U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2013.

Ministeriële regeling · BWBR0014138

Regeling aanstellingseisen politie 2002

Wijzigingen Officiële bron
Regeling aanstellingseisen politie 2002Regeling aanstellingseisen politie 2002De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Gelet op artikel 7, eerste lid, onderdelen b, c en d, van het Besluit algemene rechtspositie politie;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen (1 tot en met 5) die ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.Hessing

In deze regeling wordt verstaan onder:

Niet tot aanstelling kan worden overgegaan indien

De aspirant is op het moment van zijn aanstelling in het bezit van het rijbewijs B of behaalt dit binnen twee jaar na zijn aanstelling.

De Regeling aanstellingseisen politie wordt ingetrokken.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanstellingseisen politie 2002.

Het taalvaardigheidonderzoek

De kandidaat die solliciteert naar een executieve functie bij de Nederlandse politie, wordt onderworpen aan een geschiktheidonderzoek. Voor kandidaten die de selectie ondergaan voor de opleidingen op de kwalificatieniveaus 2 (EQF 2), 3 (EQF 3) en 4 (EQF 4) maakt een taalvaardigheidonderzoek deel uit van dit geschiktheidonderzoek.

De taaltoets bestaat uit een voorschatter, een leestoets en een schrijftoets. Bij een score van 0–25 punten stopt de taaltoets, het taalniveau van de kandidaat is zodanig dat verder testen niet mogelijk is. De procedure wordt door het Instituut voor Werving en Selectie Politie beëindigd. De niet testbare kandidaten kunnen op grond van artikel 7, onder a, van de Regeling aanstellingseisen politie 2002 niet worden aangesteld.

Op de lees- en schrijftoets wordt de volgende cesuur gehanteerd: minimaal een A2 beoordeling in combinatie met een B1 beoordeling (of hoger) voor lezen en schrijven levert een positief advies op.

Met het taalvaardigheidonderzoek wordt in eerste instantie de testbaarheid van de kandidaat bepaald. Bezien wordt of de kandidaat over een voldoende taalvaardigheid beschikt om de instructies en vragen te begrijpen van de overige tot het geschiktheidonderzoek behorende onderzoeken. Daarnaast wordt bepaald of de taalvaardigheid van de kandidaat voldoende is om direct te kunnen deelnemen aan het politieonderwijs. Tenslotte wordt bepaald of de taalvaardigheid van de kandidaat voldoende is voor de uitoefening van de executieve functie bij de Nederlandse politie.

De taaltoets bestaat uit een voorschatter, een leestoets en een schrijftoets.

De voorschatter is het eerste onderdeel. Op basis van deze voorschatter wordt het niveau bepaald waarop de leestoets aangeboden wordt. Resultaten op de voorschatter kunnen variëren van 0 tot 80 punten. Bij een score van 0–25 punten stopt de taaltoets, het taalniveau van de kandidaat is zodanig dat verder testen niet mogelijk is.

Bij een score van 26–54 punten wordt de leestoets niveau A2-B1 aangeboden, bij een score van 55–68 wordt een leestoets niveau B1-B2 aangeboden en bij een score van 69–80 wordt een leestoets B2-C1 niveau aangeboden.

Resultaten op de leestoets kunnen variëren van 0 tot 30 punten. De score op de leestoets wordt omgezet naar een score/uitslaglabel lezen. Dit is het eerste eindresultaat dat meegenomen wordt in de eindbeslissing door/af.

Het tweede deel van het eindresultaat wordt gevormd door de eindscore op het onderdeel schrijven. De schrijftoets wordt door een beoordelaar beoordeelt aan de hand van een voorgeschreven systematiek.

Het cognitieve capaciteitenonderzoek

De kandidaat die solliciteert naar een executieve functie bij de Nederlandse politie, wordt onderworpen aan een geschiktheidonderzoek. Van dit geschiktheidonderzoek maakt deel uit het cognitieve capaciteitenonderzoek. Het cognitieve capaciteitenonderzoek biedt het bevoegd gezag, naast het behaalde diploma van de kandidaat, een graadmeter om de geschiktheid van een kandidaat te beoordelen.

De minimaal te behalen score op het cognitieve capaciteitenonderzoek is een 7 (op een schaal van 1 tot en met 20), op het beoogde opleidingsniveau van betreffende kandidaat. De score is bepalend voor het niveau waarop de kandidaat in het onderwijs kan instromen.

Een korps kan bepalen dat een kandidaat de status doelgroepenkandidaat krijgt. Voor deze doelgroepenkandidaat geldt geen minimale norm op het cognitieve capaciteitenonderzoek.

Het cognitieve capaciteitenonderzoek bestaat uit een aantal tests waarmee de intellectuele capaciteiten worden gemeten. De cognitieve capaciteitentest is een adaptieve test. Dit houdt in dat de te presenteren items voortdurend worden aangepast aan het geschatte niveau van de kandidaat.

Elk onderdeel start met voorbeeldvragen. Hierin wordt duidelijk wat de bedoeling is. Na de voorbeeldvragen krijgt men oefenvragen om zich voor te bereiden, deze dienen als warming-up. Bij deze oefenvragen ontvangt de kandidaat feedback op de door hem gemaakte fouten. Als men de oefenvragen heeft gemaakt, dan krijgt men de testvragen. De antwoorden op de voorbeeld- en oefenvragen tellen niet mee voor het resultaat.

Gedurende de test is het van belang dat de kandidaat op de tijd let, deze is voor iedere vraag beperkt. De gehele test duurt ongeveer 1 uur en 40 minuten en wordt per computer afgenomen.

De score per onderdeel wordt weergegeven op een schaal van 1 tot en met 20 (vigintielscore). De uiteindelijke score is afhankelijk van het niveau, waarop de score van een sollicitant wordt geprojecteerd: een sollicitant kan dus voor niveau 2 een 10 scoren en voor niveau 3 een 7 scoren.

De eindscore van iedere kandidaat wordt vergeleken met de resultaten van normgroepen. Er zijn vijf normgroepen die elk afzonderlijk bestaan uit meer dan 2000 kandidaten die de test eerder hebben afgelegd en die een opleiding hebben genoten die toegang geeft tot eenzelfde aan het politieonderwijs verbonden kwalificatieniveau. De eindscore van de Cognitieve Capaciteitentest wordt derhalve vergeleken met de resultaten van vijf normgroepen. Dit zijn de groep eerder geteste kandidaten op het kwalificatieniveau 2 (EQF2), 3 (EQF3), 4 (EQF4), 5 (EQF 6) en 6 (EQF 7).

Voor de cognitieve capaciteitentest geldt dat de vergelijking van de eindscore met de resultaten van een normgroep wordt gepresenteerd op een 20-puntsschaal. Daarbij staat elk punt voor 5 % van de normgroep. Scoort een kandidaat in deze vergelijking 12 punten dan betekent dit dat (11 x 5=) 55 procent van de desbetreffende normgroep een lager resultaat heeft behaald en (8x5=) 40 procent een hoger resultaat.

Het fysiek motorisch onderzoek

De kandidaat die solliciteert naar een executieve functie bij de Nederlandse politie, wordt onderworpen aan een geschiktheidonderzoek. Van dit geschiktheidonderzoek maakt deel uit het fysiek motorisch onderzoek. Met het fysiek motorisch onderzoek (FMO) wordt beoogd te beoordelen of de politieambtenaar voldoende competent is zijn/haar fysieke taken, waarmee deze in het dagelijkse werk kan worden geconfronteerd, naar behoren te kunnen uitvoeren.

Om deze beoordeling te kunnen maken, dient de kandidaat de fysieke-vaardigheidstoets, zoals bedoeld in artikel 4 lid 1, van de regeling, met goed gevolg te volbrengen. De eisen zijn gerelateerd aan de leeftijd en het geslacht van de kandidaat. In de onderstaande tabel zijn de tijden die minimaal dienen te worden gehaald weergegeven.

Voor het fysiek motorisch onderzoek (FMO) moet kandidaat een circuit afleggen binnen een gestelde tijd. Het circuit bestaat uit drie onderdelen die zijn uitgezet in een binnenruimte (bij voorkeur een sportzaal) met een minimale afmeting van een volleybalveld (9 x 18 meter) waarbij aan alle kanten een vrije ruimte aanwezig is van minimaal 1 meter.

De vier onderdelen zijn gebaseerd op:

Gesommeerd over het gehele circuit rent en sprint de kandidaat 226,5 meter, duwt deze een kar van 200 kilogram over 18 meter (verdeeld over 3 rondes) en trekt hij/zij deze kar 12 meter (verdeeld over 2 rondes). Verder wordt tillend een gewicht van 5 kilogram over een afstand van ± 3 meter per keer verplaatst (verdeeld over 3 rondes met een frequentie van 6 maal per ronde). De genoemde materialen zijn gespecificeerd in de paragraaf Uitvoering specificatie van deze bijlage.

Het FMO wordt afgelegd in binnensport tenue.

Uitvoering gespecificeerd per ronde

Ronde 1

De kandidaat begint het circuit bij de startpion. Met een voet wordt een voetschakelaar ingedrukt waardoor de elektronische tijdswaarneming wordt gestart. (situatie 1)

Hij/zij loopt in voorwaartse richting 9 meter naar een pion. Kandidaat gaat hier via de linker kant omheen en vervolgt de weg diagonaal in de richting van een dwars opgestelde springkast. (situatie 2)

Tijdens deze verplaatsing gaat de kandidaat over deze dwars opgestelde kast. Vervolgens gaat hij/zij over twee opeenvolgende banken heen in dezelfde voorwaartse diagonale richting.

De daarop volgende pion wordt aan de rechter kant gepasseerd en de kandidaat maakt een draaiing linksom.

Vanaf hier loopt kandidaat 4 meter recht vooruit tot aan de kar. Deze kar duwt de kandidaat in voorwaartse richting over een afstand van 6 meter. Daar wordt de kar met de achterzijde ter hoogte van de pionnen gecontroleerd stopgezet.

Hierna vervolgt kandidaat de route en loopt diagonaal de hoek in naar het verst gelegen vak 1. Hierin liggen drie medicineballen van 5 kilogram. Het vak is gemarkeerd door middel van stippellijnen en is 100:150 cm groot. De vakken liggen hier in een ‘driehoek-opstelling’. De medicineballen worden door de kandidaat een voor een van vak 1 naar vak 2, daarna van vak 2 naar vak 3 verplaatst en neergelegd. Hierna loopt kandidaat naar het startpunt van het parcours.

Ronde 2

Bij het startpunt keert de kandidaat zich 180 graden om, nadat deze om de pion is heen gelopen. (situatie 6)

Hij/zij loopt nu het eerste gedeelte van de tweede ronde exact hetzelfde als ronde één.

Bij de kar aangekomen wordt deze vanaf de verste positie terug naar de oorspronkelijke startplek van de kar getrokken. Daar wordt de kar met de achterzijde ter hoogte van de pionnen met twee handen gecontroleerd stopgezet.

Van hieruit gaat kandidaat naar de springkast en hierbij passeert hij/zij de eerste pion, welke links naast de kar staat aan de linker kant. De kandidaat passeert de volgende pion aan de rechter kant en gaat in de lengterichting over de springkast, waarbij de openingen van de kast niet als ‘treden’ gebruikt mogen worden; hierna gaat kandidaat rechtstreeks door naar het startpunt.

Ronde 3

Deze ronde is gelijk aan ronde 1, maar nu worden de medicineballen door de kandidaat één voor één van vak 3 naar vak 2 en vervolgens weer van vak 2 naar vak 1 verplaatst en neergelegd.

Ronde 4

Deze ronde is gelijk aan ronde 2.

Ronde 5

Deze ronde is tot en met het verplaatsen van de ballen gelijk aan ronde 1.

Nadat de laatste medicinebal is neergelegd in vak 3, vervolgt de kandidaat het parcours via de kortste weg naar de pion. De kandidaat moet via de linkerkant om deze pion heenlopen. Vervolgens maakt de kandidaat het parcours af door na een afstand van 12 meter de finishlijn te passeren; deze finishlijn is getrokken ter hoogte van de startlijn van de kar. Bij het passeren van de sensoren op de finishlijn stopt de tijdwaarneming.

Uitvoering gespecificeerd per onderdeel

Kast (situatie 3 en 7)

De kast is een standaard kast met een hoogte van 110 centimeter.

Zowel voor de breedte- als lengteopstelling geldt het volgende: de kandidaat dient zodanig over de kast heen te gaan, dat er geen lichaamsdelen aan de zijkanten van de kast mogen passeren.

In de breedteopstelling moet men minimaal met één hand steunen op het bovendek. Een dievensprong en spreidsprong zijn niet toegestaan.

In de lengteopstelling mogen de openingen in de kast niet als opstap worden gebruikt. Hierbij dienen minimaal 2 stappen op de kast gedaan te worden, voordat er neergesprongen wordt. Ook bij deze opstelling dient men met minimaal een hand te steunen op het bovendek. Ook hier zijn de dievensprong en spreidsprong niet toegestaan.

Banken (situatie 3)

Het betreft hier de zogenaamde Zweedse gymnastiekbanken. Men moet in de breedte over elke bank springen. De banken staan 1,5 meter uit elkaar. De banken mogen niet worden aangeraakt.

Kar (situatie 4)

De kar heeft een gewicht van 200 kilogram.

De kar staat bij de startpositie van de 1e ronde met de achterzijde ter hoogte van de pionnen. De kandidaat duwt de kar met 2 handen in de eerste, derde en vijfde ronde over 6 meter, totdat de kar weer met de achterzijde gelijk staat met de pionnen.

In de tweede en vierde ronde trekt hij/zij de kar weer met 2 handen terug, totdat de achterzijde ter hoogte van de pionnen staat.

De kar moet steeds gecontroleerd tot stilstand worden gebracht.

De kar mag niet door derden op de juiste plaats worden gezet.

Medicineballen (situatie 5)

De drie medicineballen wegen elk 5 kilogram. De drie vakken zijn elk 100 x 150 cm groot. Bij aanvang liggen alle drie de medicineballen in vak 1. Één voor één worden de medicineballen op een fysiek verantwoorde wijze opgepakt en verplaatst naar het volgende vak. De kandidaat verplaatst de medicineballen in de eerste en vijfde ronde van vak 1 naar vak 2 en van vak 2 naar vak 3 en in de derde ronde van vak 3 naar vak 2 en van vak 2 naar vak 1. Pas als alle medicineballen in vak 2 zijn neergelegd, mag men verdergaan met het verplaatsen van een medicinebal naar het volgende vak. Als de laatste bal in vak 2 is gelegd, moet hij/zij een andere bal pakken. De kandidaat mag dus niet gelijk de laatste bal weer gaan verplaatsen. De medicineballen mogen niet uit het vak rollen. De ballen mogen niet door derden terug in het vak worden gelegd.

Mocht er toch een bal uitrollen, dan moet hij/zij deze zelf eerst terugleggen, alvorens door te gaan. Mocht dit gebeuren op het moment, dat de volgende bal al gepakt is, dan mag deze eerst worden neergelegd in het vak waarnaar kandidaat toe op weg was. Daarna moet eerst de weggerolde bal worden opgepakt en teruggelegd in het vak waar deze uit gerold is. Een andere bal dient hierna weer opgepakt te worden.

Finish (situatie 8)

Vanaf vak 3 loopt de kandidaat om de aangegeven pion heen. Vanaf hier loopt de kandidaat via de kortste weg naar de finishlijn. Men dient daarbij tussen de tijdwaarnemingsapparatuur door te lopen. Hierbij zal de tijdklok stoppen.

Dit onderdeel wordt buiten de tijdsregistratie uitgevoerd. De kwaliteit van het verplaatsen zal hierbij worden beoordeeld.

Overige opmerkingen

Indien de kandidaat een onderdeel van het circuit niet op de juiste wijze heeft afgelegd, moet deze stoppen en teruggaan naar dit fout uitgevoerde onderdeel. Hij/zij voert dit onderdeel opnieuw uit, voordat deze het parcours vervolgt.

Beschrijving Fysieke vaardigheidstoets per situatie (2009)

Situatie 1: start

In afwachting op het startteken staat de kandidaat achter de startlijn.

De elektronische tijdwaarneming staat opgesteld op de startlijn.

De voetschakelaar is tussen de 2 pionnen op de startlijn gesitueerd.

De kandidaat vertrekt direct, nadat deze het startteken heeft gekregen.

Hierbij drukt de kandidaat met één voet de voetschakelaar van de elektronische tijdwaarneming in.

Situatie 2: pion 1

De eerste pion wordt aan de linkerzijde gepasseerd.

Van hieruit wordt de richting ingezet naar situatie 3.

Situatie 3a: hele serie

In deze diagonale verplaatsing gaat u over een dwars opgestelde kast. Vervolgens gaat u over twee achter elkaar opgestelde banken heen in voorwaartse diagonale richting.

Tijdens deze verplaatsing gaat de kandidaat over de dwars opgestelde kast. Vervolgens gaat de kandidaat over twee achter elkaar opgestelde banken heen in dezelfde voorwaartse diagonale richting.

De daarop volgende pion wordt aan de rechter kant gepasseerd en kandidaat maakt een draaiing linksom.

Situatie 3b: techniek kast breedte

Kast: De kast is een standaard kast, met een hoogte van 110 centimeter.

In de breedte- en lengteopstelling: u dient over de kast te gaan, waarbij er geen lichaamsdelen aan zijkanten, naast de kast mogen zijn. Het betreft hier een horizontaal vlak. Er moet minstens met 1 hand worden gesteund en men is niet verplicht een voetplaatsing te doen.

Tevens is het verboden om zonder steunpunten over de kast te gaan.

Een verboden techniek is de dievensprong.

Risico dat hierbij wordt gelopen is dat bij toenemende vermoeidheid de coördinatie minder wordt, waardoor men bijvoorbeeld met het bekken en/of staartbeentje op de kast komt.

Situatie 3c: techniek sprong over de banken

De kandidaat moet in de breedte over elke bank springen.

Pas op! Aandacht voor risico tot struikelen.

De banken staan 1,5 meter uit elkaar.

De banken mogen niet worden aangeraakt.

Situatie 4a: kar duwen

De kar staat bij de startpositie van de 1e, 3e en 5e ronde met achterzijde gelijk aan de pionnen.

De kandidaat duwt de kar met 2 handen in de eerste, derde en vijfde ronde over 6 meter.

De kar moet weer met de achterzijde gelijk met de pionnen worden geplaatst alvorens naar het volgende onderdeel te gaan (medicineballen).

De kar mag pas worden losgelaten tot deze daadwerkelijk stil staat. Bij overtreding hiervan moet de kandidaat teruglopen naar de kar, het handvat met 2 handen aanraken en de weg weer vervolgen.

De pion die op de lijn staat moet aan de linker zijde gepasseerd worden op weg naar de medicineballen.

Situatie 4b: kar trekken

De kar staat bij de startpositie van de 2e en 4e ronde met de achterzijde gelijk met de pionnen.

In de tweede en vierde ronde trekt de kandidaat de kar weer met 2 handen terug.

De kar mag niet met een hand worden getrokken.

De kar moet steeds gecontroleerd met de achterzijde van de kar gelijk met de pionnen tot stilstand worden gebracht.

De kar mag niet door derden op de juiste plaats worden gezet.

Wanneer de kar weer met de achterzijde gelijk met de pionnen is geplaatst, gaat de kandidaat naar het volgende onderdeel (lengte kast).

De kar mag pas worden losgelaten tot deze daadwerkelijk stil staat. Bij overtreding hiervan moet de kandidaat teruglopen naar de kar, het handvat met 2 handen aanraken en de weg weer vervolgen.

De eerste pion moet hierbij aan de linker zijde worden gepasseerd.

Situatie 5a: medicineballen – 1

3 medicineballen moeten twee keer één voor één worden opgepakt en in een ander vak worden gelegd. De drie medicineballen wegen elk 5 kilogram.

De kandidaat verplaatst de medicineballen in de eerste en vijfde ronde van vak 1 naar vak 2 en van vak 2 naar vak 3 en in de derde ronde van vak 3 naar vak 2 en van vak 2 naar vak 1.

Bij aanvang liggen alle drie de medicineballen in vak 1.

Eén voor één worden de medicineballen op verantwoorde wijze opgepakt en verplaatst naar het volgende vak.

Situatie 5a: medicineballen – 2

Pas als alle medicineballen in vak 2 zijn neergelegd, mag de kandidaat verder gaan met het verplaatsen van een medicinebal naar het volgende vak.

Als de laatste bal in vak 2 is gelegd, moet de kandidaat een andere bal pakken. Deze mag dus niet gelijk de laatste bal weer gaan verplaatsen.

Situatie 5a: medicineballen – 3

Als de laatste bal in vak 2 is gelegd, moet de kandidaat een andere bal pakken. Deze mag dus niet gelijk de laatste bal weer gaan verplaatsen.

De medicineballen moeten neergelegd worden, zodat ze niet het vak uitrollen. De ballen mogen niet door derden terug in het vak worden gelegd. Mocht er toch een bal uitrollen, dan moet de kandidaat deze zelf eerst terugleggen, alvorens door te gaan. Dus niet gooien met de ballen.

Situatie 5b: medicineballen – fouten

De medicineballen moeten neergelegd worden, zodat ze niet het vak uitrollen

De ballen mogen niet door derden terug in het vak worden gelegd.

Mocht er toch een bal uitrollen, dan moet de kandidaat deze zelf eerst terugleggen, alvorens door te gaan.

Dus niet gooien met de ballen.

Wanneer de bal uit het vak rolt als de volgende bal al door de kandidaat is gepakt, dan legt de kandidaat deze eerst in het volgende vak. Daarna wordt pas de weggerolde bal opgepakt en teruggelegd in het vak.

Waarna weer een andere bal verplaatst gaat worden dan wel dat de kandidaat verder gaat naar het volgende onderdeel.

Als de laatste bal in vak 2 is gelegd, moet de kandidaat een andere bal pakken. Deze mag dus niet gelijk de laatste neergelegde bal weer gaan verplaatsen.

Situatie 5c: medicineballen – laatste vak

(ronde 1 en 3)

De medicineballen moeten een voor een worden neergelegd in het laatste vak op een manier, zodat ze niet uit het vak rollen.

De ballen mogen niet door derden terug in het vak worden gelegd.

Mocht er toch een bal uitrollen, dan moet de kandidaat deze zelf eerst terugleggen, alvorens door te gaan.

Dus niet gooien met de ballen.

Als de laatste bal is neergelegd, moet de kandidaat via de kortste weg naar het startpunt toe lopen.

Noot:

In ronde 1 is het laatste vak nummer 3

In ronde 3 is het laatste vak nummer 1

Situatie 5d: medicineballen – laatste vak

(ronde 5)

De medicineballen moeten een voor een worden neergelegd in het laatste vak op een manier, zodat ze niet uit het vak rollen.

De ballen mogen niet door derden terug in het vak worden gelegd.

Mocht er toch een bal uitrollen, dan moet de kandidaat deze zelf eerst terugleggen, alvorens door te gaan.

Dus niet gooien met de ballen.

Als de laatste bal is neergelegd, moet de kandidaat via de kortste weg naar de pion toe lopen. Deze pion wordt aan de linker kant gepasseerd. De kandidaat moet om deze pion heenlopen, alvorens hij/zij de finish gaat passeren.

NOOT:

In ronde 1 is het laatste vak nummer 3

In ronde 3 is het laatste vak nummer 1

Situatie 6: startpassage tussen elke ronde

De kandidaat dient na ronde 1 t/m 4 telkens de startlijn te passeren.

Hierbij moet de kandidaat om de pion heen lopen. Dit mag zowel linksom als rechtsom.

De voetschakelaar van de elektronische tijdswaarneming mag hierbij niet worden aangeraakt.

De kandidaat mag niet volstaan met het aantikken van de pion of lijn met hand of voet.

Situatie 7a: kast lengte na het terugtrekken van de kar

(ronde 2 en 4)

Nadat de kar teruggetrokken is gaat de kandidaat voorwaarts naar een pion, die links naast het vak van de kar staat.

Deze wordt aan de linker kant gepasseerd.

De kandidaat passeert de volgende pion aan de rechter kant en vervolgt de weg richting springkast.

De kandidaat gaat in de lengterichting over de springkast. Hierna gaat de kandidaat rechtstreeks naar het startpunt.

Situatie 7b: kast lengte – techniek

(ronde 2 en 4)

Na het terugtrekken van de kar gaat de kandidaat in de lengterichting over de kast, waarna de kandidaat rechtstreeks naar het startpunt gaat.

De kandidaat dient zodanig over de kast heen te gaan, dat er geen lichaamsdelen aan de zijkanten van de kast passeren. (Betreft een horizontaal vlak).

Hierbij dienen minimaal 2 stappen op de kast gedaan te worden, voordat er neergesprongen wordt.

Ook bij deze opstelling dient men tijdens het opkomen met minimaal een hand te steunen op het bovendek.

Situatie 7c: kast lengte – foute techniek

(ronde 2 en 4)

In de lengteopstelling van de kast mogen de openingen in de kast niet als opstap worden gebruikt.

Ook hier zijn de dievensprong (zie kast breedte) en spreidsprong niet toegestaan.

Situatie 8: finish

Nadat de kandidaat in de 5e en laatste ronde de aangegeven pion is gepasseerd moet er gefinished worden.

Via de kortste weg sprint de kandidaat naar de finishlijn.

De kandidaat dient de finishlijn te passeren en moet daarbij tussen de tijdwaarnemingsapparatuur door lopen. Hierbij zal de tijdswaarneming stoppen.

Het psychologisch onderzoek

De kandidaat die solliciteert naar een executieve functie bij de Nederlandse politie, wordt onderworpen aan een geschiktheidonderzoek. Van dit geschiktheidonderzoek maakt deel uit het psychologisch onderzoek.

Het psychologisch onderzoek omvat een 3-tal onderdelen:

De psycholoog maakt een afweging van de scores op de drie meetinstrumenten en vormt zich een eindoordeel wat wordt vastgelegd in een psychologisch rapport. De competenties worden beoordeeld op een 7-puntsschaal.

Voor alle niveaus 2 (EQF 2) tot en met 6 (EQF 7) zullen kandidaten met een score 3 (of lager) op de competentie integriteit een negatief advies ontvangen.

Voor de niveaus 2 (EQF 2) tot en met 4 (EQF 4) zullen kandidaten met een score 2 (of lager) op de competenties stressbestendigheid en overwicht een negatief advies ontvangen; voor de niveaus 5 (EQF 6) en 6 (EQF 7) geldt dat een score van 2 (of lager) op de competentie overwicht en een score van 3 (of lager) op de competentie stressbestendigheid een negatief advies oplevert.

Op de overige stabiele competenties moet een minimale somscore worden behaald, waarbij op geen enkele stabiele competentie een bindend negatief advies mag zijn gescoord. De ondergrens voor een bindend negatief advies is laag op deze stabiele competenties: voor de niveaus 2, 3 en 4 zullen alleen kandidaten met een score 1 op één van de competenties contactgerichtheid, inlevingsvermogen, initiatief, flexibiliteit, besluitvaardigheid en tolerantie een negatief advies ontvangen. Voor de niveaus 5 (EQF 6) en 6 (EQF 7) ligt de ondergrens bij bovengenoemde competenties bij een score 2 (of lager).

Somscore 23

Geen bindend negatief advies (score 1 op de stabiele competenties)

Somscore 30

Geen bindend negatief advies (score 1 op de stabiele competenties)

Somscore 34

Geen bindend negatief advies (score 2 of 1 op de stabiele competenties)

Contactgerichtheid

Communicatieve vaardigheden

Inlevingsvermogen

Initiatief

Flexibiliteit

Zelfinzicht

Tolerantie

Toelichting op de tabel

Bovendien mag er geen score zijn op de stabiele competenties, die leidt tot wat in de eerdere systematiek een bindend negatief advies werd genoemd. Voor de competenties zelfinzicht en communicatieve vaardigheden zijn geen ondergrenzen vastgesteld omdat deze geen stabiele persoonlijkheidseigenschappen representeren en relatief snel ontwikkelbaar zijn.

Competenties

In het psychologisch onderzoek worden 11 competenties onderzocht. Per kwalificatieniveau is een competentieniveau vastgesteld. In het psychologisch rapport is er sprake van een bindende ondergrens voor de psychologische competenties die betrekking hebben op (stabiele) eigenschappen. Voor wat betreft de ontwikkelbare competenties (die doorgaans te maken hebben met vaardigheden en inzichten) wordt geen bindende ondergrens vastgesteld. Van de 11 competenties behoren alleen de competenties zelfinzicht en communicatieve vaardigheden tot de ontwikkelbare competenties.

Beoordelingskader

Het beoordelingskader is een hulpmiddel voor de psycholoog om de geschiktheid van de kandidaat vast te stellen. Dit is de geschiktheid op basis van de competentiemeting. De beoordeling op basis van het hier beschreven kader resulteert niet in een eindoordeel- immers, er volgen nog enkele selectiestappen van het gehele proces.

Om het beoordelen te kunnen standaardiseren, zijn minimale scores gedefinieerd waaraan een kandidaat moet voldoen. Dit wil niet zeggen dat het beoordelen inhoudt dat er uitsluitend naar de cijfers/ scores wordt gekeken. De beoordelaars van de selectieafdeling van de Politieacademie houden ook rekening met de beschrijving van de competenties. Dit geldt in het bijzonder voor grensgevallen.

Volgens de huidige ‘best practice’ op het gebied van personeelselectie wordt de mate waarin een competentie zich heeft ontwikkeld met meerdere instrumenten vastgesteld (met uitzondering van ‘zelfinzicht’).

Ten aanzien van het beoordelingsproces van de psycholoog kan het volgende worden opgemerkt. Het psychologisch rapport wordt door psychologen opgesteld. De psycholoog baseert zich daarbij op drie informatiebronnen:

Overzicht 11 competenties

Elke competentie heeft een schaalwaarde (of schaalanker) met een waarde van 1 tot en met 7. Bij elke schaalwaarde van een competentie hoort een bepaald type gedrag, een bepaald competentieniveau. Hieronder vindt u een korte beschrijving van de 11 competenties.

De eerste twee clusters zijn bruikbaar bij de constructie van schaalankers, de derde is te weinig politiespecifiek; het is ook niet de taak van het Instituut voor Werving en Selectie Politie om voorspellende uitspraken op dat gebied te doen. Daarnaast mag van hoger geplaatsten, al naar gelang de plaats in de hiërarchie en in de organisatie in het algemeen:

PERSONEEL IN EXECUTIEVE DIENST

Agent van politie

Artikel 2 van de politiewet 1993 luidt:

De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegde gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.

In de uitvoering van deze taak zijn de volgende elementen te onderscheiden:

De diensten zijn onregelmatig (dag-, avond-, en nachtdiensten) ook tijdens het weekeinde, waarbij geen vaste maaltijden kunnen worden gegarandeerd.

De diensten worden te voet, per (motor)rijwiel of per auto verricht en moeten onder alle weersomstandigheden doorgang vinden.

Expositie aan gevaarlijke stoffen – ook radioactieve – komt voor.

Het dragen van een helm, beschermende kleding en een gasmasker is soms noodzakelijk.

De surveillant is een ambtenaar met een lagere opleiding dan agent. In de meeste regio’s verricht de surveillant dezelfde taken als de agent doch heeft hij hierbij minder bevoegdheden. In een aantal regio’s heeft de surveillant een ander takenpakket dan de agent van politie, zoals specifieke beveiligingsfuncties of de taken van parketpolitie. De surveillant is in de meeste korpsen niet met een vuurwapen bewapend. Bij een aantal korpsen zijn zij met een wapenstok en pepperspray en in sommige regio’s met een vuurwapen uitgerust. Het diploma surveillant is landelijk geldig.

Bij doorstroming naar de functie van agent dient de surveillant een aanzienlijk aantal cursusmodulen te volgen.

Gezien het takenpakket en de opleiding worden bij de selectie in de meeste regio’s dezelfde eisen gesteld als aan de aspirant van de politie. Surveillanten worden bij benoeming tot agent van politie niet opnieuw gekeurd.

Het vrijwillig politiepersoneel doet alleen dienst in bijzondere situaties (grote werkdruk, uitzonderlijke evenementen). Zij kunnen aan dezelfde werkbelasting blootstaan als de surveillant van politie. Voor deze categorie worden dezelfde keuringseisen gehanteerd.

Hoger politiepersoneel heeft in het algemeen fysiek gesproken bij aanvang dezelfde taak. Aangezien hoger personeel stages tijdens opleiding verricht en later executieve diensten verricht om vaardigheden op peil te houden zijn dezelfde eisen van kracht.

Functie-eisen:

Ten aanzien van de energetische belastbaarheid is voor het executieve politiepersoneel de Fysieke Vaardigheids Toets (FVT) maatgevend. De ergometrie dient om relevante cardiovasculaire pathologie uit te sluiten en de bepaalde VO2max dient bij het behalen van de Fysieke Vaardigheids Toets als bevestiging. In de uitzonderlijke situatie dat de keuring plaatsvindt zonder voorafgaande Fysieke Vaardigheids Toets of bij het niet gehaald hebben van de minimumnorm tijdens de selectie, geldt de minimale norm voor de VO2max. Deze norm is voor leeftijd en geslacht minus 10% in de bijlage gecorrigeerd.

1 Bij overlappende belastbaarheideisen van de diverse functie-eisen belastbaarheideisen moet de zwaarste eis als beoordelingscriterium genomen worden.

2 Bij overlappende belastbaarheideisen van de diverse functie-eisen belastbaarheideisen moet de zwaarste eis als beoordelingscriterium genomen worden.