Regeling · BWBR0009066
Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998
Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 25 juni 1997, No. J. 975376, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Gelet op de artikelen 6, 7, 15 en 65 van de Wet bodembescherming;
De Raad van State gehoord (advies van 14 oktober 1997, nr. W11.97.0391);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 20 november 1997, No. J. 9712655, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage1 december 1997 Beatrix De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, J. J. van Aartsen De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Margaretha de Boer de negende december 1997 De Minister van Justitie, W. SorgdragerIn dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder grond, meststoffen, bedrijf, landbouwgrond, fosfaat, hectare, veengrond, zand- of lössgrond en kleigrond hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Meststoffenwet, en wordt verstaan onder:
- a.
dierlijke meststoffen: uitwerpselen van dieren, daaronder begrepen de geheel of gedeeltelijk verteerde maag- of darminhoud van deze dieren en mengsels van strooisel met de uitwerpselen, alsook producten daarvan;
- b.
gebruiken van meststoffen: meststoffen op of in de bodem brengen;
- c.
grasland: grond die voor ten minste 50% uit gras bestaat dat bestemd is voor beweiding met dieren of voor de winning van het gewas voor vervoedering aan dieren;
- d.
bouwland: grond waarop ten minste een deel van het jaar een gewas wordt geteeld, niet zijnde grasland;
- e.
natuurterrein: grond met een houtopstand die de hoofdfunctie natuur heeft, heideveld, ven, hoogveenterrein, zandverstuiving, duinterrein, kwelder, schor, gors, slik, riet- en ruigtland, griend en laagveenmoeras, alsmede grasland of bouwland dat de hoofdfunctie natuur heeft;
- f.
beheer: beheer, gericht op de instandhouding van natuurwaarden, dat
- 1°.
is vastgesteld krachtens de Natuurbeschermingswet of de Natuurbeschermingswet 1998,
- 2°.
geldt als voorwaarde voor de verlening van een subsidie op grond van de Kaderwet LNV-subsidies, of
- 3°.
tot stand is gekomen met instemming van Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
- 1°.
- g.
overige grond: andere grond dan natuurterrein en dan landbouwgrond die tot een bedrijf behoort;
- h.
stikstofkunstmest: meststof, opgenomen in bijlage IV bij dit besluit;
- i.
vaste mest: dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn;
- j.
drijfmest: dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn;
- k.
fruitteelt: bedrijfsmatige teelt op bouwland van vruchten, bestemd voor menselijke consumptie en groeiend aan houtige gewassen;
- l.
emissiearm aanwenden: gebruiken overeenkomstig de voorschriften die voor de desbetreffende situatie zijn opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage II;
- m.
veenkoloniaal bouwplan: bouwplan met de teelt van fabrieksaardappelen ten behoeve van de zetmeelindustrie met een teeltfrequentie van ten minste éénmaal per drie jaar, met dien verstande dat geen sprake is van een veenkoloniaal bouwplan in de periode dat op de desbetreffende grond bloembollen worden geteeld of gras wordt geteeld;
- n.
hellingspercentage: quotiënt van het hoogteverschil en de horizontale afstand, uitgedrukt in procenten, volgens de in bijlage III bij dit besluit aangegeven meetmethode;
- o.
niet-beteelde grond: grond waarvan niet kan worden waargenomen dat deze gelijkmatig met een gewas is bedekt.
Voor de toepassing van de artikelen 4, 4a, 5 en 6d wordt onder bouwland niet verstaan grond waarop tuinbouw in glasopstanden wordt uitgeoefend, of waarop een anderszins bedekte teelt plaatsvindt.
Het is verboden dierlijke meststoffen te gebruiken op natuurterrein of op overige grond.
Het in het eerste lid gesteld verbod is niet van toepassing op natuurterrein waarop een beheer wordt gevoerd, indien aan het beheer beperkingen zijn verbonden ten aanzien van de gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen en het gebruik daarmee in overeenstemming is.
Het in het eerste lid gesteld verbod is niet van toepassing op natuurterrein, indien op dat terrein geen beheer wordt gevoerd waaraan beperkingen ten aanzien van de gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen zijn verbonden en ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:
- a.
de gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, is niet groter dan 20 kilogram fosfaat per hectare per jaar;
- b.
het natuurterrein is grasland en de daarop gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat en stikstof, is niet groter dan 70 kilogram fosfaat, onderscheidenlijk 170 kilogram stikstof per hectare per jaar.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op overige grond indien ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:
- a.
de gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, is niet groter dan 20 kilogram fosfaat per hectare per jaar;
- b.
de overige grond is grasland of bouwland en de daarop gebruikte hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat en stikstof, is niet groter dan 85 kilogram fosfaat, onderscheidenlijk 170 kilogram stikstof per hectare per jaar.
Het is verboden dierlijke meststoffen of stikstofkunstmest te gebruiken indien de bodem geheel of gedeeltelijk is bevroren of geheel of gedeeltelijk is bedekt met sneeuw.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het gebruik van vaste mest op grasland waarop een beheer wordt gevoerd, indien het gebruik van vaste mest onderdeel is van het op het desbetreffende grasland van toepassing zijnde beheersregime.
Het is verboden dierlijke meststoffen of stikstofkunstmest te gebruiken indien de bovenste bodemlaag met water verzadigd is.
Het is verboden in de periode van 1 september tot en met 31 januari dierlijke meststoffen of stikstofkunstmest te gebruiken indien de bodem tegelijkertijd wordt bevloeid, beregend of geïnfiltreerd.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder infiltreren verstaan: aanvoeren van water op of onder het grondoppervlak door middel van een buizen- of slangenstelsel.
Het is verboden in de periode van 1 september tot en met 31 januari dierlijke meststoffen te gebruiken.
Het in het eerste lid gestelde verbod is in de periode van 1 tot en met 15 september niet van toepassing op grasland, gelegen op kleigrond of veengrond.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het gebruik van vaste dierlijke meststoffen op bouwland, gelegen op kleigrond of veengrond.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het gebruik van drijfmest op bouwland, gelegen op kleigrond, in de periode van:
- a.
1 september 2005 tot en met 30 november 2005;
- b.
1 september 2006 tot en met 15 november 2006;
- c.
1 september 2007 tot en met 31 oktober 2007;
- d.
1 september 2008 tot en met 15 oktober 2008;
- e.
1 september tot en met 15 september in de jaren 2009 en volgende.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het gebruik van drijfmest op bouwland, gelegen op veengrond, in de periode van 1 september tot en met 15 september.
Het is verboden in de periode van 16 september tot en met 31 januari stikstofkunstmest te gebruiken op bouwland en op grasland.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op bouwland dat gelijkmatig is beteeld met een vollegrondsgroente.
Het in het eerste lid gestelde verbod is in de periode van 16 september tot en met 15 oktober niet van toepassing op bouwland waarop uitsluitend fruitteelt wordt uitgeoefend.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het gebruik van ureum op bouwland waarop uitsluitend fruitteelt wordt uitgeoefend.
Het in het eerste lid gestelde verbod is in de periode van 16 januari tot en met 31 januari niet van toepassing op bouwland dat gelijkmatig is beteeld met hyacinten.
Het is verboden op grasland de graszode te vernietigen.
Het in het eerste lid gestelde verbod is in de periode van 1 februari tot en met 15 september niet van toepassing op grasland, gelegen op kleigrond of veengrond, en is in de periode van 1 februari tot en met 10 mei niet van toepassing op grasland, gelegen op zand- of lössgrond, indien direct aansluitend op de vernietiging van de graszode op de desbetreffende grond de teelt van een gewas, genoemd in bijlage I, aanvangt.
Het gebruik van meststoffen op de grond, beteeld met de in het tweede lid bedoelde gewassen, vindt slechts plaats voorzover uit een representatief grondmonster blijkt dat de aanwezige hoeveelheid stikstof, rekening houdend met de minerale stikstof en met de toevoer van stikstof door netto-mineralisatie van voorraden organische stikstof in de bodem, onvoldoende is om te voldoen aan de behoefte van het desbetreffende gewas. Het representatieve grondmonster wordt genomen, bemonsterd en geanalyseerd door een laboratorium dat blijkens accreditatie door Raad voor Accreditatie te Utrecht aantoonbaar voldoet aan de norm NEN-EN-ISO/IEC 17025, dan wel door een vergelijkbare instelling, gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een andere lidstaat die partij is bij een daartoe strekkend Verdrag dat Nederland bindt, die een verklaring verstrekt op basis van onderzoekingen die voldoen aan een kwaliteitsborgingsniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
Het in het eerste lid gestelde verbod is in de periode van 16 september tot en met 30 november niet van toepassing op grasland, indien direct na de vernietiging van de graszode in de desbetreffende grond tulp, krokus, iris of muscari wordt geplant.
Het in het eerste lid gestelde verbod is in de periode van 1 november tot en met 31 december niet van toepassing op grasland, gelegen op kleigrond, indien na de vernietiging van de graszode als eerstvolgend gewas een ander gewas dan gras wordt geplant of gezaaid.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het vernietigen van de graszode op grasland als onderdeel van kavelinrichtingswerken die worden verricht na vaststelling van een plan van toedeling, op basis van:
- a.
een landinrichtingsplan dat is vastgesteld overeenkomstig artikelen 73 tot en met 83 van de Landinrichtingswet, waarin is voorzien in herverkaveling als bedoeld in hoofdstuk VII van de Landinrichtingswet,
- b.
een herinrichtingsplan dat is vastgesteld overeenkomstig de artikelen 16 tot en met 20 van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën, waarin is voorzien in herverkaveling als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van de Herinrichtingswet Oost-Groningen en de Gronings-Drentse Veenkoloniën, of
- c.
een plan van voorzieningen dat is vastgesteld overeenkomstig de artikelen 39 tot en met 44 van de Reconstructiewet Midden-Delfland, of
- d.
een reconstructieplan dat is vastgesteld overeenkomstig hoofdstuk 2 van de Reconstructiewet concentratiegebieden, waarin is voorzien in herverkaveling als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 6 van de Reconstructiewet concentratiegebieden.
Het is verboden dierlijke meststoffen te gebruiken op grasland of bouwland, tenzij de dierlijke meststoffen emissiearm worden aangewend.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op grond, gelegen op zand- of lössgrond, waarop een veenkoloniaal bouwplan wordt uitgeoefend, alsmede op bouwland gelegen op Texel.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het gebruik van vaste dierlijke meststoffen op grond waarop gras wordt geteeld of waarop uitsluitend fruitteelt wordt uitgeoefend, tenzij de grond een hellingspercentage heeft van 7 of meer.
Het is verboden dierlijke meststoffen of stikstofkunstmest te gebruiken anders dan door een zo gelijkmatig mogelijke verspreiding over het perceel waarop de meststoffen worden gebruikt.
Het is verboden dierlijke meststoffen of stikstofkunstmest te gebruiken op grond met een hellingspercentage van 7 of meer indien de desbetreffende grond is aangetast door geulenerosie.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder geulenerosie verstaan: de versnelde afvoer van bodemmateriaal door oppervlakkig afstromend water, waarbij geulen van meer dan 30 centimeter diepte zijn ontstaan.
Het is verboden dierlijke meststoffen te gebruiken op niet-beteelde grond met een hellingspercentage van 7 of meer.
Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor niet-beteelde grond met een hellingspercentage van minder dan 18 indien deze grond uiterlijk acht dagen na het gebruik van de dierlijke meststoffen gelijkmatig is ingezaaid met een ander gewas dan maïs, aardappelen of bieten.
De in het tweede lid genoemde uitzondering voor maïs, aardappelen of bieten geldt niet voor een perceel met een aaneengesloten lengte van ten hoogste 300 meter dat aan beide einden over de volle breedte door een duidelijk waarneembare kavelgrens is afgebakend, dan wel over de volle breedte wordt begrensd door grond die gelijkmatig is bedekt met een ander gewas dan maïs, aardappelen of bieten over een aaneengesloten lengte van ten minste 100 meter.
Voor de toepassing van het derde lid wordt verstaan onder:
- a.
lengte van een perceel: zijde van een perceel die de grootste hoek vormt met de hoofdrichting van de hoogtelijnen;
- b.
breedte van een perceel: zijde van een perceel, die de kleinste hoek vormt met de hoofdrichting van de hoogtelijnen.
Het is verboden stikstofkunstmest te gebruiken op niet-beteelde grond met een hellingspercentage van 7 of meer.
Het verboden dierlijke meststoffen of stikstofkunstmest te gebruiken op bouwland met een hellingspercentage van 18 of meer.
Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit kan in overeenstemming met Onze Minister, op aanvraag en gehoord de Technische commissie bodembescherming, ten behoeve van onderzoek ontheffing verlenen van de in de artikelen 4, 4a, 4b, 5, 6, 6b en 6d gestelde verboden, op basis van een ingediend onderzoeksplan.
Een ontheffing kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van Onze Ministers:
- -
de ontheffing noodzakelijk is voor het te verrichten onderzoek,
- -
het onderzoeksplan voldoende duidelijk en onderbouwd is,
- -
het voldoende aannemelijk is dat het onderzoek daadwerkelijk zal leiden tot het in het onderzoeksplan geformuleerde onderzoeksresultaat,
- -
het onderzoek voldoende innovatief is,
- -
het onderzoek voldoende beperkt in duur en omvang is, en
- -
het belang van de bescherming van de bodem zich niet verzet tegen de ontheffing.
Gedeputeerde staten kunnen voor de periode van 1 tot en met 15 september ten behoeve van experimenten met het gebruik van dierlijke meststoffen op bouwland, braakland of niet-beteelde grond, gelegen op zand- of lössgrond, op aanvraag, ontheffing verlenen van het in artikel 4 gestelde verbod, op basis van een ingediend voorstel voor een experiment.
De ontheffing kan slechts worden verleend na kennisgeving door gedeputeerde staten aan Onze Minister van de in het eerste lid bedoelde aanvraag en nadat Onze Minister ter zake de Technische commissie bodembescherming heeft gehoord.
Artikel 7, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
Op zand- en lössgronden wordt na de teelt van maïs direct aansluitend gras, winterrogge, bladkool of bladrammenas geteeld.
De gewassen die na maïs worden geteeld, genoemd in het eerste lid, mogen niet worden vernietigd voor 1 februari van het daarop volgende jaar.
Dit besluit is niet van toepassing op het gebruik van mengsels van dierlijke meststoffen met zuiveringsslib, compost of zwarte grond, als bedoeld in het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen.
Vervallen
Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit gebruik meststoffen.
Aardbei
Aardappelen
Acidanthera
Andijvie
Anemone coronaria
Augurk
Bleek- en groenselderij
Bloemkool
Boerenkool
Broccoli
Buitenbloemen
Chinese kool
Courgette
Fritillaria imperialis
Gladiool
Gras
Graszaad
Graszoden
Iris
Hyacint
Karwij
Knolbegonia
Knolselderij
Knolvenkel
Koolraap
Koolrabi
Koolzaad
Krokus
Kroten
Kruiden
Laanbomen: opzetters
Landbouwstambonen
Lelie
Maïs
Meloen
Muscari
Narcis
Paksoi
Plantui, 2e jaars
Pompoen
Prei
Raapstelen
Rabarber
Rode kool
Savooiekool
Schorseneren
Sla
Spinazie
Spitskool
Spruitkool
Stam- en stokbonen
Suikerbiet
Suikermaïs
Triticale
Tulp
Vaste planten
Venkel
Voederbiet
Wintergerst
Winterrogge
Wintertarwe
Winterui
Witte kool
Zaaiui
Zomertarwe
Beschrijving van emissiearm aanwenden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van het Besluit gebruik meststoffen
Het emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen vindt uitsluitend plaats door toepassing van de in de punten 2 en 3 beschreven methoden.
Bij het emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen op grasland wordt de mest onmiddellijk op of in de grond gebracht.
Indien de mest op de grond wordt gebracht, geschiedt dit door middel van apparatuur waarmee de mest uitsluitend in strookjes tussen het gras wordt gebracht, waarbij het gras tevoren wordt opgelicht of zijdelings wordt weggedrukt. De strookjes hebben geen grotere breedte dan 5 centimeter en de afstand van het midden van een strookje tot het midden van het naastliggende strookje is minimaal 15 centimeter.
Indien de mest in de grond wordt gebracht, geschiedt dit door middel van apparatuur waarmee de mest uitsluitend in de grond wordt gebracht in sleufjes. De sleufjes hebben geen grotere breedte dan 5 centimeter.
a. Bij het emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen wordt tot 1 januari 2008 de mest:
- 1°.
op beteeld bouwland, onmiddellijk in de grond gebracht door middel van apparatuur waarmee de mest uitsluitend in de grond wordt gebracht in sleufjes. De sleufjes hebben geen grotere breedte dan 5 centimeter, of
- 2°.
op niet-beteeld bouwland, onmiddellijk in de grond gebracht door middel van apparatuur, waarmee de mest uitsluitend in de grond wordt gebracht in sleufjes. De sleufjes hebben geen grotere breedte dan 5 centimeter en zijn minimaal 5 centimeter diep, of
- 3°.
in maximaal twee direct opeenvolgende werkgangen op het grondoppervlak gebracht en ondergewerkt op zodanige wijze dat de mest, direct nadat deze op het grondoppervlak is gebracht, ofwel in de grond wordt gebracht, ofwel intensief met de grond wordt vermengd, met als gevolg dat de mest als zodanig niet meer zichtbaar op het grondoppervlak ligt.
- a.
Bij het emissiearm aanwenden van drijfmest wordt na 31 december 2007
- 1°.
op beteeld bouwland, onmiddellijk in de grond gebracht door middel van apparatuur waarmee de mest uitsluitend in de grond wordt gebracht in sleufjes. De sleufjes hebben geen grotere breedte dan 5 centimeter, of
- 2°.
op niet-beteeld bouwland, onmiddellijk in de grond gebracht door middel van apparatuur waarmee de mest uitsluitend in de grond wordt gebracht in sleufjes. De sleufjes hebben geen grotere breedte dan 5 centimeter en zijn minimaal 5 centimeter diep, of
- 3°.
in één werkgang aangewend, waarbij de mest met één machine op het grondoppervlak wordt gebracht en ondergewerkt, op zodanige wijze dat de mest direct nadat dat deze op het grondoppervlak is gebracht ofwel in de grond wordt gebracht, ofwel intensief met de grond wordt vermengd, met als gevolg dat de mest als zodanig niet meer zichtbaar op het grondoppervlak ligt.
- 1°.
- b.
Bij het emissiearm aanwenden van vaste mest wordt de mest in maximaal twee direct opeenvolgende werkgangen op het grondoppervlak gebracht en ondergewerkt, en wel op zodanige wijze dat de mest direct nadat deze op het grondoppervlak is gebracht ofwel in de grond wordt gebracht, ofwel intensief met de grond wordt vermengd, met als gevolg dat de mest als zodanig niet meer zichtbaar op het grondoppervlak ligt.
I Bepaling hellingspercentage van gewaspercelen met één hoogste en één laagste punt
1. Bepaling van de richting van de steilste helling in het gewasperceel (L = lengte van het gewasperceel).
De steilste helling in het gewasperceel is maatgevend voor L.
Figuur A
L van gewasperceel a = 400 meter
L van gewasperceel b = 200 meter
2. Bepaling van het gemiddelde hellingspercentage over de in 1 vermelde L (lengte gewasperceel).
Figuur B
Gemiddeld hellingspercentage = 1.
Figuur C
Gemiddeld hellingspercentage: 300/500 x 6 + 200/500 x 1 = 4
Figuur D
Gemiddeld hellingspercentage: 150/500 x 2 + 200/500 x 12/500 + 150/500 x 2 = 6
II Bepaling hellingspercentage van gewaspercelen met meer dan één hoogste punt of laagste punt (holle en bolle percelen)
1. Holle percelen: vanuit het laagste punt het gemiddelde van twee hellingen bepalen.
Figuur E
Gemiddeld hellingspercentage van helling 1: 200/300 x 6 + 100/300 x 9 = 7
helling 2: idem
Gemiddeld hellingspercentage gewasperceel:
300/600 x 7 + 300/600 x 7 = 7
2. Bolle percelen: vanuit het hoogste punt het gemiddelde van twee hellingen bepalen.
Onder stikstofkunstmest als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, worden meststoffen, alsmede mengsels van meststoffen verstaan, die vallen onder de volgende typeaanduidingen:
- a.
Stikstofmeststoftypen
Ammoniakwater
Ammoniumnitraat(-ureum-oplossing (urean))
Ammoniumsulfaat (ook: met nitrificatieremmer (dicyaandiamide))
Ammonsulfaatsalpeter (ook: met nitrificatieremmer (dicyaandiamide))
Calciummagnesiumnitraat(-oplossing)
Calciumnitraat(-oplossing)
Chilisalpeter
Crotonylideendiureum
Isobutylideendiureum
Kalkammonsalpeter
Kalkmagnesiasalpeter
Kalksalpeter
Kalkstikstof
Magnesiumnitraat(-oplossing)
Natronsalpeter
Nitraathoudende kalkstikstof
Oplossing van stikstofmeststof(fen)
Salmiak
Gemengde stikstofmeststof
Gemengde stikstofmeststof op basis van kalksalpeter (bladmeststof)
Gemengde stikstofmeststof met ureumformaldehyde
Gemengde stikstofmeststof met crotonilydeendiureum
Gemengde stikstofmeststof met isobutylideendiureum
Stikstofmagnesia
Stikstofmagnesiumsulfaat
Ureum (ook: omhuld, met zwavel omhuld kunsthars gecoat)
Ureum-ammoniumsulfaat
Ureumformaldehyde
Vloeibare ammoniak
Stikstofmeststof met crotonylideendiureum
Stikstofmeststof met isobutylideendiureum
Stikstofmeststof met ureumformaldehyde
- b.
Meststoftypen met stikstof of fosfaat
Calciummagnesiumnitraatoplossing in water
Diammonfosfaat
Kalisalpeter (ook: omhuld)
Kaliumnatriumnitraat
Monoammonfosfaat
Nitraathoudende diatomeeën-aarde vrijkomend bij de bereiding van vloeibare meststoffen
NPK-, NP- en NK-meststoffen (ook: oplossing of suspensie van)
NPK-, NP- en NK-meststoffen met crotonylideendiureum
NPK-, NP- en NK-meststoffen met isobutylideendiureum
NPK-, NP- en NK-meststoffen met ureumformaldehyde
NPK- en NP-meststoffen met aluminiumcalciumfosfaat
NPK- en NP-meststoffen met gedeeltelijk ontsloten natuurfosfaat
NPK- en NP-meststoffen met natuurfosfaat
NPK- en NP-meststoffen op basis van aluminium-calciumfosfaat
NPK- en NP-meststoffen op basis van gloeifosfaat
NPK- en NP-meststoffen op basis van thomasmeel
NPK- en NP-meststoffen op basis van zacht natuurfosfaat
Kunsthars gecoate langzaamwerkende NPK-meststof
Kunsthars omhulde NPK-meststof 14+9+15
Langzaamwerkende samengestelde meststof NPK 16+11+14 met spoorelementen (B+Cu+Fe+Mn+Mo+Zn) voor potgrond
Langzaamwerkende samengestelde meststof NPK 16+10+12 met spoorelementen (B+Cu+Fe+Mn+Mo+Zn) voor potgrond
Organische NPK, NP en NK meststof van dierlijke oorsprong
Samengestelde meststoffen NPK, NP en NK (ook: oplossing of suspensie van)
Samengestelde meststoffen NPK, NP en NK met thomasmeel
Samengestelde meststoffen NPK, NP en NK met ureumformaldehyde
Samengestelde meststoffen NPK, NP en NK met crotolylideendiureum
Samengestelde meststoffen NPK, NP en NK met isobutylideendiureum
Samengestelde meststof NPK met diciaandiamide
Samengestelde organische meststoffen NPK, NP en NK
Mengmeststoffen met stikstof of fosfaat
Bloedmeel voor meststof
Guano
Uienpulp
Mosterdzaadpulp
Beendermeel
Ontlijmd beendermeel
Diermeel
- c.
Meststoftypen voor voedingsoplossingen
Kalisalpeterzuur in oplossing
Salpeterzuur
Vloeibare samengestelde meststoffen NPK, NP en NK voor voedingsoplossingen
- d.
Kalkmeststoftypen met stikstof of fosfaat
Samengestelde meststoffen NPK, NP en NK op basis van kalikiezelkalk
Stikstofhoudende kalkmeststof met boor