U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2011.

Ministeriële regeling · BWBR0020657

Regeling inburgering

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 6 december 2006, nr. 5456790/06, tot uitvoering van de Wet inburgering, het Besluit inburgering en tot wijziging van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Regeling inburgering)Regeling inburgeringDe Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

Gelet op de artikelen 1, tweede lid, 14, derde lid, 50, tweede lid, van de Wet inburgering de artikelen 2.1, vierde lid, 2.3, eerste lid, onderdeel f, 2.7, zevende lid, 2.8, vijfde lid, 2.10, eerste en tweede lid, 3.3, tweede lid, 3.5, vierde lid, 3.7, zesde lid, 3.8, vijfde lid, 3.9, vierde lid, 3.11, vierde lid, 3.12, elfde lid, 3.13, 3.14, vijfde lid, 3.15 eerste, vierde en vijfde lid, 3.17, eerste lid, 3.19, derde lid, 3.21, derde lid, 3.23, tweede lid, 4.2, derde lid, 4.5, eerste, derde en vierde lid, 4.7, eerste en derde lid, 4.10, derde lid, 4.12, 4.13, eerste lid, 4.17, eerste lid, tweede, derde en vierde lid, 4.20, derde lid, 4.22, tweede lid, 4.24, tweede lid, 5.2, en 7.7, tweede lid, van het Besluit inburgering, en artikel 12 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers;

Besluit:

Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd in de bibliotheek van het Ministerie van Justitie en zijn te raadplegen via het internet http//www.inburgering.net en http//www.handreikinginburgeringgemeenten.nl.

Bijlage 1 bij artikel 2.1 (tijdelijke verblijfsdoelen);

Bijlage 2 bij artikel 2.2 (Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse diploma’s);

Bijlage 3 bij artikel 2.3, tweede lid (document korte vrijstellingstoets);

Bijlage 4 bij artikel 2.4, derde lid (protocol medische advisering);

Bijlage 5 bij artikel 2.5 (eindtermen kennis van de Nederlandse samenleving);

Bijlage 6 bij artikel 3.3 (model inburgeringsdiploma);

Bijlage 7 bij artikel 3.4 (eindtermen Nederlandse Taal);

Bijlage 8 bij artikel 3.5, eerste lid (model portfolio Werk en model portfolio OGO);

Bijlage 9 bij artikel 3.5, tweede lid (handleiding assessments);

Bijlage 10 bij artikel 3.7, derde lid (eindtermen aanvullend en bijzonder praktijkdeel voor geestelijke bedienaren).

De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, M.C.F.Verdonk

In deze regeling wordt verstaan onder:

Het keurmerk, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de wet is het Keurmerk Inburgeren, dat wordt toegekend en beheerd door de Stichting Blik op Werk.

De beperkingen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van het besluit, zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

De diploma’s, certificaten en andere documenten, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in de Nederlandse Antillen of Aruba, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onderdeel f, van het besluit, zijn opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.

Van de verplichting om mondelinge vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven en het betreffende deel van het inburgeringsexamen te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt over de beschikking van het basisexamen inburgering in het buitenland, indien uit die beschikking blijkt dat voor het onderdeel luister- en spreekvaardigheid ten minste 37 punten is behaald.

Van de verplichting om mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal te verwerven en het betreffende deel van het inburgeringsexamen te behalen, is vrijgesteld de inburgeringsplichtige die beschikt over de volgende certificaten van het Certificaat Nederlands als Vreemde Taal:

De eindtermen van het examen in de kennis van de Nederlandse samenleving, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van het besluit, zijn opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling.

Het examengeld, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van het besluit, bedraagt:

De bijzondere examenomstandigheden, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, van het besluit, betreffen:

Het model van het inburgeringsdiploma is opgenomen in bijlage 6 bij deze regeling.

De eindtermen van het praktijkdeel, bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het besluit, en van het elektronisch praktijkexamen, bedoeld in artikel 3.9, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, zijn opgenomen in bijlage 7 bij deze regeling.

Ter zake van het onderzoek, bedoeld in artikel 3.17, tweede lid, onderdeel a, van het besluit, is de instelling € 210 verschuldigd.

Als Kwaliteitscentrum examinering inburgering wordt aangewezen het KwaliteitsCentrum Examinering te Amersfoort.

Ter zake van het onderzoek, bedoeld in artikel 3.17, tweede lid, onderdeel b, van het besluit is de exameninstelling voor de jaren 2010 tot en met 2012 € 500 per genoemd jaar per examenlocatie van de instelling verschuldigd.

Het tarief, bedoeld in artikel 3.23. tweede lid, van het besluit, voor een afschrift van een verklaring als bedoeld in artikel 3.22, vijfde lid, van het besluit bedraagt € 3,50.

Het bedrag van de lening bedraagt ten hoogste € 5000.

Het rentepercentage, genoemd in artikel 4.5, eerste lid, van het besluit, bedraagt voor het jaar 2011: 2,58 procent.

Gedurende de aanloopfase, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de wet, en de terugbetalingsperiode, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van het besluit, wordt hetzelfde rentepercentage gehanteerd, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.5, eerste lid, van het besluit. Het bij aanvang van de aanloopfase geldende rentepercentage wordt gehanteerd.

De inburgeringsplichtige kan in afwijking van artikel 4.7, eerste lid, van het besluit de lening in een keer terugbetalen. De terugbetaling omvat het bedrag van de opgebouwde schuld vermeerderd met de over dat bedrag verschuldigde rente, berekend overeenkomstig artikel 4.4.

Indien de partner van de debiteur ook een debiteur is die een beschikking tot terugbetaling als bedoeld in artikel 4.8, eerste lid, van het besluit heeft ontvangen, wordt:

De debiteur is in verzuim indien binnen twee weken na de vervaldatum van een vordering het bedrag van de verplichte terugbetaling niet is ontvangen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Bij uitvaardiging van het dwangbevel, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de wet kunnen de achterstallige termijnen worden overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder mits:

De vergoeding, bedoeld in artikel 4.17, derde lid, van het besluit, bedraagt € 270.

Vervallen

Vervallen

De minister stelt het aantal oudkomers aan wie het college in een door de minister vast te stellen tijdvak een handhavingsbeschikking bekendmaakt drie maanden voor aanvang van dat tijdvak vast.

De onverenigbare verwerking van bijzondere persoonsgegevens door de minister wordt op de volgende wijze tegengegaan:

Voor zover de verwerking van bijzondere persoonsgegevens door de Immigratie- en Naturalisatiedienst, het college, de cursusinstellingen en de exameninstellingen niet geregeld is in een andere regeling, zijn de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing op de verwerking van bijzondere persoonsgegevens door deze instanties.

Vervallen

Wijzigt de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.

In afwijking van artikel 5.1, wordt een in dat artikel genoemde vaststelling gedaan voor 26 februari 2007.

Vervallen

Het aanbieden van inburgeringsprogramma’s, bedoeld in artikel 65 van de wet, geschiedt overeenkomstig de Regeling inburgering oudkomers G25 2006, de Regeling inburgering oudkomers G30 2006 en de Regeling inburgering oudkomers niet-G56 2006.

Wijzigt deze regeling.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling inburgering.

(1) Indien het verblijfsrecht van de persoon bij wie verblijf is toegestaan, tijdelijk van aard is.

(2) Indien bij de verlening van een verblijfsvergunning is bepaald dat het verblijfsrecht tijdelijk van aard is.

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Justitie.

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te Den Haag en is gepubliceerd op www.handreikinginburgeringgemeenten.nl.

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Justitie.

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te Den Haag en is gepubliceerd op www.handreikinginburgeringgemeenten.nl.

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te Den Haag en is gepubliceerd op www.handreikinginburgeringgemeenten.nl.

U gaat een portfolio maken.

Een portfolio is een map met formulieren. We noemen deze formulieren bewijsformulieren. U gaat een portfolio Werk maken. U laat met het portfolio zien dat u goed bezig bent met uw inburgering in Nederland. U laat zien dat u het Nederlands begrijpt en dat u Nederlands kunt spreken en schrijven. Bijvoorbeeld dat u kunt praten met uw collega’s. Of dat u een sollicitatieformulier kunt invullen. U moet hiervan bewijzen verzamelen. Deze bewijsformulieren doet u in het portfolio.

Het portfolio hoort bij het praktijkdeel van het inburgeringsexamen. Verder is er nog een centraal deel van het inburgeringsexamen. De IB-Groep zorgt voor dit deel van het examen. U maakt zelf uw portfolio.

Het is belangrijk dat u goed Nederlands leert. U leert Nederlands op school, maar ook buiten school. Bijvoorbeeld op uw werk of als u praat met uw buren. Als u veel oefent, leert u goed Nederlands. In het model portfolio Werk staat een lijst met situaties waarin u Nederlands gebruikt. Bijvoorbeeld als u met uw baas praat of als u iets moet regelen bij de bank. Het is belangrijk dat u in zoveel mogelijk situaties oefent met het Nederlands.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands gepraat? Bijvoorbeeld met een collega? Dan vult u na het gesprek een bewijsformulier Gesprekken in. Dit formulier is het bewijs dat u Nederlands hebt gepraat met de collega. U vraagt ook aan de collega om het bewijsformulier in te vullen. De collega hoeft het formulier niet in te vullen als hij/zij dat niet wil.

Het bewijsformulier Gesprekken zit in het model portfolio. U moet dit formulier eerst kopiëren. Kopieer het formulier zo vaak als u wilt. Zorg ervoor dat u genoeg lege bewijsformulieren hebt. Vul pas daarna het formulier in.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands geschreven? Dan doet u het briefje of formulier in het portfolio. U vult ook het bewijsformulier Schrijven in. U vindt dit bewijsformulier in het model portfolio.

Er zijn drie mogelijkheden voor het praktijkdeel van het examen:

Dan moet u 20 bewijzen verzamelen. Met deze bewijzen laat u zien dat u Nederlands hebt gepraat en geschreven. U moet deze bewijzen zelf verzamelen.

Als u klaar bent met het verzamelen van bewijzen, dan moet u uw portfolio laten controleren. Als u 20 goede bewijzen hebt verzameld, dan krijgt u een panelgesprek. In het panelgesprek praat u over uw bewijzen. U moet ook een schrijfopdracht doen. U laat nog een keer zien dat u het Nederlands begrijpt en dat u Nederlands kunt spreken en schrijven.

U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen:

Burgerschap, Werk hebben en Werk zoeken.

Dan moet u 10 bewijzen verzamelen. Met deze bewijzen laat u zien dat u Nederlands hebt gepraat en geschreven. U moet deze bewijzen zelf verzamelen.

U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen:

Burgerschap, Werk hebben en Werk zoeken.

1 U krijgt een assessment over het onderwerp Werk hebben. Daarnaast krijgt u een assessment over het onderwerp Burgerschap of over het onderwerp Werk zoeken

U moet de bewijzen voor het portfolio zelf verzamelen. U gaat zelf gesprekken voeren en u gaat zelf schrijven. U kunt hierbij wel hulp vragen.

U kunt ook kijken op www.inburgeren.nl

In uw model portfolio staan situaties. U moet in die situaties oefenen met het Nederlands. Het is belangrijk dat u in alle situaties oefent.

U hoeft niet van alle situaties een bewijs te verzamelen. U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen, namelijk: Burgerschap, Werk hebben en Werk zoeken.

Hoeveel bewijzen moet u per onderwerp verzamelen? U hebt in totaal 10 of 20 bewijzen nodig. Kijk in het schema hieronder:

U moet oefenen met gesprekken, maar ook met schrijven. U moet dus bewijzen verzamelen van gesprekken én van schrijfproducten. Schrijfproducten zijn bijvoorbeeld formulieren en briefjes. U moet zeker 3 schrijfproducten hebben verzameld. Deze schrijfproducten moet u zelf hebben ingevuld.

Gebruik het Bewijsformulier Gesprekken en het Bewijsformulier Schrijven uit het model portfolio voor het verzamelen van uw bewijzen. Bewaar de bewijsformulieren en (een kopie van) de schrijfproducten goed in uw portfolio.

Voor een goed bewijs voor Gesprekken zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Voorbeeld: ‘gesprek met de buren’.

Op de volgende bladzijde staat een voorbeeld van een goed bewijs.

Waarom is dit een goed bewijs?

Voorbeeld: ‘gesprek met de buren’.

Voor een goed bewijs voor Schrijven zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Hieronder ziet u een goed bewijs voor schrijven. Het schrijfproduct zit er natuurlijk ook bij. Dit is een voorbeeld. U leest ook waarom het een goed bewijs is.

Voorbeeld: ‘inschrijven voor een cursus’.

Waarom is dit een goed bewijs?

U wilt uw portfolio inleveren bij de exameninstelling. U kunt uw portfolio opsturen of inleveren. De exameninstelling controleert of u genoeg bewijzen hebt verzameld. Ook controleert de exameninstelling of de bewijzen goed zijn.

Maak een kopie van uw portfolio voordat u het opstuurt naar de exameninstelling! Het is veilig om het portfolio aangetekend te versturen.

U gaat uw portfolio inleveren. U wilt natuurlijk dat het portfolio direct wordt goedgekeurd. Kijk daarom nog eens goed naar de volgende dingen:

Als u 20 goede bewijzen in uw portfolio hebt, krijgt u een panelgesprek. Dit is een gesprek over de bewijzen.

Het panelgesprek is bij een exameninstelling. U hebt een gesprek over uw portfolio. U moet laten zien dat u de bewijzen op een eerlijke manier hebt verzameld. U moet ook laten zien dat u voldoende Nederlands hebt geleerd. U moet praten over de bewijzen die u hebt verzameld. En u moet ook iets opschrijven.

De beoordeling van de exameninstelling is heel belangrijk. Als u een voldoende hebt, dan bent u voor de helft van het inburgeringsexamen geslaagd. U moet ook slagen voor het centrale deel van het inburgeringsexamen.

Als u ook het centrale deel goed hebt gedaan, bent u helemaal geslaagd voor het inburgeringsexamen. Dan krijgt u het inburgeringsdiploma.

Als u 10 goede bewijzen in uw portfolio hebt, moet u nog assessments doen.

Als u 10 bewijzen verzamelt, dan moet u 2 assessments doen. U kunt niet zelf kiezen welke assessments dat zijn.

De assessments kunt u doen bij een exameninstelling. Uw docent of de gemeente kan u vertellen welke exameninstellingen in de buurt zijn. U kunt er dan zelf een kiezen.

In de assessments laat u zien dat u het Nederlands voldoende begrijpt en dat u voldoende Nederlands kunt spreken, lezen en schrijven.

De beoordeling van de exameninstelling is heel belangrijk. Als u een voldoende hebt, dan bent u voor de helft van het inburgeringsexamen geslaagd. U moet ook slagen voor het centrale deel van het inburgeringsexamen.

Als u ook het centrale deel goed hebt gedaan, bent u helemaal geslaagd voor het inburgeringsexamen. Dan krijgt u het inburgeringsdiploma.

Let op: Als u een klein portfolio hebt gemaakt, krijgt u geen panelgesprek over uw portfolio.

De exameninstelling bekijkt uw portfolio. Soms wordt een portfolio afgekeurd. Waarom kan het portfolio afgekeurd worden? Wat kunt u daar aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Gesprekken ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd door de exameninstelling. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hier aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Schrijven ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd door de exameninstelling. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hier aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw portfolio.

* = Hier kunt u geen bewijs van verzamelen.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw dossier.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw dossier.

Beste heer, mevrouw,

Mensen die een andere moedertaal hebben dan het Nederlands, moeten in veel gevallen een inburgeringsexamen afleggen. Dat examen bestaat uit verschillende onderdelen. In één van die onderdelen moet de inburgeraar bewijzen dat hij in allerlei situaties in Nederland kan functioneren wat betreft zijn taalvaardigheid.

Bedankt voor uw hulp!

U hebt (beroepshalve) contact met deze inburgeraar.

Het kan gaan om een informatiegesprek, een verkoopgesprek, een aanvraag, het maken van een afspraak, noem maar op. Misschien komen er ook schriftelijke activiteiten aan bod, zoals het invullen van een formulier of het beantwoorden van een vragenlijst.

Het zijn dit soort situaties waarover de inburgeraar bewijzen moet verzamelen: hij moet aantonen dat hij deze taken in het Nederlands kan uitvoeren.

We willen graag weten of de communicatie goed verlopen is. Daarom vragen we u een paar vragen te beantwoorden over uw (taal)contact met deze inburgeraar. De vragen vindt u op het Bewijsformulier Gesprekken.

Het gaat er niet om dat de inburgeraar foutloos Nederlands moet praten. Grammaticafouten, een accent, het zoeken naar woorden, dat mag allemaal. Maar de inburgeraar moet wél in staat zijn om zelfstandig een gesprekje met u te voeren zonder hulp van een tolk. Misschien is er een beetje inspanning van beide kanten nodig, maar dan kunt u elkaar wel begrijpen.

Wij vragen u om de vragen onder op het bewijsformulier (onder 2. Voor de gesprekspartner) in te vullen. Het invullen van het formulier is niet verplicht. Als u niet wilt, hoeft u het formulier niet in te vullen. Als u het wel doet, helpt u de inburgeraar bij zijn examen.

U gaat een portfolio maken.

Een portfolio is een map met formulieren. We noemen deze formulieren bewijsformulieren. U gaat een portfolio Werk maken. U laat met het portfolio zien dat u goed bezig bent met uw inburgering in Nederland. U laat zien dat u het Nederlands begrijpt en dat u Nederlands kunt spreken en schrijven. Bijvoorbeeld dat u kunt praten met uw collega’s. Of dat u een sollicitatieformulier kunt invullen. U moet hiervan bewijzen verzamelen. Deze bewijsformulieren doet u in het portfolio.

Het portfolio hoort bij het praktijkdeel van het inburgeringsexamen. Verder is er nog een centraal deel van het inburgeringsexamen. De IB-Groep zorgt voor dit deel van het examen. U maakt zelf uw portfolio.

Het is belangrijk dat u goed Nederlands leert. U leert Nederlands op school, maar ook buiten school. Bijvoorbeeld op uw werk of als u praat met uw buren. Als u veel oefent, leert u goed Nederlands. In het model portfolio Werk staat een lijst met situaties waarin u Nederlands gebruikt. Bijvoorbeeld als u met uw baas praat of als u iets moet regelen bij de bank. Het is belangrijk dat u in zoveel mogelijk situaties oefent met het Nederlands.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands gepraat? Bijvoorbeeld met een collega? Dan vult u na het gesprek een bewijsformulier Gesprekken in. Dit formulier is het bewijs dat u Nederlands hebt gepraat met de collega. U vraagt ook aan de collega om het bewijsformulier in te vullen. De collega hoeft het formulier niet in te vullen als hij/zij dat niet wil.

Het bewijsformulier Gesprekken zit in het model portfolio. U moet dit formulier eerst kopiëren. Kopieer het formulier zo vaak als u wilt. Zorg ervoor dat u genoeg lege bewijsformulieren hebt. Vul pas daarna het formulier in.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands geschreven? Dan doet u het briefje of formulier in het portfolio. U vult ook het bewijsformulier Schrijven in. U vindt dit bewijsformulier in het model portfolio.

Er zijn drie mogelijkheden voor het praktijkdeel van het examen:

Dan moet u 20 bewijzen verzamelen. Met deze bewijzen laat u zien dat u Nederlands hebt gepraat en geschreven. U moet deze bewijzen zelf verzamelen.

Als u klaar bent met het verzamelen van bewijzen, dan moet u uw portfolio laten controleren. Als u 20 goede bewijzen hebt verzameld, dan krijgt u een panelgesprek. In het panelgesprek praat u over uw bewijzen. U moet ook een schrijfopdracht doen. U laat nog een keer zien dat u het Nederlands begrijpt en dat u Nederlands kunt spreken en schrijven.

U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen:

Burgerschap, Werk hebben en Werk zoeken.

U moet de bewijzen voor het portfolio zelf verzamelen. U gaat zelf gesprekken voeren en u gaat zelf schrijven. U kunt hierbij wel hulp vragen.

U kunt ook kijken op www.inburgeren.nl

In uw model portfolio staan situaties. U moet in die situaties oefenen met het Nederlands. Het is belangrijk dat u in alle situaties oefent.

U hoeft niet van alle situaties een bewijs te verzamelen. U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen, namelijk: Burgerschap, Werk hebben en Werk zoeken.

Hoeveel bewijzen moet u per onderwerp verzamelen? U hebt in totaal 20 bewijzen nodig. Kijk in het schema hieronder:

U moet oefenen met gesprekken, maar ook met schrijven. U moet dus bewijzen verzamelen van gesprekken én van schrijfproducten. Schrijfproducten zijn bijvoorbeeld formulieren en briefjes. U moet zeker 3 schrijfproducten hebben verzameld. Deze schrijfproducten moet u zelf hebben ingevuld.

Gebruik het Bewijsformulier Gesprekken en het Bewijsformulier Schrijven uit het model portfolio voor het verzamelen van uw bewijzen. Bewaar de bewijsformulieren en (een kopie van) de schrijfproducten goed in uw portfolio.

Voor een goed bewijs voor Gesprekken zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Voorbeeld: ‘gesprek met de buren’.

Op de volgende bladzijde staat een voorbeeld van een goed bewijs.

Waarom is dit een goed bewijs?

Voorbeeld: ‘gesprek met de buren’.

Voor een goed bewijs voor Schrijven zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Hieronder ziet u een goed bewijs voor schrijven. Het schrijfproduct zit er natuurlijk ook bij. Dit is een voorbeeld. U leest ook waarom het een goed bewijs is.

Voorbeeld: ‘inschrijven voor een cursus’.

Waarom is dit een goed bewijs?

U wilt uw portfolio inleveren bij de exameninstelling. U kunt uw portfolio opsturen of inleveren. De exameninstelling controleert of u genoeg bewijzen hebt verzameld. Ook controleert de exameninstelling of de bewijzen goed zijn.

Maak een kopie van uw portfolio voordat u het opstuurt naar de exameninstelling! Het is veilig om het portfolio aangetekend te versturen.

U gaat uw portfolio inleveren. U wilt natuurlijk dat het portfolio direct wordt goedgekeurd. Kijk daarom nog eens goed naar de volgende dingen:

Als u 20 goede bewijzen in uw portfolio hebt, krijgt u een panelgesprek. Dit is een gesprek over de bewijzen.

Het panelgesprek is bij een exameninstelling. U hebt een gesprek over uw portfolio. U moet laten zien dat u de bewijzen op een eerlijke manier hebt verzameld. U moet ook laten zien dat u voldoende Nederlands hebt geleerd. U moet praten over de bewijzen die u hebt verzameld. En u moet ook iets opschrijven.

De beoordeling van de exameninstelling is heel belangrijk. Als u een voldoende hebt, dan bent u voor de helft van het inburgeringsexamen geslaagd. U moet ook slagen voor het centrale deel van het inburgeringsexamen.

Als u ook het centrale deel goed hebt gedaan, bent u helemaal geslaagd voor het inburgeringsexamen. Dan krijgt u het inburgeringsdiploma.

De exameninstelling bekijkt uw portfolio. Soms wordt een portfolio afgekeurd. Waarom kan het portfolio afgekeurd worden? Wat kunt u daar aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Gesprekken ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd door de exameninstelling. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hier aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Schrijven ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd door de exameninstelling. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hier aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw portfolio.

* = Hier kunt u geen bewijs van verzamelen.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw dossier.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw dossier.

Beste heer, mevrouw,

Mensen die een andere moedertaal hebben dan het Nederlands, moeten in veel gevallen een inburgeringsexamen afleggen. Dat examen bestaat uit verschillende onderdelen. In één van die onderdelen moet de inburgeraar bewijzen dat hij in allerlei situaties in Nederland kan functioneren wat betreft zijn taalvaardigheid.

Bedankt voor uw hulp!

U hebt (beroepshalve) contact met deze inburgeraar.

Het kan gaan om een informatiegesprek, een verkoopgesprek, een aanvraag, het maken van een afspraak, noem maar op. Misschien komen er ook schriftelijke activiteiten aan bod, zoals het invullen van een formulier of het beantwoorden van een vragenlijst.

Het zijn dit soort situaties waarover de inburgeraar bewijzen moet verzamelen: hij moet aantonen dat hij deze taken in het Nederlands kan uitvoeren.

We willen graag weten of de communicatie goed verlopen is. Daarom vragen we u een paar vragen te beantwoorden over uw (taal)contact met deze inburgeraar. De vragen vindt u op het Bewijsformulier Gesprekken.

Het gaat er niet om dat de inburgeraar foutloos Nederlands moet praten. Grammaticafouten, een accent, het zoeken naar woorden, dat mag allemaal. Maar de inburgeraar moet wél in staat zijn om zelfstandig een gesprekje met u te voeren zonder hulp van een tolk. Misschien is er een beetje inspanning van beide kanten nodig, maar dan kunt u elkaar wel begrijpen.

Wij vragen u om de vragen onder op het bewijsformulier (onder 2. Voor de gesprekspartner) in te vullen. Het invullen van het formulier is niet verplicht. Als u niet wilt, hoeft u het formulier niet in te vullen. Als u het wel doet, helpt u de inburgeraar bij zijn examen.

U gaat een portfolio maken.

Een portfolio is een map met formulieren. We noemen deze formulieren bewijsformulieren. U gaat een portfolio Ondernemerschap maken. U laat met het portfolio zien dat u goed bezig bent met uw inburgering in Nederland. U laat zien dat u het Nederlands begrijpt en dat u Nederlands kunt spreken en schrijven. Bijvoorbeeld dat u kunt praten met iemand van de Kamer van Koophandel. Of dat u een sollicitatieformulier kunt invullen. U moet hiervan bewijzen verzamelen. Deze bewijsformulieren doet u in het portfolio.

Het portfolio hoort bij het praktijkdeel van het inburgeringsexamen. Verder is er nog een centraal deel van het inburgeringsexamen. De IB-Groep zorgt voor dit deel van het examen. U maakt zelf uw portfolio.

Het is belangrijk dat u goed Nederlands leert. U leert Nederlands op school, maar ook buiten school. Bijvoorbeeld bij de gemeente of als u praat met uw buren. Als u veel oefent, leert u goed Nederlands. In het model portfolio Ondernemerschap staat een lijst met situaties waarin u Nederlands gebruikt. Bijvoorbeeld als u praat met iemand van de gemeente of als u iets moet regelen bij de bank. Het is belangrijk dat u in zoveel mogelijk situaties oefent met het Nederlands.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands gepraat? Bijvoorbeeld met een medewerker van de bank? Dan vult u na het gesprek een bewijsformulier Gesprekken in. Dit formulier is het bewijs dat u Nederlands hebt gepraat met een medewerker van de bank. U vraagt ook aan de medewerker om het bewijsformulier in te vullen. De medewerker hoeft het formulier niet in te vullen als hij/zij dat niet wil.

Het bewijsformulier Gesprekken zit in het model portfolio. U moet dit formulier eerst kopiëren. Kopieer het formulier zo vaak als u wilt. Zorg ervoor dat u genoeg lege bewijsformulieren hebt. Vul pas daarna het formulier in.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands geschreven? Dan doet u het briefje of formulier in het model portfolio. U vult ook het bewijsformulier Schrijven in. U vindt dit bewijsformulier in het model portfolio.

Er zijn drie mogelijkheden voor het praktijkdeel van het examen:

Dan moet u 20 bewijzen verzamelen. Met deze bewijzen laat u zien dat u Nederlands hebt gepraat en geschreven. U moet deze bewijzen zelf verzamelen.

Als u klaar bent met het verzamelen van bewijzen, dan moet u uw portfolio laten controleren. Als u 20 goede bewijzen hebt verzameld, dan krijgt u een panelgesprek. In het panelgesprek praat u over uw bewijzen. U moet ook een schrijfopdracht doen. U laat nog een keer zien dat u het Nederlands begrijpt en dat u Nederlands kunt spreken en schrijven.

U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen:

Burgerschap, Ondernemerschap en Werk zoeken.

Dan moet u 10 bewijzen verzamelen. Met deze bewijzen laat u zien dat u Nederlands hebt gepraat en geschreven. U moet deze bewijzen zelf verzamelen.

U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen:

Burgerschap, Ondernemerschap en Werk zoeken.

1 U krijgt een assessment over het onderwerp Ondernemerschap. Daarnaast krijgt u een assessment over het onderwerp Burgerschap of over het onderwerp Werk zoeken.

U moet de bewijzen voor het portfolio zelf verzamelen. U gaat zelf gesprekken voeren en u gaat zelf schrijven. U kunt hierbij wel hulp vragen.

U kunt ook kijken op www.inburgeren.nl

In uw model portfolio staan situaties. U moet in die situaties oefenen met het Nederlands. Het is belangrijk dat u in alle situaties oefent.

U hoeft niet van alle situaties een bewijs te verzamelen. U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen, namelijk: Burgerschap, Ondernemerschap en Werk zoeken.

Hoeveel bewijzen moet u per onderwerp verzamelen? U hebt in totaal 10 of 20 bewijzen nodig. Kijk in het schema hieronder:

U moet oefenen met gesprekken, maar ook met schrijven. U moet dus bewijzen verzamelen van gesprekken én van schrijfproducten. Schrijfproducten zijn bijvoorbeeld formulieren en briefjes. U moet zeker 3 schrijfproducten hebben verzameld. Deze schrijfproducten moet u zelf hebben ingevuld.

Gebruik het Bewijsformulier Gesprekken en het Bewijsformulier Schrijven uit het model portfolio voor het verzamelen van uw bewijzen. Bewaar de bewijsformulieren en (een kopie van) de schrijfproducten goed in uw portfolio.

Voor een goed bewijs voor Gesprekken zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Voorbeeld: ‘gesprek met de buren’.

Op de volgende bladzijde staat een voorbeeld van een goed bewijs.

Waarom is dit een goed bewijs?

Voorbeeld: ‘gesprek met de buren’.

Voor een goed bewijs voor Schrijven zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Voorbeeld: ‘inschrijven voor een cursus’.

Waarom is dit een goed bewijs?

Hieronder ziet u een goed bewijs voor schrijven. Het schrijfproduct zit er natuurlijk ook bij. Dit is een voorbeeld. U leest ook waarom het een goed bewijs is.

U wilt uw portfolio inleveren bij de exameninstelling. U kunt uw portfolio opsturen of inleveren. De exameninstelling controleert of u genoeg bewijzen hebt verzameld. Ook controleert de exameninstelling of de bewijzen goed zijn.

Maak een kopie van uw portfolio voordat u het opstuurt naar de exameninstelling! Het is veilig om het portfolio aangetekend te versturen.

U gaat uw portfolio inleveren. U wilt natuurlijk dat het portfolio direct wordt goedgekeurd. Kijk daarom nog eens goed naar de volgende dingen:

Als u 20 goede bewijzen in uw portfolio hebt, krijgt u een panelgesprek. Dit is een gesprek over de bewijzen.

Het panelgesprek is bij een exameninstelling. U hebt een gesprek over uw portfolio. U moet laten zien dat u de bewijzen op een eerlijke manier hebt verzameld. U moet ook laten zien dat u voldoende Nederlands hebt geleerd. U moet praten over de bewijzen die u hebt verzameld. En u moet ook iets opschrijven.

De beoordeling van de exameninstelling is heel belangrijk. Als u een voldoende hebt, dan bent u voor de helft van het inburgeringsexamen geslaagd. U moet ook slagen voor het centrale deel van het inburgeringsexamen.

Als u ook het centrale deel goed hebt gedaan, bent u helemaal geslaagd voor het inburgeringsexamen. Dan krijgt u het inburgeringsdiploma.

Als u 10 goede bewijzen in uw portfolio hebt, moet u nog assessments doen.

Als u 10 bewijzen verzamelt, dan moet u 2 assessments doen. U kunt niet zelf kiezen welke assessments dat zijn.

De assessments kunt u doen bij een exameninstelling. Uw docent of de gemeente kan u vertellen welke exameninstellingen in de buurt zijn. In de assessments laat u zien dat u het Nederlands voldoende begrijpt en dat u voldoende Nederlands kunt spreken, lezen en schrijven.

De beoordeling van de exameninstelling is heel belangrijk. Als u een voldoende hebt, dan bent u voor de helft van het inburgeringsexamen geslaagd. U moet ook slagen voor het centrale deel van het inburgeringsexamen.

Als u ook het centrale deel goed hebt gedaan, bent u helemaal geslaagd voor het inburgeringsexamen. Dan krijgt u het inburgeringsdiploma.

Let op: Als u een klein portfolio hebt gemaakt, krijgt u geen panelgesprek over uw portfolio.

De exameninstelling bekijkt uw portfolio. Soms wordt een portfolio afgekeurd. Waarom kan het portfolio afgekeurd worden? Wat kunt u daar aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Gesprekken ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd door de exameninstelling. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hier aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Schrijven ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd door de exameninstelling. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hier aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw portfolio.

* = Hier kunt u geen bewijs van verzamelen.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw dossier.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw portfolio.

Beste heer, mevrouw,

Mensen die een andere moedertaal hebben dan het Nederlands, moeten in veel gevallen een inburgeringsexamen afleggen. Dat examen bestaat uit verschillende onderdelen. In één van die onderdelen moet de inburgeraar bewijzen dat hij in allerlei situaties in Nederland kan functioneren wat betreft zijn taalvaardigheid.

Bedankt voor uw hulp!

U hebt (beroepshalve) contact met deze inburgeraar.

Het kan gaan om een informatiegesprek, een verkoopgesprek, een aanvraag, het maken van een afspraak, noem maar op. Misschien komen er ook schriftelijke activiteiten aan bod, zoals het invullen van een formulier of het beantwoorden van een vragenlijst.

Het zijn dit soort situaties waarover de inburgeraar bewijzen moet verzamelen: hij moet aantonen dat hij deze taken in het Nederlands kan uitvoeren.

We willen graag weten of de communicatie goed verlopen is. Daarom vragen we u een paar vragen te beantwoorden over uw (taal)contact met deze inburgeraar. De vragen vindt u op het Bewijsformulier Gesprekken.

Het gaat er niet om dat de inburgeraar foutloos Nederlands moet praten. Grammaticafouten, een accent, het zoeken naar woorden, dat mag allemaal. Maar de inburgeraar moet wél in staat zijn om zelfstandig een gesprekje met u te voeren zonder hulp van een tolk. Misschien is er een beetje inspanning van beide kanten nodig, maar dan kunt u elkaar wel begrijpen.

Wij vragen u om de vragen onder op het bewijsformulier (onder 2. Voor de gesprekspartner) in te vullen. Het invullen van het formulier is niet verplicht. Als u niet wilt, hoeft u het formulier niet in te vullen. Als u het wel doet, helpt u de inburgeraar bij zijn examen.

U gaat een portfolio maken.

Een portfolio is een map met formulieren. We noemen deze formulieren bewijsformulieren. U gaat een portfolio Ondernemerschap maken. U laat met het portfolio zien dat u goed bezig bent met uw inburgering in Nederland. U laat zien dat u het Nederlands begrijpt en dat u Nederlands kunt spreken en schrijven. Bijvoorbeeld dat u kunt praten met iemand van de Kamer van Koophandel. Of dat u een sollicitatieformulier kunt invullen. U moet hiervan bewijzen verzamelen. Deze bewijsformulieren doet u in het portfolio.

Het portfolio hoort bij het praktijkdeel van het inburgeringsexamen. Verder is er nog een centraal deel van het inburgeringsexamen. De IB-Groep zorgt voor dit deel van het examen. U maakt zelf uw portfolio.

Het is belangrijk dat u goed Nederlands leert. U leert Nederlands op school, maar ook buiten school. Bijvoorbeeld bij de gemeente of als u praat met uw buren. Als u veel oefent, leert u goed Nederlands. In het model portfolio Ondernemerschap staat een lijst met situaties waarin u Nederlands gebruikt. Bijvoorbeeld als u praat met iemand van de gemeente of als u iets moet regelen bij de bank. Het is belangrijk dat u in zoveel mogelijk situaties oefent met het Nederlands.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands gepraat? Bijvoorbeeld met een medewerker van de bank? Dan vult u na het gesprek een bewijsformulier Gesprekken in. Dit formulier is het bewijs dat u Nederlands hebt gepraat met een medewerker van de bank. U vraagt ook aan de medewerker om het bewijsformulier in te vullen. De medewerker hoeft het formulier niet in te vullen als hij/zij dat niet wil.

Het bewijsformulier Gesprekken zit in het model portfolio. U moet dit formulier eerst kopiëren. Kopieer het formulier zo vaak als u wilt. Zorg ervoor dat u genoeg lege bewijsformulieren hebt. Vul pas daarna het formulier in.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands geschreven? Dan doet u het briefje of formulier in het model portfolio. U vult ook het bewijsformulier Schrijven in. U vindt dit bewijsformulier in het model portfolio.

Er zijn drie mogelijkheden voor het praktijkdeel van het examen:

Dan moet u 20 bewijzen verzamelen. Met deze bewijzen laat u zien dat u Nederlands hebt gepraat en geschreven. U moet deze bewijzen zelf verzamelen.

Als u klaar bent met het verzamelen van bewijzen, dan moet u uw portfolio laten controleren. Als u 20 goede bewijzen hebt verzameld, dan krijgt u een panelgesprek. In het panelgesprek praat u over uw bewijzen. U moet ook een schrijfopdracht doen. U laat nog een keer zien dat u het Nederlands begrijpt en dat u Nederlands kunt spreken en schrijven.

U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen:

Burgerschap, Ondernemerschap en Werk zoeken.

U moet de bewijzen voor het portfolio zelf verzamelen. U gaat zelf gesprekken voeren en u gaat zelf schrijven. U kunt hierbij wel hulp vragen.

U kunt ook kijken op www.inburgeren.nl

In uw model portfolio staan situaties. U moet in die situaties oefenen met het Nederlands. Het is belangrijk dat u in alle situaties oefent.

U hoeft niet van alle situaties een bewijs te verzamelen. U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen, namelijk: Burgerschap, Ondernemerschap en Werk zoeken.

Hoeveel bewijzen moet u per onderwerp verzamelen? U hebt in totaal 20 bewijzen nodig. Kijk in het schema hieronder:

U moet oefenen met gesprekken, maar ook met schrijven. U moet dus bewijzen verzamelen van gesprekken én van schrijfproducten. Schrijfproducten zijn bijvoorbeeld formulieren en briefjes. U moet zeker 3 schrijfproducten hebben verzameld. Deze schrijfproducten moet u zelf hebben ingevuld.

Gebruik het Bewijsformulier Gesprekken en het Bewijsformulier Schrijven uit het model portfolio voor het verzamelen van uw bewijzen. Bewaar de bewijsformulieren en (een kopie van) de schrijfproducten goed in uw portfolio.

Voor een goed bewijs voor Gesprekken zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Voorbeeld: ‘gesprek met de buren’.

Op de volgende bladzijde staat een voorbeeld van een goed bewijs.

Waarom is dit een goed bewijs?

Voorbeeld: ‘gesprek met de buren’.

Voor een goed bewijs voor Schrijven zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Hieronder ziet u een goed bewijs voor schrijven. Het schrijfproduct zit er natuurlijk ook bij. Dit is een voorbeeld. U leest ook waarom het een goed bewijs is.

Voorbeeld: ‘inschrijven voor een cursus’.

Waarom is dit een goed bewijs?

U wilt uw portfolio inleveren bij de exameninstelling. U kunt uw portfolio opsturen of inleveren. De exameninstelling controleert of u genoeg bewijzen hebt verzameld. Ook controleert de exameninstelling of de bewijzen goed zijn.

Maak een kopie van uw portfolio voordat u het opstuurt naar de exameninstelling! Het is veilig om het portfolio aangetekend te versturen.

U gaat uw portfolio inleveren. U wilt natuurlijk dat het portfolio direct wordt goedgekeurd. Kijk daarom nog eens goed naar de volgende dingen:

Als u 20 goede bewijzen in uw portfolio hebt, krijgt u een panelgesprek. Dit is een gesprek over de bewijzen.

Het panelgesprek is bij een exameninstelling. U hebt een gesprek over uw portfolio. U moet laten zien dat u de bewijzen op een eerlijke manier hebt verzameld. U moet ook laten zien dat u voldoende Nederlands hebt geleerd. U moet praten over de bewijzen die u hebt verzameld. En u moet ook iets opschrijven.

De beoordeling van de exameninstelling is heel belangrijk. Als u een voldoende hebt, dan bent u voor de helft van het inburgeringsexamen geslaagd. U moet ook slagen voor het centrale deel van het inburgeringsexamen.

Als u ook het centrale deel goed hebt gedaan, bent u helemaal geslaagd voor het inburgeringsexamen. Dan krijgt u het inburgeringsdiploma.

De exameninstelling bekijkt uw portfolio. Soms wordt een portfolio afgekeurd. Waarom kan het portfolio afgekeurd worden? Wat kunt u daar aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Gesprekken ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd door de exameninstelling. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hier aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Schrijven ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd door de exameninstelling. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hier aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw portfolio.

* = Hier kunt u geen bewijs van verzamelen.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw dossier.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw portfolio.

Beste heer, mevrouw,

Mensen die een andere moedertaal hebben dan het Nederlands, moeten in veel gevallen een inburgeringsexamen afleggen. Dat examen bestaat uit verschillende onderdelen. In één van die onderdelen moet de inburgeraar bewijzen dat hij in allerlei situaties in Nederland kan functioneren wat betreft zijn taalvaardigheid.

Bedankt voor uw hulp!

U hebt (beroepshalve) contact met deze inburgeraar.

Het kan gaan om een informatiegesprek, een verkoopgesprek, een aanvraag, het maken van een afspraak, noem maar op. Misschien komen er ook schriftelijke activiteiten aan bod, zoals het invullen van een formulier of het beantwoorden van een vragenlijst.

Het zijn dit soort situaties waarover de inburgeraar bewijzen moet verzamelen: hij moet aantonen dat hij deze taken in het Nederlands kan uitvoeren.

We willen graag weten of de communicatie goed verlopen is. Daarom vragen we u een paar vragen te beantwoorden over uw (taal)contact met deze inburgeraar. De vragen vindt u op het Bewijsformulier Gesprekken.

Het gaat er niet om dat de inburgeraar foutloos Nederlands moet praten. Grammaticafouten, een accent, het zoeken naar woorden, dat mag allemaal. Maar de inburgeraar moet wél in staat zijn om zelfstandig een gesprekje met u te voeren zonder hulp van een tolk. Misschien is er een beetje inspanning van beide kanten nodig, maar dan kunt u elkaar wel begrijpen.

Wij vragen u om de vragen onder op het bewijsformulier (onder 2. Voor de gesprekspartner) in te vullen. Het invullen van het formulier is niet verplicht. Als u niet wilt, hoeft u het formulier niet in te vullen. Als u het wel doet, helpt u de inburgeraar bij zijn examen.

U gaat een portfolio maken.

Een portfolio is een map met formulieren. We noemen deze formulieren bewijsformulieren. U gaat een portfolio Maatschappelijke Participatie (MP) maken. U laat met het portfolio zien dat u goed bezig bent met uw inburgering in Nederland. U laat zien dat u het Nederlands begrijpt en dat u Nederlands kunt spreken en schrijven. Bijvoorbeeld dat u kunt praten met mensen van het buurthuis. Of dat u een intakeformulier kunt invullen. U moet hiervan bewijzen verzamelen. Deze bewijsformulieren doet u in het portfolio.

Het portfolio hoort bij het praktijkdeel van het inburgeringsexamen. Verder is er nog een centraal deel van het inburgeringsexamen. De IB-Groep zorgt voor dit deel van het examen. U maakt zelf uw portfolio.

Het is belangrijk dat u goed Nederlands leert. U leert Nederlands op school, maar ook buiten school. Bijvoorbeeld in het buurthuis of als u praat met uw buren. Als u veel oefent, leert u goed Nederlands. In het model portfolio Maatschappelijke Participatie staat een lijst met situaties waarin u Nederlands gebruikt. Bijvoorbeeld als u praat met iemand van het vrijwilligerswerk of als u iets moet regelen bij de bank. Het is belangrijk dat u in zoveel mogelijk situaties oefent met het Nederlands.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands gepraat? Bijvoorbeeld met de huisarts? Dan vult u na het gesprek een bewijsformulier Gesprekken in. Dit formulier is het bewijs dat u Nederlands hebt gepraat met de huisarts. U vraagt ook aan de huisarts om het bewijsformulier in te vullen. De huisarts hoeft het formulier niet in te vullen als hij/zij dat niet wil.

Het bewijsformulier Gesprekken zit in het model portfolio. U moet dit formulier eerst kopiëren. Kopieer het formulier zo vaak als u wilt. Zorg ervoor dat u genoeg lege bewijsformulieren hebt. Vul pas daarna het formulier in.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands geschreven? Dan doet u het briefje of formulier in het portfolio. U vult ook het bewijsformulier Schrijven in. U vindt dit bewijsformulier in het model portfolio.

Er zijn drie mogelijkheden voor het praktijkdeel van het examen:

Dan moet u 20 bewijzen verzamelen. Met deze bewijzen laat u zien dat u Nederlands hebt gepraat en geschreven. U moet deze bewijzen zelf verzamelen.

Als u klaar bent met het verzamelen van bewijzen, dan moet u uw portfolio laten controleren. Als u 20 goede bewijzen hebt verzameld, dan krijgt u een panelgesprek. In het panelgesprek praat u over uw bewijzen. U moet ook een schrijfopdracht doen. U laat nog een keer zien dat u het Nederlands begrijpt en dat u Nederlands kunt spreken en schrijven.

U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen:

Burgerschap, Maatschappelijke Participatie en Op zoek naar vrijwilligerswerk.

1 U krijgt een assessment over het onderwerp Maatschappelijke Participatie. Daarnaast krijgt u een assessment over het onderwerp Burgerschap of over het onderwerp Op zoek naar vrijwilligerswerk.

Dan moet u 10 bewijzen verzamelen. Met deze bewijzen laat u zien dat u Nederlands hebt gepraat en geschreven. U moet deze bewijzen zelf verzamelen.

U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen:

Burgerschap, Maatschappelijke Participatie en Op zoek naar vrijwilligerswerk.

U moet de bewijzen voor het portfolio zelf verzamelen. U gaat zelf gesprekken voeren en u gaat zelf schrijven. U kunt hierbij wel hulp vragen.

U kunt ook kijken op www.inburgeren.nl

In uw model portfolio staan situaties. U moet in die situaties oefenen met het Nederlands. Het is belangrijk dat u in alle situaties oefent.

U hoeft niet van alle situaties een bewijs te verzamelen. U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen, namelijk: Burgerschap, Maatschappelijke Participatie en Op zoek naar vrijwilligerswerk.

Hoeveel bewijzen moet u per onderwerp verzamelen? U hebt in totaal 10 of 20 bewijzen nodig. Kijk in het schema hieronder:

U moet oefenen met gesprekken, maar ook met schrijven. U moet dus bewijzen verzamelen van gesprekken én van schrijfproducten. Schrijfproducten zijn bijvoorbeeld formulieren en briefjes. U moet zeker 3 schrijfproducten hebben verzameld. Deze schrijfproducten moet u zelf hebben ingevuld.

Gebruik het Bewijsformulier Gesprekken en het Bewijsformulier Schrijven uit het model portfolio voor het verzamelen van uw bewijzen. Bewaar de bewijsformulieren en (een kopie van) de schrijfproducten goed in uw portfolio.

Voor een goed bewijs voor Gesprekken zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Voorbeeld: ‘gesprek met de buren’.

Op de volgende bladzijde staat een voorbeeld van een goed bewijs.

Waarom is dit een goed bewijs?

Voorbeeld: ‘gesprek met de buren’.

Voor een goed bewijs voor Schrijven zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Hieronder ziet u een goed bewijs voor schrijven. Het schrijfproduct zit er natuurlijk ook bij. Dit is een voorbeeld. U leest ook waarom het een goed bewijs is.

Voorbeeld: ‘inschrijven voor een cursus’.

Waarom is dit een goed bewijs?

U wilt uw portfolio inleveren bij de exameninstelling. U kunt uw portfolio opsturen of inleveren. De exameninstelling controleert of u genoeg bewijzen hebt verzameld. Ook controleert de exameninstelling of de bewijzen goed zijn.

Maak een kopie van uw portfolio voordat u het opstuurt naar de exameninstelling! Het is veilig om het portfolio aangetekend te versturen.

U gaat uw portfolio inleveren. U wilt natuurlijk dat het portfolio direct wordt goedgekeurd. Kijk daarom nog eens goed naar de volgende dingen:

Als u 20 goede bewijzen in uw portfolio hebt, krijgt u een panelgesprek. Dit is een gesprek over de bewijzen.

Het panelgesprek is bij een exameninstelling. U hebt een gesprek over uw portfolio. U moet laten zien dat u de bewijzen op een eerlijke manier hebt verzameld. U moet ook laten zien dat u voldoende Nederlands hebt geleerd. U moet praten over de bewijzen die u hebt verzameld. En u moet ook iets opschrijven.

De beoordeling van de exameninstelling is heel belangrijk. Als u een voldoende hebt, dan bent u voor de helft van het inburgeringsexamen geslaagd. U moet ook slagen voor het centrale deel van het inburgeringsexamen.

Als u ook het centrale deel goed hebt gedaan, bent u helemaal geslaagd voor het inburgeringsexamen. Dan krijgt u het inburgeringsdiploma.

Als u 10 goede bewijzen in uw portfolio hebt, moet u nog assessments doen.

Als u 10 bewijzen verzamelt, dan moet u 2 assessments doen. U kunt niet zelf kiezen welke assessments dat zijn.

De assessments kunt u doen bij een exameninstelling. Uw docent of de gemeente kan u vertellen welke exameninstellingen in de buurt zijn. U kunt er dan zelf een kiezen.

In de assessments laat u zien dat u het Nederlands voldoende begrijpt en dat u voldoende Nederlands kunt spreken, lezen en schrijven.

De beoordeling van de exameninstelling is heel belangrijk. Als u een voldoende hebt, dan bent u voor de helft van het inburgeringsexamen geslaagd. U moet ook slagen voor het centrale deel van het inburgeringsexamen.

Als u ook het centrale deel goed hebt gedaan, bent u helemaal geslaagd voor het inburgeringsexamen. Dan krijgt u het inburgeringsdiploma.

Let op: Als u een klein portfolio hebt gemaakt, krijgt u geen panelgesprek over uw portfolio.

De exameninstelling bekijkt uw portfolio. Soms wordt een portfolio afgekeurd. Waarom kan het portfolio afgekeurd worden? Wat kunt u daar aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Gesprekken ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd door de exameninstelling. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hier aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Schrijven ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd door de exameninstelling. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hier aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw portfolio.

* = Hier kunt u geen bewijs van verzamelen.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw dossier.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw dossier.

Beste heer, mevrouw,

Mensen die een andere moedertaal hebben dan het Nederlands, moeten in veel gevallen een inburgeringsexamen afleggen. Dat examen bestaat uit verschillende onderdelen. In één van die onderdelen moet de inburgeraar bewijzen dat hij in allerlei situaties in Nederland kan functioneren wat betreft zijn taalvaardigheid.

Bedankt voor uw hulp!

U hebt (beroepshalve) contact met deze inburgeraar.

Het kan gaan om een informatiegesprek, een verkoopgesprek, een aanvraag, het maken van een afspraak, noem maar op. Misschien komen er ook schriftelijke activiteiten aan bod, zoals het invullen van een formulier of het beantwoorden van een vragenlijst.

Het zijn dit soort situaties waarover de inburgeraar bewijzen moet verzamelen: hij moet aantonen dat hij deze taken in het Nederlands kan uitvoeren.

We willen graag weten of de communicatie goed verlopen is. Daarom vragen we u een paar vragen te beantwoorden over uw (taal)contact met deze inburgeraar. De vragen vindt u op het Bewijsformulier Gesprekken.

Het gaat er niet om dat de inburgeraar foutloos Nederlands moet praten. Grammaticafouten, een accent, het zoeken naar woorden, dat mag allemaal. Maar de inburgeraar moet wél in staat zijn om zelfstandig een gesprekje met u te voeren zonder hulp van een tolk. Misschien is er een beetje inspanning van beide kanten nodig, maar dan kunt u elkaar wel begrijpen.

Wij vragen u om de vragen onder op het bewijsformulier (onder 2. Voor de gesprekspartner) in te vullen. Het invullen van het formulier is niet verplicht. Als u niet wilt, hoeft u het formulier niet in te vullen. Als u het wel doet, helpt u de inburgeraar bij zijn examen.

U gaat een portfolio maken.

Een portfolio is een map met formulieren. We noemen deze formulieren bewijsformulieren. U gaat een portfolio Maatschappelijke Participatie (MP) maken. U laat met het portfolio zien dat u goed bezig bent met uw inburgering in Nederland. U laat zien dat u het Nederlands begrijpt en dat u Nederlands kunt spreken en schrijven. Bijvoorbeeld dat u kunt praten met mensen van het buurthuis. Of dat u een intakeformulier kunt invullen. U moet hiervan bewijzen verzamelen. Deze bewijsformulieren doet u in het portfolio.

Het portfolio hoort bij het praktijkdeel van het inburgeringsexamen. Verder is er nog een centraal deel van het inburgeringsexamen. De IB-Groep zorgt voor dit deel van het examen. U maakt zelf uw portfolio.

Het is belangrijk dat u goed Nederlands leert. U leert Nederlands op school, maar ook buiten school. Bijvoorbeeld in het buurthuis of als u praat met uw buren. Als u veel oefent, leert u goed Nederlands. In het model portfolio Maatschappelijke Participatie staat een lijst met situaties waarin u Nederlands gebruikt. Bijvoorbeeld als u praat met iemand van het vrijwilligerswerk of als u iets moet regelen bij de bank. Het is belangrijk dat u in zoveel mogelijk situaties oefent met het Nederlands.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands gepraat? Bijvoorbeeld met de huisarts? Dan vult u na het gesprek een bewijsformulier Gesprekken in. Dit formulier is het bewijs dat u Nederlands hebt gepraat met de huisarts. U vraagt ook aan de huisarts om het bewijsformulier in te vullen. De huisarts hoeft het formulier niet in te vullen als hij/zij dat niet wil.

Het bewijsformulier Gesprekken zit in het model portfolio. U moet dit formulier eerst kopiëren. Kopieer het formulier zo vaak als u wilt. Zorg ervoor dat u genoeg lege bewijsformulieren hebt. Vul pas daarna het formulier in.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands geschreven? Dan doet u het briefje of formulier in het portfolio. U vult ook het bewijsformulier Schrijven in. U vindt dit bewijsformulier in het model portfolio.

Er zijn drie mogelijkheden voor het praktijkdeel van het examen:

Dan moet u 20 bewijzen verzamelen. Met deze bewijzen laat u zien dat u Nederlands hebt gepraat en geschreven. U moet deze bewijzen zelf verzamelen.

Als u klaar bent met het verzamelen van bewijzen, dan moet u uw portfolio laten controleren. Als u 20 goede bewijzen hebt verzameld, dan krijgt u een panelgesprek. In het panelgesprek praat u over uw bewijzen. U moet ook een schrijfopdracht doen. U laat nog een keer zien dat u het Nederlands begrijpt en dat u Nederlands kunt spreken en schrijven.

U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen:

Burgerschap, Maatschappelijke Participatie en Op zoek naar vrijwilligerswerk.

U moet de bewijzen voor het portfolio zelf verzamelen. U gaat zelf gesprekken voeren en u gaat zelf schrijven. U kunt hierbij wel hulp vragen.

U kunt ook kijken op www.inburgeren.nl

In uw model portfolio staan situaties. U moet in die situaties oefenen met het Nederlands. Het is belangrijk dat u in alle situaties oefent.

U hoeft niet van alle situaties een bewijs te verzamelen. U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen, namelijk: Burgerschap, Maatschappelijke Participatie en Op zoek naar vrijwilligerswerk.

Hoeveel bewijzen moet u per onderwerp verzamelen? U hebt in totaal 20 bewijzen nodig. Kijk in het schema hieronder:

U moet oefenen met gesprekken, maar ook met schrijven. U moet dus bewijzen verzamelen van gesprekken én van schrijfproducten. Schrijfproducten zijn bijvoorbeeld formulieren en briefjes. U moet zeker 3 schrijfproducten hebben verzameld. Deze schrijfproducten moet u zelf hebben ingevuld.

Gebruik het Bewijsformulier Gesprekken en het Bewijsformulier Schrijven uit het model portfolio voor het verzamelen van uw bewijzen. Bewaar de bewijsformulieren en (een kopie van) de schrijfproducten goed in uw portfolio.

Voor een goed bewijs voor Gesprekken zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Voorbeeld: ‘gesprek met de buren’.

Op de volgende bladzijde staat een voorbeeld van een goed bewijs.

Waarom is dit een goed bewijs?

Voorbeeld: ‘gesprek met de buren’.

Voor een goed bewijs voor Schrijven zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Hieronder ziet u een goed bewijs voor schrijven. Het schrijfproduct zit er natuurlijk ook bij. Dit is een voorbeeld. U leest ook waarom het een goed bewijs is.

Voorbeeld: ‘inschrijven voor een cursus’.

Waarom is dit een goed bewijs?

U wilt uw portfolio inleveren bij de exameninstelling. U kunt uw portfolio opsturen of inleveren. De exameninstelling controleert of u genoeg bewijzen hebt verzameld. Ook controleert de exameninstelling of de bewijzen goed zijn.

Maak een kopie van uw portfolio voordat u het opstuurt naar de exameninstelling! Het is veilig om het portfolio aangetekend te versturen.

U gaat uw portfolio inleveren. U wilt natuurlijk dat het portfolio direct wordt goedgekeurd. Kijk daarom nog eens goed naar de volgende dingen:

Als u 20 goede bewijzen in uw portfolio hebt, krijgt u een panelgesprek. Dit is een gesprek over de bewijzen.

Het panelgesprek is bij een exameninstelling. U hebt een gesprek over uw portfolio. U moet laten zien dat u de bewijzen op een eerlijke manier hebt verzameld. U moet ook laten zien dat u voldoende Nederlands hebt geleerd. U moet praten over de bewijzen die u hebt verzameld. En u moet ook iets opschrijven.

De beoordeling van de exameninstelling is heel belangrijk. Als u een voldoende hebt, dan bent u voor de helft van het inburgeringsexamen geslaagd. U moet ook slagen voor het centrale deel van het inburgeringsexamen.

Als u ook het centrale deel goed hebt gedaan, bent u helemaal geslaagd voor het inburgeringsexamen. Dan krijgt u het inburgeringsdiploma.

De exameninstelling bekijkt uw portfolio. Soms wordt een portfolio afgekeurd. Waarom kan het portfolio afgekeurd worden? Wat kunt u daar aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Gesprekken ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd door de exameninstelling. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hier aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Schrijven ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd door de exameninstelling. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hier aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw portfolio.

* = Hier kunt u geen bewijs van verzamelen.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw dossier.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw dossier.

Beste heer, mevrouw,

Mensen die een andere moedertaal hebben dan het Nederlands, moeten in veel gevallen een inburgeringsexamen afleggen. Dat examen bestaat uit verschillende onderdelen. In één van die onderdelen moet de inburgeraar bewijzendat hij in allerlei situaties in Nederland kan functioneren wat betreft zijn taalvaardigheid.

Bedankt voor uw hulp!

U hebt (beroepshalve) contact met deze inburgeraar.

Het kan gaan om een informatiegesprek, een verkoopgesprek, een aanvraag, het maken van een afspraak, noem maar op. Misschien komen er ook schriftelijke activiteiten aan bod, zoals het invullen van een formulier of het beantwoorden van een vragenlijst.

Het zijn dit soort situaties waarover de inburgeraar bewijzen moet verzamelen: hij moet aantonen dat hij deze taken in het Nederlands kan uitvoeren.

We willen graag weten of de communicatie goed verlopen is. Daarom vragen we u een paar vragen te beantwoorden over uw (taal)contact met deze inburgeraar. De vragen vindt u op het Bewijsformulier Gesprekken.

Het gaat er niet om dat de inburgeraar foutloos Nederlands moet praten. Grammaticafouten, een accent, het zoeken naar woorden, dat mag allemaal. Maar de inburgeraar moet wél in staat zijn om zelfstandig een gesprekje met u te voeren zonder hulp van een tolk. Misschien is er een beetje inspanning van beide kanten nodig, maar dan kunt u elkaar wel begrijpen.

Wij vragen u om de vragen onder op het bewijsformulier (onder 2. Voor de gesprekspartner) in te vullen. Het invullen van het formulier is niet verplicht. Als u niet wilt, hoeft u het formulier niet in te vullen. Als u het wel doet, helpt u de inburgeraar bij zijn examen.

U gaat een portfolio maken.

Een portfolio is een map met formulieren. We noemen deze formulieren bewijsformulieren. U gaat een portfolio OGO (Opvoeding, Gezondheid, Onderwijs) maken. U laat met het portfolio zien dat u goed bezig bent met uw inburgering in Nederland. U laat zien dat u het Nederlands begrijpt en dat u Nederlands kunt spreken en schrijven. Bijvoorbeeld dat u kunt praten met de arts van het consultatiebureau. Of dat u een sollicitatieformulier kunt invullen. U moet hiervan bewijzen verzamelen. Deze bewijsformulieren doet u in het portfolio.

Het portfolio hoort bij het praktijkdeel van het inburgeringsexamen. Verder is er nog een centraal deel van het inburgeringsexamen. De IB-Groep zorgt voor dit deel van het examen. U maakt zelf uw portfolio.

Het is belangrijk dat u goed Nederlands leert. U leert Nederlands op school, maar ook buiten school. Bijvoorbeeld op de peuterspeelzaal van uw kind of als u praat met uw buren. Als u veel oefent, leert u goed Nederlands. In het model portfolio OGO staat een lijst met situaties waarin u Nederlands gebruikt. Bijvoorbeeld als u praat met andere ouders of als u iets moet regelen bij de bank. Het is belangrijk dat u in zoveel mogelijk situaties oefent met het Nederlands.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands gepraat? Bijvoorbeeld met de huisarts? Dan vult u na het gesprek een bewijsformulier Gesprekken in. Dit formulier is het bewijs dat u Nederlands hebt gepraat met de huisarts. U vraagt ook aan de huisarts om het bewijsformulier in te vullen. De huisarts hoeft het formulier niet in te vullen als hij/zij dat niet wil.

Het bewijsformulier Gesprekken zit in het model portfolio. U moet dit formulier eerst kopiëren. Kopieer het formulier zo vaak als u wilt. Zorg ervoor dat u genoeg lege bewijsformulieren hebt. Vul pas daarna het formulier in.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands geschreven? Dan doet u het briefje of formulier in het portfolio. U vult ook het bewijsformulier Schrijven in. U vindt dit bewijsformulier in het model portfolio.

Er zijn drie mogelijkheden voor het praktijkdeel van het examen:

Dan moet u 20 bewijzen verzamelen. Met deze bewijzen laat u zien dat u Nederlands hebt gepraat en geschreven. U moet deze bewijzen zelf verzamelen.

Als u klaar bent met verzamelen van bewijzen, dan moet u uw portfolio laten controleren. Als u 20 goede bewijzen hebt verzameld, dan krijgt u een panelgesprek. In het panelgesprek praat u over uw bewijzen. U moet ook een schrijfopdracht doen. U laat nog een keer zien dat u het Nederlands begrijpt en dat u Nederlands kunt spreken en schrijven.

U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen:

Burgerschap, OGO en Werk zoeken.

Dan moet u 10 bewijzen verzamelen. Met deze bewijzen laat u zien dat u Nederlands hebt gepraat en geschreven. U moet deze bewijzen zelf verzamelen.

U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen:

Burgerschap, OGO en Werk zoeken.

1 U krijgt een assessment over het onderwerp OGO. Daarnaast krijgt u een assessment over het onderwerp Burgerschap of over het onderwerp Werk zoeken

U moet de bewijzen voor het portfolio zelf verzamelen. U gaat zelf gesprekken voeren en u gaat zelf schrijven. U kunt hierbij wel hulp vragen.

U kunt ook kijken op www.inburgeren.nl

In uw model portfolio staan situaties. U moet in die situaties oefenen met het Nederlands. Het is belangrijk dat u in alle situaties oefent.

U hoeft niet van alle situaties een bewijs te verzamelen. U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen, namelijk: Burgerschap, OGO en Werk zoeken.

Hoeveel bewijzen moet u per onderwerp verzamelen? U hebt in totaal 10 of 20 bewijzen nodig. Kijk in het schema hieronder:

U moet oefenen met gesprekken, maar ook met schrijven. U moet dus bewijzen verzamelen van gesprekken én van schrijfproducten. Schrijfproducten zijn bijvoorbeeld formulieren en briefjes. U moet zeker 3 schrijfproducten hebben verzameld. Deze schrijfproducten moet u zelf hebben ingevuld.

Gebruik het Bewijsformulier Gesprekken en het Bewijsformulier Schrijven uit het model portfolio voor het verzamelen van uw bewijzen. Bewaar de bewijsformulieren en (een kopie van) de schrijfproducten goed in uw portfolio.

Voor een goed bewijs voor Gesprekken zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Voorbeeld: ‘gesprek met de buren’.

Op de volgende bladzijde staat een voorbeeld van een goed bewijs.

Waarom is dit een goed bewijs?

Voorbeeld: ‘gesprek met de buren’.

Voor een goed bewijs voor Schrijven zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Hieronder ziet u een goed bewijs voor schrijven. Het schrijfproduct zit er natuurlijk ook bij. Dit is een voorbeeld. U leest ook waarom het een goed bewijs is.

Voorbeeld: ‘inschrijven voor een cursus’.

Waarom is dit een goed bewijs?

U wilt uw portfolio inleveren bij de exameninstelling. U kunt uw portfolio opsturen of inleveren. De exameninstelling controleert of u genoeg bewijzen hebt verzameld. Ook controleert de exameninstelling of de bewijzen goed zijn.

Maak een kopie van uw portfolio voordat u het opstuurt naar de exameninstelling! Het is veilig om het portfolio aangetekend te versturen.

U gaat uw portfolio inleveren. U wilt natuurlijk dat het portfolio direct wordt goedgekeurd. Kijk daarom nog eens goed naar de volgende dingen:

Als u 20 goede bewijzen in uw portfolio hebt, krijgt u een panelgesprek. Dit is een gesprek over de bewijzen.

Het panelgesprek is bij een exameninstelling. U hebt een gesprek over uw portfolio. U moet laten zien dat u de bewijzen op een eerlijke manier hebt verzameld. U moet ook laten zien dat u voldoende Nederlands hebt geleerd. U moet praten over de bewijzen die u hebt verzameld. En u moet ook iets opschrijven.

De beoordeling van de exameninstelling is heel belangrijk. Als u een voldoende hebt, dan bent u voor de helft van het inburgeringsexamen geslaagd. U moet ook slagen voor het centrale deel van het inburgeringsexamen.

Als u ook het centrale deel goed hebt gedaan, bent u helemaal geslaagd voor het inburgeringsexamen. Dan krijgt u het inburgeringsdiploma.

Als u 10 goede bewijzen in uw portfolio hebt, moet u nog assessments doen.

Als u 10 bewijzen verzamelt, dan moet u 2 assessments doen. U kunt niet zelf kiezen welke assessments dat zijn.

De assessments kunt u doen bij een exameninstelling. Uw docent of de gemeente kan u vertellen welke exameninstellingen in de buurt zijn. In de assessments laat u zien dat u het Nederlands voldoende begrijpt en dat u voldoende Nederlands kunt spreken, lezen en schrijven.

De beoordeling van de exameninstelling is heel belangrijk. Als u een voldoende hebt, dan bent u voor de helft van het inburgeringsexamen geslaagd. U moet ook slagen voor het centrale deel van het inburgeringsexamen.

Als u ook het centrale deel goed hebt gedaan, bent u helemaal geslaagd voor het inburgeringsexamen. Dan krijgt u het inburgeringsdiploma.

Let op: Als u een klein portfolio hebt gemaakt, krijgt u geen panelgesprek over uw portfolio.

De exameninstelling bekijkt uw portfolio. Soms wordt een portfolio afgekeurd. Waarom kan het portfolio afgekeurd worden? Wat kunt u daar aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Gesprekken ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd door de exameninstelling. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hier aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Schrijven ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd door de exameninstelling. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hier aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw portfolio.

* = Hier kunt u geen bewijs van verzamelen.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw portfolio.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw dossier.

Beste heer, mevrouw,

Mensen die een andere moedertaal hebben dan het Nederlands, moeten in veel gevallen een inburgeringsexamen afleggen. Dat examen bestaat uit verschillende onderdelen. In één van die onderdelen moet de inburgeraar bewijzen dat hij in allerlei situaties in Nederland kan functioneren wat betreft zijn taalvaardigheid.

Bedankt voor uw hulp!

U hebt (beroepshalve) contact met deze inburgeraar.

Het kan gaan om een informatiegesprek, een verkoopgesprek, een aanvraag, het maken van een afspraak, noem maar op. Misschien komen er ook schriftelijke activiteiten aan bod, zoals het invullen van een formulier of het beantwoorden van een vragenlijst.

Het zijn dit soort situaties waarover de inburgeraar bewijzen moet verzamelen: hij moet aantonen dat hij deze taken in het Nederlands kan uitvoeren.

We willen graag weten of de communicatie goed verlopen is. Daarom vragen we u een paar vragen te beantwoorden over uw (taal)contact met deze inburgeraar. De vragen vindt u op het Bewijsformulier Gesprekken.

Het gaat er niet om dat de inburgeraar foutloos Nederlands moet praten. Grammaticafouten, een accent, het zoeken naar woorden, dat mag allemaal. Maar de inburgeraar moet wél in staat zijn om zelfstandig een gesprekje met u te voeren zonder hulp van een tolk. Misschien is er een beetje inspanning van beide kanten nodig, maar dan kunt u elkaar wel begrijpen.

Wij vragen u om de vragen onder op het bewijsformulier (onder 2. Voor de gesprekspartner) in te vullen. Het invullen van het formulier is niet verplicht. Als u niet wilt, hoeft u het formulier niet in te vullen. Als u het wel doet, helpt u de inburgeraar bij zijn examen.

U gaat een portfolio maken.

Een portfolio is een map met formulieren. We noemen deze formulieren bewijsformulieren. U gaat een portfolio OGO (Opvoeding, Gezondheid, Onderwijs) maken. U laat met het portfolio zien dat u goed bezig bent met uw inburgering in Nederland. U laat zien dat u het Nederlands begrijpt en dat u Nederlands kunt spreken en schrijven. Bijvoorbeeld dat u kunt praten met de arts van het consultatiebureau. Of dat u een sollicitatieformulier kunt invullen. U moet hiervan bewijzen verzamelen. Deze bewijsformulieren doet u in het portfolio.

Het portfolio hoort bij het praktijkdeel van het inburgeringsexamen. Verder is er nog een centraal deel van het inburgeringsexamen. De IB-Groep zorgt voor dit deel van het examen. U maakt zelf uw portfolio.

Het is belangrijk dat u goed Nederlands leert. U leert Nederlands op school, maar ook buiten school. Bijvoorbeeld op de peuterspeelzaal van uw kind of als u praat met uw buren. Als u veel oefent, leert u goed Nederlands. In het model portfolio OGO staat een lijst met situaties waarin u Nederlands gebruikt. Bijvoorbeeld als u praat met andere ouders of als u iets moet regelen bij de bank. Het is belangrijk dat u in zoveel mogelijk situaties oefent met het Nederlands.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands gepraat? Bijvoorbeeld met de huisarts? Dan vult u na het gesprek een bewijsformulier Gesprekken in. Dit formulier is het bewijs dat u Nederlands hebt gepraat met de huisarts. U vraagt ook aan de huisarts om het bewijsformulier in te vullen. De huisarts hoeft het formulier niet in te vullen als hij/zij dat niet wil.

Het bewijsformulier Gesprekken zit in het model portfolio. U moet dit formulier eerst kopiëren. Kopieer het formulier zo vaak als u wilt. Zorg ervoor dat u genoeg lege bewijsformulieren hebt. Vul pas daarna het formulier in.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands geschreven? Dan doet u het briefje of formulier in het portfolio. U vult ook het bewijsformulier Schrijven in. U vindt dit bewijsformulier in het model portfolio.

Er zijn drie mogelijkheden voor het praktijkdeel van het examen:

Dan moet u 20 bewijzen verzamelen. Met deze bewijzen laat u zien dat u Nederlands hebt gepraat en geschreven. U moet deze bewijzen zelf verzamelen.

Als u klaar bent met verzamelen van bewijzen, dan moet u uw portfolio laten controleren. Als u 20 goede bewijzen hebt verzameld, dan krijgt u een panelgesprek. In het panelgesprek praat u over uw bewijzen. U moet ook een schrijfopdracht doen. U laat nog een keer zien dat u het Nederlands begrijpt en dat u Nederlands kunt spreken en schrijven.

U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen:

Burgerschap, OGO en Werk zoeken.

U moet de bewijzen voor het portfolio zelf verzamelen. U gaat zelf gesprekken voeren en u gaat zelf schrijven. U kunt hierbij wel hulp vragen.

U kunt ook kijken op www.inburgeren.nl

In uw model portfolio staan situaties. U moet in die situaties oefenen met het Nederlands. Het is belangrijk dat u in alle situaties oefent.

U hoeft niet van alle situaties een bewijs te verzamelen. U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen, namelijk: Burgerschap, OGO en Werk zoeken.

Hoeveel bewijzen moet u per onderwerp verzamelen? U hebt in totaal 20 bewijzen nodig. Kijk in het schema hieronder:

U moet oefenen met gesprekken, maar ook met schrijven. U moet dus bewijzen verzamelen van gesprekken én van schrijfproducten. Schrijfproducten zijn bijvoorbeeld formulieren en briefjes. U moet zeker 3 schrijfproducten hebben verzameld. Deze schrijfproducten moet u zelf hebben ingevuld.

Gebruik het Bewijsformulier Gesprekken en het Bewijsformulier Schrijven uit het model portfolio voor het verzamelen van uw bewijzen. Bewaar de bewijsformulieren en (een kopie van) de schrijfproducten goed in uw portfolio.

Voor een goed bewijs voor Gesprekken zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Voorbeeld: ‘gesprek met de buren’.

Op de volgende bladzijde staat een voorbeeld van een goed bewijs.

Waarom is dit een goed bewijs?

Voorbeeld: ‘gesprek met de buren’.

Voor een goed bewijs voor Schrijven zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Hieronder ziet u een goed bewijs voor schrijven. Het schrijfproduct zit er natuurlijk ook bij. Dit is een voorbeeld. U leest ook waarom het een goed bewijs is.

Voorbeeld: ‘inschrijven voor een cursus’.

Waarom is dit een goed bewijs?

U wilt uw portfolio inleveren bij de exameninstelling. U kunt uw portfolio opsturen of inleveren. De exameninstelling controleert of u genoeg bewijzen hebt verzameld. Ook controleert de exameninstelling of de bewijzen goed zijn.

Maak een kopie van uw portfolio voordat u het opstuurt naar de exameninstelling! Het is veilig om het portfolio aangetekend te versturen.

U gaat uw portfolio inleveren. U wilt natuurlijk dat het portfolio direct wordt goedgekeurd. Kijk daarom nog eens goed naar de volgende dingen:

Als u 20 goede bewijzen in uw portfolio hebt, krijgt u een panelgesprek. Dit is een gesprek over de bewijzen.

Het panelgesprek is bij een exameninstelling. U hebt een gesprek over uw portfolio. U moet laten zien dat u de bewijzen op een eerlijke manier hebt verzameld. U moet ook laten zien dat u voldoende Nederlands hebt geleerd. U moet praten over de bewijzen die u hebt verzameld. En u moet ook iets opschrijven.

De beoordeling van de exameninstelling is heel belangrijk. Als u een voldoende hebt, dan bent u voor de helft van het inburgeringsexamen geslaagd. U moet ook slagen voor het centrale deel van het inburgeringsexamen.

Als u ook het centrale deel goed hebt gedaan, bent u helemaal geslaagd voor het inburgeringsexamen. Dan krijgt u het inburgeringsdiploma.

De exameninstelling bekijkt uw portfolio. Soms wordt een portfolio afgekeurd. Waarom kan het portfolio afgekeurd worden? Wat kunt u daar aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Gesprekken ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd door de exameninstelling. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hier aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Schrijven ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd door de exameninstelling. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hier aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw portfolio.

* = Hier kunt u geen bewijs van verzamelen.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw portfolio.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw dossier.

Beste heer, mevrouw,

Mensen die een andere moedertaal hebben dan het Nederlands, moeten in veel gevallen een inburgeringsexamen afleggen. Dat examen bestaat uit verschillende onderdelen. In één van die onderdelen moet de inburgeraar bewijzen dat hij in allerlei situaties in Nederland kan functioneren wat betreft zijn taalvaardigheid.

Bedankt voor uw hulp!

U hebt (beroepshalve) contact met deze inburgeraar.

Het kan gaan om een informatiegesprek, een verkoopgesprek, een aanvraag, het maken van een afspraak, noem maar op. Misschien komen er ook schriftelijke activiteiten aan bod, zoals het invullen van een formulier of het beantwoorden van een vragenlijst.

Het zijn dit soort situaties waarover de inburgeraar bewijzen moet verzamelen: hij moet aantonen dat hij deze taken in het Nederlands kan uitvoeren.

We willen graag weten of de communicatie goed verlopen is. Daarom vragen we u een paar vragen te beantwoorden over uw (taal)contact met deze inburgeraar. De vragen vindt u op het Bewijsformulier Gesprekken.

Het gaat er niet om dat de inburgeraar foutloos Nederlands moet praten. Grammaticafouten, een accent, het zoeken naar woorden, dat mag allemaal. Maar de inburgeraar moet wél in staat zijn om zelfstandig een gesprekje met u te voeren zonder hulp van een tolk. Misschien is er een beetje inspanning van beide kanten nodig, maar dan kunt u elkaar wel begrijpen.

Wij vragen u om de vragen onder op het bewijsformulier (onder 2. Voor de gesprekspartner) in te vullen. Het invullen van het formulier is niet verplicht. Als u niet wilt, hoeft u het formulier niet in te vullen. Als u het wel doet, helpt u de inburgeraar bij zijn examen.

Het inburgeringsexamen is samengesteld uit twee onderdelen: een praktijkdeel en een centraal deel. De assessments vormen samen met het portfolio het praktijkdeel van het inburgeringsexamen. De assessments bestaan uit meerdere onderdelen, zijn gebaseerd op werkelijke situaties, maar worden als simulatie afgenomen. In deze handleiding leest u hoe de assessments zijn opgebouwd en waar u op moeten letten als u de assessments afneemt.

In dit hoofdstuk maakt u kennis met het taalniveau van de assessments. Het betreft het niveau voor de vaardigheden ‘gesprekken voeren’, ‘schrijven’ en ‘lezen’. Dit zijn de vaardigheden die in de toetsen aan de orde komen.

Het taalniveau van de assessments is variabel. Dat wil zeggen dat nieuwkomers voor alle vaardigheden assessments moeten afleggen die voor alle vaardigheden op A2 zijn. Voor oudkomers geldt dat zij de keuze hebben tussen ofwel alle vaardigheden afsluiten met assessments op niveau A2 ofwel de mondelinge vaardigheden afsluiten op A2 en de schriftelijke vaardigheden op A1.

Oudkomers die na het behalen van het inburgeringsexamen willen naturaliseren tot Nederlander, moeten assessments op niveau A2 doen. De assessments sluiten aan op de keuze die oudkomers kunnen maken. Deze handleiding kunt u dan ook gebruiken voor oudkomers en nieuwkomers, onafhankelijk van het assessment-niveau dat ze krijgen.

Het is belangrijk om een goed beeld te hebben van het taalniveau van de assessments, omdat u uiteindelijk zult bepalen of een inburgeraar al dan niet het juiste taalniveau heeft en dus al dan niet geslaagd is voor de assessments.

Om een goed beeld te krijgen van wat de niveaus precies inhouden, volgt in dit hoofdstuk een grondige kennismaking; u moet immers niet alleen bepalen of de inburgeraar het niveau heeft behaald (A1 of A2), tijdens het afnemen van de toetsen zal uw eigen taalgebruik ook op niveau A2 moeten zijn.

Om te bepalen of iemand een taal beheerst op bijvoorbeeld niveau A2 moet worden uitgegaan van een niveaubeschrijving. De assessments zijn gebaseerd op het Raamwerk NT21 . Het Raamwerk NT2 is een bewerking van de niveaubeschrijvingen van het CEF (Common European Framework), herschikt en zo overzichtelijk mogelijk gepresenteerd en voorzien van een groot aantal voor NT2-leerders relevante voorbeelden.

Het Raamwerk NT2 beschrijft 5 niveaus, A1, A2, B1, B2, C1. Hieronder leest u een beschrijving van deze niveaus. Niveau A1 en A2 zijn vet gedrukt; dit zijn de niveaus waarop de kandidaten beoordeeld worden. Hierbij moet zoals eerder al gezegd is een onderscheid gemaakt worden tussen oudkomers en nieuwkomers. Voor u als toetsleider of assessor is A2 het belangrijkste niveau, omdat dit ook het taalniveau is dat u zelf moet hanteren. Het is ook heel goed om het onderliggende en bovenliggende niveau (A1 en B1) te bestuderen. Op die manier kunt u goed zien wat een inburgeraar ook, en wat een inburgeraar nog niet hoeft te kunnen om te functioneren op niveau A2.

De niveaus zijn cumulatief, dat wil zeggen dat de beheersing van een bepaald niveau inhoudt dat alles wat beschreven is op de onderliggende niveaus ook beheerst wordt.

In het Raamwerk NT2 is naast de globale niveaubeschrijving ook een gedetailleerde beschrijving van alle vaardigheden op alle niveaus opgenomen. Elke beschrijving begint met een algemeen beheersingsniveau, waarin u kunt lezen wat iemand moet kunnen op dit niveau. Daarna volgt een aantal subvaardigheden en descriptoren. Deze beschrijven de contexten en de omstandigheden waarin de vaardigheid getoond kan worden en vormen een verdere verfijning van het beheersingsniveau. Ten slotte wordt een aantal tekstkenmerken en/of strategieën beschreven. Voor een vaardigheid als gesprekken voeren zijn dit productieve en receptieve tekstkenmerken; voor deze vaardigheid wordt immers een beroep gedaan op zowel de spreek- als de luistervaardigheid van de inburgeraar. Voor receptieve vaardigheden als lezen en luisteren zijn, behalve de receptieve tekstkenmerken, ook de strategieën beschreven die kandidaten op dit niveau tot hun beschikking moeten hebben om lees- of luisterteksten te begrijpen. Voor de vaardigheid schrijven zijn productieve tekstkenmerken opgenomen.

In het inburgeringexamen staat het taalniveau van de ‘basisgebruiker’ centraal. Zoals eerder al vermeld, is voor nieuwkomers die zich vrijwillig in Nederland vestigen de norm van het inburgeringexamen op niveau A2 vastgesteld. Dit geldt voor alle taalvaardigheden: spreken, luisteren, gespreksvaardigheden, lezen en schrijven. Voor de oudkomers is de norm voor de mondelinge vaardigheid eveneens op A2 bepaald. Maar voor schriftelijke vaardigheden heeft een oudkomer de keuze: ofwel A1 ofwel A2.

Het is van belang dat de oudkomers die variant van de assessments maken die het beste aansluit bij hun niveau en wensen. Bij het maken van deze keuze speelt de onderwijsaanbieder een belangrijke rol. De onderwijsaanbieder moet de oudkomers goed adviseren over wat zij het beste kunnen doen, alles op A2 of de variant met de schriftelijke vaardigheden op A1.

Hieronder volgen de beschrijvingen van de vaardigheden die in de assessments aan de orde komen: lezen, gesprekken voeren en schrijven. Na elke beschrijving van een niveau vindt u een voorbeeld van een prestatie op dat niveau. Hiermee krijgt u een nog duidelijker beeld van wat een inburgeraar moet kunnen en hoe zo’n prestatie er uitziet.

Gesprekken Voeren A2

Kan communiceren over eenvoudige en alledaagse taken die een eenvoudige en directe uitwisseling van informatie over vertrouwde onderwerpen en activiteiten betreffen. Kan zeer korte sociale gesprekken aan, hoewel hij/zij gewoonlijk niet voldoende begrijpt om het gesprek zelfstandig gaande te houden.

Lezen A1

Kan vertrouwde namen, woorden en zeer eenvoudige zinnen begrijpen, bijvoorbeeld in mededelingen, op posters en in catalogi.

Lezen A2

Kan korte, eenvoudige teksten lezen. Kan specifieke voorspelbare informatie vinden in eenvoudige, alledaagse teksten zoals advertentie, menu’s en dienstregelingen. Kan korte, eenvoudige, persoonlijke brieven begrijpen.

Schrijven A1

Kan een korte, eenvoudige ansichtkaart schrijven, bijvoorbeeld voor het zenden van vakantiegroeten. Kan op formulieren persoonlijke details invullen, bijvoorbeeld naam, nationaliteit en adres op een inschrijvingsformulier noteren.

Schrijven A2

Kan korte, eenvoudige notities en boodschappen opschrijven. Kan een zeer eenvoudige, persoonlijke brief schrijven, bijvoorbeeld om iemand voor iets te bedanken.

De assessments zijn een onderdeel van het inburgeringexamen waaraan elke inburgeraar in Nederland in principe moet deelnemen. Ze worden ingezet ter afsluiting van inburgeringstrajecten voor oudkomers en nieuwkomers. De assessments testen mondelinge en schriftelijke taalvaardigheid in een functionele context die voor het dagelijkse bestaan en voor de maatschappelijke toekomst van de inburgeraar van belang is. De assessments beoordelen de taalvaardigheid van de inburgeraar binnen de domeinen Burgerschap, OGO (Opvoeding, Gezondheid en Onderwijs), Werk, Maatschappelijke Participatie (MP) en Ondernemerschap.

Voor elk domein zijn er cruciale praktijksituaties (CP’s) beschreven. Per cruciale praktijksituatie zijn assessments uitgewerkt. In Bijlage 1 vindt u een uitgebreide beschrijving van de cruciale praktijksituaties per domein. De CP’s zijn tot stand gekomen in nauw overleg met belanghebbenden: werkgevers, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en belangenorganisaties.

Er zijn assessments ontwikkeld voor de domeinen Burgerschap, OGO, Werk, Maatschappelijke Participatie en Ondernemerschap.

Elke inburgeraar moet twee assessments afleggen, in combinatie met het verzamelen van 10 bewijzen voor zijn/haar portfolio. Er kan echter ook voor gekozen worden om alleen de assessments of alleen het portfolio te doen. In dat geval moeten er respectievelijk 4 assessments worden afgelegd of 20 bewijzen worden verzameld. Het meest ideale scenario is een combinatie van beide.

Assessments in combinatie portfolio

Afhankelijk van het profiel van de inburgeraar, krijgt hij2 een combinatie van CP’s uit de verschillende domeinen. De inburgeraar krijgt in ieder geval een profiel specifiek assessment. Daarnaast krijgt de inburgeraar een assessment dat ad random wordt getrokken uit het domein Burgerschap of Werk zoeken/ Op zoek naar Vrijwilligerswerk.

Iemand die binnen het profiel OGO past, krijgt 1 CP uit het domein OGO. Daarnaast krijgt hij een CP uit het domein Burgerschap of het domein Werk zoeken. Een inburgeraar die binnen het profiel Werk past, krijgt 1 CP uit het domein Werk hebben (algemeen of specifiek) en daarnaast een CP uit het domein Burgerschap of het domein Werk zoeken. Een inburgeraar die binnen het profiel Maatschappelijke Participatie past, krijgt 1 CP uit het domein Maatschappelijke Participatie en een CP uit het domein Burgerschap of het domein Op zoek naar vrijwilligerswerk. Een inburgeraar die binnen het profiel Ondernemerschap past, krijgt 1 CP uit het domein Ondernemershap en daarnaast een CP uit het domein Burgerschap of het domein Werk zoeken.

Alleen assessments

Als een inburgeraar niet kiest voor de route van een combinatie van assessments met het verzamelen van bewijzen voor een portfolio, maar alleen assessments wil afleggen, dan moet hij 4 assessments afleggen. De inburgeraar krijgt twee profiel specifieke assessments, 1 assessment uit het domein Burgerschap en 1 assessment uit het domein Werk zoeken/Op zoek naar vrijwilligerswerk.

Bij niveau-verhoging moet de inburgeraar twee assessments afleggen. Hij krijgt een profielspecifiek assessment en een assessment dat ad random wordt getrokken uit het domein Burgerschap of het domein Werk zoeken/Op zoek naar vrijwilligerswerk.

De inburgeraar of onderwijsinstelling mag zelf bepalen op welk moment in het onderwijstraject de inburgeraar de assessments doet. In de route van een portfolio met assessments is het wel een voorwaarde dat het portfolio is goedgekeurd, voordat de assessments mogen worden aangeboden. De twee assessments die de inburgeraar in dit geval moet doen, kunnen op één dag worden aangeboden. Het is echter ook toegestaan om ze over meerdere dagen te spreiden.

Het selecteren van de assessments per inburgeraar

Bij het afleggen van assessments is het van belang dat een inburgeraar een steekproef krijgt voorgelegd van die situaties die ook kunnen voorkomen in het centrale deel van het examen. De inburgeraar is er dan ook bij gebaat dat hij zich zo goed mogelijk voorbereidt op alle mogelijke situaties in het centrale deel en in het decentrale deel. Daarom moet er bij de afname van assessments sprake zijn van een volstrekt willekeurige selectie van assessments, wel passend bij het profiel van de inburgeraar. Om te garanderen dat steeds at random een set assessments wordt geselecteerd, is een randomiseersysteem ontwikkeld. Via de website www.inburgeren.nl heeft de exameninstelling toegang tot dat randomiseersysteem: Aanmeldsysteem Praktijkexamens Inburgering. Voor de selectie van een set assessments gaat de exameninstelling als volgt te werk:

Na afname van de assessments dient het volgende materiaal op naam van de kandidaat te worden gearchiveerd: een kopie van het portfolio (in het geval van twee assessments), de schrijfopdrachten en de ingevulde beoordelingsformulieren uit de assessments. De bewaartermijn van deze materialen is vastgesteld op 3,5 jaar. De materialen dienen zorgvuldig te worden gearchiveerd bij de exameninstelling waar de kandidaat de assessments heeft gedaan. Als de exameninstelling ervoor kiest om opnames te maken van de spreekproducten3 , dan moeten ook deze opnames worden gearchiveerd.

Al het overige toetsmateriaal moet na afloop van de afname worden vernietigd. Dit om te voorkomen dat toetsen gaan zwerven, en dat hierdoor de geheimhouding niet meer gewaarborgd kan worden. Als de kandidaat geslaagd is voor het praktijkdeel krijgt hij zijn originele portfolio terug van de exameninstelling.

Elk assessment bestaat uit een versie voor de inburgeraar (het toetsboekje voor de kandidaat) en een instructie voor de toetsleider en de assessor.

In het toetsboekje voor de kandidaat staat aan het begin uitgelegd wat de inburgeraar moet doen in de toets. Daarna volgen de verschillende taken die de inburgeraar tijdens de toets moet uitvoeren. Per taak staan de situatie en de concrete taken die de inburgeraar moet uitvoeren binnen deze situatie beschreven.

De instructie voor de toetsleider en de assessor bestaat uit de volgende onderdelen:

In bijlage 2 vindt u een voorbeeld van een assessment.

Bij de afname van de assessments spelen de toetsleider en de assessor een belangrijke rol. De toetsleider neemt de toets af en voert dus tijdens de toets de gesprekken met de inburgeraar. Ook geeft de toetsleider voorafgaand aan de toets de instructie aan de inburgeraar. De assessor beoordeelt tijdens en na de afname de productie van de kandidaat. Indien nodig kan de assessor ingrijpen tijdens de afname.

Er is gekozen voor deze verdeling, omdat zo het onderscheid tussen begeleiden en uitvoeren aan de ene kant en beoordelen aan de andere kant zo zuiver mogelijk is gehouden.

Het is van belang dat de toetsleider en de assessor ruim voor de afname van elk assessment de instructie voor de toetsleider en de assessor doornemen, zodat zij weten wat er van hen wordt verwacht. De toetsleider en assessor moeten bij elk assessment een aantal belangrijke stappen doorlopen. Hieronder staan de verschillende stappen beschreven.

Aan het begin van elk assessment staat een algemene instructie beschreven. Het is belangrijk dat de toetsleider en de assessor deze instructie van te voren goed doorlezen. Deze instructie is voor alle assessments hetzelfde. In de algemene instructie wordt gevraagd om de handleiding en het toetsboekje voor de kandidaat goed door te lezen. Op deze manier krijgen de toetsleider en de assessor een goed beeld van wat er van hen en van de inburgeraar bij elk assessment verwacht wordt.

De assessments zijn gebaseerd op praktijksituaties. Dit betekent dat er een zo reëel mogelijke situatie moet worden nagebootst. Daarvoor is materiaal nodig. Na de algemene instructie staat in de instructie voor de toetsleider en de assessor het materiaal opgesomd dat nodig is voor de toetsafname. Het is belangrijk dat dit materiaal ruim voor de afname geïnventariseerd en verzameld wordt. Op die manier kan voorkomen worden dat tijdens de afname materiaal ontbreekt en er daardoor een rommelige situatie ontstaat, waardoor de inburgeraar wordt afgeleid.

Het gaat om praktijksituaties. Daarbij is het belangrijk dat deze situaties zo goed mogelijk worden nagebootst, zodat de inburgeraar het gevoel heeft dat hij ook echt in een bepaalde situatie zit. Bij ‘Inrichting van het lokaal’ leest u hoe het lokaal ingericht moet worden om de situatie zo goed mogelijk na te bootsen. Dit kan binnen één assessment per taak verschillen. Het is belangrijk dat het lokaal voorafgaand aan de toetsafname meteen goed wordt ingericht voor alle taken, zodat de toetsleider niet tijdens de afname met tafels en stoelen moet schuiven. Dit zou onrust veroorzaken tijdens de afname en de inburgeraar afleiden. Probeer een zo functioneel mogelijke omgeving te creëren. Als het assessment zich bijvoorbeeld in de postkamer afspeelt, zorg dan dat het lokaal (voor zover dat mogelijk is) er ook echt als een postkamer uitziet. Als u meerdere assessments na elkaar wilt afnemen, is het aan te raden om het lokaal of de verschillende lokalen van tevoren in te richten.

De toetsleider geeft de instructie. Dit wil zeggen dat hij samen met de inburgeraar het assessment doorneemt. De toetsleider geeft de instructie voor alle inburgeraars op dezelfde manier. Eerst geeft de toetsleider de algemene instructie, waarin hij uitlegt dat de inburgeraar een aantal toetsen gaat maken. Daarna geeft de toetsleider de inburgeraar eerst even de tijd om zelf rustig het toetsboekje en de verschillende taken te bekijken. Vervolgens geeft de toetsleider de instructie voor de eerste taak. De toetsleider leest de instructie voor. Hij controleert of de inburgeraar alles begrepen heeft. Indien nodig legt de toetsleider moeilijke woorden uit. Hij moet hierbij rekening houden met zijn taalgebruik (zie 3.6 Taalgebruik). Daarna laat de toetsleider de inburgeraar zelf uitleggen wat hij moet doen. Op deze manier kan worden gecontroleerd of de inburgeraar alles begrepen heeft. Als blijkt dat de inburgeraar de taak toch niet helemaal begrepen heeft, mag de toetsleider de opdracht nog één keer herhalen. De herhaling bestaat dan uit een kernachtige samenvatting van de belangrijkste informatie voor de uitvoering van de taak.

Als de inburgeraar klaar is met de eerste taak, geeft de toetsleider op dezelfde manier instructie voor de tweede taak, etc.

Het is belangrijk dat de toetsomstandigheden zoveel mogelijk vastliggen. Op die manier wordt voorkomen dat een toets voor de ene inburgeraar makkelijker zou worden dan voor de andere inburgeraar. Daarom is het belangrijk dat de toetsleider zich zoveel mogelijk houdt aan de voorgedrukte instructie en niet te veel uitweidt. Let op: de toetsleider kan de situatie en de taak uitleggen, maar kan niet ingaan op de inhoud van de opdracht zelf (leestekst, vragen en schrijfopdracht).

De toetsleider maakt aan de inburgeraar duidelijk dat hij tijdens de hele afname het toetsboekje voor de kandidaat bij zich mag houden.

In de instructie voor de toetsleider en de assessor leest u hoe het assessment verloopt. Hier staat per taak beschreven wat de toetsleider en de assessor moeten doen en wat de inburgeraar moet doen. Er staat beschreven waar de inburgeraar moet plaatsnemen en welk materiaal de toetsleider of assessor aan de inburgeraar moet geven. U leest hier ook hoe lang elke (schriftelijke) taak maximaal mag duren.

De kandidaten die deelnemen aan de assessments zijn mensen van wie verwacht wordt dat ze de mondelinge vaardigheden beheersen op niveau A2. Het is belangrijk dat de assessor en toetsleider hier rekening mee houden tijdens de instructie en tijdens de afname. Om hen daarbij te helpen zijn er ‘Richtlijnen voor het taalgebruik van de toetsleider en de assessor’ opgesteld. De toetsleider en assessor moeten zich aan deze richtlijnen houden. Daarnaast is er bij elke taak waarin gespreksvaardigheid getoetst wordt een gespreksleidraad opgenomen die de toetsleider moet gebruiken.

Het is belangrijk dat de toetsleider en de assessor hun taalgebruik aanpassen aan het taalniveau van de inburgeraar. Hieronder leest u waar de assessor en de toetsleider op moet letten tijdens de instructie en de afname.

Bij sommige taken moet de toetsleider zich inleven in een rol. Soms is hij de werkgever van de inburgeraar, soms de baliemedewerker bij de bank, etc. Bij dit onderdeel leest de toetsleider per taak welke rol hij moet spelen. Het is belangrijk dat de toetsleider zich zo goed mogelijk inleeft in deze rol, zodat de ‘situatie’ zo realistisch mogelijk is voor de inburgeraar.

Het is de bedoeling dat de gesprekken tussen de inburgeraar en de toetsleider natuurlijk verlopen. Om de toetsleider te helpen bij het voeren van het gesprek en om alle kandidaten een eerlijke kans te geven, is er bij de taken waarin gespreksvaardigheid wordt getoetst een gespreksleidraad opgenomen.

De toetsleider hoeft zich niet letterlijk aan de gespreksleidraad te houden. Mocht de inburgeraar iets niet begrijpen, dan kan de toetsleider van de tekst afwijken, zolang hij zich houdt aan de ‘richtlijnen voor het taalgebruik van de toetsleider en de assessor’. Af en toe mag hij een extra vraag stellen, als daardoor het gesprek weer beter gaat lopen. Het kan ook voorkomen dat de inburgeraar iets zegt dat niet verwacht of gepland was. Zolang het adequaat is in het kader van het gesprek, gaat de toetsleider gewoon in op het onderwerp dat de inburgeraar aanreikt, en stuurt dan weer terug naar de leidraad.

Let op:

Vermijd zo veel mogelijk gesloten vragen. Vragen als ‘Vindt u feestjes leuk?’ en ‘Kunt u morgen om 3 uur komen?’ zijn gesloten vragen. Deze vragen lokken geen productie uit bij de inburgeraar. Het enige wat de inburgeraar hier moet doen is ‘ja’ of ‘nee’ antwoorden. De inburgeraar mag niet volstaan met ‘ja’ of ‘nee’ of met een (gedeeltelijke) herhaling van de vraag als antwoord. Daarom moet de toetsleider open vragen stellen, bijvoorbeeld: ‘Wat vindt u van feestjes?’ of ‘Hoe laat kunt u komen?’

Hoewel er af en toe van de gespreksleidraad afgeweken mag worden, is het toch belangrijk dat de toetsleider zich zoveel mogelijk aan de gespreksleidraad probeert te houden. Dit om te voorkomen dat er van de ene inburgeraar meer wordt gevraagd dan van de andere inburgeraar, waardoor het voor de ene inburgeraar misschien moeilijker wordt dan voor de andere.

In dit hoofdstuk leest u over de rol van de assessor. Bij de afname van de assessments zijn minimaal drie mensen betrokken: de inburgeraar, de toetsleider en de assessor. De inburgeraar legt de toets af, de toetsleider geeft de instructie en zorgt voor de uitvoering van de toets. De assessor bewaakt tijdens de afname van de toets de kwaliteit en het verloop en beoordeelt na afloop de resultaten. De assessor grijpt tijdens de afname in als dit nodig is en hij beoordeelt na de afname de productie van de inburgeraar.

Tijdens de toetsafname kan het gebeuren dat de toetsleider bijvoorbeeld niet goed weet hoe hij verder moet, dat hij geen goed of te moeilijk taalgebruik hanteert, dat de inburgeraar vastloopt, etc. In deze gevallen is het de taak van de assessor om in te grijpen. De assessor geeft de toetsleider aanwijzingen om verder te gaan, hij beslist indien nodig of de inburgeraar bijvoorbeeld beter kan stoppen met een assessment of juist niet en hij spreekt de toetsleider aan op zijn taalgebruik. Dit zijn maar een aantal voorbeelden van de rol van de assessor.

De assessor beoordeelt samen met de toetsleider de productie van de inburgeraar. Maar de assessor is de hoofdbeoordelaar. Dit wil zeggen dat, in geval van twijfel of onenigheid, het oordeel van de assessor doorslaggevend is. De assessor mag om die reden dan ook niet de ‘eigen’ docent zijn van de kandidaat die het examen aflegt.

In dit hoofdstuk vindt u naast een korte uitleg over de keuze voor globale beoordeling een uitgebreide beschrijving bij het beoordelingsmodel zoals dat gebruikt wordt bij deze assessments.

Bij de assessments voor het inburgeringexamen is gekozen voor een globale beoordeling van de spreek- en schrijfprestaties. Voor deze vorm van beoordelen (waarbij de beoordelaar een oordeel geeft over het spreek- of schrijfproduct als geheel, en niet voor een analytische beoordeling, waarbij een beoordelaar een beoordeling geeft over alle afzonderlijke aspecten zoals bijvoorbeeld ‘grammatica’, ‘spelling’ en ‘coherentie’) is gekozen op grond van een aantal argumenten.

Ten eerste geldt het argument van de hanteerbaarheid. In het tijdsbestek van de afname en de beoordeling van de toets (bij voorkeur binnen een half uur) is dit natuurlijk van het grootste belang. Daarnaast is de ervaring dat een globale beoordeling zeker zo betrouwbaar is als een analytische beoordeling.

Voor de verschillende onderdelen van het assessment zijn beoordelingmodellen of sleutels opgesteld.

De leestaken bestaan uit teksten met multiple choice vragen. Per taak is een sleutel opgenomen. Voor schrijven en gespreksvaardigheid zijn er per taak beoordelingsmodellen opgenomen. Voor zowel schrijven als gespreksvaardigheid moet de assessor rekening houden met de beschrijving van het ‘Taalgebruik van de kandidaat’, zoals opgenomen in de paragrafen 6.3 en 6.4.

Bij het beoordelen van de gesprekstaken zet u steeds dezelfde drie stappen. Allereerst moet u bepalen of de spreekuiting van de inburgeraar verstaanbaar was. Als dit namelijk niet het geval is, kunt u niet verder beoordelen en is de inburgeraar gezakt voor de taak.

Nu zult u de inburgeraar waarschijnlijk in veel gevallen kunnen verstaan, aangezien u getrainde NT2-oren hebt ontwikkeld. Eigenlijk moet u altijd bedenken of een goedwillende Nederlander de inburgeraar ook zou kunnen verstaan. Als u dit aspect positief beoordeelt, gaat u verder naar de volgende stap.

In de tweede stap beoordeelt u of de spreekuiting een adequate reactie op de gestelde vragen was. Hier moet u bepalen of de antwoorden van de inburgeraar verband hielden met de opdracht, of er op de goede manier naar informatie werd gevraagd en of inhoudelijk de juiste antwoorden werden gegeven. Als de kandidaat afwijkt van de taak wordt hem dat niet aangerekend mits hij een zinvol gesprek voert en daarbij adequaat reageert op de gesprekspartner. Als u ook dit aspect positief beoordeelt, kunt u verder naar de laatste stap.

Wanneer voldoet de uiting aan taalniveau A2?

In de laatste stap beoordeelt u de vorm van de taaluiting door deze af te meten aan de omschrijvingen zoals die worden gegeven voor Gesprekken voeren A2 in het Raamwerk NT2. In deze omschrijving kunt u terugvinden welke woordenschat de inburgeraar geacht wordt te hebben, in welke mate er grammaticale correctheid dient te zijn, hoe de interactie op dit niveau dient te verlopen en hoe de vloeiendheid, de coherentie en de uitspraak op dit niveau moeten zijn. Zoals al eerder in deze handleiding is opgemerkt, kunt u deze niveauaanduidingen het beste in uw hoofd hebben tijdens de uitvoering van de taak. In het kader hieronder ziet u een uitwerking van de beoordelingsaspecten. De inburgeraar scoort een voldoende voor de gesprekstaak als alle drie de stappen met een ‘ja’ zijn afgesloten.

Bij de beoordeling van de schrijftaken zet u vergelijkbare stappen als bij de beoordeling van de gesprekstaken.

Allereerst constateert u of het schrijfproduct leesbaar is. Dit betekent dat het geschrevene in het Latijnse schrift is, dat u er Nederlandse woordvormen in ontdekt en dat u weet wat er staat. Bij positieve waardering vervolgt u met stap twee.

In stap twee beoordeelt u of het schrijfproduct voldoet aan de taakspecifieke kenmerken. Deze kenmerken worden omschreven in de taak. Hier kan het gaan om een juiste notatie, het op de goede plek schrijven van bepaalde informatie, etc. Over het algemeen geldt dat de taak positief beoordeeld kan worden als de gevraagde boodschap overkomt en passend is in de gegeven context. Echter, als een kandidaat een formulier moet invullen en daar niet zijn handtekening onder zet, dan beoordeelt u dit aspect als onvoldoende. Als een kandidaat zijn naam, adres en woonplaats moet noteren, dan moet dit volledig en zonder fouten zijn. Verder moet het formulier volledig worden ingevuld. Als u stap 2 met ‘ja’ beantwoordt, kunt u verder naar de laatste stap waarin u het schrijfproduct beoordeelt door het af te meten aan de omschrijvingen zoals die worden gegeven voor Schrijven A2. In deze omschrijving kunt u terugvinden aan welke minimale kenmerken het schrijfproduct moet voldoen. De aspecten waarop wordt beoordeeld, zijn woordenschat en woordgebruik, grammaticale correctheid, spelling en interpunctie en coherentie. In het kader hieronder ziet u een uitwerking van de beoordelingsaspecten.

De inburgeraar scoort een voldoende voor de schrijftaak als alle drie de stappen met een ‘ja’ zijn afgesloten.

Bij een aantal schrijftaken moet de inburgeraar een formulier invullen. Een formulier moet adequaat worden ingevuld, dat wil zeggen de boodschap moet overkomen. In geval van twijfel kan de beoordelaar een praktijkvoorbeeld als uitgangspunt nemen. De persoon van de instantie die de informatie zou moeten verwerken moet uit de voeten kunnen met de ingevulde gegevens, zonder nieuwe gegevens te hoeven opvragen aan de invuller.

De naw-gegevens (naam, adres en woonplaats) moeten correct worden genoteerd. Het formulier moet ook volledig worden ingevuld.

Wanneer is een inburgeraar geslaagd?

Zodra alle onderdelen van de toets zijn beoordeeld, wordt het beoordelingsmodel in het toetsboekje van de kandidaat ingevuld. Een inburgeraar heeft het assessment gehaald als hij voor alle onderdelen op alle beoordeelpunten ‘voldoende’ heeft gescoord. Om te slagen voor het inburgeringexamen moet de inburgeraar op alle twee of vier de assessments voldoende halen.

Wanneer stopt u met de afname van een assessment? In principe gaat u door met het afnemen van de toets, ook als de toets niet helemaal lekker loopt. Pas als de inburgeraar zelf aangeeft dat hij wil stoppen of als de inburgeraar over de maximale tijd heengaat, stopt u.

Moet u altijd alle twee of vier assessments in één keer afnemen? Nee. De inburgeraar moet op alle twee of alle vier de assessments een voldoende halen om te kunnen slagen voor dit deel van het examen. Als blijkt dat de inburgeraar het eerste assessment niet gehaald heeft, dan kunt u de afname stoppen. Als u de indruk heeft dat de kandidaat mogelijk wel de andere assessments kan halen, dan gaat u verder met de andere assessments. Als u de indruk heeft dat het examen op dat moment te hoog gegrepen is, dan kunt u al dan niet in overleg met de inburgeraar de rest van het examen verschuiven naar een later tijdstip. U zorgt in dat geval wel voor een geheime bewaring van de nog af te leggen assessments en vermijdt communicatie hierover met de docent.

Als de kandidaat klaar is met de assessments wordt de toetsafname beëindigd. De kandidaat krijgt nooit direct te horen of het examen behaald is, er volgt altijd een kort overleg tussen de toetsleider en de assessor. Vertel de kandidaat de procedure omtrent de uitslag van het examen.

Na vaststelling van de uitslag vult u het formulier beoordelingsformulier praktijkdeel in.

U voert de gegevens van bovengenoemd formulier in in het digitale randomiseersysteem. U geeft het formulier door aan de instellingsbeheerder. De instellingsbeheerder controleert aan de hand van het formulier of de resultaten door u correct zijn ingevoerd in het systeem. Vervolgens geeft de instellingsbeheerder een akkoord. Daarmee is de uitslag voor het praktijkdeel vastgesteld en kan deze worden meegedeeld aan de kandidaat.

In dit assessment voert u vier taken uit:

Taak 1: In het lokaal staan minimaal twee tafels. (Bij voorkeur is het lokaal ingericht als een klaslokaal (d.w.z. voorin staat het bureau van de docent en over het lokaal verspreid staan de tafels van de leerlingen, elk met een stoel). De ene tafel staat aan de ene kant van het lokaal. Aan de tafel staat een stoel. Op de tafel liggen het toetsboekje voor de kandidaat en een pen.

Taak 2, 3 en 4: Idem taak 1. Verderop in het lokaal staat de andere tafel met daaraan twee stoelen tegenover elkaar.

Taak 4: U speelt de rol van de klassendocent van de dochter van de kandidaat.

Taak 1: Laat de kandidaat plaatsnemen aan de tafel met het toetsboekje en de pen. De kandidaat krijgt voor deze taak maximaal 15 minuten de tijd.

Taak 2: Idem taak 1. De kandidaat krijgt voor deze taak maximaal 10 minuten de tijd.

Taak 3: Idem taak 1. De kandidaat krijgt voor deze taak maximaal 10 minuten de tijd.

Taak 4: Idem taak 1. Geef de kandidaat eerst maximaal 5 minuten de tijd om zich voor te bereiden op het gesprek. Laat de kandidaat vervolgens plaatsnemen buiten het lokaal. Neem zelf plaats achter de tafel met de twee stoelen. Het gesprek begint als de kandidaat het lokaal binnenkomt.

Hoe beoordeelt u dit assessment?

Voor de verschillende onderdelen van het assessment zijn beoordelingsmodellen opgesteld. Deze modellen staan hieronder. Bij iedere vaardigheid staat aangegeven waaraan het product moet voldoen. U beoordeelt voor elk onderdeel of de kandidaat het betreffende aspect in voldoende mate heeft uitgevoerd. U geeft dit aan door ‘voldoende’ of ‘onvoldoende’ te omcirkelen. Hiervoor gebruikt u de beoordelingsmodellen en sleutels.

Wanneer heeft een kandidaat het assessment gehaald?

Zodra u alle onderdelen hebt beoordeeld, kunt u het beoordelingsmodel in het toetsboekje van de kandidaat invullen.

Een kandidaat heeft het assessment gehaald als hij voor alle onderdelen op alle beoordeelpunten ‘voldoende’ heeft gescoord.

Leesvaardigheid – Sleutel

1 B

2 B

3 B

De kandidaat scoort ‘voldoende’ als hij minimaal 2 van de 3 vragen goed heeft beantwoord.

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Justitie.

Het inburgeringsexamen is samengesteld uit twee onderdelen: een decentraal deel en een centraal deel. In het decentraal deel moet de inburgeraar bewijzen verzamelen voor een portfolio. Het kan daarbij gaan om een portfolio met 20 bewijzen of een portfolio met 10 bewijzen. Het portfolio met 20 bewijzen wordt afgesloten met een panelgesprek. Een portfolio met 10 bewijzen wordt afgesloten met 2 assessments. In beide gevallen moet het portfolio vooraf worden goedgekeurd. Pas als het portfolio is goedgekeurd kan een kandidaat deelnemen aan een panelgesprek of kan hij assessments doen. De richtlijnen voor het goedkeuren van een portfolio vindt u in deze handleiding. Het document ‘Eindtermen Nederlandse Taal’, bijlage bij de Regeling inburgering, dient als leidraad bij de beoordeling van het portfolio en is leidend hierin.

Alleen gecertificeerde examinatoren mogen de controle van portfolio’s doen. Als het portfolio wordt afgesloten met een panelgesprek is het aan te bevelen dat de controle wordt uitgevoerd door die examinator die ook als toetsleider zal optreden tijdens het panelgesprek. Door de controle en het panelgesprek door dezelfde examinator te laten doen, zal de kwaliteit van het panelgesprek toenemen. Tijdens de controle van het portfolio kunnen immers de bewijzen al worden geselecteerd waarover de kandidaat in het panelgesprek kan worden bevraagd.

Het originele portfolio wordt naar de exameninstelling opgestuurd. Een gecertificeerde examinator controleert het portfolio op volledigheid en geschiktheid. Voldoet het portfolio aan de eisen, dan kunnen het panelgesprek of de assessments worden aangevraagd. Het originele portfolio blijft in de tussentijd in het bezit van de exameninstelling.

Het is aan te raden dat kandidaten een kopie van het portfolio maken voordat zij het origineel opsturen aan de exameninstelling. Verder is het aan te bevelen dat de portfolio’s, zowel door kandidaten als door exameninstellingen, aangetekend worden verstuurd.

Het portfolio moet gezien worden als een examendossier. De belangrijkste functie van een examendossier is dat de eigenaar ermee kan aantonen dat hij de eindtermen van het inburgeringsexamen beheerst, in dit geval de CP’s en de daarbij horende CH’s. Met het beoordelen van het portfolio moet dat gecontroleerd worden. De examinator beoordeelt het portfolio eerst op volledigheid. Dit betekent dat het aantal bewijzen uit het portfolio voldoet aan het minimale aantal dat voor het gekozen profiel verzameld moet worden. Er mag in geen enkel geval gecompenseerd worden, het minimale aantal per onderwerp zoals hieronder beschreven moet in het portfolio aanwezig zijn. Komt de examinator voor een bepaald onderwerp bewijzen tekort, dan kan de inburgeraar nog geen panelgesprek voeren of assessments doen. Het portfolio wordt, met de reden van afkeuring, teruggestuurd naar de inburgeraar.

In het portfolio moeten bewijzen voorkomen van zowel schrijfvaardigheid als gespreksvaardigheid. De bewijsformulieren moeten volledig zijn ingevuld (gedeelte voor de inburgeraar). De schrijfproducten moeten door de kandidaat zelf zijn ingevuld (dus geen leesbewijzen). Er moeten minimaal 3 schrijfbewijzen worden ingeleverd en minimaal 1 gespreksbewijs. Verder ligt de verdeling van de vaardigheden niet vast.

Nadat de examinator het aantal bewijzen heeft gecontroleerd, bekijkt de examinator of de verzamelde bewijzen geschikt zijn aan de hand van het document ‘Eindtermen Nederlandse Taal’, bijlage bij de Regeling inburgering. Bij de controle van de geschiktheid van de bewijzen, hanteert de examinator de volgende criteria:

Inhoud:

Bewijzen in een portfolio moeten direct gekoppeld zijn aan de Cruciale Handelingssituaties. Een bewijs bewijst dat een cruciale handeling in de echte praktijk is uitgevoerd. Het is niet toegestaan om zelf handelingen toe te voegen. Zo komen bijvoorbeeld gesprekken in de winkel niet voor in de CP’s en CH’s en kan van een gesprek met een verkoopster geen bewijs worden overlegd (zie ook paragraaf 4.5).

Daarnaast moet ook goed gelet worden op de vaardigheid die bij de cruciale handeling vermeld staat (zie eindtermen). Als bijvoorbeeld de vaardigheid gesprekken voeren niet bij een cruciale handeling is opgenomen, kan er ook geen gespreksbewijs voor die handeling worden ingediend.

Alleen daar waar in het model portfolio vermeld staat dat een telefoongesprek is toegestaan, is een telefoongesprek toegestaan. In alle andere gevallen dient het gesprek op de juiste locatie verzameld te worden.

Actualiteit:

Bewijzen moeten na augustus 2006 zijn verkregen, en ze mogen niet ouder zijn dan 5 jaar. Als bewijs moet het bewijsformulier gespreksvaardigheid in het portfolio zijn opgenomen. Bij dit bewijs mag een opname van het gesprek zijn toegevoegd, dit is echter niet verplicht.

Authenticiteit:

De bewijzen moeten zijn verkregen in de echte praktijk. Bewijzen uit een simulatie, bijvoorbeeld een nagebootst gesprek in de les, komen niet in aanmerking om op te nemen in het portfolio. Gesprekken moeten gevoerd worden met echte functionarissen uit de praktijk. Het is niet toegestaan dat (NT2-) docenten de rol vervullen van praktijkfunctionaris. In het document ‘eindtermen taal’ staat vermeld op welke locatie het bewijs verzameld kan worden (bijvoorbeeld politiebureau) en met welke functionaris gesproken moet worden (bijvoorbeeld de politieagent).

Bewijzen die zijn verzameld op een stageplaats of vrijwilligerswerk worden wel geaccepteerd.

Inhoud:

Bewijzen in een portfolio moeten direct gekoppeld zijn aan de Cruciale Handelingssituaties. Een bewijs bewijst dat een cruciale handeling in de echte praktijk is uitgevoerd. Het is niet toegestaan om zelf handelingen toe te voegen. Daarbij moet ook goed gelet worden op de vaardigheid die bij de cruciale handeling vermeld staat (zie eindtermen). Als de vaardigheid schrijven niet bij een cruciale handeling is opgenomen, kan er ook geen schrijfbewijs voor die handeling worden ingediend.

Actualiteit:

Bewijzen moeten na augustus 2006 zijn verkregen, en ze mogen niet ouder zijn dan 5 jaar.

Authenticiteit:

Schrijfbewijzen moeten zijn verkregen in de echte praktijk. Bewijzen uit een simulatie, bijvoorbeeld een schrijfopdracht uit een NT2-methode, mogen niet worden opgenomen in het portfolio. Het gaat om authentieke briefjes, formulieren en vragenlijsten etc.

Schrijfbewijzen die zijn verzameld op een stageplaats/vrijwilligerswerk worden wel geaccepteerd.

Bewijsformulieren:

Als bewijs van schriftelijke vaardigheid geldt het schrijfproduct zelf. Het kan daarbij gaan om briefjes, ingevulde formulieren, ingevulde vragenlijsten etc. De originele versie van het schrijfproduct mag worden toegevoegd aan het portfolio, kandidaten mogen echter ook een kopie in het portfolio stoppen en het origineel bewaren. De schrijfproducten mogen handgeschreven zijn of geprint.

Als er formulieren, invulstrookjes of vragenlijsten etc. worden ingeleverd als schrijfproduct dan moeten deze wel zijn ingevuld. Ze hoeven niet compleet te zijn ingevuld (een serieuze poging), maar een leeg formulier kan niet worden geaccepteerd als schrijfbewijs.

Schrijfproducten moeten altijd vergezeld zijn van een ingevuld bewijsformulier schrijfvaardigheid. Alleen op die manier kan gecontroleerd worden bij welke CP en CH het ingediende schrijfproduct een bewijs vormt. Meerdere schrijfproducten van eenzelfde CH gelden als één bewijs.

Er is een aantal bewijzen dat niet direct onder gespreksvaardigheid of schrijfvaardigheid valt, bijvoorbeeld ‘Ik pin geld bij de bank’. Bij deze CH is een pinbon toegestaan als bewijs. In het modelportfolio staat aangegeven welke CH’s het betreft en welke bewijzen daarbij zijn toegestaan. Het gaat daarbij om de volgende handelingssituaties:

Een CH kan zowel een gespreksbewijs als een schrijfbewijs opleveren (mits toegestaan volgens de eindtermen). Beide bewijzen tellen dan als apart bewijs mee. De schrijfproducten moeten door de kandidaat zelf zijn ingevuld (dus geen leesbewijzen). Er moeten minimaal 3 schrijfbewijzen worden ingeleverd en minimaal 1 gespreksbewijs. Verder ligt de verdeling van de vaardigheden niet vast.

Tijdens het afsluitende panelgesprek en de assessments worden beide vaardigheden bevraagd en beoordeeld.

De praktijksituaties zoals vermeld in de modelportfolio’s zijn leidend. Deze praktijksituaties zijn afgeleid van de officieel vastgestelde eindtermen (Eindtermen Nederlandse Taal’, bijlage de Regeling inburgering). Dit betekent dat er alleen bewijzen mogen worden ingeleverd die samenhangen met de genoemde praktijksituaties. Met andere woorden; inburgeraars mogen geen nieuwe praktijksituaties toevoegen of praktijksituaties wijzigen. Deze regel mag met enige soepelheid worden gehanteerd. Een gesprek met de huisarts mag worden bewezen door een gespreksbewijs van een specialist of een fysiotherapeut bijvoorbeeld. Belangrijk daarbij is dat de gesprekspartner een vergelijkbare functie uitoefent en het doel van het gesprek hetzelfde is. In een gesprek met de huisarts of met een specialist gaat het in beide gevallen bijvoorbeeld om ‘informatie uitwisselen’.

Daar waar gesproken wordt over bijvoorbeeld collega’s of buren, is een bewijs met 1 collega of 1 buurman of buurvrouw voldoende.

In de bijlage bij deze handleiding is het ‘Bewijsformulier Gesprekken’ en het ‘Bewijsformulier Schrijven’ als voorbeeld toegevoegd. In deze paragraaf worden richtlijnen gegeven voor het invullen van deze formulieren. Alle bewijsformulieren die in het portfolio worden opgenomen, dienen originelen te zijn.

Alleen de bewijsformulieren die in het modelportfolio zijn opgenomen, worden toegestaan. Formulieren die door de onderwijsinstelling of exameninstelling zelf zijn ontworpen, worden niet toegestaan.

Het bewijsformulier gesprekken bestaat uit een deel voor de inburgeraar en een deel voor de gesprekspartner. Het deel voor de inburgeraar moet altijd volledig zijn ingevuld en door de kandidaat zelf (1 handschrift). Het deel voor de gesprekspartner is bij voorkeur ook ingevuld, dit deel is echter niet verplicht. Er hoeft ook geen stempel van de instantie op te staan. Het gedeelte van de gesprekspartner mag niet door de inburgeraar worden ingevuld (ook niet bij een telefoongesprek).

Meerdere bewijzen kunnen door eenzelfde gesprekspartner zijn ingevuld, zolang het aannemelijk is dat iemand die taalhandelingen binnen zijn functie gebruikt. Met dezelfde gemeenteambtenaar kunnen dus gesprekjes over meerdere onderwerpen binnen de CP ‘gemeentelijke instanties’ gevoerd worden. Het is echter niet aannemelijk dat met deze persoon gepraat is over de ontwikkeling van je kind binnen de CP ‘de speelzaal’.

Het bewijsformulier schrijven moet altijd volledig zijn ingevuld en door de kandidaat zelf (1 handschrift). Bij het originele bewijsformulier schrijven is een origineel of kopie gevoegd van het schrijfproduct dat erbij hoort. Het kan daarbij gaan om een briefje, een ingevulde vragenlijst, een ingevuld formulier etc.

Tijdens het controleren van de bewijzen bekijkt de examinator of het aantal ingediende bewijzen klopt binnen het profiel van de betrokken inburgeraar en of de bewijzen voldoen aan de gestelde criteria. Tijdens deze controle hoeven de bewijzen niet taalinhoudelijk gecontroleerd te worden. Als je bijvoorbeeld ziet dat een geboortedatum niet klopt, dat iets is vergeten of dat de meterstand niet goed is ingevuld, is dat geen reden een bewijs af te keuren. Tijdens het panelgesprek en de assessments wordt de inburgeraar op zijn taalniveau getoetst.

Voldoet een bewijsformulier niet aan de gestelde criteria, dan wordt het bewijs afgekeurd. Zolang het totale aantal bewijzen voldoet aan het minimale aantal per onderwerp te verzamelen, heeft dit geen gevolgen voor de goedkeuring van het portfolio. Voldoet het aantal niet meer aan het minimum, dan wordt het portfolio, met een lijstje met verbeterpunten, teruggestuurd naar de inburgeraar. De inburgeraar kan dan aan de hand van de feedback het bewijsformulier aanvullen of één of meerdere nieuwe bewijzen/bewijsformulieren toevoegen.

Na goedkeuring van het portfolio kan de examinator het beoordelingsformulier praktijkdeel voor een gedeelte invullen. Dit beoordelingsformulier vindt u achter in het model portfolio. Om het decentrale deel van het inburgeringsexamen af te sluiten kan men nu een panelgesprek of een set assessments aanvragen. De werkwijze hiervoor staat beschreven in de Handleiding Panelgesprek resp. Handleiding Assessments.

Het inburgeringsexamen is samengesteld uit twee onderdelen: een decentraal deel en een centraal deel.

Er zijn verschillende manieren waarop inburgeraars het decentraal deel kunnen invullen. Ze kunnen ervoor kiezen een combinatie te maken tussen het verzamelen van 10 bewijzen voor hun portfolio en vervolgens twee assessments te doen. Ze kunnen ervoor kiezen alleen assessments te doen (dan moeten ze vier assessments doen). Of ze kunnen ervoor kiezen alleen hun portfolio te vullen. Dan moeten ze twintig bewijzen verzamelen en een panelgesprek houden over hun verzamelde bewijzen.

Het panelgesprek is een gesprek over het portfolio van de inburgeraar. Tijdens dit gesprek gaat u na of de inburgeraar voldoende Nederlands heeft geleerd en of hij/zij de bewijzen uit het portfolio op een eerlijke manier heeft verzameld. Ook controleert u of de kandidaat over het vereiste taalniveau beschikt: alle vaardigheden op niveau A2 als het een nieuwkomer betreft. Als het gaat om een oudkomer dan heeft die de keuze tussen ofwel alle vaardigheden afsluiten op niveau A2 ofwel ervoor te kiezen de mondelinge vaardigheden af te sluiten op niveau A2 en de schriftelijke vaardigheden op niveau A1. Let op: het panelgesprek mag uitsluitend worden afgenomen door gecertificeerde Examinatoren Inburgering.

In deze handleiding leest u hoe het panelgesprek verloopt en waar u op moet letten als u het panelgesprek voert.

Het panelgesprek bestaat uit twee delen. Een mondeling deel en een schriftelijk deel. Bij het schriftelijke deel wordt er onderscheid gemaakt tussen A1 en A2. Het is dus van belang dat u van een oudkomer van te voren weet op welk niveau hij/zij het examen wil gaan afleggen.

In dit hoofdstuk maakt u kennis met het taalniveau van het panelgesprek. Het betreft het niveau voor de vaardigheden ‘gesprekken voeren’ en ‘schrijven’. Dit zijn de vaardigheden die in het panelgesprek aan de orde komen.

Het taalniveau van het panelgesprek is A2. Nieuwkomers moeten voor alle vaardigheden niveau A2 hebben. Voor oudkomers geldt dat zij A2 moeten hebben voor de mondelinge vaardigheden en minimaal A1 voor de schriftelijke vaardigheden. Deze handleiding kunt u gebruiken voor oudkomers en nieuwkomers.

Het is belangrijk om een goed beeld te hebben van het taalniveau van het panelgesprek, omdat u uiteindelijk zult bepalen of een inburgeraar al dan niet het juiste taalniveau heeft en dus al dan niet geslaagd is voor het panelgesprek, en daarmee voor het decentrale deel van het inburgeringsexamen.

Om een goed beeld te krijgen van wat de niveaus precies inhouden, volgt in dit hoofdstuk een grondige kennismaking; u moet immers niet alleen bepalen of de inburgeraar het niveau heeft behaald (A1 of A2), tijdens het voeren van het panelgesprek zal uw eigen taalgebruik ook op niveau A2 moeten zijn.

Om te bepalen of iemand een taal beheerst op bijvoorbeeld niveau A2 moet worden uitgegaan van een niveaubeschrijving. Het panelgesprek is gebaseerd op het Raamwerk NT21 . Het Raamwerk NT2 is een bewerking van de niveaubeschrijvingen van het CEF (Common European Framework), herschikt en zo overzichtelijk mogelijk gepresenteerd en voorzien van een groot aantal voor NT2-leerders relevante voorbeelden.

Het Raamwerk NT2 beschrijft 5 niveaus: A1, A2, B1, B2, C1. Hieronder leest u een beschrijving van deze niveaus. Niveau A1 en A2 zijn vet gedrukt; dit zijn de niveaus waarop de kandidaten beoordeeld worden. Hierbij moet zoals eerder al gezegd is een onderscheid gemaakt worden tussen oudkomers en nieuwkomers. Voor u als toetsleider of assessor is A2 het belangrijkste niveau, omdat dit ook het taalniveau is dat u zelf moet hanteren. Het is ook heel goed om het onderliggende en bovenliggende niveau (A1 en B1) te bestuderen. Op die manier kunt u goed zien wat een inburgeraar ook, en wat een inburgeraar nog niet hoeft te kunnen om te functioneren op niveau A2.

De niveaus zijn cumulatief, dat wil zeggen dat de beheersing van een bepaald niveau inhoudt dat alles wat beschreven is op de onderliggende niveaus ook beheerst wordt.

In het Raamwerk NT2 is naast de globale niveaubeschrijving ook een gedetailleerde beschrijving van alle vaardigheden op alle niveaus opgenomen. Elke beschrijving begint met een algemeen beheersingsniveau, waarin u kunt lezen wat iemand moet kunnen op dit niveau. Daarna volgt een aantal subvaardigheden en descriptoren. Deze beschrijven de contexten en de omstandigheden waarin de vaardigheid getoond kan worden en vormen een verdere verfijning van het beheersingsniveau. Ten slotte wordt een aantal tekstkenmerken en/of strategieën beschreven. Voor een vaardigheid als gesprekken voeren zijn dit productieve en receptieve tekstkenmerken; voor deze vaardigheid wordt immers een beroep gedaan op zowel de spreek- als de luistervaardigheid van de inburgeraar. Voor de vaardigheid schrijven zijn productieve tekstkenmerken opgenomen.

In het inburgeringexamen staat het taalniveau van de ‘basisgebruiker’ centraal. Zoals eerder al vermeld, is voor nieuwkomers die zich vrijwillig in Nederland vestigen de norm van het inburgeringexamen op niveau A2 vastgesteld. Dit geldt voor alle taalvaardigheden: spreken, luisteren, gespreksvaardigheid, lezen en schrijven. Voor de oudkomers is de norm voor de mondelinge vaardigheid eveneens op A2 gesteld. Maar voor schriftelijke vaardigheden wordt het lagere niveau A1 gevraagd. De meeste communicatie vindt mondeling plaats. Een minimumniveau van A2 is dan noodzakelijk. Omdat een deel van de oudkomers – met name de eerste generatie – laag opgeleid of analfabeet is, worden minder hoge eisen aan de schriftelijke vaardigheden van deze groep gesteld.

Er zijn echter oudkomers die ook de schriftelijke vaardigheden op niveau A2 beheersen. Daarom is besloten dat oudkomers, indien zij dat zouden willen, er ook voor kunnen kiezen om zowel schriftelijke als mondelinge vaardigheden op A2 te doen.

Het is van belang dat de oudkomers die variant van het panelgesprek uitvoeren die het beste aansluit bij hun niveau. Bij het maken van deze keuze speelt de onderwijsaanbieder een belangrijke rol. De onderwijsaanbieder moet de oudkomers goed adviseren over wat zij het beste kunnen doen, alles op A2 of de variant met de schriftelijke vaardigheden op A1.

Hieronder volgen de beschrijvingen van de vaardigheden die in het panelgesprek aan de orde komen: gesprekken voeren en schrijven. Na elke beschrijving van een niveau vindt u een voorbeeld van een prestatie op dat niveau. Hiermee krijgt u een nog duidelijker beeld van wat een inburgeraar moet kunnen en hoe zo’n prestatie eruit ziet.

Gesprekken Voeren A2

Kan communiceren over eenvoudige en alledaagse taken die een eenvoudige en directe uitwisseling van informatie over vertrouwde onderwerpen en activiteiten betreffen. Kan zeer korte sociale gesprekken aan, hoewel hij/zij gewoonlijk niet voldoende begrijpt om het gesprek zelfstandig gaande te houden.

Schrijven A1

Kan een korte, eenvoudige ansichtkaart schrijven, bijvoorbeeld voor het zenden van vakantiegroeten. Kan op formulieren persoonlijke details invullen, bijvoorbeeld naam, nationaliteit en adres op een inschrijvingsformulier noteren.

Schrijven A2

Kan korte, eenvoudige notities en boodschappen opschrijven. Kan een zeer eenvoudige, persoonlijke brief schrijven, bijvoorbeeld om iemand voor iets te bedanken.

Het panelgesprek is een onderdeel van het decentrale deel van het inburgeringexamen. Een inburgeraar kan het decentrale deel van het inburgeringsexamen op drie manieren afsluiten. De eerste mogelijkheid is dat de inburgeraar een portfolio vult met 20 bewijzen en een afsluitend panelgesprek voert. De tweede mogelijkheid is een portfolio met 10 bewijzen met als afsluiting twee assessments. De laatste mogelijkheid is het uitvoeren van vier assessments zonder portfolio. Het panelgesprek speelt dus alleen een rol in de route met 20 portfoliobewijzen, zonder assessments.

Voorafgaand aan het panelgesprek moet de exameninstelling controleren of de inburgeraar 20 bewijzen heeft verzameld binnen de verschillende domeinen. Voor de verschillende profielen ziet de verdeling er als volgt uit:

In het panelgesprek wordt de mondelinge en schriftelijke taalvaardigheid in de functionele context van de portfoliobewijzen beoordeeld. Het panelgesprek beoordeelt de taalvaardigheid van de inburgeraar binnen de domeinen Burgerschap, OGO (Opvoeding, Gezondheid en Onderwijs), Werk, Maatschappelijke Participatie, Ondernemerschap en SMPD (Sociaal-maatschappelijke en pastorale dienstverlening). Voor elk domein zijn er cruciale praktijksituaties (CP’s) beschreven. De CP’s zijn tot stand gekomen in nauw overleg met belanghebbenden: werkgevers, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en belangenorganisaties.

Het panelgesprek kan gevoerd worden over de domeinen Burgerschap, OGO, Werk, Maatschappelijke Participatie, Ondernemerschap of SMPD. Afhankelijk van de keuze van het profiel van de inburgeraar besluit u over welke domeinen u het panelgesprek laat gaan. U kijkt ook naar de bewijzen die verzameld zijn. Als u twijfel heeft over de zelfstandigheid waarmee de bewijzen zijn verzameld door de kandidaat, kan dat ook een reden zijn hier dieper op in te gaan. Het panelgesprek kan zo dienst doen als een goede voorbereiding op het centrale deel.

Voordat het panelgesprek plaatsvindt, controleert een aangewezen exameninstelling het portfolio op volledigheid. De controle wordt uitgevoerd door een gecertificeerde examinator van de exameninstelling. Aanwijzingen hiervoor kunt u vinden in de Handleiding Portfolio. De controle is niet gericht op taalniveau. De inburgeraar moet een portfolio overhandigen waar zelfstandig aan gewerkt is en dat tenminste 20 bewijzen bevat van uitgevoerde schrijf- en spreektaken binnen de verschillende CP’s. Wordt het portfolio goedgekeurd, dan kan de inburgeraar deelnemen aan het panelgesprek. Tijdens het panelgesprek mag de examinator zelf bepalen welke bewijzen bevraagd worden.

Via de website www.inburgeren.nl kan de aangewezen persoon van uw exameninstelling de kandidaat aanmelden voor het panelgesprek. Op de website moeten, behalve de NAW-gegevens van de kandidaat, ook gegevens worden ingevuld over het behalen van het portfolio, het profiel van de kandidaat, het niveau waarop examen wordt gedaan en de route die de kandidaat heeft gekozen (in dit geval de route van alleen het portfolio). Via de website krijgt u dan at random een set opdrachten toegewezen. Het betreft spreek- en schrijfopdrachten. U kiest vervolgens zelf op welke verzamelde bewijzen uit het portfolio u de spreekopdrachten betrekking laat hebben. De kandidaat kan de schrijfbewijzen zelf kiezen. Kies daarbij voor zoveel mogelijk spreiding en variatie.

Verzeker u ervan, dat de persoon die voor u zit ook daadwerkelijk de inburgeringsplichtige persoon is die het panelgesprek moet uitvoeren. Bekijk of de naam van het legitimatiebewijs dezelfde is als de naam op het portfolio.

In het Aanmeldsysteem Praktijkexamens Inburgering kunt u een algemene instructie voor het panelgesprek vinden. Het is belangrijk dat de toetsleider en de assessor deze instructie van tevoren goed doorlezen. Deze instructie is voor alle panelgesprekken hetzelfde. In de algemene instructie wordt tevens gevraagd om onderhavige handleiding goed door te lezen. Op deze manier krijgen de toetsleider en de assessor een goed beeld van wat er van hen en van de inburgeraar bij elk panelgesprek verwacht wordt.

In de algemene instructie van het panelgesprek staat het materiaal opgesomd dat nodig is voor de toetsafname. Het is belangrijk dat dit materiaal ruim voor de afname klaarligt. Op die manier kan voorkomen worden dat tijdens de afname materiaal ontbreekt en er daardoor een rommelige situatie ontstaat, waardoor de inburgeraar wordt afgeleid.

Het is belangrijk dat het lokaal voorafgaand aan de toetsafname meteen goed wordt ingericht voor alle taken, zodat de toetsleider niet tijdens de afname met tafels en stoelen moet schuiven. Dit zou onrust veroorzaken tijdens de afname en de inburgeraar afleiden.

In de algemene instructie leest u hoe het panelgesprek verloopt. Hier staat per taak beschreven wat de toetsleider en de assessor moeten doen en wat de inburgeraar moet doen. Er staat beschreven waar de inburgeraar moet plaatsnemen en welk materiaal de toetsleider of assessor aan de inburgeraar moet geven. U leest hier ook hoe lang elke (schriftelijke) taak maximaal mag duren. Aanbevolen wordt om een geluids- of video-opname te maken van het onderdeel ‘gesprekken voeren’. Een opname biedt de toetsleider en de assessor de mogelijkheid om in geval van twijfel het gesprek nog een keer te beluisteren. Bovendien leveren opnames een exameninstelling extra houvast in het geval een kandidaat in beroep gaat tegen de uitslag van het panelgesprek. Het maken van opnames is niet verplicht.

Na afronding van het panelgesprek dient het volgende materiaal op naam van de kandidaat te worden gearchiveerd: een kopie van het portfolio, de schrijfopdrachten gemaakt tijdens het panelgesprek en het ingevulde beoordelingsformulier uit het model portfolio. De bewaartermijn van deze materialen is vastgesteld op 3,5 jaar. De materialen dienen zorgvuldig te worden gearchiveerd bij de exameninstelling waar de kandidaat zijn panelgesprek heeft afgelegd. Als de exameninstelling ervoor kiest om opnames te maken van het panelgesprek, dan moeten ook de opnames worden gearchiveerd. Als de kandidaat geslaagd is voor het praktijkdeel krijgt hij zijn originele portfolio terug van de exameninstelling.

De kandidaten die deelnemen aan het panelgesprek zijn mensen van wie verwacht wordt dat ze de mondelinge vaardigheden beheersen op niveau A2. Het is belangrijk dat de assessor en de toetsleider hier rekening mee houden tijdens de instructie en tijdens de afname. Om hen daarbij te helpen zijn er ‘Richtlijnen voor het taalgebruik van de toetsleider en de assessor’ opgesteld. De toetsleider en assessor moeten zich aan deze richtlijnen houden. Daarnaast is er bij elke taak waarin gespreksvaardigheid getoetst wordt een gespreksleidraad opgenomen die de toetsleider moet gebruiken.

Het is belangrijk dat de toetsleider en de assessor hun taalgebruik aanpassen aan het taalniveau van de inburgeraar. Hieronder leest u waar de assessor en de toetsleider op moeten letten tijdens de instructie en de afname.

Bij de afname van het panelgesprek zijn minimaal drie mensen betrokken: de inburgeraar, de toetsleider en de assessor. In dit hoofdstuk leest u over de rol van de toetsleider. De toetsleider geeft de instructie en zorgt voor de uitvoering van het panelgesprek. Bij het onderdeel ‘Gesprekken voeren’ voert de toetsleider een gesprek met de inburgeraar.

Het is de bedoeling dat de gesprekken tussen de inburgeraar en de toetsleider natuurlijk verlopen. Om de toetsleider te helpen bij het voeren van het gesprek is er een gespreksleidraad opgenomen.

De toetsleider hoeft zich niet letterlijk aan de gespreksleidraad te houden. Mocht de inburgeraar iets niet begrijpen, dan kan de toetsleider van de tekst afwijken, zolang hij zich houdt aan de ‘richtlijnen voor het taalgebruik van de toetsleider en de assessor’. Af en toe kan hij een extra vraag stellen, als daardoor het gesprek weer beter gaat lopen. De toetsleider kan, als er redenen zijn om te twijfelen aan het zelfstandig of eerlijk verkregen hebben van het betreffende bewijs, doorvragen over de manier waarop de kandidaat de bewijzen heeft verzameld. Het kan ook voorkomen dat de inburgeraar iets zegt dat niet verwacht of gepland was. Zolang het adequaat is in het kader van het gesprek, gaat de toetsleider gewoon in op het onderwerp dat de inburgeraar aanreikt, en stuurt dan weer terug naar de leidraad.

Let op:

Vermijd zo veel mogelijk gesloten vragen. Vragen als ‘Vindt u feestjes leuk?’ en ‘Bent u daar alleen naar toegegaan?’ zijn gesloten vragen. Deze vragen lokken geen productie uit bij de inburgeraar. Het enige wat de inburgeraar hier moet doen is ‘ja’ of ‘nee’ antwoorden. De inburgeraar mag niet volstaan met ‘ja’ of ‘nee’ of met een (gedeeltelijke) herhaling van de vraag als antwoord. Daarom moet de toetsleider open vragen stellen, bijvoorbeeld: ‘Wat vindt u van feestjes?’ of ‘Met wie bent u daar naartoe gegaan?’

Hoewel er af en toe van de gespreksleidraad afgeweken mag worden, is het toch belangrijk dat de toetsleider zich zoveel mogelijk aan de gespreksleidraad probeert te houden. Dit om te voorkomen dat er van de ene inburgeraar meer wordt gevraagd dan van de andere inburgeraar, en er verschil ontstaat in moeilijkheidsgraad.

De instructies die bij de schrijfopdracht behoren dienen nauwkeurig gevolgd te worden. Als in de instructie staat dat de vragen door de toetsleider voorgelezen worden, dan kan dat. De vragen dienen echter niet toegelicht te worden. Het is immers bijna onmogelijk in dit geval iets toe te lichten zonder iets voor te zeggen.

In dit hoofdstuk leest u over de rol van de assessor. De assessor bewaakt de kwaliteit en het verloop tijdens de afname van het panelgesprek en beoordeelt na afloop de resultaten. De assessor grijpt tijdens de afname in als dit nodig is en hij beoordeelt na de afname de productie van de inburgeraar.

Tijdens de uitvoering van het panelgesprek kan het gebeuren dat de toetsleider bijvoorbeeld niet goed weet hoe hij verder moet, dat hij geen goed of te moeilijk taalgebruik hanteert, dat de inburgeraar vastloopt, dat duidelijk is dat de inburgeraar het portfolio niet zelfstandig heeft samengesteld, etc. In deze gevallen is het de taak van de assessor om in te grijpen. De assessor geeft de toetsleider aanwijzingen om verder te gaan, hij beslist indien nodig of de inburgeraar bijvoorbeeld beter kan stoppen of juist niet en hij spreekt de toetsleider aan op zijn taalgebruik. Dit zijn maar een aantal voorbeelden van de rol van de assessor.

Het is moeilijk vast te stellen dat iemand het portfolio niet zelf heeft samengesteld. Alleen als een inburgeraar letterlijk zegt dat iemand anders de bewijzen heeft ingevuld, het portfolio heeft samengesteld of dat het portfolio van iemand anders is, kan de assessor of toetsleider het panelgesprek afbreken. Wordt het panelgesprek op deze manier gestopt dan is de inburgeraar gezakt voor het decentrale deel.

De assessor beoordeelt samen met de toetsleider de productie van de inburgeraar. Maar de assessor is de hoofdbeoordelaar. Dit wil zeggen dat, in geval van twijfel of onenigheid, het oordeel van de assessor doorslaggevend is. De assessor mag om die reden dan ook niet de ‘eigen’ docent zijn van de inburgeraar die het examen aflegt.

In dit hoofdstuk vindt u naast een korte uitleg over de keuze voor globale beoordeling een uitgebreide beschrijving bij het beoordelingsmodel zoals dat gebruikt wordt bij dit panelgesprek.

Bij het panelgesprek voor het inburgeringexamen is gekozen voor een globale beoordeling van de spreek- en schrijfprestaties. ‘Globaal beoordelen’ betekent dat een beoordelaar een oordeel geeft over het spreek- of schrijfproduct als geheel. Een andere manier van beoordelen is ‘analytisch beoordelen’. Bij deze vorm van beoordelen geeft een beoordelaar een beoordeling over alle afzonderlijke aspecten zoals bijvoorbeeld ‘grammatica’, ‘spelling’ en ‘coherentie’.

Bij het panelgesprek is gekozen voor een globale beoordeling, op grond van de volgende argumenten:

Ten eerste geldt het argument van de hanteerbaarheid. In het tijdsbestek van de afname en de beoordeling van de toets (bij voorkeur binnen een half uur) is dit natuurlijk van het grootste belang. Daarnaast is de ervaring dat een globale beoordeling zeker zo betrouwbaar is als een analytische beoordeling.

Voor de verschillende onderdelen van het panelgesprek zijn beoordelingmodellen opgesteld.

Voor schrijven en gesprekken zijn beoordelingsmodellen opgenomen. Voor zowel schrijven als gesprekken voeren moet de assessor rekening houden met de beschrijving van het ‘Taalgebruik van de kandidaat’, zoals opgenomen in de paragrafen 6.3 en 6.4.

Bij het beoordelen van de gesprekstaken zet u steeds dezelfde drie stappen. Allereerst moet u bepalen of de spreekuiting van de inburgeraar verstaanbaar was. Als dit namelijk niet het geval is, kunt u niet verder beoordelen en is de inburgeraar gezakt voor de taak. Nu zult u de inburgeraar waarschijnlijk in veel gevallen kunnen verstaan, aangezien u getrainde NT2-oren hebt ontwikkeld. Eigenlijk moet u altijd bedenken of een goedwillende Nederlander de inburgeraar ook zou kunnen verstaan. Als u dit aspect positief beoordeelt, gaat u verder naar de volgende stap.

In de tweede stap beoordeelt u of de spreekuiting een adequate reactie op de gestelde vragen was. Hier moet u bepalen of de antwoorden van de inburgeraar verband hielden met de vragen, of er op de goede manier naar informatie werd gevraagd en of inhoudelijk de juiste antwoorden werden gegeven. Als u ook dit aspect positief beoordeelt, kunt u verder naar de laatste stap.

In de laatste stap beoordeelt u de vorm van de taaluiting door deze te meten aan de omschrijvingen zoals die worden gegeven voor Gesprekken voeren A2 in het Raamwerk NT2. In deze omschrijving kunt u terugvinden welke woordenschat de inburgeraar geacht wordt te hebben, in welke mate de uitingen grammaticaal correct dienen te zijn, hoe de interactie op dit niveau dient te verlopen en hoe de vloeiendheid, de coherentie en de uitspraak op dit niveau moeten zijn.

Zoals al eerder in deze handleiding is opgemerkt, kunt u deze niveauaanduidingen het beste in uw hoofd hebben tijdens de uitvoering van de taak. In het kader hieronder ziet u een uitwerking van de beoordelingsaspecten. De inburgeraar scoort een voldoende voor de gesprekstaak als alle drie de stappen met een ‘ja’ zijn afgesloten.

1 Als blijkt dat de kandidaat de situatie niet herkent en/of kan toelichten, kan er bij punt 2 geen voldoende gescoord worden.

Bij de beoordeling van de schrijftaken zet u vergelijkbare stappen als bij de beoordeling van de gesprekstaken.

Allereerst constateert u of het schrijfproduct leesbaar is. Dit betekent dat het geschrevene in het Latijnse schrift is, dat u er Nederlandse woordvormen in ontdekt en dat u weet wat er staat. Bij positieve waardering vervolgt u met stap twee.

In stap twee beoordeelt u of het schrijfproduct voldoet aan de taakspecifieke kenmerken. Deze kenmerken worden omschreven in de taak. Over het algemeen geldt dat de taak positief beoordeeld kan worden als de gevraagde boodschap over komt en passend is in de gegeven context. Alle vragen dienen beantwoord te worden en alle antwoorden dienen adequaat te zijn. Als u stap 2 met ‘ja’ beantwoordt, kunt u verder naar de laatste stap waarin u het schrijfproduct beoordeelt door het te meten aan de omschrijvingen zoals die worden gegeven voor Schrijven A1 en Schrijven A2. In deze omschrijving kunt u terugvinden aan welke minimale kenmerken het schrijfproduct moet voldoen. De aspecten waarop wordt beoordeeld zijn woordenschat en woordgebruik, grammaticale correctheid, spelling en interpunctie en coherentie. In het kader hieronder ziet u een uitwerking van de beoordelingsaspecten.

De inburgeraar scoort een voldoende voor de schrijftaak als alle drie de stappen met een ‘ja’ zijn afgesloten.

Een kandidaat heeft een voldoende voor het panelgesprek als hij voor gesprekken voeren en schrijven ‘voldoende’ heeft gescoord. Deze score wordt in het beslismodel aangegeven. In geval van aangetoonde fraude (zie paragraaf 5.2) kan het voorkomen dat de kandidaat op het onderdeel gesprekken voeren voldoende scoort maar toch onvoldoende scoort voor het gehele panelgesprek.

1 Een kandidaat heeft een voldoende behaald voor het panelgesprek als beide taken met een voldoende zijn beoordeeld èn als de kandidaat op een eerlijke wijze de bewijzen heeft verzameld.

Als de kandidaat klaar is met de schrijftaak wordt het panelgesprek beëindigd. De kandidaat krijgt nooit direct te horen of het examen behaald is, er volgt altijd een kort overleg tussen de toetsleider en de assessor. Vertel de kandidaat de procedure omtrent de uitslag van het examen.

Na vaststelling van de uitslag vult u het beoordelingsformulier in. Dit formulier kunt u vinden achterin het model portfolio.

U vult het resultaat in in het digitale systeem en geeft vervolgens het beoordelingsformulier aan de instellingsbeheerder. De instellingsbeheerder controleert of het ingevulde resultaat overeenkomt met het resultaat op het formulier en accordeert het resultaat.

De instellingsbeheerder zorgt voor terugkoppeling van de scores naar de kandidaat.

U maakt het portfolio voor KNS.

U wilt in Nederland werken als geestelijk bedienaar.

U heeft als geestelijk bedienaar een belangrijke taak binnen uw geloofsgemeenschap en binnen de Nederlandse samenleving.

Daarom wil de overheid dat elke geestelijk bedienaar het inburgeringsexamen voor geestelijk bedienaren maakt.

Het inburgeringsexamen voor geestelijk bedienaren bestaat uit drie onderdelen.

In het schema hieronder ziet u uit welke onderdelen het inburgeringsexamen bestaat.

Voor u ligt een portfolio.

Dit portfolio hoort bij het aanvullend praktijkdeel.

Dit is het portfolio KNS aanvullend voor geestelijk bedienaren.

U moet laten zien dat u goed bent ingeburgerd in Nederland. Dit moet u met dit portfolio laten zien. U moet zelf uw portfolio vullen. Hieronder leest u wat het portfolio is. U leest ook wat u allemaal moet doen.

U moet met het portfolio laten zien dat u goed bent ingeburgerd in Nederland. U moet met het portfolio laten zien dat u voldoende kennis heeft van de Nederlandse samenleving.

U laat bijvoorbeeld zien dat u kunt uitleggen welke taken een geestelijk bedienaar kan hebben. Of u laat zien dat u kunt praten met de wijkagent over problemen in de wijk. Of u laat zien dat u advies kunt geven bij het oplossen van problemen.

U kunt dit laten zien door bewijzen te verzamelen. Deze bewijzen stopt u in het portfolio.

In uw portfolio vult u kort informatie in over uw persoonsgegevens zoals wie u bent en waar u woont. In uw portfolio verzamelt u ook bewijzen van situaties waarin u Nederlands heeft gesproken.

In uw portfolio staan negen thema’s. Bij elk thema staan voorbeelden van situaties waarin u bewijzen kunt verzamelen. U kunt bijvoorbeeld een bewijs verzamelen van een situatie waarin u met jongeren en hun ouders over het doel en de mogelijkheden van de jeugdzorg heeft gepraat. Het is belangrijk dat u de bewijzen in het Nederlands verzamelt.

U moet zes bewijzen verzamelen.

U moet proberen bij elk thema bewijzen te verzamelen.

Heeft u in een bepaalde situatie een bewijs verzameld? Heeft u bijvoorbeeld met een ouder gepraat over de mogelijkheden van de jeugdzorg? Of heeft u met jongeren gepraat over hun geloof en hun problemen?

Dan vult u een bewijsformulier in. Er zijn twee bewijsformulieren. Er is een bewijsformulier voor gesprekken en er is een bewijsformulier voor schrijven.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands gepraat? Bijvoorbeeld met een collega? Dan vult u na het gesprek een bewijsformulier Gesprekken in. U vraagt ook aan uw collega het bewijsformulier in te vullen. De collega hoeft het formulier niet in te vullen als hij/zij dat niet wil.

Het bewijsformulier Gesprekken zit achterin het portfolio. U moet dit formulier eerst kopiëren. Kopieer het formulier zo vaak als u wilt. Zorg ervoor dat u genoeg lege bewijsformulieren hebt. Vul pas daarna het formulier in.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands geschreven? Dan doet u het briefje of formulier in het portfolio. U vult ook het bewijsformulier Schrijven in. U vindt dit bewijsformulier achter in het portfolio.

Bewaar de bewijsformulieren en (een kopie van) de schrijfproducten goed in uw portfolio.

Voor een goed bewijs voor gesprekken zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Voorbeeld: KNS-1 Ik ken de sociaal maatschappelijke problemen die er in achterstandswijken zijn.

Op de volgende bladzijde staat een voorbeeld van een goed bewijs.

Waarom is dit een goed bewijs?

Voor een goed bewijs voor schrijven zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Voorbeeld: KNS-1 Ik ken de sociaal maatschappelijke problemen die er in achterstandswijken zijn.

Op de volgende bladzijde staat een voorbeeld van een goed bewijs.

Waarom is dit een goed bewijs?

Bent u klaar met uw portfolio? Lever uw portfolio dan in bij Kontakt der Kontinenten. Kontakt der Kontinenten kijkt dan of uw portfolio goed is.

Maak een kopie van uw portfolio voordat u het opstuurt naar Kontakt der Kontinenten! Het is veilig om het portfolio aangetekend te versturen.

U gaat uw portfolio inleveren. U wilt natuurlijk dat het portfolio direct wordt goedgekeurd. Kijk daarom nog eens goed naar de volgende dingen:

Als u zes goede bewijzen in uw portfolio hebt, krijgt u een panelgesprek. Dit is een gesprek over de bewijzen.

Het panelgesprek is met een examinator. U hebt een gesprek over uw portfolio. U moet laten zien dat u de bewijzen op een eerlijke manier hebt verzameld. U moet praten over de bewijzen die u hebt verzameld.

De beoordeling van het panelgesprek is heel belangrijk. Als u een voldoende hebt, dan bent u voor dat onderdeel geslaagd. U bent dan geslaagd voor het aanvullend praktijkdeel van het inburgeringsexamen. U moet dan nog slagen voor het centrale deel en het bijzonder praktijkdeel.

De examinator bekijkt het portfolio. Soms wordt een portfolio afgekeurd. Waarom kan het portfolio afgekeurd worden? Wat kunt u daar aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Gesprekken ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hieraan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Schrijven ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hieraan doen? Kijk in het schema hieronder:

Op de volgende bladzijden staan negen thema’s.

Verzamel bewijzen bij de thema’s.

Geef in uw portfolio aan welke bewijzen u heeft verzameld.

Doe de bewijsformulieren en de schrijfproducten in uw portfolio.

Vul het bewijsnummer en de datum in op de lijst op de volgende bladzijde.

In alle situaties is het mogelijk om een gespreksbewijs of een schrijfbewijs te verzamelen.

Beste heer, mevrouw,

Mensen die een andere moedertaal hebben dan het Nederlands, moeten in veel gevallen een inburgeringsexamen afleggen. Dit geldt ook voor geestelijk bedienaren. Zij moeten een inburgeringsexamen afleggen dat speciaal voor geestelijk bedienaren is ontwikkeld. Het examen voor geestelijk bedienaren bestaat uit verschillende onderdelen. In één van die onderdelen moet de inburgeraar bewijzen dat hij voldoende kennis van de Nederlandse samenleving heeft om in Nederland haar/zijn beroep uit te kunnen oefenen.

Bedankt voor uw hulp!

U hebt (beroepshalve) contact met deze geestelijk bedienaar.

Het kan gaan om bijvoorbeeld een gesprek over de rol van het geloof in de maatschappij. U kunt bijvoorbeeld ook een gesprek met de geestelijk bedienaar hebben, omdat u bij een instantie werkt, waarbij u contacten hebt met geestelijk bedienaren. Naast deze voorbeelden zijn er nog veel meer situaties waarin u contact met de geestelijk bedienaar kunt hebben.

In deze situaties moet de geestelijk bedienaar bewijzen verzamelen om aan te tonen dat hij ingeburgerd is.

We willen graag dat de geestelijk bedienaar bewijsstukken verzamelt van situaties waarin hij/zij gefunctioneerd heeft. Een van de bewijsstukken is een formulier waarop u kunt aangeven dat u met de geestelijk bedienaar gesproken heeft. Dit formulier heet het Bewijsformulier Gespreken. We willen u vragen of u dit formulier wilt invullen.

Het gaat er niet om dat de geestelijk bedienaar foutloos Nederlands moet praten. Grammaticafouten, een accent, het zoeken naar woorden, dat mag allemaal. Maar de inburgeraar moet wél in staat zijn om zelfstandig een gesprekje met u te voeren zonder hulp van een tolk. Misschien is er een beetje inspanning van beide kanten nodig, maar dan kunt u elkaar wel begrijpen.

Wij vragen u om de vragen onder op het Bewijsformulier Gesprekken in te vullen. Het invullen van het formulier is niet verplicht. Als u niet wilt, hoeft u het formulier niet in te vullen. Als u het wel doet, helpt u de geestelijk bedienaar bij het examen.

Aanvullend deel

Het inburgeringsexamen voor geestelijke bedienaren bestaat uit drie onderdelen.

In het schema hieronder ziet u uit welke onderdelen het inburgeringsexamen voor geestelijke bedienaren bestaat.

Voor u ligt de handleiding die hoort bij het portfolio KNS aanvullend voor geestelijke bedienaren. Dit portfolio hoort bij het aanvullend praktijkdeel.

De geestelijke bedienaar vult zijn portfolio met bewijzen. Op basis van het portfolio voert de examinator een panelgesprek met de geestelijke bedienaar. In deze handleiding leest u hoe het portfolio KNS aanvullend voor geestelijke bedienaren eruit ziet, krijgt u informatie over het panelgesprek en leest u wat de rol van de toetsleider en van de assessor is.

Het portfolio KNS aanvullend voor geestelijke bedienaren bevat negen thema’s.

De geestelijke bedienaar moet in dit portfolio minimaal zes bewijzen verzamelen.

Een geestelijke bedienaar verzamelt bewijzen in zijn portfolio door het uitvoeren van opdrachten. De geestelijke bedienaar bewijst met een bewijsformulier Gesprekken en met een bewijsformulier Schrijven, aangevuld met een schrijfproduct dat hij een opdracht heeft uitgevoerd. Met het panelgesprek wordt gecontroleerd of de geestelijke bedienaar voldoende bewijzen heeft verzameld en voldoende kennis van de Nederlandse samenleving heeft.

De negen thema’s bestaan uit de eindtermen KNS aanvullend voor geestelijke bedienaren. Voor de eindtermen zijn er cruciale handelingen (CH’s) en cruciale kennis (CK’s) beschreven. De CH’s zijn tot stand gekomen in nauw overleg met belanghebbenden: werkgevers, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en belangenorganisaties (zie Bijlage 6.1).

Het panelgesprek is een verplicht onderdeel van het inburgeringexamen voor de geestelijke bedienaren. Voor het portfolio KNS aanvullend voor geestelijke bedienaren moet de geestelijke bedienaar zes bewijzen verzamelen. Met het panelgesprek wordt beoordeeld of de geestelijke bedienaar voldoende kennis van de Nederlandse samenleving heeft en of het portfolio aan de eisen voldoet.

Het panelgesprek wordt uitgevoerd door de toetsleider en beoordeeld door de assessor.

De toetsleider zorgt ervoor dat het lokaal voor het panelgesprek ingericht wordt. De toetsleider zorgt ervoor dat er tijdens de toetsafname drie stoelen en een tafel zijn waaraan de toetsleider, de assessor en de geestelijke bedienaar kunnen zitten.

De toetsleider verzekert zich ervan dat de persoon die voor hem zit ook daadwerkelijk de geestelijke bedienaar is die het panelgesprek moet uitvoeren. De toetsleider bekijkt of de naam van het legitimatiebewijs dezelfde is als de naam op het portfolio. De toetsleider vraagt ook om het identiteitsbewijs van de geestelijke bedienaar bij de legitimatie.

Voordat het panelgesprek plaatsvindt, wordt het portfolio gecontroleerd op volledigheid. Deze controle wordt uitgevoerd door de toetsleider of de assessor. De controle is niet gericht op het taalniveau van de geestelijke bedienaar. De geestelijke bedienaar moet een portfolio overhandigen waar zelfstandig aan gewerkt is en dat tenminste zes bewijzen bevat van uitgevoerde opdrachten. Een bewijs voor de vaardigheid gesprekken bestaat uit een bewijsformulier Gesprekken. Een bewijs voor de vaardigheid schrijven bestaat uit een bewijsformulier Schrijven en een schrijfproduct. Met een bewijs wordt aangetoond dat de geestelijke bedienaar de opdracht heeft uitgevoerd. Wordt het portfolio goedgekeurd, dan kan de geestelijke bedienaar deelnemen aan het panelgesprek. De toetsleider mag zelf bepalen welke bewijzen bevraagd worden tijdens het panelgesprek.

Nadat het portfolio is goedgekeurd start het panelgesprek. Het panelgesprek wordt door de toetsleider gevoerd en door de assessor beoordeeld. Onder het kopje De rol van de toetsleider leest u hoe het panelgesprek verloopt. Onder het kopje De rol van de assessor leest u wat de taken zijn van de assessor tijdens het panelgesprek. Het is aan te bevelen het panelgesprek op te nemen.

De kandidaten die deelnemen aan het panelgesprek zijn mensen waarvan verwacht wordt dat ze de mondelinge vaardigheden beheersen op niveau A2. Het is belangrijk dat de assessor en toetsleider hier rekening mee houden tijdens de instructie en tijdens de afname. Om hen daarbij te helpen zijn er ‘Richtlijnen voor het taalgebruik van de toetsleider en de assessor’ opgesteld. De toetsleider en assessor moeten zich aan deze richtlijnen houden. Daarnaast is er onder het kopje De rol van de toetsleider een gespreksleidraad voor het panelgesprek opgenomen.

Het is belangrijk dat de toetsleider en de assessor hun taalgebruik aanpassen aan het taalniveau van de geestelijke bedienaar. Hieronder leest u waar de assessor en de toetsleider op moeten letten tijdens de instructie en de afname.

Een kopie van het ingevulde beoordelingsformulier uit het portfolio van de geestelijke bedienaar en de opname van het panelgesprek moet minimaal drie en een half jaar (op een afgesloten plaats) bewaard blijven.

Bij de afname van het panelgesprek zijn minimaal drie mensen betrokken: de geestelijke bedienaar, de toetsleider en de assessor. In dit hoofdstuk leest u over de rol van de toetsleider. De toetsleider geeft de instructie en zorgt voor de uitvoering van het panelgesprek.

Het is de bedoeling dat het gesprek tussen de geestelijke bedienaar en de toetsleider natuurlijk verloopt. Om de toetsleider te helpen bij het voeren van het gesprek is er in Bijlage 6.2 een gespreksleidraad opgenomen.

De toetsleider hoeft zich niet letterlijk aan de gespreksleidraad te houden. Mocht de geestelijke bedienaar iets niet begrijpen, dan kan de toetsleider van de tekst afwijken, zolang hij zich houdt aan de ‘Richtlijnen voor het taalgebruik van de toetsleider en de assessor’. Af en toe kan hij een extra vraag stellen, als daardoor het gesprek weer beter gaat lopen. De toetsleider kan, als er redenen zijn om te twijfelen aan het zelfstandig of eerlijk verkregen hebben van het betreffende bewijs, doorvragen over de manier waarop de geestelijke bedienaar de bewijzen heeft verzameld. Het kan ook voorkomen dat de geestelijke bedienaar iets zegt dat niet verwacht of gepland was. Zolang het adequaat is in het kader van het gesprek, gaat de toetsleider gewoon in op het onderwerp dat de geestelijke bedienaar aanreikt, en stuurt het gesprek dan weer terug naar de leidraad.

Let op: Vermijd zo veel mogelijk gesloten vragen. Vragen als ‘Vindt u feestjes leuk?’ en ‘Bent u daar alleen naar toegegaan?’ zijn gesloten vragen. Deze vragen lokken geen productie uit bij de geestelijke bedienaar. Het enige wat de geestelijke bedienaar hier moet doen is ‘ja’ of ‘nee’ antwoorden. De geestelijke bedienaar mag niet volstaan met ‘ja’ of ‘nee’ of met een (gedeeltelijke) herhaling van de vraag als antwoord. Daarom moet de toetsleider open vragen stellen, bijvoorbeeld: ‘Wat vindt u van feestjes?’ of ‘Met wie bent u daar naartoe gegaan?’

Hoewel er af en toe van de gespreksleidraad afgeweken mag worden, is het belangrijk dat de toetsleider zich zoveel mogelijk aan de gespreksleidraad probeert te houden. Dit om te voorkomen dat er van de ene geestelijke bedienaar meer wordt gevraagd dan van de andere geestelijke bedienaar en er verschil ontstaat in moeilijkheidsgraad.

In dit hoofdstuk leest u over de rol van de assessor. De assessor bewaakt de kwaliteit en het verloop tijdens de afname van het panelgesprek en beoordeelt na afloop de resultaten. De assessor grijpt tijdens de afname in als dit nodig is en hij beoordeelt na de afname het panelgesprek.

Tijdens de uitvoering van het panelgesprek kan het gebeuren dat de toetsleider bijvoorbeeld niet goed weet hoe hij verder moet, dat hij geen goed of te moeilijk taalgebruik hanteert, dat de geestelijke bedienaar vastloopt, dat duidelijk is dat de geestelijke bedienaar het portfolio niet zelfstandig heeft samengesteld et cetera. In deze gevallen is het de taak van de assessor om in te grijpen. De assessor geeft de toetsleider aanwijzingen om verder te gaan, hij beslist indien nodig of de geestelijke bedienaar bijvoorbeeld beter kan stoppen of juist niet en hij spreekt de toetsleider aan op zijn taalgebruik. Dit zijn maar een aantal voorbeelden van de rol van de assessor.

Het is moeilijk vast te stellen dat iemand het portfolio niet zelf heeft samengesteld. Alleen als een geestelijke bedienaar letterlijk zegt dat iemand anders de bewijzen heeft ingevuld, het portfolio heeft samengesteld of dat het portfolio van iemand anders is, kan de assessor het panelgesprek afbreken. Wordt het panelgesprek op deze manier gestopt dan is de geestelijke bedienaar gezakt voor het panelgesprek. In gevallen van twijfel is het aan de toetsleider om open vragen te blijven stellen over de verkregen bewijzen en zichzelf en de assessor ervan te overtuigen dat de geestelijke bedienaar het panelgesprek op een eerlijke manier kan behalen.

De assessor beoordeelt samen met de toetsleider het panelgesprek. Maar de assessor is de hoofdbeoordelaar. Dit wil zeggen dat, in geval van twijfel of onenigheid, het oordeel van de assessor doorslaggevend is. De assessor mag om die reden dan ook niet de ‘eigen’ docent zijn van de geestelijke bedienaar die het examen aflegt.

Het panelgesprek wordt beoordeeld met het beoordelingsformulier in het portfolio van de geestelijke bedienaar. In deze handleiding is het beoordelingsformulier opgenomen als Bijlage 6.3. U beoordeelt of het portfolio het juiste aantal bewijzen bevat en of de geestelijke bedienaar voldoende over de bewijzen vertelt.

Een geestelijke bedienaar heeft een voldoende voor het panelgesprek als hij op beide punten een ‘voldoende’ heeft gescoord.

Na het panelgesprek wordt dit onderdeel van het inburgeringsexamen afgerond. De geestelijke bedienaar krijgt nooit direct te horen of het examen behaald is. Er volgt altijd een kort overleg tussen de toetsleider en de assessor. Vertel de geestelijke bedienaar de procedure omtrent de uitslag van het examen.

U gaat een portfolio maken.

Een portfolio is een map met formulieren. We noemen deze formulieren bewijsformulieren. U gaat een portfolio maken. U laat met het portfolio zien dat u goed bezig bent met uw inburgering in Nederland. U laat zien dat u het Nederlands begrijpt en dat u Nederlands kunt spreken en schrijven. Bijvoorbeeld dat u kunt praten met uw buurman of met mensen uit uw geloofsgemeenschap of met mensen uit een andere geloofsgemeenschap. Of dat u een briefje kunt schrijven. U moet hiervan bewijzen verzamelen. Deze bewijsformulieren doet u in het portfolio.

U maakt zelf uw portfolio.

Het is belangrijk dat u goed Nederlands leert. U moet onder andere de jongeren uit uw geloofsgemeenschap kunnen begeleiden en met hen kunnen praten. U leert Nederlands op school maar ook buiten school. Bijvoorbeeld op uw werk of in de winkel. Als u veel oefent, leert u goed Nederlands. In het model portfolio staat een lijst met situaties waarin u Nederlands gebruikt. Bijvoorbeeld als u praat met iemand uit een andere geloofsgemeenschap of als u iets moet regelen bij de bank. Het is belangrijk dat u in zoveel mogelijk situaties oefent met het Nederlands.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands gepraat? Bijvoorbeeld met een collega? Dan vult u na het gesprek een bewijsformulier Gesprekken in. Dit formulier is het bewijs dat u Nederlands hebt gepraat met uw collega. U vraagt ook aan uw collega om het bewijsformulier in te vullen. De collega hoeft het formulier niet in te vullen als hij/zij dat niet wil.

Het bewijsformulier Gesprekken zit in het model portfolio. U moet dit formulier eerst kopiëren. Kopieer het formulier zo vaak als u wilt. Zorg ervoor dat u genoeg lege bewijsformulieren hebt. Vul pas daarna het formulier in.

Hebt u in een bepaalde situatie Nederlands geschreven? Dan doet u het briefje of formulier in het portfolio. U vult ook het bewijsformulier Schrijven in. U vindt dit bewijsformulier in het model portfolio.

U moet 20 bewijzen verzamelen. Met deze bewijzen laat u zien dat u Nederlands hebt gepraat en geschreven. U moet deze bewijzen zelf verzamelen.

Als u klaar bent met verzamelen van bewijzen, dan moet u uw portfolio laten controleren. Als u 20 goede bewijzen hebt verzameld, dan krijgt u een panelgesprek. In het panelgesprek praat u over uw bewijzen. U moet ook een schrijfopdracht doen. U laat nog een keer zien dat u het Nederlands begrijpt en dat u Nederlands kunt spreken en schrijven.

U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen:

Burgerschap, Sociaal-Maatschappelijke en Pastorale Dienstverlening (SMPD) en Werk.

U moet de bewijzen voor het portfolio zelf verzamelen. U gaat zelf gesprekken voeren en u gaat zelf schrijven. U kunt hierbij wel hulp vragen.

U kunt ook kijken op www.inburgeren.nl

In uw model portfolio staan situaties. U moet in die situaties oefenen met het Nederlands. Het is belangrijk dat u in alle situaties oefent.

U hoeft niet van alle situaties een bewijs te verzamelen. U moet bewijzen verzamelen voor drie onderwerpen, namelijk: Burgerschap, SMPD en Werk.

Hoeveel bewijzen moet u per onderwerp verzamelen? U hebt in totaal 20 bewijzen nodig. Kijk in het schema hieronder:

U moet oefenen met gesprekken, maar ook met schrijven. U moet dus bewijzen verzamelen van gesprekken én van schrijfproducten. Schrijfproducten zijn bijvoorbeeld formulieren en briefjes. U moet zeker 3 schrijfproducten hebben verzameld. Deze schrijfproducten moet u zelf hebben ingevuld.

Gebruik het Bewijsformulier Gesprekken en het Bewijsformulier Schrijven uit het model portfolio voor het verzamelen van uw bewijzen. Bewaar de bewijsformulieren en (een kopie van) de schrijfproducten goed in uw portfolio.

Voor een goed bewijs voor Gesprekken zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Voorbeeld: ‘gesprek met de buren’.

Op de volgende bladzijde staat een voorbeeld van een goed bewijs.

Waarom is dit een goed bewijs?

Voorbeeld: ‘gesprek met de buren’.

Voor een goed bewijs voor Schrijven zijn de volgende dingen heel belangrijk:

Hieronder ziet u een goed bewijs voor schrijven. Het schrijfproduct zit er natuurlijk ook bij. Dit is een voorbeeld. U leest ook waarom het een goed bewijs is.

Voorbeeld: ‘inschrijven voor een cursus’.

Waarom is dit een goed bewijs?

U wilt uw portfolio inleveren bij de exameninstelling, Kontakt der Kontinenten. U kunt uw portfolio opsturen of inleveren. Kontakt der Kontinenten controleert of u genoeg bewijzen hebt verzameld en of de bewijzen goed zijn.

Maak een kopie van uw portfolio voordat u het opstuurt naar Kontakt der Kontinenten! Het is veilig om het portfolio aangetekend te versturen.

U gaat uw portfolio inleveren. U wilt natuurlijk dat het portfolio direct wordt goedgekeurd. Kijk daarom nog eens goed naar de volgende dingen:

Als u 20 goede bewijzen in uw portfolio hebt, krijgt u een panelgesprek. Dit is een gesprek over de bewijzen.

Het panelgesprek is met iemand van de cursus bij Kontakt der Kontinenten. U hebt een gesprek over uw portfolio. U moet laten zien dat u de bewijzen op een eerlijke manier hebt verzameld. U moet ook laten zien dat u voldoende Nederlands hebt geleerd. U moet praten over de bewijzen die u hebt verzameld. En u moet ook iets opschrijven.

De beoordeling van Kontakt der Kontinenten is heel belangrijk. Als u een voldoende hebt, dan bent u voor dat onderdeel geslaagd. Als u ook slaagt voor de assessments SMPD, dan bent u geslaagd voor het bijzonder praktijkdeel.

U moet dan nog slagen voor het centrale deel en het aanvullende deel van het inburgeringsexamen.

Het Kontakt der Kontinenten bekijkt uw portfolio. Soms wordt een portfolio afgekeurd. Waarom kan het portfolio afgekeurd worden? Wat kunt u daar aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Gesprekken ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd door het Kontakt der Kontinenten. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hier aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Soms hebt u een bewijsformulier Schrijven ingevuld, maar is het bewijs toch niet goed. Het bewijs wordt dan afgekeurd door het Kontakt der Kontinenten. Waarom kan het bewijs afgekeurd worden? Wat kunt u hier aan doen? Kijk in het schema hieronder:

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw portfolio.

* = Hier kunt u geen bewijs van verzamelen.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw portfolio.

Kruis hier aan welke bewijzen u hebt verzameld.

Doe de bewijsformulieren en schrijfproducten in uw portfolio.

Beste heer, mevrouw,

Mensen die een andere moedertaal hebben dan het Nederlands, moeten in veel gevallen een inburgeringsexamen afleggen. Dat examen bestaat uit verschillende onderdelen. In één van die onderdelen moet de inburgeraar bewijzen dat hij in allerlei situaties in Nederland kan functioneren wat betreft zijn taalvaardigheid.

Bedankt voor uw hulp!

U hebt (beroepshalve) contact met deze inburgeraar.

Het kan gaan om een informatiegesprek, een verkoopgesprek, een aanvraag, het maken van een afspraak, noem maar op. Misschien komen er ook schriftelijke activiteiten aan bod, zoals het invullen van een formulier of het beantwoorden van een vragenlijst.

Het zijn dit soort situaties waarover de inburgeraar bewijzen moet verzamelen: hij moet aantonen dat hij deze taken in het Nederlands kan uitvoeren.

We willen graag weten of de communicatie goed verlopen is. Daarom vragen we u een paar vragen te beantwoorden over uw (taal)contact met deze inburgeraar. De vragen vindt u op het Bewijsformulier Gesprekken.

Het gaat er niet om dat de inburgeraar foutloos Nederlands moet praten. Grammaticafouten, een accent, het zoeken naar woorden, dat mag allemaal. Maar de inburgeraar moet wél in staat zijn om zelfstandig een gesprekje met u te voeren zonder hulp van een tolk. Misschien is er een beetje inspanning van beide kanten nodig, maar dan kunt u elkaar wel begrijpen.

Wij vragen u om de vragen onder op het bewijsformulier (onder 2. Voor de gesprekspartner) in te vullen. Het invullen van het formulier is niet verplicht. Als u niet wilt, hoeft u het formulier niet in te vullen. Als u het wel doet, helpt u de inburgeraar bij zijn examen.

Het inburgeringsexamen voor geestelijke bedienaren is samengesteld uit drie onderdelen.

Hieronder is schematisch aangegeven hoe het inburgeringsexamen voor geestelijke bedienaren eruit ziet.

Deze handleiding hoort bij de assessments SMPD uit het bijzonder praktijkdeel.

De assessments SMPD bestaan uit meerdere onderdelen. Ze zijn gebaseerd op werkelijke situaties, maar worden als simulatie afgenomen. In deze handleiding leest u hoe de assessments zijn opgebouwd en waar u op moeten letten als u de assessments afneemt.

Taalniveau van de assessments

In dit hoofdstuk maakt u kennis met het taalniveau van de assessments. Het betreft het niveau voor de vaardigheden ‘gesprekken voeren’, ‘schrijven’ en ‘lezen’. Dit zijn de vaardigheden die in de assessments aan de orde komen.

Het taalniveau van de assessments is A2. Het is belangrijk om een goed beeld te hebben van het taalniveau van de assessments, omdat u uiteindelijk zult bepalen of een geestelijke bedienaar al dan niet het juiste taalniveau heeft en dus al dan niet geslaagd is voor de assessments.

Om een goed beeld te krijgen van wat het niveau precies inhoudt, volgt in dit hoofdstuk een grondige kennismaking; u moet immers niet alleen bepalen of de geestelijke bedienaar het niveau heeft behaald, tijdens het afnemen van de assessments zal uw eigen taalgebruik ook op niveau A2 moeten zijn.

Om te bepalen of iemand een taal beheerst op bijvoorbeeld niveau A2 moet worden uitgegaan van een niveaubeschrijving. De assessments zijn gebaseerd op het Raamwerk NT2. Het Raamwerk NT2 is een bewerking van de niveaubeschrijvingen van het CEF (Common European Framework), herschikt en zo overzichtelijk mogelijk gepresenteerd en voorzien van een groot aantal voor NT2-leerders relevante voorbeelden.

Het Raamwerk NT2 beschrijft 5 niveaus: A1, A2, B1, B2, C1. Hieronder leest u een beschrijving van deze niveaus. Niveau A2 is vet gedrukt; dit is het niveau waarop de kandidaten beoordeeld worden. Voor u als toetsleider of assessor is A2 het belangrijkste niveau, omdat dit ook het taalniveau is dat u zelf moet hanteren. Het is ook heel goed om het onderliggende en bovenliggende niveau (A1 en B1) te bestuderen. Op die manier kunt u goed zien wat een geestelijke bedienaar ook en wat een geestelijke bedienaar nog niet hoeft te kunnen om te functioneren op niveau A2.

De niveaus zijn cumulatief, dat wil zeggen dat de beheersing van een bepaald niveau inhoudt dat alles wat beschreven is op de onderliggende niveaus ook beheerst wordt.

In het Raamwerk NT2 is naast de globale niveaubeschrijving ook een gedetailleerde beschrijving van alle vaardigheden op alle niveaus opgenomen. Elke beschrijving begint met een algemeen beheersingsniveau, waarin u kunt lezen wat iemand moet kunnen op dit niveau. Daarna volgt een aantal subvaardigheden en descriptoren. Deze beschrijven de contexten en de omstandigheden waarin de vaardigheid getoond kan worden en vormen een verdere verfijning van het beheersingsniveau. Ten slotte wordt een aantal tekstkenmerken en/of strategieën beschreven. Voor een vaardigheid als gesprekken voeren zijn dit productieve en receptieve tekstkenmerken; voor deze vaardigheid wordt immers een beroep gedaan op zowel de spreek- als de luistervaardigheid van de geestelijke bedienaar. Voor receptieve vaardigheden als lezen en luisteren zijn, behalve de receptieve tekstkenmerken, ook de strategieën beschreven die kandidaten op dit niveau tot hun beschikking moeten hebben om lees- of luisterteksten te begrijpen. Voor de vaardigheid schrijven zijn productieve tekstkenmerken opgenomen.

In het inburgeringexamen staat het taalniveau van de ‘basisgebruiker’ centraal. Zoals eerder al vermeld is, is de norm van het inburgeringexamen voor geestelijke bedienaren op niveau A2 vastgesteld. Dit geldt voor alle taalvaardigheden: spreken, luisteren, gespreksvaardigheden, lezen en schrijven.

Hieronder volgen de beschrijvingen van de vaardigheden die in de talige onderdelen van de Inburgeringstoetsen aan de orde komen: lezen, gesprekken voeren en schrijven. Na elke beschrijving vindt u een voorbeeld van een prestatie op dat niveau. Hiermee krijgt u een nog duidelijker beeld van wat een geestelijke bedienaar moet kunnen en hoe zo’n prestatie er uitziet.

Gesprekken Voeren A2

Kan communiceren over eenvoudige en alledaagse taken die een eenvoudige en directe uitwisseling van informatie over vertrouwde onderwerpen en activiteiten betreffen. Kan zeer korte sociale gesprekken aan, hoewel hij/zij gewoonlijk niet voldoende begrijpt om het gesprek zelfstandig gaande te houden.

Lezen A2

Kan korte, eenvoudige teksten lezen. Kan specifieke voorspelbare informatie vinden in eenvoudige, alledaagse teksten zoals advertentie, menu’s en dienstregelingen. Kan korte, eenvoudige, persoonlijke brieven begrijpen.

Schrijven A2

Kan korte, eenvoudige notities en boodschappen opschrijven. Kan een zeer eenvoudige, persoonlijke brief schrijven, bijvoorbeeld om iemand voor iets te bedanken.

De assessments zijn een onderdeel van het inburgeringexamen waaraan geestelijke bedienaren moeten deelnemen. Ze worden ingezet ter afsluiting van het inburgeringstraject voor de geestelijke bedienaren. De assessments testen mondelinge en schriftelijke taalvaardigheid in een functionele context die voor het werk van de geestelijke bedienaar van belang is. Enkele voorbeelden van situaties die hier kunnen voorkomen zijn: omgaan met PR, publiciteit en pers en gebedsdiensten, rites en feesten. De assessments beoordelen de taalvaardigheid van de geestelijke bedienaar binnen het domeinen Sociaal Maatschappelijke en Pastorale Dienstverlening (SMPD).

Net als voor de andere domeinen zijn er voor het domein SMPD cruciale praktijksituaties (CP’s) beschreven. Per cruciale praktijksituatie is een assessment uitgewerkt. In Bijlage 1 vindt u een beschrijving van de cruciale praktijksituaties voor het domein SMPD. De CP’s zijn tot stand gekomen in nauw overleg met belanghebbenden: werkgevers, vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en belangenorganisaties.

Elke geestelijke bedienaar moet twee assessments afleggen. U selecteert voor elke geestelijke bedienaar willekeurig twee assessments. U registreert op het registratieblad selectie assessments (Bijlage 2) welke assessments u bij welke geestelijke bedienaar heeft afgenomen.

Om te voorkomen dat assessments gaan zwerven, moet na afloop van het assessment het materiaal worden vernietigd. Dit geldt echter niet voor ingevulde beoordelingsmodellen, de schrijfproducten (beide in het toetsboekje voor de kandidaat) en de opnames van de spreekproducten. Deze moeten minimaal drie en een half jaar (op een afgesloten plaats) bewaard blijven.

Elk assessment bestaat uit een opgaveboekje voor de geestelijke bedienaar (het toetsboekje voor de kandidaat) en een instructie voor de toetsleider en de assessor.

In het toetsboekje voor de kandidaat staat aan het begin uitgelegd wat de geestelijke bedienaar moet doen in het assessment. Daarna volgen de verschillende taken die de geestelijke bedienaar tijdens het assessment moet uitvoeren. Per taak staan de situatie en de concrete taken die de geestelijke bedienaar moet uitvoeren binnen deze situatie beschreven.

De instructie voor de toetsleider en de assessor bestaat uit de volgende onderdelen:

Bij de afname van de assessments spelen de toetsleider en de assessor een belangrijke rol. De toetsleider neemt het assessment af en voert dus tijdens het assessment de gesprekken met de geestelijke bedienaar. Ook geeft de toetsleider voorafgaand aan het assessment de instructie aan de geestelijke bedienaar De assessor beoordeelt tijdens en na de afname de productie van de kandidaat. Indien nodig kan de assessor ingrijpen tijdens de afname.

Er is gekozen voor deze verdeling, omdat zo het onderscheid tussen begeleiden en uitvoeren aan de ene kant en beoordelen aan de andere kant zo zuiver mogelijk is gehouden.

Het is van belang dat de toetsleider en de assessor ruim voor de afname van elk assessment de instructie voor de toetsleider en de assessor doornemen, zodat zij weten wat er van hen wordt verwacht. De toetsleider en assessor moeten bij elk assessment een aantal belangrijke stappen doorlopen. Hieronder staan de verschillende stappen beschreven.

Aan het begin van elk assessment staat een algemene instructie voor de toetsleider en de assessor beschreven. Het is belangrijk dat de toetsleider en de assessor deze instructie van te voren goed doorlezen. Deze instructie is voor alle assessments hetzelfde. In de algemene instructie wordt gevraagd om de handleiding en het toetsboekje voor de kandidaat goed door te lezen. Op deze manier krijgen de toetsleider en de assessor een goed beeld van wat er van hen en van de geestelijke bedienaar bij elk assessment verwacht wordt.

De assessments zijn gebaseerd op praktijksituaties. Dit betekent dat er een zo reëel mogelijke situatie moet worden nagebootst. Daarvoor is materiaal nodig. Na de algemene instructie staat in de instructie voor de toetsleider en de assessor het materiaal opgesomd dat nodig is voor de toetsafname. Het is belangrijk dat dit materiaal ruim voor de afname geïnventariseerd en verzameld wordt. Op die manier kan voorkomen worden dat tijdens de afname materiaal ontbreekt en er daardoor een rommelige situatie ontstaat, waardoor de geestelijke bedienaar wordt afgeleid.

Het gaat om praktijksituaties. Daarbij is het belangrijk dat deze situaties zo goed mogelijk worden nagebootst, zodat de geestelijke bedienaar het gevoel heeft dat hij1 ook echt in een bepaalde situatie zit. Bij ‘Inrichting van het lokaal’ leest u hoe het lokaal ingericht moet worden om de situatie zo goed mogelijk na te bootsen. Dit kan binnen één assessment per taak verschillen. Het is belangrijk dat het lokaal voorafgaand aan de toetsafname meteen goed wordt ingericht voor alle taken, zodat de toetsleider niet tijdens de afname met tafels en stoelen moet schuiven. Dit zou onrust veroorzaken tijdens de afname en de geestelijke bedienaar kunnen afleiden. Probeer een zo functioneel mogelijke omgeving te creëren. Als het assessment zich bijvoorbeeld in een buurthuis afspeelt, zorg dan dat het lokaal (voor zover dat mogelijk is) er ook echt als een buurthuis uitziet.

De toetsleider geeft de instructie. Dit wil zeggen dat hij samen met de geestelijke bedienaar het assessment doorneemt. De toetsleider geeft de instructie voor alle geestelijke bedienaren op dezelfde manier. Eerst geeft de toetsleider de algemene instructie, waarin hij uitlegt dat de geestelijke bedienaar een aantal assessments gaat maken. Daarna geeft de toetsleider de geestelijke bedienaar even de tijd om zelf rustig het toetsboekje en de verschillende taken van het assessment te bekijken. Wanneer de geestelijke bedienaar aangeeft ermee klaar te zijn, geeft de toetsleider de instructie voor de eerste taak. De toetsleider leest de instructie voor. Hij controleert of de geestelijke bedienaar alles begrepen heeft. Indien nodig legt de toetsleider moeilijke woorden uit. Hij moet hierbij rekening houden met zijn taalgebruik (zie 3.6 Taalgebruik). Daarna laat de toetsleider de geestelijke bedienaar zelf uitleggen wat hij moet doen. Op deze manier kan worden gecontroleerd of de geestelijke bedienaar alles begrepen heeft. Als blijkt dat de geestelijke bedienaar de taak toch niet helemaal begrepen heeft, mag de toetsleider de opdracht nog één keer herhalen. De herhaling bestaat dan uit een kernachtige samenvatting van de belangrijkste informatie voor de uitvoering van de taak. Als de geestelijke bedienaar klaar is met de eerste taak, geeft de toetsleider op dezelfde manier instructie voor de tweede taak, et cetera.

Het is belangrijk dat de toetsomstandigheden zoveel mogelijk vastliggen. Op die manier wordt voorkomen dat een toets voor de ene geestelijke bedienaar makkelijker zou worden dan voor de andere geestelijke bedienaar. Daarom is het belangrijk dat de toetsleider zich zoveel mogelijk houdt aan de voorgedrukte instructie en niet te veel uitweidt.

De toetsleider maakt aan de geestelijke bedienaar duidelijk dat hij tijdens de hele afname het toetsboekje voor de kandidaat bij zich mag houden.

In de instructie voor de toetsleider en de assessor leest u hoe het assessment verloopt. Hier staat per taak beschreven wat de toetsleider en de assessor moeten doen en wat de geestelijke bedienaar moet doen. Er staat beschreven waar de geestelijke bedienaar moet plaatsnemen en welk materiaal de toetsleider of assessor aan de geestelijke bedienaar moet geven. U leest hier ook hoe lang elke (schriftelijke) taak maximaal mag duren.

De kandidaten die deelnemen aan de assessments zijn geestelijke bedienaren waarvan verwacht wordt dat ze de mondelinge vaardigheden beheersen op niveau A2. Het is belangrijk dat de assessor en toetsleider hier rekening mee houden tijdens de instructie en tijdens de afname. Om hen daarbij te helpen zijn er ‘Richtlijnen voor het taalgebruik van de toetsleider en de assessor’ opgesteld. De toetsleider en assessor moeten zich aan deze richtlijnen houden. Daarnaast is er bij elke taak waarin gespreksvaardigheid getoetst wordt een gespreksleidraad opgenomen die de toetsleider moet gebruiken.

Het is belangrijk dat de toetsleider en de assessor hun taalgebruik aanpassen aan het taalniveau van de geestelijke bedienaar. Hieronder leest u waar de assessor en de toetsleider op moet letten tijdens de instructie en de afname.

Bij sommige taken moet de toetsleider zich inleven in een rol. Soms is hij een lid van de geloofsgemeenschap van de geestelijke bedienaar, soms een interviewer, et cetera. Bij dit onderdeel leest de toetsleider voorafgaand aan het assessment per taak voor, welke rol hij moet spelen. Het is belangrijk dat de toetsleider zich zo goed mogelijk inleeft in deze rol, zodat de ‘situatie’ zo realistisch mogelijk is voor de geestelijke bedienaar.

Het is de bedoeling dat de gesprekken tussen de geestelijke bedienaar en de toetsleider natuurlijk verlopen. Om de toetsleider te helpen bij het voeren van het gesprek en om alle kandidaten een eerlijke kans te geven, is er bij de taken waarin gespreks-vaardigheid wordt getoetst een gespreksleidraad opgenomen.

De toetsleider hoeft zich niet letterlijk aan de gespreksleidraad te houden. Mocht de geestelijke bedienaar iets niet begrijpen, dan kan de toetsleider van de tekst afwijken, zolang deze zich houdt aan de ‘Richtlijnen voor het taalgebruik van de toetsleider en de assessor’. Af en toe mag hij een extra vraag stellen, als daardoor het gesprek weer beter gaat lopen. Het kan ook voorkomen dat de geestelijke bedienaar iets zegt dat niet verwacht of gepland was. Zolang het adequaat is in het kader van het gesprek, gaat de toetsleider gewoon in op het onderwerp dat de geestelijke bedienaar aanreikt en stuurt het gesprek dan weer terug naar de leidraad.

Let op:

Vermijd zo veel mogelijk gesloten vragen. Vragen als ‘Vindt u feestjes leuk?’ en ‘Kunt u morgen om drie uur komen?’ zijn gesloten vragen. Deze vragen lokken geen productie uit bij de geestelijke bedienaar. Het enige wat de geestelijke bedienaar hier moet doen is ‘ja’ of ‘nee’ antwoorden. De geestelijke bedienaar mag niet volstaan met ‘ja’ of ‘nee’ of met een (gedeeltelijke) herhaling van de vraag als antwoord. Daarom moet de toetsleider open vragen stellen, bijvoorbeeld: ‘Wat vindt u van feestjes?’ of ‘Hoe laat kunt u komen?’

Hoewel er af en toe van de gespreksleidraad afgeweken mag worden, is het belangrijk dat de toetsleider zich zoveel mogelijk aan de gespreksleidraad probeert te houden. Dit om te voorkomen dat er van de ene geestelijke bedienaar meer wordt gevraagd dan van de andere geestelijke bedienaar, waardoor het voor de ene geestelijke bedienaar misschien moeilijker wordt dan voor de andere.

In dit hoofdstuk leest u over de rol van de assessor. Bij de afname van de assessments zijn minimaal drie mensen betrokken: de geestelijke bedienaar, de toetsleider en de assessor. De geestelijke bedienaar legt het assessment af, de toetsleider geeft de instructie en zorgt voor de uitvoering van het assessment. De assessor bewaakt tijdens de afname van het assessment de kwaliteit en het verloop en beoordeelt na afloop de resultaten. De assessor grijpt tijdens de afname in als dit nodig is en hij beoordeelt na de afname de productie van de geestelijke bedienaar.

Tijdens de toetsafname kan het gebeuren dat de toetsleider bijvoorbeeld niet goed weet hoe hij verder moet, dat hij geen goed of te moeilijk taalgebruik hanteert, dat de geestelijke bedienaar vastloopt, et cetera. In deze gevallen is het de taak van de assessor om in te grijpen. De assessor geeft de toetsleider aanwijzingen om verder te gaan, hij beslist indien nodig of de geestelijke bedienaar bijvoorbeeld beter kan stoppen of juist niet en hij spreekt de toetsleider aan op zijn taalgebruik. Dit zijn maar een aantal voorbeelden van de rol van de assessor.

De assessor beoordeelt samen met de toetsleider de productie van de geestelijke bedienaar. Maar de assessor is de hoofdbeoordelaar. Dit wil zeggen dat, in geval van twijfel of onenigheid, het oordeel van de assessor doorslaggevend is. De assessor mag om die reden dan ook niet de ‘eigen’ docent zijn van de kandidaat die het examen aflegt.

In dit hoofdstuk vindt u naast een korte uitleg over de keuze voor globale beoordeling een uitgebreide beschrijving bij het beoordelingsmodel zoals dat gebruikt wordt bij deze assessments.

Bij de assessments voor het inburgeringsexamen is gekozen voor een globale beoordeling van de spreek- en schrijfprestaties. Voor deze vorm van beoordelen (waarbij de beoordelaar een oordeel geeft over het spreek- of schrijfproduct als geheel en niet voor een analytische beoordeling, waarbij een beoordelaar een beoordeling geeft over alle afzonderlijke aspecten zoals bijvoorbeeld ‘grammatica’, ‘spelling’ en ‘coherentie’) is gekozen op grond van een aantal argumenten.

Ten eerste geldt het argument van de hanteerbaarheid. In het tijdsbestek van de afname en de beoordeling van het assessment (bij voorkeur binnen een half uur) is dit natuurlijk van het grootste belang. Daarnaast is de ervaring dat een globale beoordeling zeker zo betrouwbaar is als een analytische beoordeling.

Voor de verschillende onderdelen van het assessment zijn beoordelingmodellen of sleutels opgesteld. De leestaken bestaan uit teksten met multiple-choice vragen. Per taak is een sleutel opgenomen. Voor schrijven en gespreksvaardigheid zijn er per taak beoordelingsmodellen opgenomen. Voor zowel schrijven als gespreksvaardigheid moet de assessor rekening houden met de beschrijving van het ‘Taalgebruik van de kandidaat’, zoals opgenomen in de paragrafen 6.3 en 6.4.

Bij het beoordelen van de gesprekstaken zet u steeds dezelfde drie stappen. Allereerst moet u bepalen of de spreekuiting van de geestelijke bedienaar verstaanbaar was. Als dit namelijk niet het geval is, kunt u niet verder beoordelen en is de geestelijke bedienaar gezakt voor de taak.

Nu zult u de geestelijke bedienaar waarschijnlijk in veel gevallen kunnen verstaan, aangezien u getrainde NT2-oren hebt ontwikkeld. Eigenlijk moet u altijd bedenken of een goedwillende Nederlander de geestelijke bedienaar ook zou kunnen verstaan. Als u dit aspect positief beoordeelt, gaat u verder naar de volgende stap. In de tweede stap beoordeelt u of de spreekuiting een adequate reactie op de gestelde vragen was. Hier moet u bepalen of de antwoorden van de geestelijke bedienaar verband hielden met de opdracht, of er op de goede manier naar informatie werd gevraagd en of inhoudelijk de juiste antwoorden werden gegeven. In de tweede stap beoordeelt u ook of de uitingen van de geestelijke bedienaren aan de opdracht voldoen. Als de geestelijke bedienaar in de opdracht bijvoorbeeld twee vragen moet stellen, beoordeelt u bij stap twee ook of de geestelijke bedienaar dit heeft gedaan. Als de kandidaat afwijkt van de taak wordt hem dat niet aangerekend mits hij een zinvol gesprek voert en daarbij adequaat reageert op de gesprekspartner. Als u ook dit aspect positief beoordeelt, kunt u verder naar de laatste stap.

Wanneer is een uiting/de productie adequaat?

In de laatste stap beoordeelt u de vorm van de taaluiting door deze te meten aan de omschrijvingen zoals die worden gegeven voor Gesprekken voeren A2 in het Raamwerk NT2. In deze omschrijving kunt u terugvinden welke woordenschat de geestelijke bedienaar geacht wordt te hebben, in welke mate er grammaticale correctheid dient te zijn, hoe de interactie op dit niveau dient te verlopen en hoe de vloeiendheid, de coherentie en de uitspraak op dit niveau moeten zijn.

Zoals al eerder in deze handleiding is opgemerkt, kunt u deze niveau-aanduidingen het beste in uw hoofd hebben tijdens de uitvoering van de taak. In het kader hieronder ziet u een uitwerking van de beoordelingsaspecten. De geestelijke bedienaar scoort een voldoende voor de gesprekstaak als alle drie de stappen met een ‘ja’ zijn afgesloten.

Bij de beoordeling van de schrijftaken zet u vergelijkbare stappen als bij de beoordeling van de gesprekstaken.

Allereerst constateert u of het schrijfproduct leesbaar is. Dit betekent dat het geschrevene in het Westers schrift is, dat u er Nederlandse woordvormen in ontdekt en dat u weet wat er staat. Bij positieve waardering vervolgt u met stap twee.

In stap twee beoordeelt u of het schrijfproduct voldoet aan de taakspecifieke kenmerken. Deze kenmerken worden omschreven in de taak. Hier kan het gaan om een juiste notatie, het op de goede plek schrijven van bepaalde informatie, et cetera. Over het algemeen geldt dat de taak positief beoordeeld kan worden als de gevraagde boodschap overkomt en passend is in de gegeven context. Als een kandidaat een formulier moet invullen en daar niet zijn handtekening onder zet, dan beoordeelt u dit aspect als onvoldoende. Als u stap 2 met ‘ja’ beantwoordt, kunt u verder naar de laatste stap waarin u het schrijfproduct beoordeelt door het te meten aan de omschrijvingen zoals die worden gegeven voor Schrijven A2. In deze omschrijving kunt u terugvinden aan welke minimale kenmerken het schrijfproduct moet voldoen. De aspecten waarop wordt beoordeeld, zijn woordenschat en woordgebruik, grammaticale correctheid, spelling en interpunctie en coherentie. In het kader hieronder ziet u een uitwerking van de beoordelingsaspecten. De geestelijke bedienaar scoort een voldoende voor de schrijftaak als alle drie de stappen met een ‘ja’ zijn afgesloten.

Bij een aantal schrijftaken moet de geestelijke bedienaar een formulier invullen. Een formulier moet adequaat worden ingevuld, dat wil zeggen de boodschap moet overkomen. In geval van twijfel kan de beoordelaar een praktijkvoorbeeld als uitgangspunt nemen. De persoon van de instantie die de informatie zou moeten verwerken moet uit de voeten kunnen met de ingevulde gegevens, zonder nieuwe gegevens te hoeven opvragen aan de invuller.

Wanneer is een geestelijke bedienaar geslaagd?

Zodra alle onderdelen van het assessment zijn beoordeeld, wordt het beoordelingsmodel in het toetsboekje van de kandidaat ingevuld. Een geestelijke bedienaar heeft het assessment gehaald als hij voor alle onderdelen op alle beoordeelpunten ‘voldoende’ heeft gescoord. Om te slagen voor het onderdeel assessments SMPD van het inburgeringsexamen moet de geestelijke bedienaar op alle twee de assessments een voldoende halen.

Voortijdig stoppen met de toetsafname

Wanneer stopt u met de afname van een assessment? In principe gaat u door met het afnemen van het assessment, ook als het assessment niet helemaal lekker loopt. Pas als de geestelijke bedienaar zelf aangeeft dat hij wil stoppen of als de geestelijke bedienaar over de maximale tijd heengaat, stopt u.

Moet u altijd alle twee de assessments afnemen? De geestelijke bedienaar moet twee assessments maken. Op alle twee de assessments moet de geestelijke bedienaar voldoende halen om te kunnen slagen. Als blijkt dat de geestelijke bedienaar een assessment niet gehaald heeft, dan kunt u toch verder blijven toetsen. De geestelijke bedienaar kan voor het andere assessment namelijk wel slagen. De assessments die een geestelijke bedienaar heeft behaald blijven staan. Als de geestelijke bedienaar dus zakt voor één assessment en voor het andere assessment slaagt hoeft de geestelijke bedienaar in een herkansing nog maar één assessment te halen.

Als uit de toetsafname van het eerste assessment blijkt dat het taalvaardigheidsniveau van de kandidaat zo laag is dat niet verwacht wordt dat de kandidaat voor het volgende assessment slaagt, mag u het examen afbreken.

Ligt ter inzage bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te Den Haag.