Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Economische Zaken van 22 januari 2007, nr. WJZ 7007456, houdende regels omtrent de eisen waaraan meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters en discontinue brandstofmeters moeten voldoen voordat zij in de handel worden gebracht, in gebruik worden genomen of worden gebruikt (Regeling meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters en discontinue brandstofmeters)Regeling meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters en discontinue brandstofmetersDe Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 5, 8 en 11 van het Meetinstrumentenbesluit II;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag22 januari 2007De Minister van Economische Zaken, J.G.Wijn

In deze regeling wordt verstaan onder:

Meetinstrumenten worden uitsluitend gebruikt voor metingen overeenkomstig hun bestemming.

Meetinstrumenten worden zodanig gecorrigeerd en gejusteerd dat de aanwijzingsfouten zo dicht mogelijk bij nul liggen.

Meetreservoirs zijn naar de wijze, waarop de hoogte van de vloeistofspiegel wordt bepaald, te onderscheiden in:

Van de meetreservoirs, bedoeld in artikel 7, onder b, en, voor zover bij het vaststellen van de aanwezige hoeveelheid vloeistof gebruik wordt gemaakt van een meetinstrument dat is ingedeeld in eenheden van lengte, van de meetreservoirs, bedoeld in artikel 7, onder c, moet een certificaat van meting ter plaatse van opstelling beschikbaar zijn.

Meetreservoirs zijn naar hun samenstelling en de wijze van opstelling te onderscheiden in:

In een meetreservoir mogen verwarmingselementen, leidingen en andere hulpinrichtingen, die in verband met het gebruik noodzakelijk zijn, zijn aangebracht, mits deze de goede werking van het meetreservoir niet schaden.

Een meetreservoir is zo nodig aan de bovenzijde voorzien van een meetopening of, indien de samenstelling of de opstelling van het meetreservoir van invloed is op de juistheid van de meting, van meer meetopeningen.

Een peilstok als bedoeld in artikel 7, onder a of b, mag zijn voorzien van een aanslag die zijn stand in de meetopening, waarvoor hij bestemd is, tijdens de meting ondubbelzinnig bepaalt.

Een schaaldeel van de verdeling van een peilstok als bedoeld in artikel 7, onder a, heeft een lengte van ten minste 1 mm en ten hoogste 10 mm.

De maximaal toelaatbare fout van de aanwijzing van de gemeten hoeveelheid bedraagt:

De vaststelling van de kleinste door middel van een meetreservoir te meten hoeveelheid dan wel van het kleinste te meten verschil in hoogte van twee vloeistofspiegels, zijnde tevens de kleinste te meten hoogte van een vloeistofspiegel boven de bodem bij de vaststelling door middel van één meting van de in het meetreservoir aanwezige vloeistof, wordt bepaald door een aangewezen instantie.

Het volume van het onderste gedeelte van een meetreservoir wordt volumetrisch door inliteren van water of van het product waarvoor het meetreservoir bestemd is, bepaald.

Aan een meetreservoir, dat is ingericht voor het daarop aanbrengen van een meetinstrument, bestemd voor het meten van de hoogte van de vloeistofspiegel in een zodanig meetreservoir, zijn voorzieningen aangebracht, die geschikt zijn om steeds voldoende nauwkeurige controlemetingen van de met dat meetinstrument gemeten hoogte van de vloeistofspiegels te kunnen uitvoeren.

Op een peilstok als bedoeld in artikel 7, onder a of b, is vermeld:

Een vloeistofhoogtemeter is zodanig samengesteld, dat bij een verandering van:

De bevestiging van een vloeistofhoogtemeter op een meetreservoir, waaraan die meter is toegevoegd, geschiedt zodanig, dat de onveranderlijkheid van de meting is gewaarborgd.

Het meetreservoir is voorzien van een referentiepunt, dat een vaste positie ten opzichte van de vloeistofhoogtemeter heeft en met behulp waarvan te allen tijde voldoende nauwkeurige controlemetingen van de vloeistofhoogte kunnen worden uitgevoerd.

Bevestiging van een vloeistofhoogtemeter aan een tot het meetreservoir behorende geleidepijp voor de meetdraad, meetband of elektromagnetische golven is slechts toegestaan, indien die geleidepijp vast met de wand van het meetreservoir is verbonden en geen ondersteuning heeft die vast met het dak of met de bodem van het meetreservoir is verbonden.

Het mechanisme van een vloeistofhoogtemeter kan worden gecontroleerd door de bewegende delen van de vloeistofhoogtemeter te activeren, waardoor de meetwaarde-opnemer in beweging wordt gezet.

Signaalinrichtingen, mechanismen ter berekening van hoeveelheid of prijs, ter herhaling van eerdere aanwijzingen en dergelijke, die het gebruik van de vloeistofhoogtemeter vergemakkelijken, zijn toegelaten, voor zover zij de juiste werking van de meter niet schaden.

Een aanwijsinrichting mag gescheiden van de meetwaarde-opnemer zijn opgesteld, mits bijzondere voorzieningen waarborgen, dat steeds ondubbelzinnig vaststaat op welk meetreservoir de aanwijzing van de inrichting betrekking heeft.

De waarde van de afleeseenheid mag niet groter dan 1 mm zijn.

Indien de meetwaarde-opnemer boven de vloeistofspiegel in een ruststand gebracht kan worden, vindt de aanwijzing van de hoogte van de meetwaarde-opnemer op een zodanige wijze plaats, dat ondubbelzinnig vaststaat dat niet de werkelijke hoogte van de vloeistofspiegel wordt aangewezen.

Indien een vloeistofhoogtemeter is voorzien van een afdrukinrichting zijn in afwijking van artikel 44 op het afdrukpapier vermeld:

De artikelen 43, 44 en 45 zijn niet van toepassing, indien parameters, die niet afkomstig zijn van inrichtingen voor het opnemen, omvormen en aanbieden van meetcondities, welke niet op de aanwijsinrichting zijn aangesloten, en die bepalend zijn voor het resultaat van de door de aanwijsinrichting gepresenteerde grootheden, vast zijn ingesteld dan wel tegen veranderingen zijn beschermd met behulp van een verzegelingsinrichting.

Indien de gepresenteerde waarde berust op een historische meting, wordt dit door middel van een symbool kenbaar gemaakt.

Indien de elementen van een aanwijsinrichting zijn bestemd voor het aanwijzen van de hoogte en voor het aanwijzen van andere grootheden of gegevens, mogen deze grootheden slechts na uitvoering van een bedieningshandeling aangewezen kunnen worden en moeten ze na ten hoogste 10 seconden weer worden vervangen door de aanwijzing van de hoogte.

Indien een aanwijsinrichting gemeenschappelijk functioneert voor meerdere vloeistofhoogtemeters en indien één of meer van die vloeistofhoogtemeters bestemd zijn voor metingen die niet voor het drijven van handel of het vaststellen van heffingen gebruikt worden, zijn de meetresultaten van die metingen op zodanige wijze gekenmerkt, dat duidelijk is dat deze resultaten niet voor het drijven van handel of het vaststellen van heffingen gebruikt mogen worden.

Een meetwaarde-opnemer is zodanig gesitueerd, dat er geen wederzijdse beïnvloeding kan plaatsvinden met andere meettechnische handelingen.

Een meetwaarde-opnemer wordt op een zodanige wijze beschermd, dat de invloed van draaikolken, stromingen of wervelingen op de aanwijzing van de hoogte van de vloeistofspiegel is te verwaarlozen, waarbij voor een meetwaarde-opnemer die direct contact maakt met de vloeistof een correcte verticale geleiding van de meetwaarde-opnemer gewaarborgd moet blijven.

De maximaal toelaatbare fout van het verschil tussen twee gemeten hoogten, waarbij een meetwaarde-opnemer het hoogteverschil in één richting heeft overbrugd, is gelijk aan de maximaal toelaatbare fout overeenkomstig artikel 53.

Bij een vloeistofhoogtemeter met twee of meer aanwijsinrichtingen mogen de aanwijzingen van de hoogte van eenzelfde vloeistofspiegel door twee van die inrichtingen, willekeurig gekozen, niet meer van elkaar verschillen dan één afleeseenheid van de aanwijsinrichting, die van de beide welke worden vergeleken de grootste afleeseenheid heeft.

Indien de bewegingsrichting van een meetwaarde-opnemer welke direct contact maakt met de vloeistof verandert, mogen de aanwijzingen van de hoogte van eenzelfde vloeistofspiegel niet meer van elkaar verschillen dan 1 mm.

Indien de voortplantingsrichting van de elektromagnetische golven naar het vloeistofoppervlak wordt onderbroken, mogen de aanwijzingen van de hoogte van eenzelfde vloeistofspiegel voor en na de onderbreking niet meer van elkaar verschillen dan 1 mm.

Indien de volumieke massa van de vloeistof ligt tussen 600 kg/m3 en 1000 kg/m3, mag de verandering van de volumieke massa van 1000 kg/m3 naar 600 kg/m3 geen grotere invloed hebben op de aanwijzing van een vloeistofhoogtemeter welke direct contact maakt met de vloeistof dan 2,6 mm.

Indien de volumieke massa van de vloeistof buiten de grenzen, bedoeld in artikel 59, valt, worden bij de toelating van het model de grenzen, waarbinnen het gebruik van de vloeistofhoogtemeter is toegestaan, zodanig vastgesteld, dat de verandering van de volumieke massa van de bovengrens naar de ondergrens geen grotere invloed heeft op de aanwijzing van een vloeistofhoogtemeter welke direct contact maakt met de vloeistof dan 2,6 mm.

Bij een verandering van de temperatuur van een vloeistofhoogtemeter en van de wand van het meetreservoir waarop de vloeistofhoogtemeter is geplaatst van 10 °C mag de verandering van de aanwijzing niet meer bedragen dan de maximaal toelaatbare fout, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onder a.

Op iedere vloeistofhoogtemeter is, hetzij direct, hetzij op een plaat, die vast met de vloeistofhoogtemeter is verbonden, vermeld:

Indien één of meer verre-aanwijsinrichtingen behoren bij een vloeistofhoogtemeter, is op of in de onmiddellijke nabijheid van elk van die inrichtingen een plaat aangebracht, waarop zijn vermeld:

Inrichtingen als bedoeld in artikel 35, die op verzoek van de aanvrager niet in de keuring worden betrokken, alsmede niet gekeurde aanwijsinrichtingen zijn voorzien van het opschrift ‘niet geijkte hulpinrichting’.

Indien de meeteigenschappen van een vloeistofhoogtemeter het gebruik buiten bepaalde meetgrenzen niet veroorloven of indien andere beperkingen in het gebruik zijn vereist, dragen de vloeistofhoogtemeter en elke verre-aanwijsinrichting die op de vloeistofhoogtemeter kan worden aangesloten een opschrift waaruit die beperkte bestemming blijkt.

Indien een meetwaarde-opnemer in een afzonderlijke behuizing is ondergebracht, wordt de markering aangebracht als aangegeven in artikel 69.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

De blootstelling aan omgevingscondities van elektronische inrichtingen, die zijn opgesteld in een afgesloten ruimte, al of niet voorzien van een regeling van temperatuur en vochtigheid, bestaat uit:

De omgevingstemperaturen, bedoeld in de artikelen 75 en 76, worden als stabiel beschouwd, indien:

De blootstelling aan omgevingscondities van elektronische inrichtingen bestaat uit:

Toetsing aan de voorschriften van deze paragraaf vindt plaats ten aanzien van een vloeistofhoogtemeter, zoals die in de gebruikssituatie zal zijn of is samengesteld, tenzij de afmetingen of de configuratie van de meter noodzaken tot het onderzoek van afzonderlijke elektronische inrichtingen.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder meetkamer: voor de meting dienende ruimte van een discontinue brandstofmeter, die met behulp van verdeelstrepen, overlopen, aflooppijpen of andere begrenzingen in een of meer volumedelen zijn verdeeld.

De delen die de begrenzing vormen van een meetkamer van een discontinue brandstofmeter zijn met elkaar verbonden of voorzien van verzegelingsinrichtingen, waarmee het uit elkaar nemen van die delen kan worden verhinderd. Het bepaalde in de eerste volzin geldt niet, indien de eigenschappen van het product waarvoor de discontinue brandstofmeter is bestemd het uit elkaar nemen van de delen noodzakelijk maken.

De discontinue brandstofmeters waarvan de delen blijvend uit elkaar genomen moeten kunnen worden, zijn zodanig geconstrueerd, dat onjuiste metingen door onjuist of onvolledig samenvoegen van de verschillende delen zijn uitgesloten, dan wel zijn van zodanige gebruiksaanwijzingen en kenmerken voorzien, dat bij opvolging van de gebruiksaanwijzing juiste metingen zijn gewaarborgd.

De discontinue brandstofmeters ten aanzien waarvan de opstelling waarin zij gebruikt moeten worden niet duidelijk uit de samenstelling blijkt, zijn, indien die opstelling van belang is voor een juiste meting, voorzien van een inrichting, die die opstelling duidelijk aanwijst.

Telwerken, veiligheidsinrichtingen, terugloopleidingen, justeerinrichtingen en andere hulpinrichtingen die het gebruik van een discontinue brandstofmeter vergemakkelijken, zijn toegestaan, voor zover zij de juiste werking van de meter niet schaden en geen aanleiding tot misleiding en misvatting kunnen geven.

Een justeerinrichting is voorzien van een verzegelingsinrichting.

Een discontinue brandstofmeter die een geldige markering draagt, is voorzien van een zegelmerk, dat is aangebracht op de verzegelingsinrichting van de justeerinrichting en zo nodig op de verzegelingsinrichtingen van de onderdelen, bedoeld in artikel 85.

Vloeistofspiegels ter hoogte van de afzonderlijke deelstrepen kunnen parallaxvrij ingesteld en afgelezen worden. Zo nodig is de discontinue brandstofmeter daartoe voorzien van hulpmiddelen.

De vorm en de inrichting van de discontinue brandstofmeters en de aan- en afvoerleidingen waarborgen de volledige aanvoer van de te meten en de volledige levering van de gemeten hoeveelheid. Zo nodig zijn daartoe kijkglazen aangebracht.

De delen die dienen voor het vullen en ledigen zijn onveranderlijk en zodanig uitgevoerd en aangebracht, dat de metingen betrouwbaar en eenduidig zijn en bij scheefstellingen geen verschillen van enige betekenis in verhouding tot de maximaal toelaatbare fouten optreden.

Omschakelinrichtingen zijn zodanig geconstrueerd en geïnstalleerd, dat de vloeistof bij het meten of omschakelen slechts die richting kan volgen, waarlangs een juiste meting is verzekerd.

De discontinue brandstofmeters waarbij de metende ruimte aan de boven- en de onderzijde door een afsluitinrichting wordt begrensd, zijn voorzien van een bijzondere inrichting, die waarborgt dat de afvoerleiding eerst kan worden geopend na volledige vulling van de metende ruimte en eerst kan worden gesloten na volledige lediging.

Indien de onderzijde van de metende ruimte wordt begrensd door een afsluitinrichting, hebben de bodem en in voorkomende gevallen de afvoerleiding ten minste de volgende helling:

Terugloopinrichtingen zijn zodanig uitgevoerd, dat gebruik dat leidt tot een meetfout, welke beduidend kleiner is dan de maximaal toelaatbare fout, onmogelijk is dan wel gemakkelijk kan worden vastgesteld.

De discontinue brandstofmeters zijn zodanig ingericht, dat de juiste werking van ingebouwde discontinue brandstofmeters niet wordt geschaad en zij gemakkelijk kunnen worden onderzocht.

Bij de discontinue brandstofmeters die bestemd zijn voor het meten van verschillende brandstoffen in wisselende mengverhoudingen kunnen deze brandstoffen zich bij het veranderen van de mengverhouding slechts in geringe mate met elkaar vermengen.

Op iedere discontinue brandstofmeter is, hetzij direct, hetzij op een plaat die vast met het meetwerktuig is verbonden, vermeld:

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 februari 2007.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling meetreservoirs, vloeistofhoogtemeters en discontinue brandstofmeters.