U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 08-03-2009.
Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2006, nr. AV/PB/102565A, tot vaststelling van regels op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling en tot aanpassing van enige Ministeriele regelingen in verband met de invoering van de Pensioenwet (Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling)Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op artikel 2, derde lid, 70, tweede lid, 109, zevende lid, en 158 van de Pensioenwet; artikel 81, tweede lid en 153 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; artikel 9, vierde lid, 23, vierde lid, 25, eerste en vijfde lid en 27, eerste lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling; artikel 12, derde lid en 22, vierde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen; artikel 8, zesde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen; artikel 50, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; artikel 67, zesde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en artikel 7, vierde lid, en artikel 10 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding;

Met betrekking tot de artikelen 32, 33 en 34 handelend in overeenstemming met de Minister van Justitie;

Besluit:

Deze regeling zal met toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag19 december 2006De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A.J. deGeus

Als categorie van personen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Pensioenwet worden aangewezen de personen die in de Generale regeling predikantspensioenen als deelnemer zijn aangemerkt.

Als instelling als bedoeld in artikel 70, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 81, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden de in bijlage 1 genoemde instellingen en aan die instellingen verbonden pensioenuitvoerders, aangewezen.

Als verenigingen, op wie tot 1 januari 2009 het vierde tot en met zesde lid van artikel 109 van de Pensioenwet niet van toepassing zijn, zijn aangewezen:

Voor de gewijzigde of aanvullende begroting, bedoeld in artikel 154, vierde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 149, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zijn artikel 7 tot en met 9 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van artikel 7, eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid.

De raad van toezicht of raad van commissarissen vermeldt in zijn bevindingen of:

De prijsinflatie, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling is de minimale verwachtingswaarde voor de groeivoet van het prijsindexcijfer, genoemd in artikel 1, onderdeel a, van de Regeling parameters pensioenfondsen.

Wanneer waardeoverdracht plaatsvindt van een pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, rekent de ontvangende uitvoerder, met toepassing van artikel 16, terug welk deel van de overdrachtswaarde als verschuldigde rente moet worden aangemerkt over de periode tussen de betaaldatum en de overdrachtsdatum.

Gereserveerd.

Gereserveerd.

Indien het standaardmodel leidt tot uitkomsten die onvoldoende overeenkomen met het risicoprofiel van het fonds, dan treedt het fonds in overleg met De Nederlandsche Bank over de te nemen maatregelen.

Tot 1 januari 2008 wordt artikel 18, tweede lid, als volgt gelezen:

Indien artikel 36 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen van toepassing is gebruikt het fonds jaarlijks, in afwijking van artikel 4, derde lid, een tijdelijk rekeninstrument voor de berekening van de verwachtingen ten aanzien van de toekomstige toeslagverlening, bedoeld in artikel 4, tweede lid. Dit tijdelijk rekeninstrument wordt beschikbaar gesteld via www.toezicht.dnb.nl.

Wijzigt de Regeling voor berekening in geval van waarde-overdracht.

Wijzigt de Regeling vaststelling regels pensioenberekening bij scheiding voor 27 november 1981.

Wijzigt de Regeling vaststelling regels pensioenberekening over deelnemingsjaren voor 1 mei 1995.

Wijzigt de Betaalbaarstelling uitkeringen ingevolge de sociale verzekeringswetten door andere organen dan de Sociale Verzekeringsbank en bedrijfsverenigingen.

Wijzigt de Regeling vermogenswaardering Ioaz.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2007.

Deze regeling wordt aangehaald als Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

1. Het Europees Centrum voor Kernonderzoek (CERN), bedoeld in het op 1 juli 1953 te Parijs tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van een Europese Organisatie voor Kernonderzoek;

2. het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn, bedoeld in het te Brussel op 11 oktober 1973 tot stand gekomen Verdrag betreffende de instelling van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op Middellange termijn;

3. het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie, bedoeld in het op 10 mei 1973 te Genève tot stand gekomen Overeenkomst tot oprichting van het Europees Laboratorium voor Moleculaire Biologie;

4. het Europees Observatorium voor de Zuidelijke Sterrenhemel, bedoeld in het op 5 oktober 1962 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese organisatie voor astronomisch onderzoek op het zuidelijk halfrond;

5. het Europees Ruimtevaart Agentschap (ESA), bedoeld in het op 30 mei 1975 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europees Ruimte-Agentschap;

6. de Europese Centrale Bank, bedoeld in artikel 4 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 7 februari 1992 te Maastricht tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank;

7. de Europese Meteorologische Satelliet Organisatie (EUMETSAT), bedoeld in het op 24 mei 1983 te Genève tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor de exploitatie van meteorologische satellieten;

8. de Europese Octrooi-organisatie, bedoeld in het op 5 oktober 1973 te München tot stand gekomen Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien;

9. de Europese Organisatie van Tele-communicatiesatellieten (EUTELSAT), bedoeld in het op 15 juli 1982 te Parijs tot stand gekomen Verdrag tot Oprichting van de Europese Organisatie van Telecommunicatiesatellieten;

10. de Europese Organisatie voor de Veiligheid van de Luchtvaart (Eurocontrol), bedoeld in het op 13 december 1960 te Brussel tot stand gekomen Internationaal Verdrag tot samenwerking in het belang van de veiligheid van de luchtvaart;

11. de Intergouvernementele Commissie voor Migratie, bedoeld in het op 19 oktober 1953 te Venetië tot stand gekomen Statuut van de Intergouvernementele Commissie voor Europese Migratie;

12. de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, bedoeld in het Statuut dat op 23 oktober 1956 is goedgekeurd door de Conferentie over het Statuut van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie die werd gehouden in het Hoofdkwartier van de Verenigde Naties;

13. de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NATO), bedoeld in het op 4 april 1949 te Washington D.C. tot stand gekomen Noord-Atlantisch Verdrag;

14. de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD), bedoeld in het op 14 december 1960 te Parijs tot stand gekomen Verdrag nopens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;

15. de Raad van Europa, bedoeld in het op 5 mei 1949 te Londen tot stand gekomen Statuut van de Raad van Europa;

16. de Verenigde Naties (UN), inclusief de hiermee verbonden gespecialiseerde organisaties, bedoeld in het op 26 juni 1945 te San Francisco tot stand gekomen Handvest van de Verenigde Naties;

17. de Wereld Handelsorganisatie (WTO), bedoeld in het op 15 april 1994 tot stand gekomen Verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie;

18. de West-Europese Unie (WEU), bedoeld in het op 17 maart 1948 te Brussel tot stand gekomen Verdrag van Brussel en het op 23 oktober 1954 te Parijs tot stand gekomen Protocol tot wijziging en aanvulling van het Verdrag van Brussel;

19) de Europese politiedienst (Europol), bedoeld in de op 26 juli 1995 te Brussel tot stand gekomen Overeenkomst op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie tot oprichting van een Europese politiedienst (Europol-overeenkomst);

20) de Europese Investeringsbank, bedoeld in artikel 9 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het op 25 maart 1957 te Rome tot stand gekomen Protocol betreffende de statuten van de Europese Investeringsbank.

Deze bijlage behoort bij artikel 6, eerste lid, van de Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.

Matrix fondsen ten aanzien van toeslagen over pensioenaanspraken en pensioenrechten (is toeslag voor pensioengerechtigden, gewezen deelnemers en deelnemers):

Matrix verzekerde regelingen ten aanzien van toeslagen over pensioenaanspraken en pensioenrechten (is toeslag voor pensioengerechtigden, gewezen deelnemers en deelnemers):

1. De gehuwdheidsfrequenties, bedoeld in artikel 18, zesde lid, luiden als volgt:

2. In het eerste lid betekent de aanduiding ‘x’: de leeftijd van de deelnemer.

1. De formules voor de berekening van de pensioenaanspraken, bedoeld in artikel 19, eerste lid, luiden als volgt:

2. De in het eerste lid gebruikte symbolen en afkortingen hebben de volgende betekenis:

a: de verhouding nabestaandenpensioen/ouderdomspensioen in de regeling ondergebracht bij het overnemende uitvoeringsorgaan, zoals deze voor de rechthebbende geldt op de overdrachtsdatum;

β: de verhouding tussen een eventuele andere pensioenvorm en het ouderdomspensioen, zonodig berekend uit de totale aanspraken (zonder overdracht) volgens de regeling ondergebracht bij het overnemende uitvoeringsorgaan, zoals deze voor de rechthebbende geldt op de overdrachtsdatum;

OP: ouderdomspensioen;

NP: nabestaandenpensioen;

OV: overige pensioenvormen;

OW: overdrachtswaarde;

kps-OP: de contantewaardefactor voor ouderdomspensioen volgens het standaardtarief;

kps-NP: de contantewaardefactor voor nabestaandenpensioen volgens het standaardtarief;

kps-OV: de contantewaardefactor voor overige pensioenvormen volgens het standaardtarief.

3. Wanneer in het eerste lid aan OP, NP en OV de letters nw zijn toegevoegd, betekent dit dat het pensioenaanspraken in de regeling bij het overnemende uitvoeringsorgaan ondergebracht uit hoofde van de waardeoverdracht betreft.

Het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 24 wordt als volgt aangeduid:

S1 voor het vereist eigen vermogen voor het renterisico.

S2 voor het vereist eigen vermogen voor het aandelen- en vastgoedrisico.

S3 voor het vereist eigen vermogen voor het valutarisico.

S4 voor het vereist eigen vermogen voor het grondstoffenrisico.

S5 voor het vereist eigen vermogen voor het kredietrisico.

S6 voor het vereist eigen vermogen voor het verzekeringstechnische risico.

S7 voor het vereist eigen vermogen voor het liquiditeitsrisico.

S8 voor het vereist eigen vermogen voor het concentratierisico.

S9 voor het vereist eigen vermogen voor het operationeel risico.

Het vereist eigen vermogen wordt bepaald aan de hand van de volgende formule en op basis van onderstaande procedure:

waarbij ρ = 0,50.

Daarbij zal deze formule worden aangepast als aan de risicofactoren S7, S8 en S9 waarden worden toegekend.

Het vereist eigen vermogen van het fonds, als bedoeld in artikel 132 van de Pensioenwet dan wel artikel 127 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt bepaald aan de hand van een iteratief proces. Dit proces bestaat uit het herhaald toepassen van het standaardmodel. Het beleggingsbeleid met de bijbehorende beleggingskarakteristieken blijft daarbij gelijk. Het belegde vermogen in de tweede toepassing en in iedere daaropvolgende herhaalde toepassing is gelijk aan het belegde vermogen in de daaraan voorafgaande toepassing minus het aan het eind van de daaraan voorafgaande toepassing bepaalde verschil tussen het eigen vermogen en de uitkomst van de formule. De herhalingsprocedure stopt indien dit verschil niet langer significant is. Dit is doorgaans het geval na twee herhalingen. De uitkomst van de formule is dan gelijk aan het vereist eigen vermogen.

In deze formule komt het vereist vermogen voor het aandelen- en vastgoedrisico S 2 als volgt tot stand. In artikel 25 is bepaald dat in het standaardmodel bij de aggregatie van het vereist eigen vermogen voor respectievelijk aandelen ontwikkelde markten en indirect vastgoed (S 2A ), aandelen opkomende markten (S 2B ), niet-beursgenoteerde aandelen (S 2C ) en direct vastgoed (S 2D ) tot het totale vereist eigen vermogen voor aandelen- en vastgoedrisico (S 2 ) rekening wordt gehouden met de mogelijke statistische samenhang tussen de effecten van de scenario’s. Bij de aggregatie wordt uitgegaan van een uniforme correlatie ρ’ van 0,75. De componenten S 2A tot en met S 2D worden vervolgens gecombineerd tot het totaal vereist eigen vermogen voor aandelen- en vastgoedrisico S 2 aan de hand van de formule:

Waarbij ρ' = 0,75.

In de benaderingsmethode als bedoeld in artikel 29, derde lid, wordt het renterisico bepaald op basis van een gewogen gemiddelde looptijd van de verplichtingen (de zogenaamde ‘duration’). Het toepassen van deze benaderingsmethode is echter alleen toegestaan indien er geen rentederivaten of impliciete ‘contingent interest rate claims’ aanwezig zijn.

Een fonds met een ‘duration’ van 16 jaar zal in de benaderingsmethode bij een rente van bijvoorbeeld 4% in de bepaling van de rentegevoeligheid van de verplichtingen rekening dienen te houden met een rentedaling tot 3,08% (= 0,77 * 4%) en met een rentestijging tot 5,16% (= 1,29 * 4%).

In de benaderingsmethode vindt de bepaling van de waardeverandering van de rentegevoelige beleggingen c.q. pensioenverplichtingen in het rentescenario van de stijging/daling van de rentetermijnstructuur plaats aan de hand van de volgende niet-lineaire benadering:

Hierin is ‘Waarde’ de actuele waarde van de beleggingen c.q. pensioenverplichtingen, ‘duration’ de gewogen gemiddelde looptijd van de beleggingen c.q. pensioenverplichtingen, rinitieel de rente uit de rentetermijnstructuur met looptijd die correspondeert met de ‘duration’ en rscenario de rente in het scenario van een stijging/daling van de rentetermijnstructuur met looptijd die correspondeert met de ‘duration’. Instellingen bepalen allereerst de waardeverandering van alle rentegevoelige beleggingen en de waardeverandering van alle verplichtingen voor het scenario van de stijgende en de dalende rentecurve. Het grootste netto verlies van beide scenario’s bepaalt het vereist eigen vermogen voor renterisico.

Pensioenfondsen mogen tot 1 januari 2010 een benaderingsmethode hanteren om het kredietrisico te bepalen. In de benaderingsmethode als bedoeld in artikel 29, derde lid, vindt de bepaling van de waardeverandering in het kredietrisico scenario plaats aan de hand van de volgende formule:

Waardeverandering = – 0,4 × Dur × CS × Waarde

Hierin is ‘Waarde’ de waarde van de kredietportefeuille, CS de gewogen gemiddelde credit spread van de kredietportefeuille en Dur de duration of gewogen gemiddelde looptijd van de kredietportefeuille. Het vereist eigen vermogen voor kredietrisico is gelijk aan het absolute getal van deze waardeverandering.