U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-05-2005.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 13 juni 2000, houdende regels voor inrichtingen voor motorvoertuigen (Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer)Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheerWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 18 augustus 1999, nr. MJZ99202487, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op richtlijn nr. 91/689/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 377), richtlijn nr. 91/271/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1991 betreffende stedelijk afvalwater (PbEG L 135) en de artikelen 8.40, 8.41 en 8.42 van de Wet milieubeheer;

De Raad van State gehoord (advies van 24 januari 2000, nr. W08.99.0447/V);

Gezien het nader rapport van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 juni 2000, nr. MJZ2000057599, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage13 juni 2000BeatrixDe Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,J. P. Pronknegenentwintigste juni 2000De Minister van Justitie,A. H. Korthals

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Dit besluit is niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien:

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 oktober 2000.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer.

In deze bijlage wordt verstaan onder:

algemeen:

met betrekking tot trilling:

met betrekking tot veiligheid:

met betrekking tot lozingen:

met betrekking tot bodembescherming:

met betrekking tot lucht:

1.1.1 Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het piekniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, geldt dat:

1.1.2 Trillingen, veroorzaakt door de tot de inrichting behorende installaties of toestellen, alsmede door de tot de inrichting toe te rekenen werkzaamheden of andere activiteiten, bedragen in woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen niet meer dan de trillingsterkte zoals te bepalen volgens tabel 3 van de Richtlijn 2 «Hinder voor personen in gebouwen door trillingen» uit 1993, voor de gebouwfunctie wonen. De waarden gelden niet indien de gebruiker van deze woningen of geluidgevoelige bestemmingen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van trillingmetingen.

1.1.3 In gevallen waarin op de inrichting voorschrift 7.2 van bijlage I van het Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer van toepassing was, worden de waarden van de geluidniveaus op de gevel van woningen in tabel I van voorschrift 1.1.1 met 5 dB(A) verhoogd. De eerste volzin is niet van toepassing indien lagere waarden waren vastgelegd in de vergunning die in werking en onherroepelijk was op de datum van inwerkingtreding van het Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer. In dat geval gelden die lagere waarden.

1.2.1 Indien het energieverbruik binnen de inrichting in enig kalenderjaar meer bedraagt dan 50 000 kWh elektriciteit of 25 000 m3 aardgas, geeft degene die de inrichting drijft, op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij heeft getroffen of zal treffen, die ertoe bijdragen dat binnen de inrichting een zodanig zuinig gebruik van energie wordt gemaakt als redelijkerwijs mogelijk is.

1.2.2 Binnen een inrichting als bedoeld in voorschrift 1.2.1 worden die energiemaatregelen of -voorzieningen uitgevoerd, die rendabel zijn.

1.3.1 Het ontstaan van afvalstoffen wordt zoveel mogelijk voorkomen of beperkt. Degene die de inrichting drijft:

1.3.2 Afvalstoffen worden van elkaar gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Deze verplichting geldt in ieder geval voor:

1.3.3 Gevaarlijke afvalstoffen die behoren tot verschillende categorieën van gevaarlijke afvalstoffen, worden van elkaar en van andere afvalstoffen gescheiden, gescheiden gehouden en gescheiden afgegeven.

1.3.4 De binnen de inrichting aanwezige afvalstoffen worden zodanig opgeslagen dat nadelige gevolgen voor het milieu worden voorkomen. Voorzover voorkomen niet mogelijk is, worden zij zodanig opgeslagen dat nadelige gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk worden beperkt en gescheiden afgifte mogelijk blijft.

1.3.5 Bedrijfsafvalwater dat:

1.3.6 Bedrijfsafvalwater, afkomstig uit ruimten bestemd voor het onderhouden, repareren, verfspuiten, antiroestbehandelen, keuren, wassen, deconserveren, stallen of proefdraaien van motorvoertuigen, caravans, aanhangwagens of opleggers, dat:

1.3.7 In afwijking van voorschrift 1.3.6 kan bedrijfsafvalwater dat afkomstig is van:

1.3.8

1.3.9 In afwijking van voorschrift 1.3.6 wordt bedrijfsafvalwater uitsluitend afkomstig van het wassen van de carrosserie van motorvoertuigen, caravans, aanhangwagens of opleggers:

1.3.10 Bedrijfsafvalwater dat in een openbaar riool wordt gebracht:

1.3.11 Voorschrift 1.3.10 is van overeenkomstige toepassing op bedrijfsafvalwater dat wordt gebracht in een andere voorziening voor de inzameling van afvalwater en het transport daarvan.

1.3.12 Bedrijfsafvalwater waarvoor de concentratiegrenswaarde van 20 mg/l minerale olie onderscheidenlijk 200 mg/l minerale olie geldt, wordt voor vermenging met bedrijfsafvalwater waarvoor een andere of geen concentratiegrenswaarde geldt, door een doelmatige, goed toegankelijke controlevoorziening geleid.

1.3.13 In afwijking van voorschrift 1.3.12 kan worden volstaan met een doelmatige controlevoorziening op een andere plaats dan bedoeld in dat voorschrift. Voordat een controlevoorziening op een andere plaats wordt geplaatst, worden aan het bevoegd gezag gegevens verstrekt waaruit blijkt dat plaatsing van de controlevoorziening overeenkomstig voorschrift 1.3.12 niet mogelijk is.

1.4.1 Verwarmings- en stookinstallaties zijn zo afgesteld dat een optimale verbranding plaatsvindt. Binnen een inrichting worden geen andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie bedrijfsmatig verstookt of verbrand.

1.4.2 Bij een mechanische ventilatie in een parkeergarage die deel uitmaakt van de inrichting, met ten minste 20 parkeerplaatsen:

De snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, bedraagt ten minste 10 m/s en ten hoogste 15 m/s. Onderdeel b is niet van toepassing indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de uitblaasopening zodanig is gesitueerd dat een afdoende verspreiding van verontreinigde lucht in de buitenlucht is gewaarborgd en schadelijke immissies worden voorkomen.

1.5.1 De verlichting van gebouwen en open terrein van de inrichting dan wel ten behoeve van reclamedoeleinden wordt zodanig uitgevoerd dat directe lichtinstraling op lichtdoorlatende openingen van woon- of slaapvertrekken, in gevels of daken van woningen wordt voorkomen. Lichtverschijnselen als gevolg van werkzaamheden zoals lassen en snijden veroorzaken buiten de inrichting geen hinder.

1.6.1 In ruimten waar zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare of ontvlambare stoffen worden opgeslagen of gebruikt, is roken en open vuur verboden. Het verbod is duidelijk zichtbaar aangegeven door middel van tekst of een symbool. In deze ruimten is de elektrische installatie uitgevoerd in overeenstemming met normen op het gebied van explosieveiligheid.

1.6.2 Gasflessen zijn:

1.6.3 Indien in totaal meer dan 1 000 liter brandbare gassen en zuurstof in gasflessen wordt opgeslagen, bedraagt de afstand tussen een opslaggebouw of buitenopslag als bedoeld in voorschrift 1.6.2, onder e, en de dichtstbijzijnde woning ten minste 15 m. Indien een brandmuur van voldoende grootte en met een WBDBO van ten minste 60 minuten tussen de opslagplaats en de woning is geplaatst, bedraagt de afstand ten minste 7,5 m.

1.6.4 Afsluiters in vaste gasleidingen zijn goed bereikbaar en aangebracht:

1.6.5 Acculaders en accu's zijn tijdens het laden opgesteld in een goed geventileerde ruimte.

1.6.6 Buiten een stookruimte waarin verwarmings- of stooktoestellen zijn opgesteld met een gezamenlijke nominale belasting van 130 kW op bovenwaarde of hoger, is een goed bereikbare brandschakelaar aanwezig en een afsluiter waarmee de brandstoftoevoer kan worden afgesloten. Nabij de stookruimte is de plaats van de brandschakelaar en de afsluiter duidelijk aangegeven. Bij de afsluiter is duidelijk het doel en de wijze van sluiten aangegeven.

1.6.7 Het verwisselen van een LPG-tank van een motorvoertuig of van LPG-wisselreservoir van een intern transportmiddel of transporthulpmiddel geschiedt alleen in de buitenlucht.

1.6.8 Teneinde een begin van brand doeltreffend te kunnen bestrijden, zijn binnen de inrichting voldoende mobiele brandblusapparaten aanwezig.

1.7.1 Indien het waterverbruik binnen de inrichting in enig kalenderjaar meer bedraagt dan 5000 m3 per jaar, geeft degene die de inrichting drijft, op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij heeft getroffen of zal treffen, die ertoe bijdragen dat binnen de inrichting een zodanig zuinig gebruik van water wordt gemaakt als redelijkerwijs mogelijk is.

1.7.2 Binnen een inrichting als bedoeld in voorschrift 1.7.1 worden die waterbesparingsmaatregelen of -voorzieningen uitgevoerd, die rendabel zijn.

1.8.1 Een bodembeschermende voorziening of maatregel voldoet aan bodemrisicocategorie A zoals gedefinieerd in de NRB.

1.8.2 Degene die voornemens is de inrichting of een gedeelte daarvan buiten werking te stellen, meldt dit voornemen vóór het beëindigen aan het bevoegd gezag. In geval van het buiten werking stellen van de inrichting of een gedeelte daarvan, wordt een onderzoek naar de eindsituatie van de bodem uitgevoerd. Het onderzoek richt zich uitsluitend op die plaatsen waar bodembedreigende handelingen hebben plaatsgevonden en op de stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen. Uiterlijk binnen 1 maand na het tijdstip van het buiten gebruik stellen wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek. Het bevoegd gezag kan besluiten dat het overleggen van een rapportage van een onderzoek naar de eindsituatie van de bodem niet is vereist, indien het aannemelijk is dat de kans op bodemverontreiniging afwezig is.

1.9.1 Voorzover de voorschriften van dit besluit niet of in onvoldoende mate voorzien in een toereikende bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen die de inrichting kan veroorzaken, worden die gevolgen voorkomen of, voorzover voorkomen niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperkt.

2.1.1 De opslag van en werkzaamheden met gevaarlijke stoffen geschiedt overeenkomstig de aanwijzingen, waarschuwingen en gegevens op de verpakking en het bij de desbetreffende stoffen behorende veiligheidsinformatieblad.

2.1.2 Opslag van en werkzaamheden met vloeibare of visceuze gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen vinden plaats boven een bodembeschermende voorziening of maatregel. De bodembeschermende voorziening is vervaardigd van onbrandbaar en hittebestendig materiaal en is bestand tegen de inwerking van de in gebruik zijnde gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen. Indien boven de bodembeschermende voorziening zeer licht ontvlambare, licht ontvlambare of ontvlambare vloeistoffen worden opgeslagen, moet deze voorziening 100% van deze vloeistoffen kunnen opvangen. Indien boven de bodembeschermende voorziening andere gevaarlijke vloeistoffen en brandbare vloeistoffen worden opgeslagen, is de inhoud van deze voorziening ten minste gelijk aan de inhoud van het grootste opgeslagen vat, vermeerderd met 10% van de overige opgeslagen gevaarlijke vloeistoffen. De bodembeschermende voorziening is permanent tegen inregenen beschermd.

2.1.3 Gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen worden opgeslagen in verpakkingsmaterialen, houders of insluitsystemen die naar hun aard en functie geschikt zijn voor de opslag van de desbetreffende stoffen. De opslag van gevaarlijke stoffen in emballage vindt plaats in een of meer speciaal hiervoor bestemde ruimten, met uitzondering van gevaarlijke stoffen die zijn te beschouwen als werkvoorraad. De constructie van de opslagruimte en de wijze van opslag in die ruimte voldoen aan de richtlijn CPR 15-1. In de inrichting mag in totaal ten hoogste 10 000 kg gevaarlijke stoffen in emballage worden opgeslagen. Indien in een opslagruimte meer dan 2 500 kg gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, bedraagt de afstand tussen de opslagruimte en de dichtstbijzijnde woning ten minste 20 meter.

2.1.4 In afwijking van voorschrift 2.1.3 kunnen gevaarlijke stoffen en brandbare vloeistoffen in een voor het publiek toegankelijke verkoopruimte worden opgeslagen, mits de gezamenlijke hoeveelheid van deze in de verkoopruimte opgeslagen stoffen de hoeveelheid van 0,3 m3 niet overschrijdt.

2.1.5 De opslag in een bovengrondse tank van brandbare vloeistoffen waarvan het vlampunt is gelegen tussen 55 en 100 °C voldoet aan de richtlijn CPR 9-6, van welke richtlijn de artikelen 4.1.2, 4.1.5, 4.2.6, 4.2.10 en 4.3.1 niet van toepassing zijn op een bovengrondse tank die reeds was opgericht voor 1 januari 2000.

2.1.6 De opslag van afgedankte of gebruikte accu's vindt plaats boven een bodembeschermende voorziening die bestand is tegen het aanwezige electrolyt. Accu's worden rechtop opgeslagen. Van een in de buitenlucht opgestelde opslag is de bodembeschermende voorziening permanent tegen inregenen beschermd.

2.1.7 De opslag van autowrakken die nog vloeistoffen bevatten, vindt plaats op een vloeistofdichte vloer of voorziening. Voorschrift 1.3.7 is van overeenkomstige toepassing op bedrijfsafvalwater dat van die vloer afkomstig is.

2.2.1.

2.2.2 Reparatiewerkzaamheden aan motorvoertuigen, caravans, aanhangwagens of opleggers worden zoveel mogelijk inpandig uitgevoerd.

2.2.3 Bij het proefdraaien, testen of keuren van verbrandingsmotoren anders dan in een open ruimte, worden de uitlaatgassen op een zodanige wijze via een afvoerleiding bovendaks afgevoerd dat voldoende verspreiding in de omgeving plaatsvindt.

2.2.4 Tijdens het schoonmaken van remvoeringen worden maatregelen getroffen om verspreiding van stof en asbestvezels buiten de inrichting te voorkomen.

2.2.5 Werkzaamheden waarbij vuur wordt gebruikt, worden niet verricht aan of in de onmiddellijke nabijheid van een brandstofreservoir of andere delen van een motorvoertuig die brandstof bevatten. In de werkplaats alsmede in enig ander gebouw van de inrichting worden geen brandstofreservoirs van motorvoertuigen bijgevuld, met uitzondering van brandstof die in de categorie brandbare vloeistof valt. De brandstofreservoirs zijn, behoudens tijdens de aan de reservoirs te verrichten werkzaamheden, goed gesloten.

2.2.6 Een brander van een hogedrukreiniger is voorzien van een vlambeveiliging.

2.2.7 Een brandstoftank van een hogedrukreiniger krijgt geen hogere temperatuur dan 40 °C.

2.2.8 Aan een tankwagen worden geen werkzaamheden verricht alvorens de zekerheid is verkregen dat geen gevaarlijke stoffen of brandbare vloeistoffen in de tank aanwezig zijn. Een tankwagen waarvan de tank een gevaarlijke stof of een brandbare vloeistof bevat, wordt niet in enig gebouw van de inrichting gestald.

2.2.9 Voorschrift 2.2.8 is niet van toepassing op de uitvoering van noodreparaties, mits:

2.2.10 Een werkplaats is zodanig geventileerd dat, ter voorkoming van brand- of explosiegevaar, voldoende ventilatie is gewaarborgd om gassen of dampen die ontstaan bij lekkage of werkzaamheden, af te voeren.

2.2.11 Plafonds en wanden van een in- of aanpandig gelegen werkplaats zijn zodanig dampdicht uitgevoerd dat geen geurhinder kan ontstaan in in- of aanpandig gelegen woningen ten gevolge van uitlaatgassen of olie-, benzine, verf- of oplosmiddeldampen.

2.2.12 In de inrichting zijn niet meer dan vier autowrakken aanwezig.

2.2.13

2.3.1 Verfspuitwerkzaamheden of antiroestbehandelingen waarbij verf of antiroestmiddel met een nevelspuit worden opgebracht, vinden plaats in een speciaal daarvoor bestemde ruimte of deel van een ruimte, nabij een spuitwand, in een spuitkast, boven een spuitvloer of in een open of gesloten spuitcabine. Het aflakken vindt plaats in een gesloten spuitcabine. Spuitnevel en dampen die vrijkomen bij verfspuitwerkzaamheden of antiroestbehandelingen, worden afgezogen.

2.3.2 De tijdens het verfspuiten of uitvoeren van antiroestbehandelingen afgezogen overtollige spuitnevel en dampen passeren, alvorens in de buitenlucht te worden afgevoerd, een doelmatig en verwisselbaar filter, zodat zich geen verfdeeltjes of antiroestmiddeldeeltjes in de omgeving kunnen verspreiden.

2.3.3 Filterinstallaties worden zodanig onderhouden dat aan voorschrift 2.3.2 wordt voldaan.

2.3.4 De verwarmingsapparatuur ten behoeve van gecombineerde spuitdroogcabines is voorzien van een maximum temperatuurbeveiliging die bij een temperatuur hoger dan 85 °C automatisch de energietoevoer van de warmteopwekker afsluit.

2.3.5 Indien een motorvoertuig na verfspuitwerkzaamheden wordt gedroogd bij een temperatuur van meer dan 60 °C, worden de zich in het voertuig bevindende spuitbussen, brandblussers, LPG-tank en andere drukhouders verwijderd.

2.3.6 Voor het uitvoeren van verfspuitwerkzaamheden en antiroestbehandelingen met een spuitpistool worden geen brandbare gassen of zuiver zuurstof als verstuivingsmiddel gebruikt.

2.3.7 De uitmonding van een afvoerleiding van spuitnevel en dampen die vrijkomen bij verfspuitwerkzaamheden of antiroestbehandelingen bevindt zich ten minste 1 meter boven de hoogste daklijn van de bebouwing van de inrichting. Indien met het voorschrift in de vorige volzin ter voorkoming van geurhinder onvoldoende verspreiding van de in deze volzin bedoelde emissies wordt gewaarborgd, wordt een zodanige schoorsteenhoogte of situering gerealiseerd dat dit wel wordt gewaarborgd of wordt een ontgeuringsinstallatie geplaatst. De ontgeuringsinstallatie is zodanig uitgevoerd en onderhouden, dat geen geurhinder nabij woningen optreedt.

2.4.1 Vanaf 1 januari 2001 worden in de inrichting uitsluitend schadeherstel- en andere producten toegepast, waarvan het gebruiksklare product niet meer vluchtige organische stoffen bevat, dan is aangegeven in de volgende tabel:

De productsoort primer/surfacer bevat na 3 jaar na inwerkingtreding van het besluit ten hoogste 250 gram VOS per liter gebruiksklaar product.

2.4.2 Vanaf 1 januari 2001 mag in een meerlaags aflaksysteem noch de basislak noch de blanke lak als gebruiksklaar product meer dan 480 gram VOS per liter bevatten.

2.4.3 In de inrichting wordt uitsluitend gebruik gemaakt van hoog-rendement spuitapparatuur.

2.4.4 De voorschriften 2.4.1 en 2.4.2 zijn niet van toepassing op:

2.5.1 Een elektrische pomp voor het afleveren van motorbrandstoffen is:

2.5.2 De elektrische installatie van de pomp moet zowel aan de pomp als bij een hoofdschakelaar kunnen worden uitgeschakeld. De schakelstanden moeten duidelijk zichtbaar zijn.

2.5.3 De pompkast van een elektrische pomp moet voldoende zijn geventileerd. De uitsparing in de pompkast, waarin de vulafsluiter van de afleverslang in ruststand wordt geborgen, moet gasdicht van het inwendige van de pompkast zijn afgesloten.

2.5.4 Aflevering van motorbrandstof vindt niet plaats indien:

2.5.5 Het afleveren van motorbrandstoffen met een pomp vindt plaats boven een daartoe bestemde tankplaats. Deze tankplaats is voorzien van een vloeistofdichte vloer of voorziening die zich vanaf het aflevertoestel uitstrekt over een afstand van ten minste de lengte van de afleverslang plus 1 meter, met een minimum van 5 meter. Tot dit vloeistofdichte gedeelte wordt tevens gerekend dat deel waarop het aflevertoestel is geplaatst tot op een afstand van 1 meter vanaf het aflevertoestel aan de zijde waar zich geen tankende motorvoertuigen kunnen opstellen.

3.1.1 De inrichting wordt regelmatig schoongemaakt. De binnen de inrichting vrijkomende afvalstoffen worden regelmatig afgevoerd. Het zwerfafval dat afkomstig is van de inrichting en aanwezig is in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting wordt ingezameld en afgevoerd.

3.1.2 Gemorste gevaarlijke stoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden direct opgeruimd. Gemorste gevaarlijke stoffen of gevaarlijke afvalstoffen worden zo snel mogelijk geneutraliseerd of geabsorbeerd. De aard en de hoeveelheid van de aanwezige absorptie- of neutralisatiemiddelen is afgestemd op de aard en de hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen of gevaarlijke afvalstoffen en de werkzaamheden. Gebruikte absorptiemiddelen en niet meer voor gebruik geschikte gemorste gevaarlijke stoffen worden als gevaarlijk afval behandeld en opgeslagen overeenkomstig voorschrift 2.1.3.

3.1.3 Indien aan emballage lekkage ontstaat, wordt deze lekkage onmiddellijk verholpen. Bij lekkage wordt voorkomen dat:

3.2.1 Aan een verwarmings- of stooktoestel en een verbrandingsgasafvoersysteem wordt ten minste eenmaal per jaar onderhoud verricht. Op een verwarmings- of stooktoestel met een nominale belasting van 130 kW op bovenwaarde of hoger, wordt bij ingebruikname en vervolgens ten minste eenmaal per twee jaar een beoordeling uitgevoerd op noodzakelijke afstelling en onderhoud teneinde aan voorschrift 1.4.1 te voldoen.

3.2.2 Beoordeling, afstelling, onderhoud en reparaties als bedoeld in voorschrift 3.2.1 geschieden door:

3.2.3 Brandblusmiddelen worden jaarlijks gecontroleerd door een instantie die is erkend op basis van de Regeling voor de erkenning van onderhoudsbedrijven kleine blusmiddelen, of door een ten minste gelijkwaardige instelling.

3.2.4 Een olie-afscheider waardoor bedrijfsafvalwater wordt geleid:

3.2.5 Voorschrift 3.2.4 is van overeenkomstige toepassing op een slibvangput waardoor bedrijfsafvalwater wordt geleid.

3.2.6 Van het ledigen en reinigen van de olie-afscheider en een slibvangput waardoor bedrijfsafvalwater wordt geleid, wordt een logboek bijgehouden.

3.2.7 Zes maanden na inwerkingtreding van dit besluit registreert degene die een inrichting drijft waar VOS-houdende schadeherstel- en andere producten worden verwerkt, de daarbij gebruikte vluchtige organische stoffen. De registratie bevat ten minste de volgende gegevens:

De berekening van het totale verbruik van vluchtige organische stoffen wordt uiterlijk twee maanden na afloop van het kalenderjaar in de registratie opgenomen.

3.2.8.

3.2.9 Indien binnen de inrichting gevaarlijke stoffen, afgewerkte olie of gevaarlijke afvalstoffen worden opgeslagen, stelt degene die de inrichting drijft, gedragsvoorschriften op waarin ten minste wordt aangegeven wanneer en op welke wijze de opslagplaats, de emballage, de vloeistofdichte vloer of voorziening en de bodembeschermende voorziening of maatregel, worden gecontroleerd op lekkages, bodembeschermende aspecten en vloeistofdichtheid.

3.2.10 Indien bij de werkzaamheden binnen de inrichting specifiek bedrijfsafvalwater vrij kan komen, stelt degene die de inrichting drijft gedragsvoorschriften op die zijn gericht op het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu en een doelmatige afvoer van het bedrijfsafvalwater.

3.2.11 De gedragsvoorschriften, bedoeld in de voorschriften 3.2.9 en 3.2.10, zijn binnen een inrichting zodanig aanwezig dat een ieder daarvan op eenvoudige wijze kennis kan nemen. Degene die de inrichting drijft draagt er zorg voor dat de gedragsregels worden nageleefd.

3.3.1 Voorzover zij voor de inrichting zijn afgegeven dan wel zijn voorgeschreven, worden de onderstaande registraties, documenten of een kopie daarvan gedurende vijf jaar na dagtekening bewaard:

3.3.2.

Voorzover zij voor de inrichting zijn afgegeven, worden de PBV-Verklaring vloeistofdichte voorziening, het daarbij behorende inspectierapport en de documenten waaruit blijkt dat de controles, bedoeld in voorschrift 3.2.8, onderdeel f, zijn uitgevoerd, gedurende zes jaar na dagtekening bewaard.

4.1.1 In gevallen waarin de in voorschrift 1.1.1 of 1.1.3 opgenomen waarden voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr, LT) en piekniveaus (LAmax) naar het oordeel van het bevoegd gezag te hoog of te laag zijn, kan het bevoegd gezag voor een inrichting bij nadere eis waarden vaststellen die lager of hoger zijn dan de in voorschrift 1.1.1 of 1.1.3 opgenomen waarden. Voor inrichtingen die voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn opgericht, mag de etmaalwaarde niet lager zijn dan 40 dB(A).

4.1.2 Het bevoegd gezag kan slechts hogere waarden vaststellen als bedoeld in voorschrift 4.1.1 indien binnen woningen die zijn gelegen binnen de akoestische invloedssfeer van de inrichting, een etmaalwaarde van 35 dB(A) wordt gewaarborgd. De in de eerste volzin bedoelde etmaalwaarde geldt niet indien de gebruiker van deze woningen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidmetingen.

4.1.3 Indien binnen een afstand van 50 meter van de inrichting geen woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen, kan het bevoegd gezag bij nadere eis vaststellen op welke plaats de in voorschrift 1.1.1, 1.1.3 of 4.1.1 opgenomen waarden voor een inrichting gelden.

4.1.4 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de voorzieningen die binnen de inrichting moeten worden aangebracht en gedragsregels die in acht moeten worden genomen teneinde te bereiken dat aan paragraaf 1.1 en aan de voorschriften 4.1.1 of 4.1.3 wordt voldaan.

4.1.5 Het bevoegd gezag kan bij nadere eis voor trillingen als bedoeld in voorschrift 1.1.2, een andere trillingsterkte toelaten. Deze trillingsterkte mag niet lager zijn dan de streefwaarden die zijn gedefinieerd voor de gebouwfunctie wonen in de Richtlijn 2 «Hinder voor personen in gebouwen door trillingen» van de Stichting Bouwresearch, Rotterdam, uitgave 1993.

4.2.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de te treffen rendabele maatregelen of voorzieningen, bedoeld in voorschrift 1.2.2.

4.2.2 Een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.2.1 kan niet betreffen de verplichting tot het treffen van maatregelen of voorzieningen tot beperking van het energiegebruik die een terugverdientijd hebben van meer dan vijf jaar voor gebouwen, faciliteiten en processen.

4.2.3 Een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.2.1 kan geen betrekking hebben op de eigenschappen van toestellen of installaties waarop de Wet energiebesparing toestellen van toepassing is.

4.3.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot:

Een onderzoek als bedoeld onder a kan niet vaker dan eenmaal in de vijf jaar worden voorgeschreven, tenzij de omstandigheden in de inrichting naar het oordeel van het bevoegd gezag zodanig zijn gewijzigd dat dit ter uitvoering van voorschrift 1.3.1 noodzakelijk is.

4.3.2 Een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.3.1, onder b, kan niet betreffen de verplichting tot het treffen van maatregelen of voorzieningen tot het voorkomen of het beperken van het ontstaan van afvalstoffen die een terugverdientijd hebben van meer dan vijf jaar.

4.3.3 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot het treffen van maatregelen of voorzieningen ten behoeve van het scheiden, gescheiden houden, gescheiden afgeven en het gescheiden opslaan van afvalstoffen als bedoeld in voorschrift 1.3.2, 1.3.3 en 1.3.4.

4.3.4 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid van bedrijfsafvalwater dat wordt gebracht in een openbaar riool als bedoeld in voorschrift 1.3.10 of in een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater als bedoeld in voorschrift 1.3.11.

4.3.5 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de andere situering van een controlevoorziening als bedoeld in voorschrift 1.3.13.

4.4.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de situering of uitvoering van de in voorschrift 2.3.7 bedoelde uitmonding van een afvoerleiding van spuitnevel en dampen die vrijkomen bij verfspuitwerkzaamheden of antiroestbehandeling, en met betrekking tot de aanwezigheid, de uitvoering en het onderhouden van de in voorschrift 2.3.7 bedoelde ontgeuringsinstallatie.

4.4.2 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de dampdichte uitvoering van de wanden en plafonds, bedoeld in voorschrift 2.2.11.

4.4.3 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de aanzuigopeningen en uitblaasopeningen van de mechanische ventilatie van een parkeergarage als bedoeld in voorschrift 1.4.2, alsmede met betrekking tot de uitvoering en het onderhoud van de ventilatoren.

4.4.4 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot maatregelen ter beperking van de emissie van benzeen uit een parkeergarage.

4.5.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de ten behoeve van het voorkomen of het beperken van hinder door de verlichting of door werkzaamheden als lassen en snijden, te treffen maatregelen of voorzieningen.

4.6.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de wijze van ventilatie van werk- en opslagruimten.

4.6.2 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot het doen van onderzoek naar de explosieveilige uitvoering van een elektrische installatie of een gasinstallatie.

4.6.3 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de plaats en de wijze van de opslag van gassen als bedoeld in voorschrift 1.6.2, onder b, c en e.

4.7.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de rendabele maatregelen of voorzieningen, bedoeld in voorschrift 1.7.2.

4.7.2 Een nadere eis als bedoeld in voorschrift 4.7.1 kan niet betreffen de verplichting tot het treffen van maatregelen of voorzieningen tot beperking van het waterverbruik die een terugverdientijd hebben van meer dan vijf jaar.

4.8.1 Het bevoegd gezag kan een nadere eis stellen met betrekking tot de binnen de inrichting te treffen maatregelen en voorzieningen zoals bedoeld in de voorschriften 2.1.2, 2.1.7, 2.2.1 en 2.5.5, en in acht te nemen gedragsregels in overeenstemming met het gestelde in de NRB.