Ministeriële regeling · BWBR0009132

IJkregeling meetwerktuigen

Wijzigingen Officiële bron
IJkregeling meetwerktuigenIJkregeling meetwerktuigenDe Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 11, derde lid, en 13, vierde lid, van de IJkwet en de artikelen 2, tweede lid, en 3, tweede lid, van het IJkreglement;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage12 december 1997De Minister van Economische Zaken, G.J.Wijers

In deze regeling wordt verstaan onder:

wet:

de IJkwet;

meetwerktuigen:

de meetwerktuigen, bedoeld in artikel 1, onder D, van het IJkreglement met uitzondering van:

schuifmaten:

meetwerktuigen, bestemd voor diktemeting, bestaande uit:

meetkamers:

voor de meting dienende ruimten van een meetwerktuig, die met behulp van verdeelstrepen, overlopen, aflooppijpen of andere begrenzingen in een of meer volumedelen zijn verdeeld;

meetwerktuigen met discontinue werking:

meetwerktuigen, bestemd voor de discontinue vaststelling van het volume van andere vloeistoffen dan water, bestaande uit meetkamers en voorzien van bijzondere inrichtingen voor het vullen en ledigen van de meetkamers;

melkmeetemmers:

melkmeetemmers van 30 en 20 liter, niet voorzien van een aftap- of afloopinrichting;

onderzoek tot toelating van een model:

het onderzoek, bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de wet;

keuring:

de keuring, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet;

herkeuring:

de herhaalde keuring, bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de wet;

toezicht:

het onderzoek, bedoeld in artikel 5:18 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaring van toelating:

de verklaring, bedoeld in artikel 11a, tweede lid, van de wet;

zegelmerk:

het eerste deel van het ijkmerk, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet.

De bepalingen van deze regeling moeten wat betreft meetwerktuigen in acht worden genomen bij:

Met de meetwerktuigen, die de in artikel 10, eerste lid, van de wet, bedoelde keuring hebben ondergaan, worden gelijkgesteld meetwerktuigen, die in een andere lid-staat van de Europese Unie dan wel in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte rechtmatig zijn geproduceerd of in de handel zijn gebracht en die door een gelijkwaardige, door die andere staat erkende instantie zijn gekeurd, mits bij de keuringen aan gelijkwaardige eisen is voldaan.

Artikel 11, tweede lid, van de wet geldt niet ten aanzien van:

De door een meetwerktuig gemeten hoeveelheid moet gemakkelijk waarneembaar worden aangewezen.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

meetbereik:

de grootste dikte, die met een schuifmaat kan worden gemeten;

meetvlak:

de vlakke binnenzijde van een dook van een schuifmaat.

Het meetbereik van een schuifmaat mag, van 1 decimeter tot 2 meter, elk geheel getal decimeters bedragen.

Bij de keuring bedragen de maximaal toelaatbare fouten van de meetlengten:

Voor de toepassing van het bepaalde in de artikelen 9, zevende lid, en 10 worden houten schuifmaten, waarvan de geleidevlakken van de geleidestang en de meetvlakken van de doken geheel met metaal zijn beslagen, gelijkgesteld met metalen schuifmaten.

Bij de herkeuring, het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet en het toezicht van schuifmaten bedragen de maximaal toelaatbare fouten het dubbele van die bij de keuring.

De vermelding van het meetbereik van een schuifmaat moet in de geleidestang voor of achter de verdeling zijn gestempeld.

Deze paragraaf is slechts van toepassing op meetwerktuigen voor lengtemeting, met uitzondering van schuifmaten.

Bij het onderzoek tot toelating van een model en de keuring bedraagt de maximaal toelaatbare fout van de aanwijzing van de gemeten lengte, in plus of min:

Bij de herkeuring, het onderzoek, bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de wet en het toezicht bedraagt de maximaal toelaatbare fout van de aanwijzing van de gemeten lengte, in plus of min:

Meetwerktuigen waarbij de aard van de te meten goederen de meting beïnvloedt, moeten een opschrift dragen, waaruit blijkt voor de meting van welke goederen het meetwerktuig al dan niet is bestemd.

De maximaal toelaatbare fout van de aanwijzing van de gemeten oppervlakte bedraagt voor meetwerktuigen voor oppervlaktemeting plus of min 2%.

In een opschrift moeten de grootste en de kleinste oppervlakte worden vermeld, die door een meetwerktuig voor oppervlaktemeting ingevolge artikel 20 gemeten mogen worden.

Meetwerktuigen voor oppervlaktemeting waarbij de dikte of de aard van de te meten goederen de meting beïnvloedt, moeten een opschrift dragen, waaruit blijkt voor de meting van welke dikten of welke goederen het meetwerktuig al dan niet is bestemd.

Deze titel is slechts van toepassing op meetwerktuigen met discontinue werking.

De delen die de begrenzing vormen van een meetkamer van een meetwerktuig moeten met elkaar zijn verbonden of zijn voorzien van verzegelingsinrichtingen, waarmee het uit elkaar nemen van die delen kan worden verhinderd. Het bepaalde in de eerste volzin geldt niet, indien de eigenschappen van het produkt waarvoor het meetwerktuig is bestemd het uit elkaar nemen van de delen noodzakelijk maken.

De meetwerktuigen waarvan de delen blijvend uit elkaar genomen moeten kunnen worden, moeten zodanig zijn geconstrueerd, dat onjuiste metingen door onjuist of onvolledig samenvoegen van de verschillende delen zijn uitgesloten dan wel moeten van zodanige gebruiksaanwijzingen en kenmerken zijn voorzien, dat bij opvolging van de gebruiksaanwijzing juiste metingen zijn gewaarborgd.

De meetwerktuigen ten aanzien waarvan de opstelling waarin zij gebruikt moeten worden niet duidelijk uit de samenstelling blijkt, moeten, indien die opstelling van belang is voor een juiste meting, zijn voorzien van een inrichting, die die opstelling duidelijk aanwijst.

Telwerken, veiligheidsinrichtingen, terugloopleidingen, justeerinrichtingen en andere hulpinrichtingen die het gebruik van een meetwerktuig vergemakkelijken, zijn toegestaan, voor zover zij de juiste werking van het meetwerktuig niet schaden en geen aanleiding tot misleiding en misvatting kunnen geven.

Een justeerinrichting moet zijn voorzien van een verzegelingsinrichting.

Verzegelingen mogen zowel door afslagen in lood als met behulp van een tang worden uitgevoerd.

Verzegelingen moeten voldoende zijn beschermd tegen risico?s van toevallige verbreking.

Verzegelingsinrichtingen moeten gemakkelijk toegankelijk zijn en zodanig zijn uitgevoerd, dat het zegelmerk kan worden aangebracht.

Een meetwerktuig dat een geldig ijkmerk draagt, moet zijn voorzien van een zegelmerk, dat is aangebracht op de verzegelingsinrichting van de justeerinrichting en zo nodig op de verzegelingsinrichtingen van de onderdelen, bedoeld in artikel 28.

Vloeistofspiegels ter hoogte van de afzonderlijke deelstrepen moeten parallaxvrij ingesteld en afgelezen kunnen worden. Zo nodig moet het meetwerktuig daartoe voorzien zijn van hulpmiddelen.

De vorm en de inrichting van de meetwerktuigen en de aan- en afvoerleidingen moeten de volledige aanvoer van de te meten en de volledige levering van de gemeten hoeveelheid waarborgen. Zo nodig moeten daartoe kijkglazen zijn aangebracht.

De delen die dienen voor het vullen en ledigen moeten onveranderlijk zijn en zodanig zijn uitgevoerd en aangebracht, dat de metingen betrouwbaar en eenduidig zijn en dat bij scheefstellingen geen verschillen van enige betekenis in verhouding tot de maximaal toelaatbare fouten optreden.

Omschakelinrichtingen moeten zodanig zijn geconstrueerd en geïnstalleerd, dat de vloeistof bij het meten of omschakelen slechts die richting kan volgen, volgens welke een juiste meting is verzekerd.

De meetwerktuigen waarbij de metende ruimte aan de boven- en de onderzijde door een afsluitinrichting wordt begrensd, moeten voorzien zijn van een bijzondere inrichting, die waarborgt dat de afvoerleiding eerst kan worden geopend na volledige vulling van de metende ruimte en eerst kan worden gesloten na volledige lediging.

Indien de onderzijde van de metende ruimte wordt begrensd door een afsluitinrichting, moeten de bodem en in voorkomende gevallen de afvoerleiding ten minste de volgende helling hebben:

Terugloopinrichtingen moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat gebruik dat leidt tot een meetfout, welke beduidend kleiner is dan de maximaal toelaatbare fout, onmogelijk is dan wel gemakkelijk kan worden vastgesteld.

De meetwerktuigen moeten zodanig zijn ingericht, dat de juiste werking van ingebouwde meetwerktuigen niet wordt geschaad en zij gemakkelijk kunnen worden onderzocht.

Bij de meetwerktuigen die bestemd zijn voor het meten van verschillende vloeistoffen moeten deze vloeistoffen zich bij het wisselen van de te meten vloeistof slechts in geringe mate met elkaar kunnen vermengen.

Melkmeetemmers moeten overeenstemmen met de tekening, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage.

Melkmeetemmers moeten zijn ingericht tot het afmeten van ten minste 6 en ten hoogste 30 liter of ten minste 4 en ten hoogste 20 liter melk.

Melkmeetemmers moeten inwendig de vorm hebben van een rechte cirkelcilinder met een vlakke bodem.

Een verdeling mag van de plaats, waar zij een hoeveelheid vloeistof met een volumieke massa van 1030 kg/m3 juist zou aanwijzen, als volgt afwijken:

In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 2 geldt dat meetwerktuigen, die

De bijlage, bedoeld in artikel 49, wordt bekendgemaakt door terinzagelegging bij de ijkinstelling.

Na de inwerkingtreding van deze regeling behoort de in artikel 49 van de IJkregeling meetwerktuigen (Stcrt. 1989, 83) bedoelde bijlage bij deze regeling en berusten de krachtens de IJkregeling meetwerktuigen (Stcrt. 1989, 83) vastgestelde besluiten op deze regeling.

De IJkregeling meetwerktuigen (Stcrt. 1989, 83) wordt ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: IJkregeling meetwerktuigen.