Ministeriële regeling · BWBR0008830

Investeringsregeling markt en concurrentiekracht

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van 10 juli 1997, houdende regels voor subsidieverstrekking ter stimulering van vernieuwende investeringen in de landbouw-, de visserij- en de bosbouwsectorInvesteringsregeling markt en concurrentiekrachtDe Minister van Lanbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Gelet op verordening (EEG) nr. 866/90 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 maart 1990 inzake de verbetering van de verwerking en afzet van landbouwproducten (PbEG L 91), zoals vervangen door verordening (EG) nr. 951/97 van de Raad van de Europese Unie van 20 mei 1997 (PbEG L 142);

Gelet op verordening (EEG) nr. 867/90 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 maart 1990 betreffende de verbetering van de voorwaarden inzake verwerking en afzet van bosbouwproducten (PbEG L 91);

Gelet op verordening (EEG) nr. 2328/91 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (PbEG L 218), zoals vervangen door verordening (EG) nr. 950/97 van de Raad van de Europese Unie van 20 mei 1997 (PbEG L 142);

Gelet op verordening (EG) nr. 3699/93 van de Raad van de Europese Unie van 21 december 1993 tot vaststelling van de criteria en voorwaarden voor de structurele bijstand van de Gemeenschap in de sector visserij/aquacultuur en verwerking/afzet van de producten daarvan (PbEG L 346);

Gezien de goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen bij beschikkingen nrs. C(97)134 en C(97)1242 van 11 februari 1997 respectievelijk 29 mei 1997;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J.J. vanAartsen
a. minister:

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

b.landbouw:

akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw

c.landbouwbedrijf:

geheel van productie-eenheden in Nederland bestaande uit een of meer gebouwen of gedeelten daarvan en daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van de landbouw;

d. landbouwproducten:

producten die voorkomen in bijlage II van het EG-Verdrag, met uitzondering van de producten, bedoeld in Verordening (EG) nr. 3699/93;

e. investeringsproject:

samenhangend geheel van investeringen in productiemiddelen die in een productieproces meer jaren meegaan en waarop doorgaans wordt afgeschreven;

f. rechtspersoon:

rechtspersoon, anders dan een publiekrechtelijke rechtspersoon;

g. probleemgebied:

gebiedsdeel in Nederland dat is vermeld op de communautaire lijst van agrarische probleemgebieden, bedoeld in artikel 2 van Richtlijn nr. 75/268/EEG van de Raad van 28 april 1975 betreffende de landbouw in bergstreken en sommige probleemgebieden (PbEG L 128);

h. beheersovereenkomst:

overeenkomst als bedoeld in artikel 18, eerste lid, of artikel 56, eerste lid, van de Regeling beheersovereenkomsten en natuurontwikkeling, artikel 3, eerste lid, of artikel 70, eerste lid, van de Regeling beheersovereenkomsten 1993, artikel 6 van de Beschikking bijdragen probleemgebieden of artikel 2 van de Beschikking beheersovereenkomsten 1983;

i. bruto standaardsaldi:

maatstaf voor de bepaling van de productieomvang van een landbouwbedrijf, vastgesteld bij de op het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening van kracht zijnde Regeling landbouwtelling;

j. Nederlandse grootte-eenheid:

aantal bruto standaardsaldi vastgesteld bij de op het tijdstip van het indienen van de aanvraag tot subsidieverlening van kracht zijnde Regeling landbouwtelling; voor broederijen geldt dat 100.000 voorbroedeiplaatsen overeenkomt met 39 Nederlandse grootte-eenheden;

k.volle arbeidskracht :

arbeidskracht aan wie een arbeidsbelasting ten behoeve van het landbouwbedrijf van 40 Nederlandse grootte-eenheden kan worden toegerekend;

l. referentiehoeveelheid:

referentiehoeveelheid als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van de Beschikking superheffing 1993;

m. grootvee-eenheid:

verhoudingsgetal, berekend voor de beoordeling van de veedichtheid, overeenkomstig bijlage I van verordening (EEG) nr. 2328/91 van de Raad van 15 juli 1991 betreffende de verbetering van de doeltreffendheid van de landbouwstructuur (PbEG L 218);

n.varkenseenheid:

verhoudingsgetal, berekend om een vergelijking tussen verschillende categorieën varkens mogelijk te maken, waarbij een fokzeugplaats overeenkomt met 2,7 varkenseenheden, een mestvarkenplaats overeenkomt met 1,0 varkenseenheid en een biggenplaats overeenkomt met 0,45 varkenseenheid;

o. keurmerk Groen Label:

keurmerk door het bestuur van de stichting Groen Label toegekend aan emissiearme stalsystemen die voldoen aan de door de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu vastgestelde beoordelingsrichtlijn, bedoeld in artikel 3, achtste lid, van het Convenant Groen Label (Stcrt. 1993, 21);

p. voederareaal:

voederareaal als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Regeling dierlijke EG-premies;

q. Stichting Skal:

controle-instelling belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode bepaalde;

r. arbeidsinkomen:

uit de fiscale boekhouding van het landbouwbedrijf blijkende gemiddelde winst uit onderneming, vermeerderd met de brutoloonkosten, berekend op basis van de gegevens, genoemd in artikel 6.5, lid 3 tot en met 5;

s. onzuiver inkomen:

onzuiver inkomen als bedoeld in artikel 4 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964;

t.winst:

winst als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969, vermeerderd met het bedrag dat voor de bedrijfsleiding van de rechtspersoon ten titel van beloning voor verrichte arbeid op deze winst in mindering is gebracht;

u. biologische producten:

producten die zijn voortgebracht overeenkomstig de biologische productiemethode, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische produktiemethode, alsmede dierlijke landbouwproducten die zijn voorgebracht overeenkomstig publiek- of privaatrechtelijke normen ten aanzien van de biologische veeteelt;

v. selectiecriteria:

selectiecriteria als bedoeld in beschikking 94/173/EG van de Commissie van 22 maart 1994 tot vaststelling van de selectiecriteria voor investeringen ter verbetering van de voorwaarden inzake verwerking en afzet van land- en bosbouwproducten (PbEG L 79);

w.derde landen:

landen die geen lid zijn van de Europese Unie;

x.Dienst Regelingen:

Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

y. visserijproducten:

visserij- en aquacultuurproducten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, vierde streepje, van Verordening (EG) nr. 3699/93 van de Raad van de Europese Unie van 22 december 1993 tot vaststelling van de criteria en voorwaarden voor de structurele bijstand van de Gemeenschap in de sector visserij/aquacultuur en verwerking/afzet van producten daarvan (PbEG 1993, L346).

De minister kan op grond van de volgende bepalingen ter stimulering van de verbetering van de structuur van de productie, de verwerking en de afzet van landbouw-, visserij- en bosbouwproducten subsidie verlenen voor vernieuwende investeringsprojecten.

Een subsidie voor een investeringsproject op een landbouwbedrijf kan uitsluitend worden verleend indien het is gericht op:

Een subsidie voor een investeringsproject in een onderneming werkzaam in de verwerking en afzet van landbouwproducten kan worden verleend indien het is gericht op:

Een subsidie voor een investeringsproject in een onderneming werkzaam in de verwerking en afzet van visserijproducten kan worden verleend indien het investeringsproject is gericht op:

Een subsidie als bedoeld in artikel 4.1, kan uitsluitend worden verleend indien het investeringsproject:

De subsidieverlening wordt geweigerd voor een investeringsproject:

De subsidie voor investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.1, bedraagt 20 % van de subsidiabele kosten.

Vervallen

Vervallen

De subsidieverlening kan worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de financiering van het investeringsproject niet toereikend zal zijn.

De minister geeft een beschikking tot subsidievaststelling.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht of artikel 6 van de Kaderwet LNV-subsidies kunnen terug te vorderen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente over de periode vanaf de terugvordering tot aan het moment van algehele voldoening.

Vervallen

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: Investeringsregeling markt en concurrentiekracht.

Criteria

Het investeringsproject is gericht op:

Prioriteiten

Prioriteit wordt gegeven aan investeringsprojecten die gericht zijn op:

Criteria

Het investeringsproject is gericht op:

Prioriteiten

In volgorde van belangrijkheid wordt prioriteit gegeven aan investeringsprojecten gericht op:

Toelichting

Artikel 2.2 vaststellen:

Artikel 2.3: vaststellen dat, indien de subsidie is verleend aan een natuurlijk persoon, deze als bedrijfshoofd voor eigen rekening en risico het landbouwbedrijf exploiteert, zijn arbeidsduur voor werkzaamheden binnen het landbouwbedrijf ten minste de helft van zijn totale arbeidsduur uitmaakt en zijn onzuiver inkomen gemiddeld over de drie kalenderjaren voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag voor ten minste de helft afkomstig is uit het landbouwbedrijf waarvoor de aanvraag wordt ingediend; vaststellen dat de aanvrager een boekhouding voert die voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 2.3, lid 1, onderdeel e; vaststellen dat, indien op het landbouwbedrijf van de aanvrager, op het tijdstip van het indienen van de aanvraag, minder dan drie jaar landbouwactiviteiten zijn verricht, hij voldoet aan de voorwaarden genoemd in het tweede lid.

Artikel 2.4: vaststellen, dat, indien de subsidie is verleend aan een rechtspersoon, deze blijkens de statuten de exploitatie van een landbouwbedrijf ten doel heeft, de arbeidsduur van het door de rechtspersoon aangewezen bedrijfshoofd voor werkzaamheden binnen het landbouwbedrijf ten minste de helft van zijn totale arbeidsduur uitmaakt en zijn winst gemiddeld over de drie kalenderjaren voorafgaand aan het tijdstip van het indienen van de aanvraag voor ten minste de helft afkomstig is uit het landbouwbedrijf waarvoor de aanvraag wordt ingediend; vaststellen dat de aanvrager een boekhouding voert die voldoet aan de vereisten genoemd in artikel 2.4, lid 1, onderdeel e.

Artikel 4.2, eerste lid, onderdeel a: vaststellen dat indien de subsidie zoals bedoeld in artikel 4.1 is verleend aan een investeringsproject gericht op de verwerking of afzet van visserijproducten deze geen betrekking heeft op de detailhandelfase.

Artikel 4.2, tweede lid, onderdeel a: vaststellen dat, behoudens het geval waarin het investeringsproject is gericht op de behandeling, verwerking of afzet van afval van visserijproducten, het investeringsproject niet uitsluitend is gericht op de verwerking of afzet van visserijproducten bestemd om voor andere doeleinden dan menselijke consumptie te worden gebruikt of verwerkt.

Artikel 4.2, tweede lid, onderdeel b: vaststellen dat het investeringsproject niet wordt uitgevoerd in een regio met doelstelling 1, als bedoeld in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van de Europese Unie van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten (PbEG 1988, L185).

Artikel 4.3: vaststellen dat:

Artikel 5.2, eerste lid, onderdeel a: vaststellen dat indien de subsidie zoals bedoeld in artikel 5.1 is verleend aan een investeringsproject gericht op de verwerking of afzet van bosbouwproducten deze geen betrekking heeft op de detailhandelfase.

Artikel 5.2, tweede lid: vaststellen:

Artikel 5.3: vaststellen dat:

Artikel 6.1, eerste lid: vaststellen dat de aanvrager de eerste gebruiker is van de productiemiddelen waarvoor de subsidie wordt verstrekt, dat deze geheel of nagenoeg geheel op het bedrijf van de aanvrager, of op de landbouwbedrijven van de aan een samenwerkingsverband deelnemende personen worden benut en op het moment van het indien van de aanvraag tot subsidievaststelling eigendom zijn van de aanvrager.

Artikel 6.1, tweede lid, onderdeel a: vaststellen dat geen aanvang is gemaakt met de uitvoering van het project voordat de ontvangst van de subsidieaanvraag schriftelijk is bevestigd.

Artikel 6.1, tweede lid, onderdeel b: vaststellen dat de subsidieontvanger geen onderneming is gericht op onderzoek, scholing, opleiding, voorlichting, advies of begeleiding.

Artikel 6.1, tweede lid, onderdeel c: vaststellen dat niet wordt geïnvesteerd in productiemiddelen die dienen ter vervanging van productiemiddelen die reeds eigendom zijn van de aanvrager.

Artikel 6.3, vierde lid: vaststellen dat er voor een investeringsproject als bedoeld in artikel 2.1 geen cumulatie plaatsvindt met andere subsidie van overheidswege boven het maximum van 35 % van de subsidiabele kosten voor onroerende zaken en van 20 % voor overige zaken.

Artikel 6.6, derde lid: vaststellen, bij een investeringsproject in primaire landbouw, of de aanvrager op het tijdstip van het indienen van de aanvraag jonger is dan 35 jaar, zich minder dan vijf jaar voor het tijdstip van het indienen van de aanvraag heeft gevestigd op het landbouwbedrijf waarvoor de aanvraag wordt ingediend en niet eerder een landbouwbedrijf heeft geëxploiteerd.

Artikel 6.6, vijfde lid: vaststellen of er sprake is van een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.4, eerste of tweede lid, en of elke aan het samenwerkingsverband deelnemende natuurlijk persoon of elke bedrijfshoofd van de aan het samenwerkingsverband deelnemende rechtspersonen aan de in het derde lid, onderdeel a en c, gestelde voorwaarden voldoet en zij gezamenlijk voldoen aan de voorwaarde genoemd in het derde lid, onderdeel b.

Artikel 6.7, tweede lid: vaststellen dat voor een investeringsproject als bedoeld in artikel 3.1 geen cumulatie plaatsvindt met subsidie van decentrale overheden boven het maximum van 75% van de subsidiabele kosten voor investeringsprojecten die worden uitgevoerd in de provincie Flevoland en boven het maximum van 55% voor overige investeringsprojecten.

Artikel 6.7, derde lid: vaststellen dat er voor een investeringsproject als bedoeld in artikel 3.1 geen cumulatie plaatsvindt met subsidies van Rijksoverheidswege boven het maximum van 30% van de subsidiabele kosten.

Artikel 6.9, tweede lid: vaststellen dat voor een investeringsproject als bedoeld in artikel 5.1 geen cumulatie plaatsvindt met subsidie van decentrale overheden boven het maximum van 75% van de subsidiabele kosten voor investeringsprojecten die worden uitgevoerd in de provincie Flevoland en boven het maximum van 55% voor overige investeringsprojecten.

Artikel 6.9, derde lid: vaststellen dat er voor een investeringsproject als bedoeld in artikel 5.1 geen cumulatie plaatsvindt met subsidies van rijksoverheidswege boven het maximum van 30% van de subsidiabele kosten.

Artikel 6.11, tweede lid: vaststellen dat voor een investeringsproject zoals bedoeld in artikel 4.1 geen cumulatie plaatsvindt met subsidie van decentrale overheden boven het maximum van 50% van de subsidiabele kosten

Artikel 6.11, derde lid: vaststellen dat voor een investeringsproject zoals bedoeld in artikel 4.1 geen cumulatie plaatsvindt met subsidies van Rijksoverheidswege boven het maximum van 30% van de subsidiabele kosten.

Artikel 8.1, eerste lid, onderdeel a: vaststellen dat de subsidieontvanger het investeringsproject overeenkomstig het investeringsprojectplan heeft uitgevoerd, behoudens door de minister goedgekeurde wijzigingen van het project.

Artikel 8.1, eerste lid, onderdeel b: vaststellen dat het investeringsproject in Nederland is uitgevoerd, behoudens toestemming van de minister tot gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.

Artikel 8.1, eerste lid, onderdeel c en d: vaststellen dat de uitvoering van het investeringsproject in ieder geval is uitgevoerd binnen achttien maanden, voorzover het gaat om investeringsprojecten als bedoeld in artikel 2.1, en binnen drie jaar, voorzover het gaat om investeringsprojecten als bedoeld in artikel 3.1, 4.1 en 5.1 of, in voorkomend geval, binnen de verkorte termijnen die de minister met toepassing van artikel 8.1, vijfde lid dienaangaande heeft vastgesteld.

Artikel 8.1, tweede lid: vaststellen dat de subsidieontvanger binnen één jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening een aanvang met de uitvoering van het investeringsproject, zoals bedoeld in artikel 3.1, 4.1 en 5.1, heeft gemaakt of, in voorkomend geval, binnen de verkorte termijn die de minister met toepassing van artikel 8.1, vijfde lid dienaangaande heeft vastgesteld.

Artikel 8.1, vierde lid: vaststellen dat de subsidieontvanger een zodanig ingerichte administratie voert dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze alle investeringsprojectkosten kunnen worden afgelezen, gespecificeerd overeenkomstig de in artikel 6.2 onderscheiden kostensoorten.

Artikel 9.1, tweede lid, onderdeel a: vaststellen of de financiële verantwoording van het investeringsproject voldoet aan de voor dit doel eraan te stellen eisen.

Onder normale aandacht wordt verstaan: controle met een diepgang die gebruikelijk is voor het afgeven van een accountantsverklaring bij een verantwoording.

Onder speciale aandacht wordt verstaan: controle waarbij nadrukkelijk wordt bezien of de desbetreffende voorschriften zijn nageleefd. In dit geval moet dus verder worden gegaan dan normaal bij een controle van een verantwoording.

Aan de niet genoemde artikelen behoeft bij de controle geen aandacht te worden besteed, met dien verstande dat, teneinde de controle op de hierboven genoemde artikelen goed te kunnen verrichten, kennisneming van deze overige artikelen noodzakelijk is.

De minister behoudt zich het recht voor om de Auditdienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een review te laten uitvoeren op de door de accountant van de aanvrager, aan wie de subsidie ingevolge deze regeling is verleend, verrichte werkzaamheden.

goedkeurende verklaring:

Wij hebben de bijgevoegde financiële verantwoording met betrekking tot de beschikking tot subsidieverlening in het kader van de Investeringsregeling markt en concurrentiekracht, kenmerk ......... van ............ (naam + zetel) gecontroleerd. Dit onderzoek is verricht in overeenstemming met algemeen aanvaarde controlegrondslagen en met de aanwijzingen die de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in het controleprotocol, behorende bij vorenbedoelde ministeriële regeling, heeft gegeven met betrekking tot de controle op de naleving van de subsidiebepalingen.

Op grond van dit onderzoek zijn wij van oordeel dat deze verantwoording voldoet aan de voor dit doel eraan te stellen eisen.

Tevens delen wij mede dat de in het controleprotocol genoemde subsidiebepalingen zijn nageleefd.

Plaats en datum:

Handtekening:

Naam accountant:

Naam accountantskantoor:

Adres:

Postcode en woonplaats:

Telefoon: