U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 10-10-2010.

Regeling · BWBR0013342

Vissersvaartuigenbesluit 2002

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 11 januari 2002, houdende veiligheidsvoorschriften voor vissersvaartuigen (Vissersvaartuigenbesluit 2002)Vissersvaartuigenbesluit 2002Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 september 2001, nr. DGG/J-01/003872, Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving, bestuurlijke en juridische zaken;

Gelet op richtlijn nr. 92/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L 113), richtlijn nr. 93/103/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 november 1993 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het werk aan boord van vissersvaartuigen (PbEG L 307), richtlijn nr. 97/70/EG van de Raad van de Europese Unie van 11 december 1997 betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt (PbEG 1998, L 34) en richtlijn nr. 1999/19/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 18 maart 1999 (PbEG L 83) tot wijziging van Richtlijn 97/70/EG van de Raad betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt, alsmede op de artikelen 3, 3a, 5 en 9 van de Schepenwet;

De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 7 december 2001, nr. W09.01.0493/V/K);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 januari 2002, nr. DGG/J-01/008960, Directoraat-Generaal Goederenvervoer, Stafafdeling Wetgeving, bestuurlijke en juridische Zaken;

De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de bijlage en de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst.

's-Gravenhage11 januari 2002BeatrixDe Minister van Verkeer en Waterstaat,T. Netelenbosde negentiende februari 2002De Minister van Justitie,A. H. Korthals

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Bij ministeriële regeling kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die, welke in dit besluit wordt voorgeschreven, aan boord van een vissersvaartuig worden toegestaan mits deze onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in dit besluit worden voorgeschreven.

Waar in dit besluit wordt voorgeschreven dat een constructie, een uitrustingsstuk, een gebruikt materiaal of een andere toepassing goedgekeurd dan wel van een goedgekeurd type dient te zijn, wordt daar onder verstaan dat die constructie, dat uitrustingsstuk, het gebruikte materiaal of die andere toepassing is goedgekeurd door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie dan wel is goedgekeurd volgens bij ministeriële regeling te stellen regels.

Met een goedkeuring door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt gelijkgesteld een verklaring van goedkeuring, afgegeven door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie dan wel van een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, mits die verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die aan ten minste gelijkwaardige voorschriften voldoen.

Een certificaat van vrijstelling wordt afgegeven naast een certificaat van overeenstemming indien voor een vissersvaartuig op grond van een vrijstellingsregeling krachtens artikel 5, eerste lid, van de Schepenwet afwijking is toegestaan van enig voorschrift, gesteld bij of krachtens dit besluit. Het certificaat komt overeen met het model, opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

De eigenaar en de schipper van het vissersvaartuig zijn verplicht aan degene die een onderzoek verricht alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs bij de uitoefening van zijn taak kan vorderen.

Nadat een onderzoek als bedoeld in artikel 1.12 is beëindigd:

De artikelen 2.16, 2.17 en 2.18 zijn slechts van toepassing op vissersvaartuigen die dienst doen in Nederlandse wateren of hun vangst aan land brengen in een Nederlandse haven.

Vissersvaartuigen zijn zo ontworpen en geconstrueerd dat aan de bepalingen van dit hoofdstuk wordt voldaan in de bedrijfsomstandigheden, bedoeld in artikel 3.7. Berekeningen van de krommen van de armen van statische stabiliteit zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Luikopeningen die tijdens het uitoefenen van visserijwerkzaamheden niet gesloten zijn en die niet snel gesloten kunnen worden, zijn zodanig aangebracht dat bij een hellingshoek van 20° of minder geen water de visruimen kan binnendringen, tenzij aan het bepaalde in artikel 3.2, eerste lid, nog steeds voldaan wordt wanneer die visruimen geheel of gedeeltelijk vervuld zijn geraakt.

Vaartuigen die worden gebruikt voor bijzondere vismethoden waarbij extra krachten van buitenaf op het vissersvaartuig werken tijdens de visserijwerkzaamheden, voldoen ten minste aan de stabiliteitscriteria, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, die zo nodig bij ministeriële regeling kunnen worden uitgebreid.

Vissersvaartuigen zijn, overeenkomstig bij ministeriële regeling te stellen nadere regels, bestand tegen harde wind en slingeren in de daarmede verband houdende zeegang, waarbij rekening wordt gehouden met de weersomstandigheden en de toestand van de zee in de jaargetijden waarin het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.

Vissersvaartuigen zijn, ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, bestand tegen de invloed van water aan dek, waarbij rekening wordt gehouden met de weersomstandigheden en de toestand van de zee in de jaargetijden waarin het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.

De vislading wordt deugdelijk gestuwd teneinde het overgaan van de lading, waardoor een gevaarlijke vertrimming of slagzij van het vaartuig zou kunnen ontstaan, tegen te gaan. Indien hiertoe keeschotten worden toegepast, zijn deze ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is de boeghoogte toereikend om te voorkomen dat het vaartuig bovenmatige hoeveelheden water overkrijgt en is de boeghoogte zodanig vastgesteld dat rekening is gehouden met de weersomstandigheden en de toestand van de zee in de jaargetijden waarin het vaartuig dienst zal doen, het type vaartuig en het doel waarvoor het vaartuig wordt gebruikt.

Aan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie wordt een zodanige maximum toelaatbare diepgang ter goedkeuring voorgelegd dat onder de bijbehorende bedrijfsomstandigheden wordt voldaan aan de stabiliteitscriteria van dit hoofdstuk en aan de betreffende voorschriften zoals bepaald in de hoofdstukken 2 en 6.

Van een vissersvaartuig waarvan de lengte 100 m of meer bedraagt en met 100 of meer opvarenden aan boord is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie de stabiliteit toereikend om het lek raken van enig compartiment te kunnen doorstaan, waarbij rekening wordt gehouden met het type vaartuig, de aard van de dienst waarvoor het vaartuig bestemd is en het vaargebied.

Dit hoofdstuk is van toepassing op vissersvaartuigen met een lengte van 45 m of meer en op nieuwe vissersvaartuigen met een lengte van 24 m of meer die dienstdoen in Nederlandse wateren of hun vangst aan land brengen in een Nederlandse haven.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Machine-installaties

Elektrische installaties

Tijdelijk onbemande machinekamers

Twee onafhankelijk werkende communicatiemiddelen zijn tussen het stuurhuis en de machinekamer aangebracht, waarvan één een machinekamertelegraaf is, met dien verstande dat voor vaartuigen waarvan de lengte minder dan 45 m bedraagt en waarvan de voortstuwingswerktuigen rechtstreeks vanuit het stuurhuis worden bediend, het Hoofd van de Scheepvaartinspectie andere communicatiemiddelen dan een machinekamertelegraaf kan aanvaarden.

Bij ministeriële regeling kunnen maatregelen worden getroffen om geluidhinder in ruimten voor machines te beperken tot aanvaardbare niveaus.

Aan boord van een vaartuig met een lengte van 75 m of meer is een alarminstallatie aangebracht die hetzij vanuit de machinecontrolekamer, hetzij vanaf de manoeuvreerstand in werking kan worden gesteld en die duidelijk hoorbaar is in de verblijven welke zijn bestemd voor de werktuigkundigen.

Aan boord van een vaartuig met een lengte van 75 m of meer is één van de twee afzonderlijke communicatiemiddelen, bedoeld in artikel 4.7, een doeltreffende spreekverbinding. Een aanvullende doeltreffende spreekverbinding is aangebracht tussen het stuurhuis en de verblijven van de werktuigkundigen.

Een veiligheidssysteem is aangebracht teneinde te verzekeren dat een ernstige storing aan de te werk staande werktuigen of ketels, welke een direct gevaar oplevert, automatisch het desbetreffende gedeelte van de installatie zal uitschakelen, waarbij tevens een alarm wordt gegeven. Het stopzetten van de voortstuwingsinstallatie mag niet automatisch plaatsvinden, behalve in die gevallen welke tot ernstige schade, algeheel onklaar raken of explosie zouden kunnen leiden. Indien voorzieningen zijn aangebracht welke het stopzetten van het hoofdvoortstuwingswerktuig ongedaan kunnen maken, zijn deze voorzieningen zodanig uitgevoerd dat ongewild gebruik ervan niet mogelijk is. Wanneer zulk een voorziening is gebruikt, wordt dit zichtbaar aangegeven.

Een van de volgende methoden van bescherming tegen brand wordt toegepast in accommodaties en dienstruimten.

De bepaling inzake de toepassing van onbrandbare materialen bij de constructie en isolatie van de scheidingsschotten van ruimten voor machines, controlestations en dergelijke, en de bescherming van trapomsluitingen en gangen is voor alle drie de methoden gelijk.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Laadruimten die bestemd zijn voor ladingen die in hoge mate brandgevaarlijk zijn, zijn beschermd door een vast aangebrachte brandblusinstallatie met gas als blusstof of door een brandblusinstallatie die naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een gelijkwaardige bescherming biedt.

Ter instructie van de bemanning wordt een brandbeveiligingsplan permanent opgehangen op daarvoor in aanmerking komende plaatsen. De uitvoering van dit plan is ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Brandbestrijdingsmiddelen worden goed onderhouden en zijn te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed.

Waar in deze paragraaf een speciaal toestel, apparaat, speciale blusstof of inrichting van een bepaalde aard is voorgeschreven kan, indien naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie een en ander niet minder effectief is, elk ander toestel, apparaat, andere blusstof of inrichting daarvoor in de plaats worden gesteld.

De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op vaartuigen waarvan de lengte 45 meter of meer bedraagt, maar minder dan 60 meter, alsmede op alle vaartuigen met een lengte van 24 meter of meer, maar minder dan 60 meter die dienstdoen in Nederlandse wateren of die hun vangst aan land brengen in een Nederlandse haven.

Op vissersvaartuigen waar het Hoofd van de Scheepvaartinspectie op grond van het bepaalde in artikel 5.28, eerste lid, een brandbare constructie heeft toegestaan of waar anders aanzienlijke hoeveelheden brandbaar materiaal worden gebruikt bij de constructie van ruimten voor accommodatie, dienstruimten en controlestations wordt speciale aandacht geschonken aan het installeren van een automatische brandalarm- en brandontdekkingsinstallatie in die ruimten, waarbij rekening wordt gehouden met de afmeting van die ruimten, hun inrichting en plaatsing betrekking hebbend op controlestations alsmede, indien van toepassing, het vlamspreidend vermogen van het geplaatste meubilair.

Het aantal brandweeruitrustingen en de plaats waar deze worden bewaard zijn ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Er is een brandbeveiligingsplan dat permanent aan boord is opgehangen en dat ten genoegen van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie is. In geval van kleine vaartuigen kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie ontheffing van dit voorschrift verlenen.

Brandbestrijdingsmiddelen worden goed onderhouden en zijn te allen tijde voor onmiddellijk gebruik gereed.

Waar in deze paragraaf een speciaal toestel, apparaat, speciale blusstof of inrichting van een bepaalde aard is voorgeschreven kan, indien naar het oordeel van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie één en ander niet minder effectief is, elk ander toestel, apparaat, andere blusstof of inrichting daarvoor in de plaats worden gesteld.

De medische uitrusting wordt in daarvoor geschikte kisten of in daarvoor ingerichte kasten of ruimten bewaard.

De geneesmiddelen en de antidota worden geleverd door een apotheker, hetgeen blijkt uit een merk op de verpakking.

Ten behoeve van het gebruik van de medische uitrusting is aan boord een bijgehouden exemplaar van een bij ministeriële regeling aan te wijzen geneeskundig handboek.

Indien aan boord van een vaartuig gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 130 van het Schepenbesluit 1965 worden meegevoerd, zijn tevens bij ministeriële regeling voorgeschreven antidota en een zuurstofbeademingskoffer met onderhoudsset, met de daarbij behorende controlelijst en handleiding aanwezig.

Op of nabij groepsreddingsmiddelen en de bedieningsplaatsen van de tewaterlatingmiddelen zijn instructieplaten of aanduidingen aangebracht die:

Dit hoofdstuk is van toepassing op vissersvaartuigen met een lengte van 45 meter of meer en op nieuwe vissersvaartuigen met een lengte van 24 meter of meer die dienstdoen in Nederlandse wateren of hun vangst aan land brengen in een Nederlandse haven.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven omtrent de controle van de productie van reddingsmiddelen, teneinde te verzekeren dat deze middelen worden vervaardigd volgens dezelfde normen als het goedgekeurde prototype.

Er zijn doeltreffende voorzieningen ter inscheping in een groepsreddingsmiddel aanwezig, die omvatten:

Aan boord van elk vaartuig is een lijnwerptoestel aanwezig dat voldoet aan het bepaalde in artikel 7.28.

Alle schepen zijn uitgerust met ten minste een radartransponder aan elke zijde van het schip. Deze radartransponders voldoen ten minste aan bij ministeriële regeling vast te stellen eisen. De plaatsing is zodanig dat ze snel in een groepsreddingsmiddel geplaatst kunnen worden. Als alternatief kan een radartransponder worden geplaatst op elk groepsreddingsmiddel. Elk vaartuig waarvan de lengte minder dan 45 meter bedraagt voert ten minste een radartransponder.

Reddingsvlotten, hulpverleningsboten, reddingsgordels en reddingsboeien zijn voorzien van licht weerkaatsend materiaal.

De artikelen in dit hoofdstuk zijn van toepassing op nieuwe en bestaande vaartuigen met een lengte van 24 meter of meer.

De bemanning is voldoende geoefend in het uitoefenen van haar taken gedurende noodsituaties. Deze oefeningen zullen ten minste, voorzover van toepassing, bevatten:

Elk vissersvaartuig dat zich op zee bevindt is in staat om:

Behalve in het geval, bedoeld in artikel 9.9, vierde lid, is elk vaartuig uitgerust met:

Op elk vaartuig is gediplomeerd personeel aanwezig voor de uitvoering van nood- en veiligheidsradiocommunicatie. Dit personeel beschikt over de diploma's, voorgeschreven in het Radioreglement, en één van hen is aangewezen als hoofdverantwoordelijke voor de radiocommunicatie in een noodgeval.

Aan boord wordt een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd dagboek, overeenkomstig het bepaalde in het Radioreglement, bijgehouden. Daarin worden ten minste alle gevallen van radiocommunicatie vermeld die belangrijk zijn voor de veiligheid op zee.

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald is dit hoofdstuk van toepassing op nieuwe en bestaande vissersvaartuigen.

Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan ontheffing verlenen van de eisen, gesteld bij of krachtens dit hoofdstuk, indien naar zijn oordeel de aard van de reis of de afstand tot de kust zulke eisen niet rechtvaardigt.

Aan boord zijn geschikte nautische instrumenten, voldoende recente zeekaarten, zeemansgidsen, lichtenlijsten, berichten aan zeevarenden, getijtafels en alle andere nautische publicaties die nodig zijn voor de voorgenomen reis, onder goedkeuring van het Hoofd van de Scheepvaartinspectie.

Vervallen

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat voor het ondernemen van een reis en gedurende de reis:

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat voor het ondernemen van een reis en gedurende de reis wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 8.2, tweede tot en met achtste lid.

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan het bepaalde in de artikelen 8.3 en 8.4.

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat:

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat:

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat de schepelingen bekend zijn met het gebruik van de beschermende uitrusting, bedoeld in artikel 6.3, zesde lid. Hij ziet erop toe dat deze uitrusting in daartoe in aanmerking komende omstandigheden wordt gebruikt.

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat:

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat op de brug de nodige gegevens beschikbaar zijn betreffende de manoeuvreereigenschappen en de stopweg bij voor het vaartuig karakteristieke vaarsnelheden en diepgangen.

De schipper van een vaartuig is verplicht luisterdienst te doen houden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 9.11.

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat door degenen die als chef van de wacht kunnen optreden, regelmatig wordt geoefend in het gebruik van de elektronische navigatiemiddelen waarmede het vaartuig is uitgerust.

De schipper van een vaartuig is verplicht zorg te dragen dat ten aanzien van de routering van het vaartuig het bepaalde in artikel 10.7 in acht wordt genomen.

De schipper draagt er zorg voor dat de aan boord aanwezige dagboeken worden bijgehouden met inachtneming van hetgeen dienaangaande in dit besluit is bepaald.

De schipper van een vaartuig is verplicht ervoor te zorgen dat:

Vervallen

De eigenaar van een vaartuig is verplicht aan de schipper de middelen te verschaffen die deze behoeft teneinde te kunnen voldoen aan het bepaalde in dit besluit.

(gereserveerd)

Overtreding van de artikelen 11.4, 11.6, 11.7, 11.8, 11.21, 11.22, 11.23 en 11.24 is een strafbaar feit.

Dit besluit wordt aangehaald als: Vissersvaartuigenbesluit 2002.

CERTIFICAAT VAN OVEREENSTEMMING

Dit Certificaat van Overeenstemming dient te worden aangevuld met een inventaris van uitrusting.

uitgereikt krachtens de bepalingen van het Vissersvaartuigenbesluit 2002

voor een nieuw/bestaand1 Doorhalen wat niet van toepassing is, afhankelijk van de omschrijvingen van artikel 2, punten 2 en 3, van de richtlijn.vissersvaartuig ten bewijze van de overeenstemming van het hierna genoemde vaartuig met de voorschriften van Richtlijn 97/70/EG van de Raad betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m. of meer bedraagt.

namens de regering van Nederland

door Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Datum van het bouwcontract of datum van het contract voor een ingrijpende verbouwing3:

....................

Datum waarop de kiel werd gelegd of het vaartuig zich ineen soortgelijk stadium van bouw bevond3:

....................

Datum van oplevering of voltooiing van een ingrijpende verbouwing3:

....................

HIERMEDE WORDT VERKLAARD:

1. dat het schip is onderzocht overeenkomstig voorschrift I/6 paragraaf 1, onder a), van de bijlage bij het Protocol van Torremolinos van 1993;

2. dat het onderzoek heeft aangetoond dat:

1. het schip volledig voldoet aan de eisen van Richtlijn 97/70/EG , en

2. de maximaal voor dit vaartuig toelaatbare diepgang tijdens de reis onder elke bedrijfsomstandigheid is opgenomen in het goedgekeurde stabiliteitsboekje van .................... ;

3. dat een/geen1 certificaat van vrijstelling is uitgereikt.

Dit certificaat is geldig tot .................... , behoudens de periodieke onderzoeken overeenkomstig voorschrift I/6, paragraaf 1, onder b), punten ii) en iii) en onder c).

Uitgereikt te Rotterdam, op ....................

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Ondergetekende verklaart dat hij door de betrokken lidstaat naar behoren is gemachtigd om dit certificaat uit te reiken.

....................

(Handtekening)

Dit certificaat blijft overeenkomstig voorschrift I/11, paragraaf 1, geldig tot ....................

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Datum: ....................

Aantekening ter verlenging van de geldigheid van het certificaat tot het bereiken van de haven van controle ingeval voorschrift I/11, paragraaf 2, of voorschrift I/11, paragraaf 4, (maximaal vijf maanden of maximaal één maand) van toepassing is.

Dit certificaat blijft overeenkomstig voorschrift I/11, paragraaf 2 (voorschrift I/11, paragraaf 4)1, geldig tot ....................

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Datum: ....................

Onderzoek uitrusting

HIERMEDE WORDT VERKLAARD dat het vaartuig bij een onderzoek zoals vereist bij voorschrift I/6 paragraaf 1, onder b) punt ii), in overeenstemming met de relevante bepalingen bleek.

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Datum: ....................

Onderzoek radioapparatuur/medische uitrusting/constructie en machine-installatie

HIERMEDE WORDT VERKLAARD dat het vaartuig bij een onderzoek zoals vereist bij voorschrift I/6, paragraaf 1, onder b), punt iii) in overeenstemming met de relevante bepalingen bleek.

Eerste periodieke onderzoek van de radioapparatuur:

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Datum: ....................

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Datum: ....................

Eerste periodieke onderzoek van de constructie en machine-installatie:

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Datum: ....................

Tweede periodieke onderzoek van de medische uitrusting:

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Datum: ....................

Tweede periodieke onderzoek van de constructie en machine-installatie:

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Datum: ....................

Derde periodieke onderzoek van de medische uitrusting:

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Datum: ....................

Derde periodieke onderzoek van de constructie en machine-installatie:

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

CERTIFICAAT VAN VRIJSTELLING

uitgereikt krachtens de bepalingen van het Vissersvaartuigenbesluit 2002

....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

NEDERLAND

voor een nieuw/bestaand1vissersvaartuig ten bewijze van de overeenstemming van het hierna genoemde vaartuig met de voorschriften van Richtlijn 97/70/EG van de Raad betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt.

namens de Regering van Nederland

het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Kenmerken van het vaartuig

HIERMEDE WORDT VERKLAARD

dat het vaartuig, onder de bevoegdheid, verleend bij voorschrift ....................

vrijgesteld is van de bepalingen van ....................

Eventuele voorwaarden die aan de afgifte van het certificaat van vrijstelling zijn verbonden:

....................

....................

....................

Dit certificaat is geldig tot .................... op voorwaarde dat het certificaat van overeenstemming, waaraan dit certificaat is gehecht, nog geldig is.

Uitgereikt te Rotterdam, op ....................

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Ondergetekende verklaart dat hij door de betrokken lidstaat naar behoren is gemachtigd om dit certificaat uit te reiken.

....................

(Handtekening)

Dit certificaat blijft overeenkomstig voorschrift I/11, paragraaf 1, geldig tot ....................

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Datum: ....................

Aantekening ter verlenging van de geldigheid van het certificaat tot het bereiken van de haven van controle ingeval voorschrift I/11, paragraaf 2, of voorschrift I/11, paragraaf 4 (maximaal 5 maanden of 1 maand) van toepassing is

Dit certificaat blijft overeenkomstig voorschrift I/11, paragraaf 2, voorschrift I/11 / voorschrift I/11, paragraaf 41, geldig tot ....................

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

Getekend: ....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Plaats: ....................

Datum: ....................

bij het certificaat van overeenstemming

Deze inventaris dient permanent aan het certificaat van overeenstemming te worden gehecht.

Inventaris van uitrusting in verband met de overeenstemming met Richtlijn 97/70/EG van de Raad betreffende de invoering van een geharmoniseerde veiligheidsregeling voor vissersvaartuigen waarvan de lengte 24 m of meer bedraagt

1. Kenmerken van het vaartuig

1 De lengte zoals omschreven in artikel 2 punt 6.

2. Bijzonderheden omtrent de reddingsmiddelen

2 Behalve die welke op grond van voorschrift VII/18, § 8, punt xxi), en voorschrift VII/20, § 5, onder a), punt xxiv), zijn vereist.

3. Bijzonderheden omtrent de radiovoorzieningen

1 Tenzij een andere datum wordt vastgesteld door de maritieme veiligheidscommissie van de Organisatie, hoeft dit punt niet te worden opgenomen in de inventarislijst bij na 1 februari 1999 uitgereikte certificaten.

4. Toegepaste methoden om de beschikbaarheid van de radiovoorzieningen te garanderen

HIERMEDE WORDT VERKLAARD dat deze inventaris van uitrusting in alle opzichten juist is.

Uitgereikt te Rotterdam, op ....................

Namens het Hoofd van de Scheepvaartinspectie

....................

(Zegel of stempel van de uitreikende instantie)

Ondergetekende verklaart dat hij door de betrokken lidstaat naar behoren is gemachtigd om dit certificaat uit te reiken.

....................

(Handtekening)