Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 6 december 2005, nr. 5391037/05/6;
Gelet op artikel 8:41, vijfde lid van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 27b, tweede lid, 27l, vijfde lid en 29a, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 22, zesde lid, van de Beroepswet, artikel 24, zesde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, artikel 7.67, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, artikel 40, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, artikel 46, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand, en artikel 1, tweede lid, van de Wet tarieven in burgerlijke zaken;
De Raad van State gehoord (advies van 21 december 2005, no. W03.05.0559/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 9 januari 2006, nr. 5397003/06/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage13 januari 2006BeatrixDe Minister van Justitie , J. P. H.Donnerde vierentwintigste januari 2006De Minister van Justitie ,J. P. H.DonnerWijzigt de Algemene wet bestuursrecht, enz.
Ten aanzien van rechten die verschuldigd zijn geworden voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit blijft het recht zoals dat voor die datum gold, van toepassing.
Indien op de dag waarop dit besluit in werking treedt tegen een besluit beroep openstaat op een administratieve rechter, blijft het oude recht op het beroep van toepassing.
Indien op de dag waarop dit besluit in werking treedt tegen een uitspraak van een administratieve rechter hoger beroep openstaat, blijft het oude recht op het hoger beroep van toepassing.
Dit besluit treedt in werking op 1 februari 2006.