U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 08-02-2012.

Wet · BWBR0020748

Wet inrichting landelijk gebied

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 7 december 2006, houdende regels inzake de inrichting van het landelijke gebied (Wet inrichting landelijk gebied)Wet inrichting landelijk gebiedWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen over de verdeling van bevoegdheden tussen Rijk en provincies bij de vaststelling, financiering en uitvoering van het gebiedsgerichte beleid en dat om in het kader van dat beleid te komen tot een doelmatiger toepassing van het instrument van de landinrichting de bepalingen van de Landinrichtingswet zodanig ingrijpend moeten worden herzien dat het wenselijk is hiervoor een geheel nieuwe wettelijke regeling vast te stellen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ’s-Gravenhage7 december 2006BeatrixDe Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, C. P.VeermanDe Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, P. L. B. A.van GeelDe Minister van Verkeer en Waterstaat, K. M. H.Peijsde twintigste december 2006De Minister van Justitie, E. M. H.Hirsch Ballin

Uiterlijk op 15 februari van het jaar dat voorafgaat aan een investeringstijdvak geven Onze Minister en Onze Ministers wie het mede aangaat aan gedeputeerde staten van elke provincie een indicatie van de hoogte van het voor het komende investeringstijdvak voor die provincie beschikbare investeringsbudget en van de verdeling daarvan over de onderscheiden hoofdstukken en artikelen van de rijksbegroting, ten laste waarvan het investeringsbudget wordt toegekend. Daarbij geven Onze Minister en Onze Ministers wie het mede aangaat ook de in dat tijdvak te bereiken doelen weer, gebaseerd op het rijksmeerjarenprogramma, bedoeld in artikel 3, en waar mogelijk en gewenst gespecificeerd per provincie. De indicatie, bedoeld in de eerste volzin, wordt mede vastgesteld aan de hand van de te bereiken doelen.

Op basis van het provinciale meerjarenprogramma, bedoeld in artikel 4, en de gegevens, bedoeld in artikel 5, doen gedeputeerde staten van elke provincie uiterlijk op 15 mei van het jaar dat voorafgaat aan een investeringstijdvak aan Onze Minister en Onze Ministers die het mede aangaat een voorstel dat inzicht geeft in welke bijdrage aan de doelen van het gebiedsgerichte beleid van het Rijk zij in het investeringstijdvak kunnen realiseren, de daaraan gerelateerde prestaties en het daarmee gemoeide investeringsbudget.

Gedeputeerde staten van een provincie waaraan een investeringsbudget is verleend dienen uiterlijk op 15 juli van het jaar volgend op de afloop van een investeringstijdvak een aanvraag tot vaststelling van het investeringsbudget in bij Onze Minister. Bij de aanvraag wordt het verslag, bedoeld in artikel 12, derde lid, gevoegd.

Landinrichting strekt tot verbetering van de inrichting van het landelijke gebied overeenkomstig de functies van dat gebied, zoals deze in het kader van de ruimtelijke ordening zijn aangegeven.

Tegen een besluit tot vaststelling of wijziging van een inrichtingsplan kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, voor zover het betreft:

Voor zover een inrichtingsplan als een van de maatregelen en voorzieningen, bedoeld in artikel 17, tweede lid, onderdeel b, voorziet in herverkaveling, kan dat inrichtingsplan ten aanzien van die herverkaveling niet meer worden gewijzigd nadat het ontwerp van het ruilplan overeenkomstig artikel 64, eerste lid, ter inzage is gelegd.

Indien in het in te richten gebied, zoals dat wordt begrensd in het inrichtingsplan, gronden zijn gelegen ten aanzien waarvan uit anderen hoofde dan deze wet door een tot het Rijk behorend bestuursorgaan besluitvorming wordt voorbereid of heeft plaatsgevonden omtrent de aanleg van een infrastructurele voorziening van nationaal of regionaal belang, geschiedt de voorbereiding en vaststelling van het inrichtingsplan met inachtneming van het bepaalde in dit hoofdstuk.

Voorafgaand aan de vaststelling van het inrichtingsplan voeren gedeputeerde staten overleg omtrent de voorgenomen landinrichting met het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 24.

Dit hoofdstuk is van toepassing indien in het inrichtingsplan een of meer van de volgende maatregelen of voorzieningen worden opgenomen:

Het inrichtingsplan voorziet in voorkomend geval in:

De eigendom, het beheer en het onderhoud van de gebieden en voorzieningen, bedoeld in artikel 28, onderdeel a, onder 2° en 3°, worden toegewezen aan:

Voor zover toepassing is gegeven aan artikel 45, derde lid, kunnen het Rijk en de in dat lid bedoelde openbare lichamen en rechtspersonen op de aan hen in tijdelijk gebruik gegeven gronden alle werkzaamheden verrichten of doen verrichten, die zij nodig achten ter verwezenlijking van het inrichtingsplan.

De in deze titel geregelde procedure wordt gevolgd indien herverkaveling als een van de in artikel 17, tweede lid, onderdeel b, bedoelde maatregelen of voorzieningen in het inrichtingsplan is opgenomen.

Zonder dat wijziging van het inrichtingsplan vereist is, kunnen gedeputeerde staten de grenzen van het blok wijzigen tot het tijdstip waarop het ontwerp van het ruilplan overeenkomstig artikel 64, eerste lid, ter inzage wordt gelegd.

Gedeputeerde staten stellen voor ieder blok een ruilplan en een lijst der geldelijke regelingen vast met inachtneming van het bepaalde in deze afdeling.

Het ruilplan bevat:

De lijst van rechthebbenden vermeldt voor de gronden binnen het blok zo volledig mogelijk ten aanzien van alle rechthebbenden de aard en omvang van het door hen ingebrachte recht.

De lijst van rechthebbenden wordt opgemaakt aan de hand van de basisregistratie kadaster, bedoeld in artikel 48 van de Kadasterwet, alsmede aan de hand van de openbare registers.

Elke kavel wordt zo gevormd dat deze uitweg heeft op een openbare land- of waterweg en zo mogelijk daaraan grenst.

In afwijking van artikel 51, tweede lid, kunnen in het plan van toedeling met toestemming van hen die bevoegd zijn te beschikken over niet in het blok gelegen onroerende zaken, regelingen worden opgenomen over grenswijzigingen, burenrechten en erfdienstbaarheden.

Het verschil in oppervlakte tussen de ingebrachte en de na de toepassing van artikel 56 toegedeelde kavels, wordt met de eigenaren in geld verrekend.

Gedeputeerde staten stellen in overeenstemming met gedeputeerde staten van de andere provincies waarin het blok mede gelegen is, op een of meer door hen te bepalen plaatsen en tijdstippen de eigenaren en gebruikers in de gelegenheid hun wensen ten aanzien van het plan van toedeling kenbaar te maken.

Zodra het ruilplan onherroepelijk is, geven gedeputeerde staten hiervan kennis aan de Dienst landelijk gebied en de Dienst voor het kadaster en de openbare registers.

Zodra de beroepstermijn met betrekking tot een besluit tot vaststelling van de lijst der geldelijke regelingen is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist, geldt de lijst der geldelijke regelingen als titel voor de daarin omschreven vorderingen.

Gedeputeerde staten delen zo spoedig mogelijk nadat het ruilplan onherroepelijk is, aan de grondkamer mee welke pachtverhoudingen gehandhaafd, welke opgeheven en welke nieuw gevestigd zijn onder vermelding van de namen en woonplaatsen van partijen in de pachtverhouding, de onroerende zaken waarop deze betrekking hebben en de bepalingen op grond van artikel 54, tweede lid, inzake de uit de gevestigde pachtverhoudingen voortvloeiende pachtovereenkomsten.

Indien partijen niet binnen de in artikel 76, derde lid, gestelde termijn tot inzending van de getekende pachtovereenkomst bij de grondkamer zijn overgegaan, maakt de grondkamer een akte in drievoud op, gelijkluidend aan de aan partijen gezonden ontwerppachtovereenkomst en bepaalt daarin de pachtprijs. De grondkamer ondertekent de akte en zendt een exemplaar daarvan bij aangetekende brief aan elke partij toe.

Bij regeling van Onze Minister wordt bepaald welke artikelen of onderdelen daarvan van deze wet in een beding in een overeenkomst als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van overeenkomstige toepassing kunnen worden verklaard. Daarbij kunnen nadere voorwaarden worden gesteld waaraan moet worden voldaan alvorens een zodanig beding overeenkomstige rechtsgevolgen heeft als de daarin van toepassing verklaarde bepalingen van deze wet.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere eisen gesteld, waaraan een overeenkomst als bedoeld in artikel 85, eerste lid, moet voldoen.

De kosten van landinrichting worden gedragen door de provincie, voor zover zij niet worden gedragen door het Rijk, andere openbare lichamen en eigenaren met inachtneming van de artikelen 90 tot en met 91.

Wijzigt deze wet.

Voor zoveel nodig in afwijking van artikel 10:3, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn alle besluiten rechtsgeldig die zijn genomen door de secretaris van de Centrale Landinrichtingscommissie, bedoeld in artikel 7 van de Landinrichtingswet, zoals dit luidde voorafgaand aan inwerkingtreding van de wet, genoemd in artikel 96.

Wijzigt de Onteigeningswet.

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Wijzigt de Kadasterwet.

Wijzigt de Ontgrondingenwet.

Wijzigt de Provinciewet.

Wijzigt de Wet agrarisch grondverkeer.

Wijzigt de Wet milieubeheer.

Wijzigt de Wet op belastingen van rechtsverkeer.

Wijzigt de Wijzigingswet Pachtwet.

Wijzigt de Reconstructiewet concentratiegebieden.

De Herverkavelingswet Walcheren 1947 wordt ingetrokken.

Na de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit herverkaveling reconstructie concentratiegebieden op artikel 63 van deze wet.

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Deze wet wordt aangehaald als: Wet inrichting landelijk gebied.