U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2007.

Regeling · BWBR0014394

Mijnbouwbesluit

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 6 december 2002, houdende regels ter uitvoering van de Mijnbouwwet (Mijnbouwbesluit)MijnbouwbesluitWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 30 augustus 2002, nr. WJZ 02042889;

Gelet op bijlage 14, deel II, bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Stb. 1947, 165), het op 30 november 1990 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de voorbereiding op, de bestrijding van en de samenwerking bij olieverontreiniging (Trb. 1992, 1), het op 22 september 1992 te Parijs tot stand gekomen Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (Trb. 1993, 141), het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen (Trb. 1978, 188), de artikelen 1, onderdelen n en o, 19, 25, 35, derde lid, 39, 41, eerste lid, 43, tweede lid, 49, 52, eerste lid, 123, vijfde lid, 130, 135, vierde lid, onderdeel a, vijfde en zevende lid, 136, eerste lid, 139, tweede lid, 141, tweede lid, 151 en 190 van de Mijnbouwwet, alsmede artikel 99, tweede lid, van de Wet bodembescherming;

De Raad van State gehoord (advies van 22 oktober 2002, nr. W10.02.0387/II);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 3 december 2002, nr. WJZ 02057343;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage6 december 2002BeatrixDe Staatssecretaris van Economische Zaken,J. G. Wijnde vierentwintigste december 2002De Minister van Justitie,J. P. H. Donner

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

De bescheiden en de gegevens, bedoeld bij of krachtens dit besluit, worden door een uitvoerder, een onderzoeker als bedoeld in artikel 9, een beheerder als bedoeld in artikel 92, onderdeel d, en een vergunninghouder als bedoeld in de artikelen 152 en 157 op deugdelijke wijze opgesteld en bijgehouden. Zij worden, voor zover bij of krachtens dit besluit niet anders is bepaald, gedurende ten minste een jaar bewaard.

Deze paragraaf is van toepassing op een verkenningsonderzoek in oppervlaktewater.

De onderzoeker informeert het Kustwachtcentrum dagelijks over de voortgang van een verkenningsonderzoek in het gebied waarin het onderzoek wordt verricht, voor zover dat gebied is gelegen binnen de territoriale zee of het continentaal plat, onder vermelding van in ieder geval op welk tijdstip van de dag het onderzoek zal aanvangen en waarop het onderzoek zal worden gestaakt.

Het is verboden zonder toestemming van een door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan te wijzen bevoegde autoriteit verkenningsonderzoek te verrichten, indien het zicht vanaf het verkenningsvaartuig minder is dan de lengte van de bij het onderzoek te gebruiken of gebruikte kabels.

Het is verboden verkenningsonderzoek te verrichten in of boven de delen van de territoriale zee en het continentaal plat, bekend als de rede van Hoek van Holland en bij ministeriële regeling zijn aangegeven.

Het is verboden in oppervlaktewater ontplofbare stoffen te gebruiken voor verkenningsonderzoek.

In geval de opslag van stoffen van tijdelijke aard is, bevat het plan voor het opslaan van stoffen als bedoeld in artikel 26, tevens:

De in artikel 25, tweede lid, van de wet bedoelde categorieën van gevallen, waarvoor het verbod om stoffen op te slaan zonder vergunning niet geldt, zijn het opslaan van:

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inhoud van het winningsplan, bedoeld in de artikelen 24 en 25, en het plan voor het opslaan van stoffen als bedoeld in artikelen 26 en 27.

De artikelen 30 en 31 zijn van overeenkomstige toepassing op de opslag van stoffen.

Deze afdeling is van toepassing op mijnbouwwerken, uitgezonderd mijnbouwinstallaties.

Een mijnbouwwerk is zodanig afgescheiden van de omgeving en ten aanzien van de toegangen zijn zodanige maatregelen genomen dat het niet vrijelijk kan worden betreden door onbevoegden. Het terrein wordt op passende wijze bewaakt.

Deze afdeling is van toepassing op mijnbouwinstallaties.

De artikelen 35 en 37, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op mijnbouwinstallaties.

Deze paragraaf heeft betrekking op mijnbouwinstallaties die boven oppervlaktewater uitsteken.

Bij het plaatsen van een mijnbouwinstallatie worden maatregelen genomen ter voorkoming van schade.

Het plaatsen van een mijnbouwinstallatie gebeurt zodanig dat in de zeebodem aanwezige leidingen en kabels niet worden beschadigd.

Voorafgaande aan het plaatsen van een mijnbouwinstallatie verricht de uitvoerder onderzoek naar:

Onmiddellijk na het plaatsen van de mijnbouwinstallatie, verstrekt de uitvoerder aan de inspecteur-generaal der mijnen nauwkeurige gegevens omtrent de locatie van de mijnbouwinstallatie.

Deze paragraaf heeft betrekking op mijnbouwinstallaties die boven het oppervlaktewater uitsteken.

Bij het buiten gebruik stellen en het verwijderen van een mijnbouwinstallatie neemt de uitvoerder maatregelen ter voorkoming van schade.

Wanneer een uitvoerder voornemens is een voor de opsporing bestemde mijnbouwinstallatie, schroot en ander materiaal als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet te verwijderen, doet hij daarvan mededeling aan de inspecteur-generaal der mijnen tenminste vierentwintig uren voor het tijdstip van verwijdering. De uitvoerder doet onmiddellijk mededeling van iedere wijziging van dit tijdstip.

Nadat een voor de opsporing of de winning bestemde mijnbouwinstallatie, schroot en ander materiaal als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van de wet zijn verwijderd, doet de uitvoerder daarvan onmiddellijk schriftelijk mededeling aan de inspecteur-generaal der mijnen en overlegt daarbij gegevens waaruit dit blijkt.

De artikelen 44 tot en met 49 zijn van overeenkomstige toepassing op een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 63, eerste lid.

De uitvoerder doet acht weken voor plaatsing van een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 63, eerste lid, mededeling aan de inspecteur-generaal der mijnen. Bij de mededeling wordt het ontwerp van de constructie alsmede een beschrijving van de wijze van plaatsing gevoegd.

De activiteiten, bedoeld in artikel 67, eerste lid, worden slechts verricht indien de desbetreffende stoffen uit de ondergrondse formaties onder controle worden gehouden.

De uitvoerder draagt tijdens de werkzaamheden ten behoeve van het aanleggen, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat er zorg voor dat:

Een boorgat wordt niet eerder voor winning van delfstoffen of opslag van stoffen in gebruik genomen dan nadat het daartoe deugdelijk is ingericht en afgewerkt, alsmede ter afsluiting van deugdelijke beveiligingen is voorzien.

Een boorgat wordt niet eerder buiten werking gesteld dan nadat:

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent:

Bij ministeriële regeling worden regels dan wel nadere regels gesteld omtrent:

Deze afdeling is van toepassing op mijnbouwinstallaties.

In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

De werkzaamheden ter bestrijding van voorvallen als bedoeld in artikel 86, eerste lid, of ter beperking van de gevolgen ervan geschieden onder toezicht van een daartoe aangewezen deskundig persoon en door vakkundig personeel, dat daartoe voldoende geoefend en geïnstrueerd is.

Onze Minister kan bepalen dat een of meer door hem aangewezen uitvoerders al dan niet gezamenlijk op daarbij aangegeven plaatsen en in een daarbij aangegeven omvang voor onmiddellijk gebruik ter beschikking hebben vaartuigen, helikopters of ander materieel ter bestrijding van voorvallen als bedoeld in artikel 86, eerste lid, of ter beperking van de gevolgen ervan.

Onze Minister kan ten aanzien van het bestrijden van een voorval als bedoeld in artikel 86, eerste lid, of het beperken van de gevolgen ervan:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 94 is van overeenkomstige toepassing op een pijpleiding waarvan het aanleggen zal plaatsvinden in of op een ander gebied dan bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, van dat artikel, en waarvoor op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 het maken van een milieu-effectrapport verplicht is.

Onze Minister beslist over de aanvraag om een vergunning binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag en, in geval artikel 94, vierde lid, of 95 van toepassing is, binnen de in artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent het tijdelijk buiten gebruik stellen van een pijpleiding.

Een buiten gebruik gestelde pijpleiding die is aangelegd in of op het continentaal plat wordt schoon en veilig achtergelaten, tenzij Onze Minister op grond van artikel 45 van de wet de verwijdering ervan voorschrijft.

De artikelen 94 tot en met 104 zijn van overeenkomstige toepassing op een kabel, met dien verstande dat waar in de genoemde artikelen wordt verwezen naar artikel 93 in plaats daarvan gelezen wordt: artikel 105.

Op een samenstel van een pijpleiding en een kabel zijn de paragrafen 6.1 tot en met 6.4, respectievelijk paragraaf 6.5 van toepassing.

Degene in wiens opdracht verkenningsonderzoek wordt verricht, dan wel, bij afwezigheid van een opdrachtgever, degene die het verkenningsonderzoek verricht, verstrekt Onze Minister desgevraagd en binnen een door de minister te bepalen termijn de volgende gegevens die bij het verkenningsonderzoek zijn verkregen:

Onze Minister kan, zolang de termijnen van artikel 116 niet zijn verlopen, de in dat artikel bedoelde gegevens ter beschikking stellen aan de Mijnraad, de Technische commissie bodembeweging en de in artikelen 81, onderdeel a, respectievelijk 89, onderdeel a, van de wet bedoelde vennootschap, voor zover deze gegevens worden gebruikt voor de volgende doeleinden:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Het tweede, derde en vierde lid van artikel 122 zijn van overeenkomstige toepassing op de verdeling van het aandeel van een sector in de eenmalige vorming van het initiële vermogen van het fonds, bedoeld in artikel 121, tweede lid, over de mijnbouwondernemers die tot die sector behoren, met dien verstande dat voor onderdeel b van het tweede lid wordt gelezen de hoogte van de schadevergoedingen die elke mijnbouwondernemer in de vijf kalenderjaren voorafgaande aan de inwerkingtreding van de wet aan natuurlijke personen heeft betaald in verband met zijn mijnbouwactiviteiten.

Indien een voorschot ten laste van het fonds is toegekend en nadien in een overeenkomst als bedoeld in artikel 900 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak wordt vastgesteld dat geen aanspraak op schadevergoeding bestaat dan wel de schadevergoeding op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het bedrag dat als voorschot is uitgekeerd, betaalt het fonds het bedrag, dat als voorschot is uitgekeerd, dan wel het verschil tussen dat bedrag en het toegekende schadebedrag terug aan de betrokken mijnbouwondernemer onverwijld nadat degene aan wie het voorschot was toegekend dit, overeenkomstig artikel 140, tweede lid, van de wet aan het fonds heeft terugbetaald.

Onverminderd artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht, bevat een verzoek om schadevergoeding onderscheidenlijk om een voorschot ten minste:

Het fonds tekent op het verzoekschrift de datum van ontvangst aan en zendt de verzoeker onverwijld een ontvangstbevestiging, waarop die datum is vermeld.

Onze Minister beslist op het verzoek binnen zes weken na ontvangst daarvan.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de inrichting en de administratie van het fonds, alsmede het op die inrichting en administratie uit te oefenen toezicht.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder vergunning: opsporingsvergunning, winningsvergunning of opslagvergunning.

Een aanvraag om splitsing wordt niet ingewilligd indien dat ertoe leidt dat een voorkomen van delfstoffen of aardwarmte dan wel een voorkomen voor het opslaan van stoffen in het oorspronkelijke vergunningsgebied zich door deze splitsing in twee of meer verschillende vergunningsgebieden zal bevinden.

Een opsporingsvergunning wordt niet samengevoegd met een winningsvergunning of een opslagvergunning. Een winningsvergunning wordt niet samengevoegd met een opslagvergunning.

Een aanvraag om samenvoeging van twee of meerdere vergunningen wordt slechts ingewilligd, indien deze vergunningen dezelfde delfstoffen betreffen.

Een aanvraag om samenvoeging van twee of meerdere vergunningen wordt slechts ingewilligd, indien de voorwaarden van de desbetreffende totstandgekomen overeenkomsten, bedoeld in artikel 82 respectievelijk artikel 90 van de wet, gelijkluidend zijn.

De wijze waarop een aanvraag om splitsing of samenvoeging geschiedt en de gegevens en de bescheiden, welke daarbij worden overgelegd, geschiedt bij ministeriële regeling te stellen regels.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Op de voorbereiding van het besluit omtrent de aanvraag van een vergunning als bedoeld in artikel 146 is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De terinzagelegging geschiedt tevens ter secretarie van de gemeente of gemeenten onder welk gebied respectievelijk gebieden de groeve zich zal uitstrekken.

Indien een vergunning als bedoeld in artikel 146 wordt overgedragen of anders dan door overdracht overgaat op een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon, doet deze persoon binnen vier weken na de verkrijging ervan mededeling aan Onze Minister.

Het verbod van artikel 146, eerste lid, is niet van toepassing op wijziging van een groeve voor het gebruik voor een ander doeleinde.

Artikel 149 is van overeenkomstige toepassing.

Het is verboden in een groeve ontplofbare stoffen voorhanden te hebben of te gebruiken.

De houder van een vergunning als bedoeld in de artikelen 146 en 151 verricht periodiek metingen naar de gesteentemechanische veiligheid van een groeve en verstrekt daarvan de resultaten aan de inspecteur-generaal der mijnen.

Indien een groeve tijdelijk buiten gebruik wordt gesteld, is artikel 160, eerste en derde lid, van overeenkomstige toepassing.

De aan een opsporingsvergunning als bedoeld in artikel 143, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de wet ter bescherming van het milieu verbonden voorwaarden, beperkingen of voorschriften gelden als te zijn verbonden aan een mijnbouwmilieuvergunning of milieuvergunning als bedoeld in artikel 143, vijfde of zesde lid, van de wet of te zijn vervallen indien de laatste of voorlaatste vergunning ontbreekt.

Op een voor de winning of de opsporing bestemde mijnbouwinstallatie die geplaatst is voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Mijnbouwwet is artikel 55 niet van toepassing.

Op een pijpleiding die voor 1 januari 2003 is aangelegd:

Een werkplan als bedoeld in artikel 20 van het Mijnreglement 1964 of 28 van het Mijnreglement continentaal plat dat is opgesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Mijnbouwwet geldt gedurende het eerste kalenderjaar waarin die wet in werking is getreden als een werkplan als bedoeld in artikel 4.

Gegevens, bescheiden en monsters als bedoeld in de artikelen 108 tot en met 110, waarop artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing is, en aan Onze Minister zijn verstrekt voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, verliezen in afwijking van artikel 116, tweede lid, hun vertrouwelijk karakter niet dan nadat tien jaren zijn verstreken met ingang van het tijdstip waarop de uitvoerder de betreffende gegevens, bescheiden en monsters of degene die de bedoelde onderwerpen heeft verstrekt, heeft verkregen.

Een zekerheid die is gesteld voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit voor de nakoming van hetgeen verschuldigd zal worden, ingeval Onze Minister bestuursdwang toepast ter handhaving van de bij of krachtens de Mijnwet continentaal plat gestelde verplichtingen ten aanzien van het verwijderen of achterlaten, dan wel het na verwijderen slopen of hergebruiken van niet meer in gebruik zijnde mijnbouwinstallaties, berust op artikel 47 van de wet.

Een voor het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit verleende ontheffing op grond van het Lozingenbesluit bodembescherming blijft na dat tijdstip van kracht, met inbegrip van alle daaraan verbonden voorschriften en beperkingen.

In afwijking van de artikelen 146, eerste lid, derde volzin, voor zover de verschuldigdheid is ontstaan voor de inwerkingtreding van de wet, en 155, tweede lid, van de wet blijven op de heffing en invordering van een bonus, een oppervlakterecht, een cijns of een aandeel in de winst de artikelen 72, voor zover daarbij artikel 11, derde en vierde lid, artikel 20, derde lid, en hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, en 73 van de wet buiten toepassing.

Wijzigt het Besluit op de lijkbezorging.

Wijzigt het Vreemdelingenbesluit 2000.

Wijzigt het Arbeidstijdenbesluit.

Wijzigt het Arbeidstijdenbesluit vervoer.

Wijzigt het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen.

Wijzigt het Besluit stralingsbescherming.

Wijzigt het Besluit inrichting en gebruik niet aangewezen luchtvaartterreinen.

Wijzigt het Rijksreglement ontgrondingen.

Wijzigt het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

Wijzigt het Besluit milieu-effectrapportage 1994.

Wijzigt het Besluit risico's zware ongevallen 1999.

Wijzigt het Besluit saneringsmaatregelen industrieterreinen 1994.

Wijzigt het Lozingenbesluit bodembescherming.

De artikelen 6, 8 en 10 van de Wet bodembescherming en het mede daarop berustende Besluit opslag ondergrondse tanks 1998 zijn van toepassing op de opslag van vloeistoffen in ondergrondse tanks binnen een mijnbouwwerk.

Dit besluit wordt aangehaald als: Mijnbouwbesluit.

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Mijnbouwwet in werking treedt, met dien verstande dat artikel 4 in werking treedt op 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op het kalenderjaar waarin die wet in werking is getreden.