U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 26-09-2012.

Regeling · BWBR0020183

Besluit WWB 2007

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 16 augustus 2006, houdende regels ter uitvoering van de Wet werk en bijstand (Besluit WWB 2007)Besluit WWB 2007 Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 juli 2006, Directie Werk en Bijstand, nr. W&B/SFI/06/54989;

Gelet op de artikelen 40, eerste lid, 69, tweede en derde lid, 70, tweede en derde lid, 73, derde lid, en 74, derde lid, van de Wet werk en bijstand;

De Raad van State gehoord (advies van 13 juli 2006, nr. W12.06.0264/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 augustus 2006, nr. W&B/SFI/06/62412;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit en de bijlagen met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zullen worden geplaatst.

’s-Gravenhage16 augustus 2006BeatrixDe Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ,H. A. L. vanHoofde negenentwintigste augustus 2006De Staatssecretaris van Justitie ,J. P. H.Donner

In dit besluit wordt verstaan onder:

Vervallen

Vervallen

Voor gemeenten met 25.000 inwoners of minder is de budgetgrondslag gelijk aan de som van de gemeentelijke lasten op grond van de WWB, de gemeentelijke lasten op grond van de WIJ, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW, de gemeentelijke lasten op grond van de IOAZ en de gemeentelijke lasten op grond van het Bbz 2004.

Voor gemeenten met meer dan 25.000 en minder dan 40.000 inwoners wordt de budgetgrondslag bepaald aan de hand van de volgende formule:

G = m × O + (1-m) × (KWWB +KWIJ +KIOAW +KIOAZ +KBbz)

waarbij:

Voor gemeenten met 40.000 inwoners of meer is de budgetgrondslag gelijk aan de objectief vastgestelde kosten, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de wet, vermeerderd met de objectief vastgestelde kosten voor algemene bijstand ten behoeve van startende ondernemers op grond van het Bbz 2004.

De toetsingscommissie bestaat uit een voorzitter en vier leden. Onze Minister benoemt de voorzitter en de leden, die tevens door hem kunnen worden geschorst en ontslagen.

Bij een wijziging van de gemeentelijke indeling of een grenscorrectie als bedoeld in de Wet algemene regels herindeling worden de gegevens waarmee de berekeningen op grond van de artikelen 10a, eerste lid, onderdeel c, en 10c, worden uitgevoerd, vastgesteld op basis van een redelijke schatting van de toestand van die gegevens zoals die zou zijn geweest als de wijziging op de datum waarop die gegevens betrekking hebben reeds was ingegaan.

Vervallen

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Wijzigt het Besluit uitkeringen gemeenten IOAW en IOAZ.

Het Besluit WWB wordt ingetrokken.

Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van de artikelen 10a, 10b, 10c en 10d aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze artikelen in de praktijk.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit WWB 2007.

Bij de berekening van de budgetten voor uitkeringen aan personen jonger dan 65 jaar, wordt voor elke gemeente een budgetgrondslag berekend. Voor de gemeenten met 25.000 inwoners of minder is dit het historisch bepaalde budget: de lasten, opgeschaald met de groei in huishoudens. Bij de berekening van de budgetten voor uitkeringen aan personen jonger dan 65 jaar voor gemeenten met meer dan 25.000 inwoners (artikelen 6 en 7) wordt gebruik gemaakt van objectief vastgestelde gemeentelijke uitkeringskosten. Deze objectieve gemeentelijke uitkeringskosten worden, op grond van artikel 8, eerste lid, vastgesteld aan de hand van een zogenoemd objectief verdeelmodel. Dit objectief verdeelmodel is opgenomen in deze bijlage.

Voor gemeenten tussen de 25.000 en 40.000 inwoners worden de budgetten niet geheel vastgesteld op basis van de uitkomsten van het objectieve verdeelmodel. Voor deze categorie wordt zowel het historisch als het objectief bepaalde budget berekend. De budgetgrondslag voor deze categorie wordt vervolgens vastgesteld als een gewogen gemiddelde van deze twee budgetten, waarbij het gewicht afhankelijk is van het aantal inwoners boven de 25.000.

De budgetgrondslagen worden voor alle gemeenten opgeteld. Door voor elke gemeente de grondslag te delen door het totaal van de grondslagen, wordt het aandeel dat de gemeente heeft in het macrobudget bepaald.

De objectieve uitkeringskosten van gemeenten met meer dan 25.000 inwoners worden vastgesteld met behulp van veertien verdeelmaatstaven met bijbehorende bedragen. Onderdeel A van deze bijlage geeft informatie over de verdeelmaatstaven:

Onderdeel B geeft aan hoe het beleidsmatig indammen van herverdeeleffecten plaatsvindt.

Het bedrag aan objectief vastgestelde uitkeringskosten van een gemeente ten behoeve van personen jonger dan 65 jaar wordt verkregen door eerst de kosten per huishouden van de gemeentelijke bevolking (waarvan de referentiepersoon2 een leeftijd heeft van 15 tot en met 64 jaar) te bepalen en daarna deze kosten te vermenigvuldigen met het aantal huishoudens van de gemeente van 15 tot en met 64 jaar.

De kosten per huishouden worden berekend door het aantal eenheden per verdeelmaatstaf voor die gemeente te vermenigvuldigen met het gewicht per eenheid. Als bijvoorbeeld de bevolking van gemeente X van 15 tot en met 64 jaar voor 28,2 procent bestaat uit huishoudens met een laag inkomen, dan wordt dit getal (28,2 = het aantal van de eenheid) vermenigvuldigd met het bij deze verdeelmaatstaf genoemde gewicht. Zo wordt voor elke verdeelmaatstaf het voor gemeente X geldend aantal eenheden vermenigvuldigd met het bijbehorende gewicht per eenheid. De optelling van de resulterende bedragen geeft, met de toevoeging van een basisbedrag, de objectief vastgestelde uitkeringskosten per huishouden (van 15 tot en met 64 jaar) van gemeente X. Het basisbedrag is het bedrag dat voor iedere gemeente met meer dan 25.000 inwoners dezelfde waarde heeft.

Het schema geeft de verdeelmaatstaven weer en de factoren op basis waarvan de eenheden van die verdeelmaatstaven worden vastgesteld. Zo staat bijvoorbeeld niet alleen de verdeelmaatstaf «lage inkomens» vermeld, maar ook «huishoudens van 15–64 jaar met inkomen» om het aantal in de bij deze verdeelmaatstaf behorende eenheid, «het percentage van huishoudens van 15–64 jaar met inkomen» te kunnen uitdrukken.

De bedragen per eenheid voor het model voor de gemeenten met meer dan 25.000 inwoners worden jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld.

Gebruik van een objectief verdeelmodel in plaats van een model gebaseerd op historische lasten leidt tot herverdeeleffecten. Een herverdeeleffect is gedefinieerd als het verschil tussen het objectief budgetaandeel en het historisch budgetaandeel. Van herverdeeleffecten kan derhalve alleen sprake zijn bij gemeenten die via het objectief verdeelmodel worden gebudgetteerd. Dit betreft dus de grote gemeenten en in beperkte mate de middelgrote gemeenten.

Herverdeeleffecten zijn ook beoogd: gemeenten die goed presteren, worden hiervoor beloond en gemeenten die het minder goed doen, voelen de financiële gevolgen hiervan.

De ex ante inperking van de herverdeeleffecten is op maximaal 7,5% bepaald:

Dit betekent dat het verschil tussen het historische aandeel en het objectieve aandeel van een gemeente in het budget (in absolute zin) niet groter mag zijn dan de grenswaarde maal het objectieve aandeel. Voor gemeenten waar dat verschil groter is, wordt het objectieve budgetaandeel naar boven of naar beneden bijgesteld zodat wel aan deze randvoorwaarde voldaan wordt. Deze aanpassing geschiedt met behulp van een algoritme zodat ook na deze rekenslag nog steeds 100% van het macrobudget verdeeld wordt.