Regeling · BWBR0020183
Besluit WWB 2007
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 juli 2006, Directie Werk en Bijstand, nr. W&B/SFI/06/54989;
Gelet op de artikelen 40, eerste lid, 69, tweede en derde lid, 70, tweede en derde lid, 73, derde lid, en 74, derde lid, van de Wet werk en bijstand;
De Raad van State gehoord (advies van 13 juli 2006, nr. W12.06.0264/IV);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 augustus 2006, nr. W&B/SFI/06/62412;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit en de bijlagen met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zullen worden geplaatst.
’s-Gravenhage16 augustus 2006BeatrixDe Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,H. A. L. vanHoofde negenentwintigste augustus 2006De Staatssecretaris van Justitie ,J. P. H.DonnerIn dit besluit wordt verstaan onder:
- a.
wet: Wet werk en bijstand;
- b.
werkdeel: de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel a, van de wet, zoals die luidde op 31 december 2008;
- c.
inkomensdeel: de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet;
- d.
gemeentelijke bijstandslasten 2007 voor personen jonger dan 65 jaar: de volgens het verslag over de uitvoering, bedoeld in artikel 77, eerste lid, van de wet, in het jaar 2007 door het college gedane uitgaven voor personen jonger dan 65 jaar vermenigvuldigd met het aantal huishoudens waarvan de referentiepersoon tot de leeftijdscategorie van 15 tot en met 64 jaar behoort, in de gemeente op 1 januari 2008, gedeeld door het aantal dergelijke huishoudens in de gemeente op 1 januari 2007;
- e.
gemeentelijke bijstandslasten 2007 voor personen van 65 jaar of ouder: het saldo van de volgens het verslag over de uitvoering, bedoeld in artikel 77, eerste lid, van de wet, in het jaar 2007 door het college gedane uitgaven en de ontvangsten, in verband met de toepassing van de artikelen 48 en hoofdstuk 6, paragraaf 6.4 van de wet, voor personen van 65 jaar of ouder.
Vervallen
Vervallen
Het inkomensdeel voor een gemeente wordt berekend aan de hand van de volgende formule:
I = (G64 / TG64) × TB64 + (K65 / TK65) × TB65
waarbij:
- a.
I het inkomensdeel voor de gemeente is;
- b.
G64 de budgetgrondslag is van de gemeente voor personen jonger dan 65 jaar;
- c.
TG64 het totaal van de budgetgrondslagen is voor personen jonger dan 65 jaar voor alle gemeenten samen;
- d.
TB64 het totale bedrag is dat beschikbaar is voor het inkomensdeel voor personen jonger dan 65 jaar;
- e.
K65 de gemeentelijke bijstandslasten 2007 voor personen van 65 jaar en ouder zijn;
- f.
TK65 het totaal is van de gemeentelijke bijstandslasten 2007 voor personen van 65 jaar en ouder voor alle gemeenten samen;
- g.
TB65 het totale bedrag is dat beschikbaar is voor het inkomensdeel voor personen van 65 jaar en ouder.
De budgetgrondslag voor personen jonger dan 65 jaar wordt verschillend berekend voor gemeenten met:
- a.
25.000 of minder inwoners;
- b.
meer dan 25.000 en minder dan 40.000 inwoners;
- c.
40.000 of meer inwoners.
Voor de vaststelling van het aantal inwoners, bedoeld in het tweede lid, geldt als peildatum 1 januari 2008.
Het aantal inwoners wordt ontleend aan de statistiek «Demografische kerncijfers per gemeente» van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Indien de gemeentelijke bijstandslasten 2007 voor personen van 65 jaar en ouder negatief zijn, worden die voor de toepassing van het eerste lid, onderdelen e en f, op nihil gesteld.
Voor gemeenten met 25.000 inwoners of minder is de budgetgrondslag voor personen jonger dan 65 jaar gelijk aan de gemeentelijke bijstandslasten 2007 voor personen jonger dan 65 jaar.
Voor gemeenten met meer dan 25.000 en minder dan 40.000 inwoners wordt de budgetgrondslag voor personen jonger dan 65 jaar bepaald aan de hand van de volgende formule:
G64 = m × O + (1-m) × K64
waarbij:
- a.
m het aantal inwoners in de gemeente is, verminderd met 25.000 en vervolgens gedeeld door 15.000;
- b.
O de objectief vastgestelde gemeentelijke bijstandskosten voor personen jonger dan 65 jaar zijn;
- c.
K64 de gemeentelijke bijstandslasten 2007 voor personen jonger dan 65 jaar zijn.
Voor gemeenten met 40.000 inwoners of meer is de budgetgrondslag voor personen jonger dan 65 jaar gelijk aan de objectief vastgestelde bijstandskosten voor personen jonger dan 65 jaar.
Aan de hand van het verdeelmodel dat is opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit worden de objectief vastgestelde gemeentelijke bijstandskosten voor personen jonger dan 65 jaar vastgesteld.
Het totale bedrag dat beschikbaar is voor de inkomensdelen van de gemeenten betreft: TB64 + TB65.
Indien niet van alle gemeenten de bijlage bij de jaarrekening met verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen, bedoeld in artikel 58a, eerste lid, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, voor zover deze betrekking heeft op de uitvoering van de wet over 2007, en de daarbij behorende goedkeurende verklaring van de accountant door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn ontvangen uiterlijk op 15 augustus 2008 wordt voor de toepassing van de artikelen 4, eerste lid, onderdelen e en f, en vijfde lid, 5, en 6, onderdeel c, voor «de gemeentelijke bijstandslasten 2007» gelezen: de gemeentelijke bijstandslasten 2006.
Indien het eerste lid van toepassing is en het college de uitvoering van de wet in 2006 had overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de gemeentelijke bijstandslasten 2006 voor personen jonger dan 65 jaar als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van de desbetreffende gemeente niet beschikbaar zijn, worden deze benaderd aan de hand van de volgende formule:
GB (G) = V(G) / V(S) x TU(S)
waarbij:
- a.
GB(G) staat voor de gemeentelijke bijstandslasten 2006 voor personen jonger dan 65 jaar van gemeente G;
- b.
V(G) staat voor het gemiddelde jaarvolume aan WWB-uitkeringen in gemeente G in 2006;
- c.
V(S) staat voor het gemiddelde jaarvolume aan WWB-uitkeringen in 2006 in het samenwerkingsverband waar gemeente G in 2006 toe behoorde;
- d.
TU(S) het totaal is van de historische uitgaven (of budgetten) in 2006 voor het openbaar lichaam.
Bij het bepalen van het werkdeel 2003, bedoeld in artikel 2 van het Besluit participatiebudget, en de gemeentelijke bijstandslasten 2006 voor personen van 65 jaar of ouder is het tweede lid van overeenkomstige toepassing.
De toetsingscommissie bestaat uit een voorzitter en twee leden. Onze Minister benoemt de voorzitter en de leden, alsmede twee plaatsvervangende leden, die tevens door hem kunnen worden geschorst en ontslagen.
Een aanvullende uitkering wordt slechts toegekend voorzover:
- a.
voldaan is aan bij ministeriële regeling te stellen vormvoorschriften;
- b.
de gemaakte kosten het toegekende inkomensdeel met minimaal tien procent overstijgen;
- c.
de uitkomst van de beoordeling van het effect van de arbeidsmarkt en van het gevoerde gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan alsmede de rechtmatige uitvoering van de wet daartoe aanleiding geeft.
De toetsingscommissie beoordeelt of een verzoek tot een aanvullende uitkering voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden en adviseert Onze Minister. Indien de toetsingscommissie van oordeel is dat een gemeente in aanmerking komt voor een aanvullende uitkering, is de hoogte van deze uitkering gelijk aan het verschil tussen de werkelijke netto bijstandsuitkeringslasten en 110% van het toegekende inkomensdeel.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het eerste lid, onderdelen b en c, en het tweede lid, waarbij voor gemeenten tot maximaal 40.000 inwoners een afwijkende invulling kan worden gegeven van het eerste lid, onderdeel c.
Een verzoek tot een aanvullende uitkering wordt in ieder geval afgewezen, indien Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in artikel 76, derde lid, van de wet heeft gegeven.
Tot een inhoudelijke beoordeling van een verzoek om een meerjarige aanvullende uitkering wordt overgegaan, nadat de toetsingscommissie heeft vastgesteld dat:
- a.
voldaan is aan bij ministeriële regeling te stellen vormvoorschriften;
- b.
de budgetgrondslag over elk van de drie kalenderjaren voorafgaande aan het kalenderjaar waarin het verzoek tot een meerjarige aanvullende uitkering wordt ingediend berekend is op grond van artikel 6 of artikel 7;
- c.
in elk van de drie kalenderjaren voorafgaande aan het kalenderjaar waarin het verzoek, bedoeld in onderdeel b, wordt ingediend de gemaakte kosten, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet, de verstrekte uitkering met minimaal 2,5% plus een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage voor elk van die drie kalenderjaren overstijgen;
- d.
het aannemelijk is dat een overstijging als bedoeld in onderdeel c niet geheel het gevolg is van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan;
- e.
het aannemelijk is dat een overstijging als bedoeld in onderdeel c zich zal voordoen in het kalenderjaar waarin het verzoek, bedoeld in onderdeel b, wordt ingediend en de twee daaropvolgende kalenderjaren;
- f.
het college een analyserapport heeft opgesteld over de mogelijke oorzaken van de overstijgingen, bedoeld in onderdeel c, en een overzicht heeft toegevoegd van de genomen en eventueel nog te treffen maatregelen ter verbetering van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan;
- g.
de gemeenteraad heeft ingestemd met indiening van het verzoek, bedoeld in onderdeel b.
De meerjarige aanvullende uitkering ziet op het kalenderjaar waarin het verzoek, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt ingediend en de twee daaropvolgende kalenderjaren.
Indien de toetsingscommissie van oordeel is, dat niet voldaan is aan de vereisten, genoemd in het eerste lid, adviseert de toetsingscommissie Onze Minister geen meerjarige aanvullende uitkering toe te kennen.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
- a.
overstijging: de overstijging, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel c;
- b.
verzoek: het verzoek, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onderdeel b.
De meerjarige aanvullende uitkering bestaat uit drie delen: U(1), U(2) en U(3) waarbij:
- a.
U(1) staat voor het deel van de meerjarige aanvullende uitkering dat ziet op het kalenderjaar waarin het verzoek wordt ingediend;
- b.
U(2) staat voor het deel van de meerjarige aanvullende uitkering dat ziet op het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop U(1) ziet;
- c.
U(3) staat voor het deel van de meerjarige aanvullende uitkering dat ziet op het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop U(2) ziet.
De hoogte van U(1), U(2) respectievelijk U(3) is gelijk aan:
(A – B) x m
waarbij:
- a.
A staat voor de werkelijk gemaakte kosten in het kalenderjaar waarop het desbetreffende deel van de meerjarige aanvullende uitkering betrekking heeft;
- b.
B staat voor:
- 1°
102,5% plus een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de uitkering, indien de overstijging niet mede het gevolg is van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan;
- 2°
105% plus een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de uitkering, indien de overstijging gedeeltelijk het gevolg is van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan; dan wel
- 3°
107,5% plus een bij ministeriële regeling vast te stellen percentage van de uitkering, indien de overstijging bijna uitsluitend het gevolg is van het gemeentelijke beleid en de uitvoering daarvan;
- 1°
- c.
m staat voor:
- 1°
1, indien de budgetgrondslag in het kalenderjaar waarop het desbetreffende deel van de meerjarige aanvullende uitkering betrekking heeft, berekend is op grond van artikel 7; dan wel
- 2°
het aantal inwoners in de gemeente, verminderd met 25.000 en vervolgens gedeeld door 15.000, indien de budgetgrondslag in het kalenderjaar waarop het desbetreffende deel van de meerjarige aanvullende uitkering betrekking heeft, berekend is op grond van artikel 6.
- 1°
De in het derde lid bedoelde uitkering is ten minste gelijk aan het verschil tussen A en 110% van de over het betreffende kalenderjaar toegekende uitkering als bedoeld in artikel 69 van de wet.
Onze Minister kan van het derde lid afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat de artikelen 10a, 10b en 10d beogen te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in de Wet algemene regels herindeling worden de gegevens waarmee de berekeningen op grond van de artikelen 10a, eerste lid, onderdeel c, en 10c, worden uitgevoerd, vastgesteld op basis van een redelijke schatting van de toestand van die gegevens zoals die zou zijn geweest als de wijziging op de datum waarop die gegevens betrekking hebben reeds was ingegaan.
Voor de verlening van bijstand aan belanghebbenden zonder adres als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens worden aangewezen:
- a.
de gemeenten opgenomen in de bijlage onder A van het Besluit maatschappelijke ondersteuning, en
- b.
de centrumgemeenten voor maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, van het Besluit brede doeluitkering sociaal, integratie en veiligheid.
De bijstand, bedoeld in het eerste lid, wordt verleend door het college van de gemeente waar de belanghebbende zich op het moment van zijn aanvraag bevindt.
Het inkomensdeel voor een gemeente voor het jaar 2009 bedraagt ten minste 90 procent van het inkomensdeel dat voor de desbetreffende gemeente voor het jaar 2008 is berekend.
Het bedrag dat nodig is voor de toepassing van het eerste lid wordt telkens in mindering gebracht op het inkomensdeel van de gemeenten waarvan het inkomensdeel niet wordt aangepast op grond van het eerste lid, naar rato van het aandeel van diens inkomensdeel op het totaal van de inkomensdelen voor de toepassing van het eerste lid.
Wijzigt het Besluit uitkeringen gemeenten IOAW en IOAZ.
Het Besluit WWB wordt ingetrokken.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit WWB 2007.
Bij de berekening van de budgetten voor uitkeringen aan personen jonger dan 65 jaar, wordt voor elke gemeente een budgetgrondslag berekend. Voor de gemeenten met 25.000 inwoners of minder is dit het historisch bepaalde budget: de uitgaven, opgeschaald met de groei in huishoudens. Bij de berekening van de budgetten voor uitkeringen aan personen jonger dan 65 jaar voor gemeenten met meer dan 25.000 inwoners (artikelen 6 en 7) wordt gebruik gemaakt van objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten. Deze objectieve gemeentelijke uitkeringskosten worden, op grond van artikel 8, eerste lid, vastgesteld aan de hand van een zogenoemd objectief verdeelmodel. Dit objectief verdeelmodel is opgenomen in deze bijlage.
Voor gemeenten tussen de 25.000 en 40.000 inwoners worden de budgetten niet geheel vastgesteld op basis van de uitkomsten van het objectieve verdeelmodel. Voor deze categorie wordt zowel het historisch als het objectief bepaalde budget berekend. De budgetgrondslag voor deze categorie wordt vervolgens vastgesteld als een gewogen gemiddelde van deze twee budgetten, waarbij het gewicht afhankelijk is van het aantal inwoners boven de 25.000.
De budgetgrondslagen worden voor alle gemeenten opgeteld. Door voor elke gemeente de grondslag te delen door het totaal van de grondslagen, wordt het aandeel dat de gemeente heeft in het macrobudget WWB I-deel voor personen jonger dan 65 jaar bepaald.
De objectieve uitkeringskosten van gemeenten met meer dan 25.000 inwoners worden vastgesteld met behulp van veertien verdeelmaatstaven met bijbehorende bedragen. Onderdeel A van deze bijlage geeft informatie over de verdeelmaatstaven:
- –
een beschrijving van de verdeelmaatstaven;
- –
de bron die per gemeente het aantal eenheden per verdeelmaatstaf levert (onder eenheid wordt de meeteenheid verstaan waarin de verdeelmaatstaf wordt uitgedrukt, zoals percentage, aandeel, e.d.);In de tabel die in onderdeel A is opgenomen staan de eenheden tussen haakjes vermeld.
- –
het peiljaar waarop dit aantal betrekking heeft.
Onderdeel B geeft aan hoe het beleidsmatig indammen van herverdeeleffecten plaatsvindt.
In onderdeel C worden de gewichten per verdeelmaatstaf vermeld.
Het bedrag aan objectief vastgestelde uitkeringskosten van een gemeente ten behoeve van personen jonger dan 65 jaar wordt verkregen door eerst de kosten per huishouden van de gemeentelijke bevolking (waarvan de referentiepersoonHiermee wordt aangesloten bij de definitie van het CBS. een leeftijd heeft van 15 tot en met 64 jaar) te bepalen en daarna deze kosten te vermenigvuldigen met het aantal huishoudens van de gemeente van 15 tot en met 64 jaar.
De kosten per huishouden worden berekend door het aantal eenheden per verdeelmaatstaf voor die gemeente te vermenigvuldigen met het gewicht per eenheid. Als bijvoorbeeld de bevolking van gemeente X van 15 tot en met 64 jaar voor 28,2 procent bestaat uit huishoudens met een laag inkomen, dan wordt dit getal (28,2 = het aantal van de eenheid) vermenigvuldigd met het in de tabel van onderdeel C bij deze verdeelmaatstaf genoemde gewicht van 27,384 euro’s. Zo wordt voor elke verdeelmaatstaf het voor gemeente X geldend aantal eenheden vermenigvuldigd met het bijbehorende gewicht per eenheid. De optelling van de resulterende bedragen geeft, met de toevoeging van een basisbedrag, de objectief vastgestelde uitkeringskosten per huishouden (van 15 tot en met 64 jaar) van gemeente X. Het basisbedrag is het bedrag dat voor iedere gemeente met meer dan 25.000 inwoners dezelfde waarde heeft.
Het schema geeft de verdeelmaatstaven weer en de factoren op basis waarvan de eenheden van die verdeelmaatstaven worden vastgesteld. Zo staat bijvoorbeeld niet alleen de verdeelmaatstaf «lage inkomens» vermeld, maar ook «huishoudens van 15–64 jaar met inkomen» om het aantal in de bij deze verdeelmaatstaf behorende eenheid, «het percentage van huishoudens van 15–64 jaar met inkomen» te kunnen uitdrukken.
Verdeelmaatstaf | Peiljaar | Peildatum | Bron | |
Sociale en demografische structuur | ||||
1. | Lage inkomens 15–64 jaar (in % van de huishoudens van 15–64 jaar met inkomen)¹ | 2003–2005 | – | CBS |
2. | Eénouderhuishoudens van 15–44 jaar (in % van huishoudens van 15–64 jaar) | 2006–2008 | – | CBS |
3. | Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen: WAO, WAJONG en WAZ (in % van inwoners van 15–64 jaar) | 2007 | 31 december | CBS |
4. | Totaal allochtonen van 15–64 jaar (in % van alle inwoners van 15–64 jaar) | 2006–2008 | – | CBS |
5. | Laagopgeleiden 15–64 jaar (in % van inwoners van 15–64 jaar)² | 2005–2007 | – | CBS |
Centrumfunctie en stedelijkheid | ||||
6. | Huurwoningen (in % van het totaal aantal woningen) | 2005 | 1 januari | VROM |
7. | Relatief regionaal klantenpotentieel (regionaal klantenpotentieel in % van het aantal inwoners) | 2007 | 1 januari | CBS |
8. | Inwoners stedelijk gebied (aantal inwoners in gebied met meer dan 1000 omgevingsadressen per vierkante kilometer, in % van het aantal inwoners) | 2007 | 1 januari | CBS |
Conjunctuur en economische structuur | ||||
9. | Werkzame beroepsbevolking (in % van totale beroepsbevolking)² op COROP-niveau | 2005–2007 | – | CBS |
10. | Banen handel en horeca in COROP-regio (in % totaal aantal banen COROP-regio) | 2005 | 31 december | CBS |
11. | Procentuele gemiddelde jaarlijkse banengroei in COROP-regio² | 2003–2005 | – | CBS |
12. | Aantal banen in COROP-regio (in % van de beroepsbevolking in COROP-regio) | 2005 | 31 december | CBS |
13. | Gemiddelde jaarlijkse bevolkingsgroei 15–64 jaar | 2003–2007 | – | CBS |
Overig | ||||
14. | Vaste voet per huishouden van 15–64 jaar | – | – | APE |
Overige berekeningsgegevens | ||||
Totaal aantal inwoners | 2008 | 1 januari | CBS | |
Aantal huishoudens 15–64 jaar | 2008 | 1 januari | CBS |
¹ Ongewogen driejaarsgemiddelde van het percentage lage inkomens.² Driejaarsgemiddelde.
1. Bij de vaststelling van de objectieve gemeentelijke uitkeringskosten, bedoeld in artikel 8, worden de verdeelmaatstaven gehanteerd die hierboven zijn omschreven. De budgetberekening geschiedt op grond van de cijfers zoals die beschikbaar zijn voor bekendmaking van de budgetten. Indien deze cijfers na bekendmaking van de budgetten nog wijzigen om andere redenen dan evidente fouten (bijvoorbeeld door toepassing van een alternatieve meetmethode of nagekomen informatie), dan zullen de reeds berekende en bekend gemaakte budgetten hiervoor niet worden aangepast.
2. Bij de vaststelling van de objectieve gemeentelijke uitkeringskosten wordt het aantal eenheden per verdeelmaatstaf ontleend aan de opgave van het als bron vermelde orgaan of de vermelde instantie.
3. De vaststelling van het aantal eenheden per verdeelmaatstaf voor een gemeente geschiedt naar de toestand op 1 januari 2008, tenzij een andere peildatum bij een verdeelmaatstaf is vermeld. In dat geval geschiedt de vaststelling naar de toestand op deze datum.
4. Indien op grond van punt 3 een peildatum moet worden gehanteerd die ligt vóór de datum van instelling van de gemeente of vóór de datum waarop de grenzen van de gemeente zijn gewijzigd, stelt de Minister het aantal eenheden vast op basis van een redelijke schatting van de toestand zoals die op de peildatum zou zijn geweest als de instelling of de wijziging op die datum reeds was ingegaan. Bij vaststelling van het aantal eenheden per verdeelmaatstaf gaat de Minister uit van de op het moment van vaststelling door het parlement goedgekeurde indeling van gemeenten voor 2009.
5. Bij verandering van de gemeentelijke indeling voor 2009 na het moment van vaststelling stelt de Minister voor de nieuwe gemeenten het aantal eenheden vast op basis van een redelijke schatting van de toestand zoals die op het moment van vaststelling zou zijn geweest als de instelling of de wijziging op die datum reeds was ingegaan.
Net als in 2008 is de ex ante inperking van de herverdeeleffecten op maximaal 7,5 % bepaald:
– Voor gemeenten met een herverdeeleffect groter dan 10% is de grenswaarde 7,5%.
– Voor gemeenten met een herverdeeleffect tussen 5% en 10% is de grenswaarde gelijk aan 5% plus de helft van het verschil tussen het herverdeeleffect en 5%.
– Voor gemeenten met een herverdeeleffect kleiner dan 5% is de grenswaarde 5%.
Dit betekent dat het verschil tussen het historische aandeel en het objectieve aandeel van een gemeente in het budget (in absolute zin) niet groter mag zijn dan de grenswaarde maal het objectieve aandeel. Voor gemeenten waar dat verschil groter is, wordt het objectieve budgetaandeel naar boven of naar beneden bijgesteld zodat wel aan deze randvoorwaarde voldaan wordt. Deze aanpassing geschiedt met behulp van een algoritme zodat ook na deze rekenslag nog steeds 100% van het macrobudget verdeeld wordt.
De bedragen per eenheid voor het model voor de gemeenten met meer dan 25.000 inwoners zijn weergegeven in onderstaande tabel.
Verdeelmaatstaf | Verdeelmodel 2009 |
Gewicht (euro’s) | |
Lage inkomens 15–64 jaar | 27,384 |
Eenouderhuishoudens 15–44 jaar | 90,663 |
Arbeidsongeschiktheidsuitkeringen 15–64 jaar | –24,167 |
Totaal allochtonen 15–64 jaar | 3,308 |
Laagopgeleiden 15–64 jaar | 5,737 |
Huurwoningen | 4,175 |
Relatief regionaal klantenpotentieel | 1,679 |
Inwoners in stedelijk gebied | –1,381 |
Werkzame beroepsbevolking op COROP-niveau | –29,172 |
Banen handel en horeca op COROP-niveau | –21,198 |
Banengroei in COROP-regio | –21,191 |
Banen in procenten van de beroepsbevolking in COROP-regio | –3,085 |
Gemiddelde jaarlijkse bevolkingsgroei 15–64 jaar | –13,239 |
Vaste voet per huishouden van 15–64 jaar | 2.899,304 |