U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-07-2018.

Regeling · BWBR0017624

Besluit spoorverkeer

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 3 december 2004, houdende regels met betrekking tot het veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen (Besluit spoorverkeer)Besluit spoorverkeer Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 16 september 2003, Hoofddirectie Juridische Zaken, nr. HDJZ/S&W/2003-1877;

Gelet op richtlijn 2001/14/EG en op de artikelen 23, 64, 65 en 87, eerste lid, van de Spoorwegwet;

De Raad van State gehoord (advies van 19 december 2003, nr. W09.03.0393/V);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 november 2004, nr. HDJZ/S&W/2004-2899, Hoofddirectie Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage3 december 2004BeatrixDe Minister van Verkeer en Waterstaat ,K. M. H.Peijsde eenentwintigste december 2004De Minister van Justitie , J. P. H.Donner

De bestuurder die een trein onbeheerd op een hoofdspoorweg achterlaat, zorgt ervoor dat die trein niet uit zichzelf in beweging kan komen.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het veilig en ongestoord gebruik van hoofdspoorwegen en spoorvoertuigen.

Het is verboden met een trein over een hoofdspoorweg te gebruiken dan wel te laten gebruiken indien de noodreminrichting buiten werking is.

Op hoofdspoorwegen als bedoeld in bijlage 2 bij het Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen bedraagt de maximumsnelheid 30 kilometer per uur.

Het is verboden zonder noodzaak de noodreminrichting van een trein in werking te stellen.

Het is de bestuurder verboden tijdens het vertrek van de trein een remming als gevolg van het gebruik van de noodreminrichting te onderbreken.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder:

Bij ministeriële regeling worden delen van hoofdspoorwegen aangewezen als spoorwegemplacementen.

De artikelen 13, 14 en 16, met uitzondering van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, zijn niet van toepassing bij rangeren en parkeren.

Het is de bestuurder verboden om bij het rangeren te rijden met een hogere snelheid dan 40 kilometer per uur.

De spoorwegonderneming verstrekt voordat in haar opdracht wordt gerangeerd, aan de bestuurder en de rangeerder een rangeeropdracht en aan de beheerder een rangeerplan.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden over aanwijzingen als bedoeld in de artikelen 4, tweede lid, 6, tweede lid, 7, tweede lid, 10, derde lid, onderdeel c, en 26, tweede lid.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de aard, uitvoering, plaatsing, bediening en betekenis van seinen.

De beheerder draagt er zorg voor:

Overtreding van de artikelen 22 en 27 vormt een strafbaar feit in de zin van artikel 87, eerste lid, van de wet.

De artikelen 36, eerste lid, en 36b, eerste lid, van de wet gelden niet voor een spoorvoertuig:

Na de inwerkingtreding van artikel 23 van het Besluit bijzondere spoorwegen berust de Regeling spoorverkeer op de artikelen 9, 10, 12, 19, 30, 35, 36 en 37 van het Besluit spoorverkeer.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit spoorverkeer.