Regeling · BWBR0019211
Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij
Op de voordracht van Onze Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 april 2004, nr. MJZ2004041833, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Gelet op artikel 8.44 van de Wet milieubeheer;
De Raad van State gehoord (advies van 27 juli 2004, nr. W08.04.0181/V);
Gezien het nader rapport van Onze Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 december 2005, nr. DJZ 2005210447, Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende bijlagen en nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage8 december 2005BeatrixDe Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer , P. L. B. A. van Geelde achtentwintigste december 2005De Minister van Justitie ,J. P. H.DonnerIn dit besluit wordt verstaan onder:
ammoniakemissie: emissie van ammoniak, uitgedrukt in kg NH3 per jaar;
bouwvergunning: vergunning krachtens artikel 40, eerste lid, van de Woningwet;
bijlage: bij dit besluit behorende bijlage;
diercategorie: in de bijlagen gehanteerde aanduiding, binnen hoofdcategorieën, van dieren;
dierenverblijf: al dan niet overdekte ruimte waarbinnen dieren worden gehouden;
dierplaats: deel van een huisvestingssysteem, bestemd voor het houden van één dier;
emissiefactor: ammoniakemissie per dierplaats, zoals bepaald krachtens artikel 1, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij;
Groen-Labelstalsysteem: huisvestingssysteem dat voldoet aan de omschrijving van een stalsysteem waarvoor een Groen Label als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van het Convenant Groen Label (Stcrt. 1993, 21) is verleend;
huisvestingssysteem: gedeelte van een dierenverblijf waarin dieren van één diercategorie op dezelfde wijze worden gehouden;
veehouderij: inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren;
vergunning: omgevingsvergunning voor een inrichting.
Voor de toepassing van dit besluit wordt onder een bestaand huisvestingssysteem verstaan:
- a.
een huisvestingssysteem dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit in de veehouderij aanwezig was;
- b.
een huisvestingssysteem dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit nog niet in de veehouderij aanwezig was, maar waarvoor op dat tijdstip wel een vergunning of, indien geen vergunning vereist was, een bouwvergunning was verleend;
- c.
een huisvestingssysteem dat ontstaat door verandering van een huisvestingssysteem als bedoeld onder a of b, mits de emissiefactor van dat systeem niet hoger is dan die van het oorspronkelijke huisvestingssysteem en slechts voorzover het aantal dierplaatsen niet wordt uitgebreid;
- d.
een huisvestingssysteem dat ontstaat door verandering van een huisvestingssysteem als bedoeld onder a of b, waarbij die verandering bestaat uit aanpassing van het systeem in verband met de wettelijke voorschriften op het gebied van dierenwelzijn en slechts voorzover het aantal dierplaatsen niet wordt uitgebreid; of
- e.
een huisvestingssysteem dat ontstaat door verandering van een huisvestingssysteem als bedoeld onder a of b, waarbij die verandering bestaat uit het huisvesten van dieren van een andere diercategorie die tot dezelfde hoofdcategorie behoort, op voorwaarde dat de ammoniakemissie niet toeneemt en slechts voorzover het vloeroppervlak niet wordt vergroot.
Indien in een veehouderij dieren worden gehuisvest van een diercategorie waarvoor in bijlage 1 een maximale emissiewaarde is aangegeven, worden voor die dieren geen huisvestingssystemen toegepast met een emissiefactor die hoger is dan deze maximale emissiewaarde dan wel de emissiewaarde die het bevoegd gezag heeft vastgesteld op grond van artikel 2a, eerste lid.
Aan het eerste lid wordt ook voldaan indien de som van de ammoniakemissies uit de tot de veehouderij behorende huisvestingssystemen niet groter is dan de som van de ammoniakemissies die deze huisvestingssystemen zouden veroorzaken indien voldaan wordt aan het eerste lid. Een huisvestingssysteem dat op 1 januari 2007 nog niet in de veehouderij aanwezig was, voldoet afzonderlijk aan het eerste lid.
In afwijking van het eerste lid geldt ten aanzien van een bestaand Groen-Labelstalsysteem waarvan de emissiefactor hoger is dan de maximale emissiewaarde bedoeld in het eerste lid en waarvoor een vergunning of, indien geen vergunning vereist was, een bouwvergunning is verleend voor 8 mei 2002, die emissiefactor als maximale emissiewaarde.
Het derde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een huisvestingssysteem waarvoor een bijzondere emissiefactor is vastgesteld als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij.
Indien tot een in artikel 2, eerste lid, bedoelde veehouderij een IPPC-installatie behoort en met de in artikel 2, eerste lid, bedoelde maximale emissiewaarde niet wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.14 en 2.22 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, stelt het bevoegd gezag voor een tot de IPPC-installatie behorend huisvestingssysteem een strengere emissiewaarde vast.
Indien tot een in artikel 2, eerste lid, bedoelde veehouderij een IPPC-installatie behoort en met de in artikel 4, eerste lid, bedoelde tijdstippen voor de aanpassing van een bestaand huisvestingssysteem niet wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.14 en 2.22 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, stelt het bevoegd gezag voor een tot de IPPC-installatie behorend huisvestingssysteem een eerder tijdstip vast.
Voor de diercategorie melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar is artikel 2 niet van toepassing ten aanzien van een bestaand huisvestingssysteem en evenmin ten aanzien van de uitbreiding daarvan, zolang het aantal dierplaatsen als gevolg van de uitbreiding met niet meer dan 20 toeneemt ten opzichte van het aantal dat aanwezig was op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
Artikel 2 is evenmin van toepassing voorzover het betreft een diercategorie waarvan in de veehouderij niet meer dieren worden gehouden dan het aantal dat in bijlage 1 voor die diercategorie is aangegeven.
Artikel 2 is voorts niet van toepassing indien de dieren worden gehouden overeenkomstig de biologische productiemethoden, zoals bedoeld in het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode, of overeenkomstig de Algemene Voorwaarden PVV-regeling scharrelvarkens.
Onverminderd artikel 3 is voor de in bijlage 2 vermelde diercategorieën artikel 2, eerste lid, ten aanzien van een bestaand huisvestingssysteem niet van toepassing tot 1 januari 2010, tenzij in die bijlage anders is aangegeven, dan wel tot het tijdstip dat het bevoegd gezag heeft vastgesteld op grond van artikel 2a, tweede lid.
Zolang van een diercategorie niet meer dieren worden gehouden dan het aantal dat in bijlage 2 voor die diercategorie is aangegeven, geldt in afwijking van het eerste lid voor die diercategorie als datum 1 januari 2013.
Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij.
Diercategorie | Maximale emissiewaarde bedoeld in artikel 2, eerste lid, in kg NH3 per dierplaats per jaar | Aantal dieren bedoeld in artikel 3, tweede lid |
hoofdcategorie rundvee | ||
Melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar | 9,5 | 3 |
hoofdcategorie varkens | ||
biggenopfok (gespeende biggen) | 0,23 | 20 |
kraamzeugen (incl. biggen tot spenen) | 2,9 | |
guste en dragende zeugen | 2,6 | |
vleesvarkens, opfokberen van ca. 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking | 1,4 | samen 151 |
hoofdcategorie kippen | ||
opfokhennen en hanen van legrassen; | batterijhuisvesting: | |
jonger dan 18 weken | 0,0062 | |
nageschakelde technieken: | ||
0,010 | ||
legkippen en (groot-)ouderdieren van | batterijhuisvesting: | |
legrassen | 0,0133,4 | |
niet-batterijhuisvesting: | samen 500 | |
0,125 | ||
nageschakelde technieken: | ||
0,015 | ||
ouderdieren van vleeskuikens | 0,435 | |
nageschakelde technieken: | ||
0,015 | ||
vleeskuikens | 0,045 |
1 Voor de bepaling van het aantal dieren worden de bij de kraamzeugen behorende biggen (de niet-gespeende biggen) niet meegeteld.
2 Indien het een huisvestingssysteem betreft waarbij de mestdroging in het huisvestingssysteem is geïntegreerd, bedraagt de maximale emissiewaarde 0,016.
3 Indien het een huisvestingssysteem betreft waarbij de mestdroging in het huisvestingssysteem is geïntegreerd, bedraagt de maximale emissiewaarde 0,028.
4 De maximale emissiewaarde geldt niet voor aangepaste kooien als bedoeld in paragraaf 3.1 van het Legkippenbesluit 2003.
Diercategorie | Datum aanpassing bestaande huisvestings-systemen, bedoeld in artikel 4, eerste lid | Aantal dieren bedoeld in artikel 4, tweede lid |
hoofdcategorie varkens | ||
biggenopfok (gespeende biggen) | 1-1-2010 | 360 |
kraamzeugen (incl. biggen tot spenen) | 1-1-2010 | 1002 |
guste en dragende zeugen | 1-1-2010 | |
vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden, opfokzeugen van ca. 25 kg tot eerste dekking | 1-1-2010 | 250 |
hoofdcategorie kippen | ||
opfokhennen en hanen van legrassen; jonger dan 18 weken | 1-1-2010 | 20.000 |
legkippen en (groot-) ouderdieren van legrassen | batterijhuisvesting: 1-1-2010 niet-batterijhuisvesting: 1-1-20101 | 10.000 |
ouderdieren van vleeskuikens | 1-1-20101 | 10.000 |
vleeskuikens | 1-1-20101 | 25.000 |
1 Indien het een huisvestingssysteem betreft waarvoor de vergunning is verleend na 1-1-1997, geldt als datum 1-1-2012.
2 Voor de bepaling van het aantal dieren worden de bij de kraamzeugen behorende biggen (de niet-gespeende biggen) niet meegeteld.