U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 22-09-2006.

Ministeriële regeling · BWBR0009152

Bewapeningsregeling politie

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, houdende vaststelling van de bewapening van de politie (Bewapeningsregeling Politie)Bewapeningsregeling politie

De Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken,

Gelet op artikel 49, eerste lid, van de Politiewet 1993;

Besluiten:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage15 december 1997 De Minister van Binnenlandse Zaken, H.F.Dijkstal

In deze regeling wordt verstaan onder:

De bewapening van de ambtenaar, met inbegrip van de surveillant van de politie, die dienst doet met een politiesurveillance-hond, bestaat mede uit een elektrische wapenstok en een lange wapenstok van een door de Ministers goedgekeurd merk en type.

De korpsbeheerder kan bepalen dat de bewapening van de ambtenaar die behoort tot een bereden onderdeel, mede bestaat uit:

De bewapening van de ambtenaar die behoort tot de mobiele eenheid, bestaat mede uit:

De bewapening van de ambtenaar die is belast met persoonsbeveiliging en die behoort tot een eenheid van de Divisie Koninklijke en Diplomatieke beveiliging van het Korps landelijke politiediensten dan wel tot een eenheid als bedoeld in artikel 11a van het Besluit beheer regionale politiekorpsen, bestaat mede uit:

De bewapening van de ambtenaar die behoort tot een aanhoudings- en ondersteuningseenheid, bestaat mede uit:

De bewapening van de ambtenaar die behoort tot een bijzondere bijstandseenheid, bestaat mede uit een vuurwapen waarmee lange-afstandsprecisievuur kan worden afgegeven van een door de Ministers goedgekeurd merk en type.

De korpsbeheerder kan in bijzondere, door het bevoegd gezag aangegeven situaties toestaan dat de ambtenaar tijdelijk mede wordt bewapend met:

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2 tot en met 11 kunnen de Ministers aan door hen aangewezen ambtenaren andere dan de in deze regeling genoemde wapens toekennen.

Vervallen

Vervallen

De Ministers kunnen toestemming geven tot beproeving van andere wapens en munitie dan in de artikelen 2 tot en met 12 en 14 bedoeld. De Ministers bepalen de omstandigheden waaronder de beproeving wordt uitgevoerd.

De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a en c, van de Politiewet 1993, slechts over een wapen beschikt indien hij voldoet aan de door de Ministers gestelde eisen van bekwaamheid.

Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten de krachtens de Bewapeningsregeling politie van 25 maart 1994 (Stcrt. 1994, 64) vastgestelde besluiten op deze regeling.

De Bewapeningsregeling politie van 25 maart 1994 (Stcrt. 1994, 64) wordt ingetrokken.

Deze regeling wordt aangehaald als: Bewapeningsregeling politie.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

De technische eisen, neergelegd in deze bijlage, betreffen pepperspray (oefen)spuitbussen en voor dergelijke spuitbussen geschikte draagmiddelen welke door de Nederlandse politie aangeschaft dienen te worden.

Eisen betreffende het draagmiddel voor pepperspray spuitbussen

Eisen betreffende pepperspray spuitbussen

Het draagmiddel, in combinatie met de spuitbus, dient zodanig gevormd zijn dat de gebruiker gedwongen is de spuitmond van zich af te richten bij het gebruik.

De spuitbussen oefenpepperspray bestemd voor gebruik in oefensituaties zijn gevuld met inert materiaal. Met uitzondering van de irriterende bestanddelen in de inerte stof dient het materiaal, de uitvoering en de inhoud van deze oefenspuitbussen hetzelfde te zijn als de spuitbussen gevuld met pepperspray.