1 m hoge van niet buigzaam materiaal vervaardigde replica van de seinvlag «A» van de Internationale Code voor tekens, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat het dag en nacht van alle zijden zichtbaar is.

Een snel schip moet voor elk ander schip uitwijken.

De artikelen 6.04 en 6.05 zijn niet van toepassing op het ontmoeten van een snel schip en een ander schip, noch op het ontmoeten van snelle schepen onderling. Snelle schepen moeten onderling echter via marifoon het voorbijvaren afspreken.

Onverminderd artikel 6.08, eerste lid, is voorbijlopen verboden:

Het verbod geldt evenwel niet ingeval het een duwstel betreft, waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer dan 110 m respectievelijk 12 m bedragen.

In een vak van de vaarweg aangeduid door één der tekens B.1, B.2a, B.2b, B.3a, B.3b, B.4a of B.4b ( bijlage 7) moet een schip de weg volgen die door dat teken wordt kenbaar gemaakt.

Artikel 6.13 is eveneens van toepassing op een schip, met uitzondering van een veerpont, dat zijn ankerplaats of zijn ligplaats verlaat zonder te keren. In plaats van de bij het tweede lid van dat artikel vermelde seinen moet dit schip evenwel geven:

Een schip mag zich niet in de tussenruimten tussen de lengten van een sleep begeven.

Het is verboden om een schip bedoeld in artikel 3.25 voorbij te varen aan de zijde waar het toont:

Onverminderd de artikelen 6.07, 6.08 en 6.24 gelden voor het doorvaren van een schipbrug de volgende bepalingen:

In afwijking van artikel 6.28, derde lid, hebben recht op schutting bij voorrang:

Een schip en een samenstel, die geen gebruik van radar kunnen maken en die een ligplaats moeten opzoeken, moeten tijdens de vaart naar deze ligplaats de volgende bepalingen in acht nemen:

Vervallen

Een duwstel mag geen andere schepen dan duwbakken bevatten, tenzij in het Certificaat van Onderzoek of het overeenkomstig het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn als gelijkwaardig erkende certificaat van de duwboot en het schip dat wordt geduwd uitdrukkelijk anders is vermeld.

Het verplaatsen van een duwbak buiten het verband van een duwstel mag slechts geschieden:

Personen aan boord van een duwstel moeten zich gemakkelijk en zonder gevaar kunnen verplaatsen. Bovendien moeten openingen die zouden kunnen ontstaan tussen de schepen van een duwstel zijn voorzien van geschikte beschermingsinrichtingen.

Voor schepen die meer dan 12 passagiers mogen vervoeren en laten overnachten geldt:

Voor het voorbijvaren van de veerpont Seltz-Plittersdorf (km 340,35) is artikel 6.26 van toepassing.

Tussen Bingen (km 530,00) en St. Goar (km 556,00) mag ’s nachts een schip slechts varen indien het gebruik maakt van marifoon op kanaal 10 (schip-schip) of kanaal 04, en moet een afvarend schip gebruik maken van radar.

Een schip dat bij slecht zicht benedenstrooms van het Spijksche Veer (km. 857,40) vaart, moet zoveel mogelijk zijn stuurboordswal houden. De artikelen 6.04 en 6.05 zijn niet van toepassing.

Tussen St. Goar en Bingen is het stroomopwaarts slepen van een half uur na zonsondergang tot een half uur voor zonsopgang verboden, zodra de waterstand aan de peilschaal te Kaub minder dan 1,00 m bedraagt. Dit verbod geldt echter niet voor een sleep die uit niet meer dan twee schepen bestaat of voor een gesleept duwstel.

Een sleep die uit niet meer dan twee schepen bestaat mag tussen Bingen (km 529,10) en Trechtinghausen (km 535,40) door nog een ander motorschip worden gesleept.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De bij artikel 2.01 voorgeschreven kentekens kunnen worden vervangen door die welke zijn voorgeschreven of toegestaan op het Rijn-Rhônekanaal.

Artikel 2.04, tweede lid, is niet van toepassing.

Artikel 2.05, eerste lid, is niet van toepassing.

De in artikel 6.21, tweede lid, bedoelde aantekening in het Certificaat van Onderzoek of het overeenkomstig het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn als gelijkwaardig erkende certificaat kan worden vervangen door een getuigschrift, afgegeven door de bevoegde autoriteit.

Vervallen

De schipper, de overige bemanning en andere personen aan boord moeten de door de omstandigheden vereiste waakzaamheid betonen om verontreiniging van de vaarweg te vermijden, de hoeveelheid afvalstoffen en afvalwater die aan boord ontstaan zo veel mogelijk te beperken en vermenging van verschillende afvalsoorten zo veel mogelijk te voorkomen.

Het is verboden de scheepshuid te oliën of met middelen, die niet in het water mogen komen, te reinigen.

(indicatieve lijst)

(niet overgenomen)

1. De in deze bijlage opgenomen schetsen hebben slechts een verduidelijkend karakter. Men dient zich te houden aan de tekst van het reglement die uitsluitend rechtsgeldigheid bezit.

2. Een duwstel, waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer dan 110 m respectievelijk 12 m bedraagt, wordt beschouwd als een alleen varend motorschip van dezelfde lengte.

3. Verklaringen:

vast licht dat rondom schijnend is

vast licht dat schijnt over een beperkte boog van de horizon

flikkerlicht

vlag of bord

bol

cilinder

kegel

ruit

Een voor de waarnemer niet zichtbaar licht is met een punt in het midden aangeduid.

De schetsen op zwarte ondergrond stellen de lichten voor.

Artikel 2.06 Kenteken van schepen die vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof gebruiken

(Niet overgenomen)

(Niet overgenomen)

Opmerking vooraf:

Met uitzondering van klokslagen en van reeksen van klokslagen en van het sein, bestaande uit drie zonder onderbreking op elkaar volgende tonen van verschillende toonhoogte, worden de geluidsseinen gevormd door het geven van één of meer opeenvolgende stoten met de volgende kenmerken:

De tijdruimte tussen twee opeenvolgende stoten bedraagt ongeveer één seconde.

Het sein "een reeks zeer korte stoten" wordt evenwel gevormd door een reeks van ten minste zes stoten, elk durende een kwart seconde, waarbij de tijdruimte tussen opeenvolgende stoten ongeveer een kwart seconde bedraagt.

Een reeks klokslagen moet ongeveer vier seconden duren. In plaats daarvan kunnen ook reeksen slagen van metaal op metaal worden gegeven.

Opmerking vooraf:

1. De tekens vermeld in afdeling I kunnen worden aangevuld of verduidelijkt zoals aangegeven in afdeling II.

2. De borden kunnen, ter verduidelijking van de zichtbaarheid, langs hun omtrek van een smalle witte streep worden voorzien.

Toegevoegde borden of opschriften

1. Markeren

Op de Rijn worden de vaarweg, de vaargeul, alsmede de gevaarlijke punten en obstakels niet voortdurend gemarkeerd.

De drijvende tekens worden ongeveer 5 m buiten de grenzen die zijn aangegeven verankerd.

De kribben en strekdammen worden met behulp van drijvende of vaste tekens gemarkeerd, die in het algemeen vóór of op de koppen van de kribben of aan de uiteinden van de strekdammen worden geplaatst.

Een schip moet op voldoende afstand van de tekens blijven, daar anders het gevaar van raken of vastvaren bestaat.

2. Definities

De volgende periodelichten worden gebruikt:

1 Rechterzijde

(fig. 1)

2 Linkerzijde

(fig. 2)

3 Splitsing

(fig. 3)

4 Voorbeeld van de toepassing van de figuren 1 t/m 3

(fig. 4)

1. Rechterzijde

(fig. 8)

2. Linkerzijde

(fig. 9)

(fig. 10)

1 Voorbijvaren aan de vrije zijde toegestaan zonder snelheidsvermindering

2 Voorbijvaren aan de vrije zijde toegestaan met verminderde snelheid (vermijden van hinderlijke waterbeweging)

Bijvoorbeeld:

(fig. 14)

1. Gele drijvers met radarreflector (boven- en benedenstrooms van de pijler).

(fig. 15)

2. Uithouders met radarreflector (boven- en benedenstrooms van de pijler).

(fig. 16)

1. Radarreflectoren bevestigd aan de bovengrondse lijn (geeft op het radarbeeld een aantal punten waardoor de bovengrondse lijn te herkennen is).

(fig. 17)

2. Radarreflectoren geplaatst op gele drijvers die paarsgewijs dicht bij elkaar bij elke oever liggen (ieder paar drijvers geeft op het radarbeeld 2 punten naast elkaar waardoor de bovengrondse lijn te herkennen is).

(fig. 18)
WAARSCHUWINGSPOST OBERWESEL – ST. GOAR KM 548,50 – 555,43

MODELE DE CARNET DE CONTROLE DES HUILES USEES(Article 15.05 RPNR ; annexe 2, appendice I CDNI1)

MUSTER FÜR DAS ÖLKONTROLLBUCH(§ 15.05 RheinSchPV; Anlage 2, Anhang I CDNI1)

MODEL VOOR HET OLIE-AFGIFTEBOEKJE(Artikel 15.05 RPR; bijlage 2, aanhangsel I CDNI1)

CARNET DE CONTROLE DES HUILES USEES

ÖLKONTROLLBUCH

OLIE-AFGIFTEBOEKJE

1 Convention relative à la collecte, au dépôt et à la réception des déchets survenant en navigation rhénane et intérieure (CDNI)

Übereinkommen über die Sammlung, Abgabe und Annahme von Abfällen in der Rhein- und Binnenschifffahrt (CDNI)

Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (CDNI)

Page/Seite/Bladzijde 1

Page/Seite/Bladzijde 2

Page 3 et suivantes/Seite 3 und folgende/Bladzijde 3 en volgende

Cachet et signature de la station de réception

Stempel und Unterschrift der Annahmestelle

Ondertekening en stempel van de ontvangstinrichting

Le premier carnet de contrôle des huiles usées, muni sur la page 1 du numéro d’ordre 1, est délivré par une autorité compétente sur présentation du certificat de visite en cours de validité ou d’un autre certificat reconnu comme étant équivalent. Cette autorité appose également les indications prévues sur la page 1.

Tous les carnets suivants seront établis et numérotés dans l’ordre par une autorité compétente. Toutefois, ils ne doivent être remis que sur présentation du carnet précédent. Le carnet précédent doit recevoir la mention indélébile «non valable». Après son renouvellement, le carnet précédent doit être conservé à bord durant au moins six mois à compter de la dernière inscription.

Das erste Ölkontrollbuch, versehen auf Seite 1 mit der laufenden Nummer 1, wird von einer zuständigen Behörde gegen Vorlage des gültigen Schiffsattestes oder eines als gleichwertig anerkannten Zeugnisses ausgestellt. Sie trägt auch die auf Seite 1 vorgesehenen Angaben ein.

Alle nachfolgenden Kontrollbücher werden von einer zuständigen Behörde mit der Folgenummer nummeriert und ausgegeben. Sie dürfen jedoch nur gegen Vorlage des vorhergehenden Kontrollbuches ausgehändigt werden. Das vorhergehende Kontrollbuch wird unaustilgbar «ungültig» gekennzeichnet. Nach seiner Erneuerung muss das vorhergehende mindestens sechs Monate nach der letzten Eintragung an Bord aufbewahrt werden.

Het eerste olie-afgifteboekje, daartoe op bladzijde 1 voorzien van het volgnummer 1, wordt door een bevoegde autoriteit op vertoon van het geldige certificaat van onderzoek of van een gelijkwaardig erkend bewijs afgegeven. Deze autoriteit vult tevens de gegevens op bladzijde 1 in.

Alle volgende olie-afgifteboekjes worden door een bevoegde autoriteit afgegeven nadat deze daarop het aansluitende volgnummer heeft aangebracht. Ieder volgend olieafgifteboekje mag echter slechts na overleggen van het vorige boekje worden afgegeven. Het vorige boekje wordt op onuitwisbare wijze als «ongeldig» gemerkt. Na het verkrijgen van een nieuw olie-afgifteboekje moet het voorgaande boekje gedurende ten minste zes maanden na de laatste daarin vermelde datum van afgifte aan boord worden bewaard.

Naam:

In de kolom «Rechtsgrondslag» in de volgende tabel wordt naar de volgende voorschriften, overeenkomsten en administratieve overeenkomst verwezen:

In de voorlaatste kolom van de navolgende tabel staat of het toegestaan is dat de scheepsbescheiden en andere documenten aan boord in elektronisch formaat overgelegd mogen worden of niet.

In de laatste kolom, «elektronisch formaat» van de navolgende tabel staat in welk elektronisch formaat de scheepsbescheiden en andere documenten overgelegd mogen worden. Het elektronische formaat PDF in de navolgende tabel komt overeen met het PDF-formaat dat is vastgelegd in de internationale norm ISO 32000-1: 2008. Het elektronische PDF/A-formaat in het onderstaande overzicht komt overeen met het formaat dat is gedefinieerd in de internationale norm ISO 32000-1:2008.