U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 20-07-2013.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 10 december 2001, houdende nadere regels met betrekking tot de rechtspositie van de leden van de gerechtsbesturen en de leden van de Raad voor de rechtspraak (Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak)Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraakWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 19 november 2001, Directie Wetgeving, nr. 5134463/01/6;

Gelet op de artikelen 16, eerste en zesde lid, 25, derde lid, en 86, eerste, zesde, zevende en achtste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, 3 van de Beroepswet en 4 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie;

De Raad van State gehoord (advies van 28 november 2001, nr. W03.01.0619/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 6 december 2001, nr. 5137764/01/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage10 december 2001BeatrixDe Minister van Justitie,A. H. Korthalsde twintigste december 2001De Minister van Justitie,A. H. Korthals

Ten aanzien van de rechterlijke leden van de Raad voor de rechtspraak worden de in het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren aan het gerechtsbestuur toegekende bevoegdheden, met uitzondering van die in de artikelen 2i, 3, 3b, 6, 6a, 6b, 6f, 7, 8b, 8d, 8e, 33i, 37b en 38 alsmede hoofdstuk 4A van dat besluit, uitgeoefend door de Raad voor de rechtspraak uitgezonderd het betrokken rechterlijk lid.

Het niet-rechterlijk lid van een gerechtsbestuur of het niet-rechterlijk lid van de Raad voor de rechtspraak dat niet op basis van het Algemeen Rijksambtenarenreglement in vaste dienst is aangesteld en ten gevolge van een ontslag, anders dan op grond van artikel 81, eerste lid, onder l, 94a, eerste lid, of 97, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, onderscheidenlijk ten gevolge van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte werkloos is geworden in de zin van de Werkloosheidswet, wordt aangemerkt als betrokkene in de zin van artikel 1, onderdeel b, van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk.

Bij regeling van Onze Minister kunnen de in de artikelen 9 tot en met 9aa genoemde vergoedingen worden aangepast door middel van toepassing van het geldende prijsindexcijfer, waarbij de bedragen worden afgerond naar de eerstvolgende euro.

Voor de toepasselijkheid van artikel 16, eerste lid, vierde volzin, van de Wet op de rechterlijke organisatie wordt onder de salarishoogte behorende bij de functie van voorzitter of ander rechterlijk lid van een gerechtsbestuur verstaan: de salarishoogte behorende bij de functie van voorzitter of ander rechterlijk lid van het bestuur van het gerecht die de betrokkene vervulde op de dag voorafgaand aan de datum waarop hij zijn werkzaamheden als voorzitter of ander rechterlijk lid van het bestuur van een gerecht beëindigt.

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit rechtspositie leden gerechtsbesturen en Raad voor de rechtspraak.