U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 03-01-2009.
Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 27 juni 2006, nr. KvI2006278987, houdende regels voor het subsidiëren van voorzieningen die de emissie van deeltjes door voertuigen met een dieselmotor verminderen (Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen met een dieselmotor)Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigenDe Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag27 juni 2006De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, P.L.B.A. vanGeel

In deze regeling wordt verstaan onder:

Deze regeling heeft tot doel een bijdrage te leveren aan de verbetering van de luchtkwaliteit in Nederland door het treffen van emissieverminderende voorzieningen in voertuigen met een dieselmotor te stimuleren, alsmede door de aanschaf van ongebruikte voertuigen met een emissieverminderende voorziening te stimuleren.

Het subsidieplafond bedraagt tot en met 31 december 2009: € 50.000.000,–

Paragraaf 2.1 vervalt op 1 januari 2011, met dien verstande dat deze regeling nadien van toepassing blijft op aanvragen die op of voor 31 december 2010 op grond van paragraaf 2.1 zijn ingediend.

Vervallen

Het subsidieplafond bedraagt tot en met 31 december 2009: € 150.000.000,–.

Het subsidieplafond voor het subsidiëren van motoren als bedoeld in artikel 2.12 bedraagt voor het kalenderjaar 2009: € 3.000.000,–.

Het subsidieplafond bedraagt tot en met 31 december 2009: € 7.000.000,–.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling emissieverminderende voorzieningen voor voertuigen.

Begripsomschrijvingen:

Afkortingen:

η: afvangrendement

fa: weegfactor van de deeltjesemissie in toestand I

fb: weegfactor van de deeltjesemissie in toestand II

fc: weegfactor van de deeltjesemissie in toestand III

fD: aantal cycli tussen twee regeneraties

fd: aantal voor de regeneratie vereiste cycli

Mpi: gewogen totale emissie (g/km) bij gesloten deeltjesverminderingssysteem

Msi: over verscheidene cycli (NETC) gemeten emissie zonder regeneratie (g/km)

Mri: emissie tijdens de regeneratie (NETC)

Ng: toestand na inbouw

PI: rekenkundig gemiddelde deeltjesemissie in toestand I

PII: rekenkundig gemiddelde deeltjesemissie in toestand II

PIII: rekenkundig gemiddelde deeltjesemissie in toestand III

PIVT2: rekenkundig gemiddelde deeltjesemissie in toestand IV, gemeten in deel van 2 van de NETC

PIV: rekenkundig gemiddelde deeltjesemissie in toestand IV

DVS: deeltjesverminderingssysteem

PNg: rekenkundig gemiddelde deeltjesemissie in de toestand na inbouw bij systemen van klasse B

PNFG: totale deeltjesemissie in toestand na inbouw

Ps: rekenkundig gemiddelde deeltjesemissie in uitgangstoestand (zonder deeltjesverminderingssysteem )

VF: volume van het deeltjesverminderingssysteem

VH: slagvolume van de motor

1. Het deeltjesverminderingssysteem is zodanig ontworpen en vervaardigd dat aan de hand van de in dit aanhangsel beschreven proeven kan worden aangetoond dat bij gebruik overeenkomstig zijn bestemming, de functionaliteit van het systeem gedurende een levensduur van vijf jaar of gedurende 80.000 km – al naar gelang het criterium dat het eerst wordt bereikt – is en wordt gegarandeerd.

2. Deeltjesverminderingssystemen zijn niet met voorzieningen uitgerust die deze systemen buiten werking stellen.

3. De inbouw van het deeltjesverminderingssysteem heeft geen invloed de gebruiksmogelijkheden van het voertuig en heeft geen negatieve gevolgen hebben voor de verkeersveiligheid.

4. Deeltjesverminderingssystemen geven geen aanleiding te veronderstellen dat het geluidsniveau van het voertuig zal verslechteren.

5. In combinatie met deeltjesverminderingssystemen van de klasse B is het gebruik van brandstofadditieven ter verbetering van de werking van het deeltjesverminderingssysteem niet toegestaan.

6. Indien elektronische onderdelen of stuurapparaten worden gebruikt, voldoen die aan de eisen inzake radiostoring en EMC (richtlijn 72/45/EEG).

1. Ter beoordeling van een deeltjesverminderingssysteem wordt het, als bewijs voor de functionaliteit tijdens het latere bedrijf in de praktijk, aan een duurproef van minstens 4.000 km onderworpen. De duurproef dient als bewijs voor zowel de functionaliteit en de duurzaamheid van het systeem als voor het afvangrendement daarvan.

2. Als testcyclus voor uitlaatgasmetingen op de rollenbank wordt de NETC met aandeel binnen en buiten de stad (deel I en deel II) overeenkomstig bijlage III, aanhangsel 1 van Richtlijn 70/220/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/69/EG (PB L 350), gebruikt.

3. De duurproef wordt over een rijtraject van minstens 4.000 km uitgevoerd. Op verzoek van de aanvrager van de keuring kan voor het begin van de duurproef een voertuiginspectie worden uitgevoerd door de met de beoordeling belaste technische dienst en kan het OBD-systeem worden uitgelezen.

4. De afstandsaccumulatie kan op de rollenproefstand worden uitgevoerd door het stadsdeel van de NETC (deel 1) te herhalen.

5. De afstandsaccumulatie kan op de rollenproefstand in de NETC met aandeel binnen (deel 1) en buiten de stad (deel 2, gereduceerde snelheid) worden uitgevoerd. Daarbij wordt in deel 2 van de NETC een rijsnelheid van 70 km/uur en een maximale uitlaatgastemperatuur van 300°C direct voor het verminderingssysteem niet overschreden.

6. Een andere mogelijkheid is het in de documentatie van de proef uitvoerig te beschrijven traject van de duurproef zodanig te kiezen, dat het met een realistisch rijprofiel binnen de stad overeenkomt. Daarbij ligt de gemiddelde snelheid tussen 25 en 35 km/uur, de maximumsnelheid lager dan 70 km/uur, het aandeel van het stationair draaien in de tijd niet beneden 7% en het aandeel van de snelheid tussen 50 en 70 km/uur beneden 10% (niet gereden aan het einde van de duurproef). De maximale uitlaatgastemperatuur direct voor het deeltjesverminderingssysteem moet zonder externe regeneratie gemiddeld lager zijn dan 300°C en het toerental van de motor minder dan 60% van het nominale toerental. Tijdens de gehele duurproef worden de voertuigsnelheid, de weg, het toerental van de motor en het drukverschil tussen in- en uitgang van het deeltjesverminderingssysteem tevens in de documentatie van de proef opgenomen.

De uitlaatgasmetingen met gemonteerd deeltjesverminderingssysteem worden uitgevoerd als volgt:

Voor de latere bepaling van de doeltreffendheid van het deeltjesverminderingssysteem in de uitgangstoestand wordt het voertuig voor en na het ononderbroken bedrijf in de uitgangstoestand zonder deeltjesverminderingssysteem beoordeeld.

De aanvrager van de keuring van het filter kan steeds na de metingen bij 2.000 km en 4.000 km om aanvullende uitlaatgasmetingen in de uitgangstoestand vragen. Nadat het systeem weer is ingebouwd moet in dit geval de uitlaatgasmeting worden herhaald. De daarbij gevonden hoogste uitlaatgaswaarde moet worden gebruikt om het afvangrendement te bepalen. De uitlaatgasmetingen met deeltjesverminderingssysteem voor en na in- en uitbouw wijken niet meer dan 15% van elkaar af.

Schematische testprocedure deeltjesverminderingssystemen Klasse B

Uitgangstoestand S1:

Inbouw deeltjesverminderingssysteem

Toestand I:

2000 km duurproef

Toestand II:

2000 km duurproef tot 4000 km in totaal

Toestand III:

‘Worst-case’-regeneratie

Toestand IV (thermisch verouderde toestand):

Uitbouw deeltjesverminderingssysteem

Uitgangstoestand S2:

Bij toepassing van een deeltjesverminderingssysteem van de klasse B, moeten bovendien roetmetingen volgens artikel 2.3.12 van de regeling Permanente eisen worden uitgevoerd om de hoogste opaciteitswaarde van het uitlaatgas vast te stellen.

Ter verzekering van de thermische stabiliteit van het deeltjesverminderingssysteem tijdens het latere functioneren in de praktijk, wordt na de uitlaatgasmetingen na 4.000 km en de roetmeting een ‘worst-case’-regeneratie uitgevoerd.

De thermische ‘worst-case’-regeneratie wordt met het testvoertuig op de rollenbank ingeleid via de belasting van de motor (snelle belastingwisseling tussen gedeeltelijke en volle belasting). Na vaststelling van de ontbranding van de deeltjes in het verminderingssysteem gaat men al remmend op de motor naar de situatie van stationair draaien. Het proefvoertuig blijft stationair draaien tot in het afvangsysteem geen verbranding van roet meer plaatsvindt. Voor zover in de hierboven genoemde bedrijfsomstandigheden niet uiterlijk na tien minuten uitlaatgastemperaturen van 600 graden Celsius zijn opgetreden, wordt de ‘ worstcase-test’ beëindigd.

Bij voertuigen met een motorvermogen van meer dan 160 kW kan de inleiding tot de ‘worst-case’-regeneratie op de weg plaatsvinden. Indien geen thermische regeneratie kan worden opgewekt, moet een regeneratie van het deeltjesverminderingssysteem volgens aanwijzingen van de fabrikant worden uitgevoerd tijdens gebruik van het voertuig.

In alle gevallen worden aansluitend uitlaatgasmetingen uitgevoerd. De daarbij rekenkundig gemiddelde deeltjesemissie mag niet meer dan 15% afwijken van de deeltjesemissie PNg.

1. Vaststelling van de deeltjesemissie in de NETC:

De waarden van de uitlaatgasemissie in de uitgangstoestand (PS), toestand I (eerste meting) (PI), toestand II (PII)) toestand III (PIII) en toestand IV (PIV) zijn de gemiddelde waarden van twee metingen, voor zover de metingen niet meer dan 15% van elkaar afwijken en anders van drie metingen in de NETC.

2. Vaststelling van de gasvormige emissies (NOx, CO, HC) en het brandstofverbruik uitgedrukt in CO2:

Met de emissies tijdens de ‘worst-case’-regeneratie wordt geen rekening gehouden.

De beproeving van het deeltjesverminderingssysteem geldt als geslaagd indien aan de volgende criteria is voldaan:

Begripsomschrijvingen:

Afkortingen:

η: afvangrendement

Mpi: gewogen totaalemissie (g/kWh) bij deeltjesverminderingssystemen van klasse A

Msi: tijdens meerdere cycli gemeten gemiddelde emissie zonder regeneratie

Mri: emissie tijdens de regeneratie

Ng: toestand na inbouw

VF: volume van het deeltjesverminderingssysteem

VH: slagvolume van de motor

PT: deeltjesemissie

Mgas: emissie van de gasvormige bestanddelen

DVS: deeltjesverminderingssysteem

UGR: uitlaatgasrecirculatie

1. Ter beoordeling van een DVS dient het, als bewijs voor de functionaliteit tijdens het latere bedrijf in de praktijk, aan een duurproef van ten minste 25 ETC-testcycli te worden onderworpen. De duurproef dient als bewijs voor zowel de functionaliteit als voor de stabiliteit daarvan. Daarnaast wordt door middel van de duurproef vastgesteld of het een continu of een periodiek regenererend DVS betreft.

2. Voorafgaand aan de duurproef wordt het DVS gepreconditioneerd door ten minste 2 uur belasting volgens fase 8 van de ESC-testcyclus, en vervolgens zodanig geconditioneerd door middel van het draaien van ETC-cycli dat een qua deeltjesemissie stabiele situatie ontstaat.

Het bewijs van een continu verlopend regeneratieproces geldt als geleverd wanneer gedurende een periode van ten minste 25 testcycli een daartoe geschikte parameter aan het DVS als constant beoordeeld kan worden. Als geschikte parameters kunnen de deeltjesemissie en de uitlaatgastegendruk beschouwd worden. Deze parameters gelden bij een variantie van maximaal 15% gedurende ten minste 25 testcycli als constant in de zin van dit voorschrift. De meting van de uitlaatgastegendruk vindt daarbij continu plaats, de meting van de deeltjesemissies ten minste iedere vijfde testcyclus.

De variantie wordt als volgt berekend:

Waarbij:

en

Als testcyclus op de motorproefstand voor de duurproef, de beoordeling van de deeltjesuitstoot en de vaststelling van het type regeneratie wordt de ETC-testcyclus toegepast. De meting van de invloed van het DVS op de gasvormige emissies vindt plaats in een ESC-testcyclus.

Klasse B systemen worden aan een controle ter vaststelling aan het regeneratiegedrag onderworpen.

Deze controle vindt plaats door een systeembelading tot aan het bereiken van een constante uitlaatgastegendruk of gedurende een periode van maximaal 100 uur, de grensbelading. De uitlaatgasdruk geldt als constant indien na ten minste 50 uur binnen een periode van 30 minuten de uitlaatgastegendruk binnen een bereik van 5 mbar ligt.

De lastpunten tijdens de belading worden zo gekozen dat een maximale uitlaatgastemperatuur van 180°C aan de ingangszijde van het DVS niet wordt overschreden. De belading vindt bij voorkeur plaats bij een constant toerental van 50 tot 75% van het nominale toerental van de testmotor.

Na het bereiken van de maximale systeembelading onderscheidenlijk na maximaal 100 uur wordt een regeneratie ingeleid, bijvoorbeeld door het draaien van testfase 8 van de ESC-cyclus. Na afloop van de regeneratie volgen uitlaatgasmetingen in ten minste drie testcycli overeenkomstig onderdeel 4. Het rekenkundig gemiddelde van de daarbij gemeten uitlaatgaswaarden mag de voorafgaand aan de beladingsduurproef gemeten uitlaatgaswaarden voor de gasvormige emissies met niet meer dan 15% en voor de deeltjesemissie met niet meer dan 20% overschrijden.

Het meten van de opaciteit van de uitlaatgassen vindt bij Euro 3 motoren plaats in een ELR- testcyclus volgens de voorschriften van de punten 3 en 6 van aanhangsel 1 van bijlage III van richtlijn 2005/55/EG. Voor Euro 2 motoren vindt de meting van de opaciteit plaats tijdens een vrije acceleratietest overeenkomstig richtlijn 72/306/EEG. In bijlage I is aangegeven wanneer de opaciteitsmeting wordt uitgevoerd.

De metingen ten behoeve van het testen van DVS worden uitgevoerd met brandstof van handelskwaliteit die aan de eisen van richtlijn 98/70/EEG voldoet, met een zwavelgehalte van ten hoogste 10 ppm.

Voor de beproeving van een DVS op een motorproefstand dient het systeem op een afstand van ten minste 2 meter vanaf de uitgang van de turbolader aangebracht te worden. Indien wordt aangetoond dat bij de latere toepassing een kortere afstand geldt, kan de lengte van de leiding dienovereenkomstig worden beperkt. Isolatie e.d. van de leiding is slechts toelaatbaar indien die ook bij de latere montage op het voertuig wordt toegepast.

De uitvoering van de tests geschiedt overeenkomstig deze bijlage. De beoordeling van het systeem geldt als geslaagd indien aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan:

De uitvoering van de tests geschiedt overeenkomstig de bijlage. De beoordeling van het systeem geldt als geslaagd indien aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan:

Bij periodiek regenererende DVS wordt de deeltjesemissie als volgt bepaald:

PT = (n1 × PT,n1 + n2 × PT,n2) / (n1 + n2)

waarbij:

n1 = aantal ETC-testcycli tussen twee regeneraties

n2 = aantal ETC-testcycli gedurende de regeneratie (minimum 1 testcyclus)

PT,n2 = emissie tijdens de regeneratie

PT,n1 = emissie tijdens de belading (rekenkundig gemiddelde van de meting bij het begin van de belading en de meting bij het einde van de belading [minimum, meer metingen toelaatbaar])

Voor een periodiek regenererende uitlaatgasnabehandeling dienen de emissies in minimaal drie ETC-testcycli (eenmaal bij het begin van de belading, eenmaal bij het einde van de belading en eenmaal gedurende de regeneratie) bepaald te worden.

Het regeneratieproces dient ten minste eenmaal gedurende een ETC-testcyclus op te treden.

Worden meer dan twee metingen tussen de regeneratiefasen voor de bepaling van de emissies gebruikt dan dienen deze extra metingen op gelijke intervallen plaats te vinden, en wordt het rekenkundig gemiddelde van de uitkomsten gebruikt.

De fabrikant van het filter dient aan te geven onder welke omstandigheden (belading, temperatuur, tegendruk, tijdsverloop etc.) de regeneratie als regel optreedt. Voor de metingen van de emissies tijdens de regeneratie kan de aanvrager een grensbeladen systeem ter beschikking stellen.

Tijdens de regeneratiefasen mogen de van toepassing zijnde grenswaarden worden overschreden.

De overeenkomstig het voorgaande vastgestelde uitstoot moet aan de volgende eisen voldoen:

1. Voertuigen met boorddiagnosesystemen mogen door de montage van het retrofitsysteem niet in hun bewakingsfunctie beperkt worden.

2. Het elektronische motormanagement (bijvoorbeeld voor inspuiting, luchtmassameting, uitlaatgasreiniging) mag door de inbouw geen wijziging ondergaan, tenzij deze wijziging is vrijgegeven door de desbetreffende motorfabrikant.

3. De inbouw van het DVS mag geen invloed hebben op de gebruiksmogelijkheden van het voertuig en mag geen negatieve gevolgen hebben voor de verkeersveiligheid.

4. In combinatie met een DVS van klasse B zijn brandstofadditieven ter ondersteuning van de regeneratie niet toegestaan.

5. In geval van een DVS met een door een brandstofadditief ondersteunde regeneratie dient de aanvrager een door het RIVM afgegeven verklaring van geen bezwaar tegen de combinatie van het systeem en het additief over te leggen, dan wel een overeenkomstige ‘Unbeden⁠klichkeitserklärung’ van het Umweltbundesamt van de Bondsrepubliek Duitsland.

6. Het voertuig waarop het DVS wordt gemonteerd moet aan de voor dat voertuig geldende eisen inzake de geluidsproductie blijven voldoen. In geval van een DVS dat aanvullend op de oorspronkelijke geluiddemper wordt aangebracht kan van een geluidsmeting worden afgezien.

7. Indien elektronische onderdelen of stuurapparaten worden gebruikt moeten die aan de eisen inzake radiostoring en EMC (Richtlijn 72/45/EEG) voldoen.

8. Het gewogen brandstofverbruik in de ETC-test mag in geretrofitte toestand maximaal 4% hoger liggen dan in de uitgangstoestand. De metingen ter bepaling van het brandstofverbruik vinden gelijktijdig plaats met de metingen volgens onderdeel 10 voor continu regenererende systemen of onderdeel 11 voor periodiek regenererende systemen.

De vermelde bestemming bij de mobiele werktuigen beoogt niet deze categorieën in te perken of nader af te bakenen.

Zelfrijdend, door een dieselmotor aangedreven werktuig op wielen voorzien van een telescopische hefinrichting waarmee goederen geheven worden, en daarnaast een grondverzetfunctie, een hijsfunctie en een hoogwerkfunctie wordt gerealiseerd.

Bestemd voor: het verplaatsen van materiaal, lasten of personen.

Zelfrijdend, door een dieselmotor aangedreven werktuig met een schaarmechanisme, een hydraulische arm die op een of meerdere plaatsen kan scharnieren dan wel een telescoopmast, met aan het eind een platform of werkbak.

Bestemd voor: het op een veilige manier werken aan hoger gelegen installaties.

Zelfrijdende, door een dieselmotor aangedreven telescoop- of vakwerkkraan die al dan niet is toegelaten op de openbare weg.

Bestemd voor: het hijsen van vrachten.

Zelfrijdend, door een dieselmotor aangedreven werktuig dat is voorzien van een vaste bestuurderszitplaats en een hefinrichting om verplaatsing mogelijk te maken op onverharde ondergrond.

Bestemd voor: het heffen en verplaatsen van goederen.

Op wielen of rupsbanden zelfrijdend, door een dieselmotor aangedreven werktuig, aan de voorzijde uitgerust met een hefbare bak.

Bestemd voor: het laden, lossen, vervoeren, zeven, enz. van materiaal

Zelfrijdend, door een dieselmotor aangedreven werktuig, bestaande uit een onderwagen en een bovenwagen die een zwenkbeweging kan uitvoeren waarbij de hoofdgraafbeweging gemaakt wordt door een giek.

Bestemd voor: het graven, laden, lossen, vervoeren, slopen, knippen, zeven of vergruizen van materiaal, het maaien en reinigen van bermen en sloten, enz.

Zelfrijdend, door een dieselmotor aangedreven werktuig dat is voorzien van zowel een laadbak als een graafinrichting.

Bestemd voor: graven en laden.

Zelfrijdend, door een dieselmotor aangedreven werktuig op rupsbanden met een blad aan de voorkant.

Bestemd voor: het verplaatsen van grote hoeveelheden zand en sloopmateriaal.

Zelfrijdend, door een dieselmotor aangedreven werktuig voor het verplaatsen van bulkmateriaal.

Bestemd voor: grootschalig transport van bulkmaterialen op afgesloten (ruw) terrein.

Zelfrijdend, door een dieselmotor aangedreven werktuig met een platliggend mes aan de onderzijde van de bak dat lagen grond afschraapt en verzamelt in een laadbak met losinrichting.

Bestemd voor: ontgraven, vervoeren en verwerken van grond.

Zelfrijdend, door een dieselmotor aangedreven werktuig met instelbaar blad waarmee grond herverdeeld kan worden.

Bestemd voor: het egaliseren van grond.

Zelfrijdende door een dieselmotor aangedreven machine, die asfalt gelijkmatig verdeelt over een wegdek.

Bestemd voor: het aanbrengen van asfalt.

Zelfrijdende door een dieselmotor aangedreven machine die met behulp van een freesinstallatie asfalt laagsgewijs verwijdert.

Bestemd voor: het verwijderen van asfalt.

Zelfrijdend, door een dieselmotor aangedreven werktuig dat met banden en/of rollen en al dan niet voorzien van een trilmechanisme een zodanig gewicht op een grondlaag brengt, dat deze verdicht.

Bestemd voor: het verdichten van materiaal als steenslag, zand of asfalt.

Eisen aan retrofit deeltjesverminderingssystemen voor dieselmotoren voor niet voor de weg bestemde mobiele machines als bedoeld in richtlijn 97/68/EG

Begripsomschrijvingen:

Afkortingen:

η: afvangrendement

Mpi: gewogen totaalemissie (g/kWh)

Msi: tijdens meerdere cycli gemeten gemiddelde emissie zonder regeneratie

Mri: emissie tijdens de regeneratie

Ng: toestand na inbouw

PT: deeltjesemissie

Mgas: emissie van de gasvormige bestanddelen

DVS: deeltjesverminderingssysteem

Als testcyclus op de motorproefstand voor de duurproef, de beoordeling van de deeltjesuitstoot en de vaststelling van het type regeneratie wordt de ETC-testcyclus toegepast. De meting van de invloed van het DVS op de gasvormige emissies vindt plaats in een ESC-testcyclus.

Het meten van de opaciteit van de uitlaatgassen vindt plaats tijdens een vrije acceleratietest overeenkomstig richtlijn 72/306/EEG.

De metingen ten behoeve van het testen van DVS worden uitgevoerd met brandstof van handelskwaliteit die aan de eisen van richtlijn 98/70/EEG voldoet, met een zwavelgehalte van ten hoogste 10 ppm.

Voor de beproeving van een DVS op een motorproefstand wordt het systeem op een afstand van ten minste 2 meter vanaf de uitgang van de turbolader aangebracht. Indien wordt aangetoond dat bij de latere toepassing een kortere afstand geldt, kan de lengte van de leiding dienovereenkomstig worden beperkt. Isolatie e.d. van de leiding is slechts toelaatbaar indien die ook bij de latere montage op het voertuig wordt toegepast.

De uitvoering van de tests geschiedt overeenkomstig deze bijlage. De beoordeling van het systeem geldt als geslaagd indien aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan:

Bij periodiek regenererende DVS wordt de deeltjesemissie als volgt bepaald:

PT = (n1 × PT,n1 + n2 × PT,n2) / (n1 + n2)

waarbij:

n1 = aantal ETC-testcycli tussen twee regeneraties

n2 = aantal ETC-testcycli gedurende de regeneratie (minimum 1 testcyclus)

PT,n2 = emissie tijdens de regeneratie

PT,n1 = emissie tijdens de belading (rekenkundig gemiddelde van de meting bij het begin van de belading en de meting bij het einde van de belading [minimum, meer metingen toelaatbaar])

Voor een periodiek regenererende uitlaatgasnabehandeling dienen de emissies in minimaal drie ETC-testcycli (eenmaal bij het begin van de belading, eenmaal bij het einde van de belading en eenmaal gedurende de regeneratie) bepaald te worden.

Het regeneratieproces treedt ten minste eenmaal gedurende een ETC-testcyclus op.

Worden meer dan twee metingen tussen de regeneratiefasen voor de bepaling van de emissies gebruikt dan vinden deze extra metingen op gelijke intervallen plaats, en wordt het rekenkundig gemiddelde van de uitkomsten gebruikt.

De fabrikant van het filter geeft aan onder welke omstandigheden (belading, temperatuur, tegendruk, tijdsverloop, etc.) de regeneratie als regel optreedt. Voor de metingen van de emissies tijdens de regeneratie kan de aanvrager een grensbeladen systeem ter beschikking stellen.

Tijdens de regeneratiefasen mogen de van toepassing zijnde grenswaarden worden overschreden.

Eisen en testprocedure deeltjesverminderingssystemen voor dieselmotoren van niet-voor-de-weg-bestemde mobiele machines

Het bepalen van de juiste emissieverminderende voorziening voor een mobiel werktuig vindt plaats aan de hand van informatie over het werktuig zelf, het inzetprofiel en de onderhoudstoestand. Al deze gegevens dienen op dit formulier te worden vastgelegd door de eigenaar of houder van het mobiele werktuig. De inbouwer van de voorziening verklaart in dit formulier, mede op basis van deze gegevens, welk filter hij heeft gemonteerd.

INVULLEN DOOR DE EIGENAAR OF HOUDER VAN HET MOBIELE WERKTUIG:

EIGENAAR OF HOUDER MOBIELE WERKTUIG:

Bedrijfsnaam

Straat/Postcode, plaats

Telefoon contactpersoon …………

E-mail …………….

MOBIELE WERKTUIG:

Soort

Type

Serie- of chassisnummer

Fabrikant

Leverancier

INZETKARAKTERISTIEK:

Bouwplaats

Grondverzet

Wegenaanleg

Frequent wisselend

Anderszins, t.w.

BEDRIJFSTIJD:

Gemiddelde bedrijfstijd per dag in uren:

Stilstand … uur per 8-uursperiode

LOGISTIEK:

Zwavelarme of -vrije diesel verkrijgbaar:

MOTOR:

Merk:

Type:

Bouwjaar:

Fase normstelling (als bedoeld in artikel 9 van richtlijn 97/68/EG):

Maximaal vermogen kW: bij omw/min:

Datum:

Naam en handtekening eigenaar/houder

--------- INVULLEN DOOR DE INBOUWER VAN DE VOORZIENING---------

Mede op grond van bovenstaande verklaring van de eigenaar of houder is besloten tot het inbouwen in het betreffende mobiele werktuig van een deeltjesverminderingssysteem met de volgende specificatie:

Merk:

Type:

Controlenummer VFT3 geschiktheidstest BAFU/Suva lijst (VERT-lijst):

of

Goedkeuringsnummer Dienst Wegverkeer:

Ingeval een voorziening is gemonteerd waarvoor door de Dienst Wegverkeer een typegoedkeuring is verleend en die niet tevens op de VERT-lijst is opgenomen, verklaart de inbouwer dat de gemonteerde emissieverminderende voorziening aan de volgende technische eisen voldoet:

Indien het merk en type van het diagnosesysteem voor uitlaatgastegendruk een andere is dan de gemonteerde voorziening:

Merk en type diagnosesysteem voor uitlaatgastegendruk:

Bedrijfsnaam inbouwer:

Straat/Postcode, plaats:

Naam contactpersoon:

Telefoon contactpersoon:

E-mail:

Datum:

Naam en handtekening inbouwer