Ministeriële regeling · BWBR0022190
Subsidieregeling Point One Boegbeeld-module 2007 van de Experimentele kaderregeling subsidies innovatieprojecten
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen 2, 3 en 4 die ter inzage worden gelegd bij Senter-Novem, Juliana van Stolberglaan 3, Den Haag.
Den Haag2 juli 2007De Minister van Economische Zaken, M.J.A. van der HoevenIn deze regeling wordt verstaan onder:
- a.
kaderregeling: de Experimentele kaderregeling subsidies innovatieprojecten;
- b.
MKB-samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee niet in groep verbonden deelnemers, waaronder één MKB-ondernemer, dat is opgericht voor de uitvoering van een MKB-project;
- c.
R&D-samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee niet in een groep verbonden in Nederland gevestigde ondernemers, waaronder één MKB-ondernemer, dat is opgericht voor de uitvoering van een R&D-project;
- d.
Internationaal R&D-samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit twee of meer niet in een groep verbonden in Nederland gevestigde deelnemers, waaronder één ondernemer, dat onderdeel uitmaakt van een Europees samenwerkingsverband en dat is opgericht voor de uitvoering van een Internationaal R&D-project;
- e.
Europees samenwerkingsverband: een consortium van ondernemingen en eventueel andere partners, bijvoorbeeld onderzoeksorganisaties, dat zich in tenminste twee EUREKA-landen bevindt en waarvan de bedrijven deel uitmaken van een nationaal cluster waarbinnen wordt samengewerkt;
- f.
MKB-project: een samenhangend geheel van activiteiten, uitgevoerd door een MKB-samenwerkingsverband, dat leidt tot een inschatting van de technische en economische mogelijkheden van een R&D-project;
- g.
R&D-project: een samenhangend geheel van activiteiten, uitgevoerd door een R&D-samenwerkingsverband, bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, dat leidt tot een nieuw product of proces of tot een nieuwe dienst;
- h.
Internationaal R&D-project: een samenhangend geheel van activiteiten, uitgevoerd door een Internationaal R&D-samenwerkingsverband, bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, dat is voorzien van een ITEA2 of MEDEA+ label en dat leidt tot een nieuw product, proces of tot een nieuwe dienst;
- i.
onderzoeksorganisatie: een onderzoeksorganisatie in de zin van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2006/C 323/01 (PbEU 323);
- j.
industrieel onderzoek: industrieel onderzoek in de zin van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323);
- k.
experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling in de zin van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie nr. 2006/C 323/01 (PbEU C 323).
Voor de definities van innovatieproject, ondernemer, MKB-ondernemer en groep is artikel 1 van de kaderregeling van toepassing.
De Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een MKB-ondernemer die in een MKB-samenwerkingsverband voor eigen rekening en risico een MKB-project uitvoert dat past binnen de technologische gebieden zoals genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.
In aanvulling op artikel 21 van de kaderregeling is de bedoelde penvoerder een in Nederland gevestigde MKB-ondernemer. De penvoerder vraagt de subsidie aan.
De subsidie bedraagt 50 procent van de subsidiabele kosten.
Het subsidieplafond voor het in 2008 verlenen van subsidies op grond van dit artikel bedraagt € 500.000.
Voor het verstrekken van subsidies op grond van dit artikel zijn de artikelen 4, 5, 7, 8, 9, 11, 15 tot en met 20, 23, 28 tot en met 32, 33, eerste, tweede, derde en vijfde lid en 34 van de kaderregeling van toepassing.
Het in artikel 3, vierde lid, van de kaderregeling bedoelde bedrag is € 100.000.
De in artikel 15, onderdeel c, van de kaderregeling bedoelde termijn is een jaar.
In afwijking van artikel 16, derde lid, van de kaderregeling bedraagt het ambtshalve te verstrekken voorschot 50 procent.
Aanvragen voor een MKB-project moeten zijn ontvangen tussen twee weken na de datum van inwerkingtreding van dit lid en 14 november 2008, 18:00 uur.
In aanvulling op artikel 15 van de kaderregeling beslist de Minister afwijzend op een aanvraag voor een MKB-project indien:
- a.
het R&D-project waarop het MKB-project betrekking heeft onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1;
- b.
het R&D-project waarop het MKB-project betrekking heeft onvoldoende technisch risicovol is;
- c.
het MKB-project onvoldoende economisch perspectief, toepassingsmogelijkheden en R&D-kansen van projectresultaten bevat.
De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een R&D-samenwerkingsverband dat voor gezamenlijke rekening en risico een R&D-project uitvoert dat past binnen de technologische gebieden zoals genoemd in paragraaf 3.2, getiteld Nano-elektronica, in paragraaf 3.3, getiteld Embedded systemen, met uitzondering van paragraaf 3.3.9, getiteld Kwaliteit en afhankelijkheid, in paragraaf 3.4, getiteld Halfgeleider gerelateerde apparatuur en hun werking en in paragraaf 3.5, getiteld Interactie tussen technologieën, van de bij deze regeling behorende bijlage 1.
De periode, bedoeld in artikel 12 van de kaderregeling, is: twee dagen na de datum van inwerkingtreding van deze regeling tot en met 10 oktober 2008, 18.00 uur.
Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op grond van artikel 5 op de in het eerste lid bedoelde periode ontvangen aanvragen is € 6.500.000.
Voor het verstrekken van subsidies op grond van artikel 5 zijn de artikelen 3, eerste lid, onderdelen b en c, en tweede tot en met vierde lid, 6, 7, 12 tot en met 19, 21 tot en met 23, 28 tot en met 32, 33, eerste tot en met derde lid en 34 van de kaderregeling van toepassing.
Artikel 4, eerste, derde en vierde lid, van de kaderregeling is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de kaderregeling ook geldt, indien voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan reeds door de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt.
Artikel 33, vijfde lid, van de kaderregeling is van overeenkomstige toepassing.
Het in artikel 3, vierde lid, van de kaderregeling bedoelde bedrag is € 2.000.000.
De in artikel 21 van de kaderregeling bedoelde penvoerder is een in Nederland gevestigde ondernemer.
Indien de subsidiabele kosten betrekking hebben op industrieel onderzoek, bedraagt, in afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdeel b van de kaderregeling, de subsidie voor een ondernemer 35 procent van de subsidiabele kosten. Dit percentage wordt met 10 procent verhoogd indien subsidie wordt verleend aan een MKB-ondernemer.
Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:
- a.
de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het onderzoek en de experimentele ontwikkeling toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde kosten:
- 1°.
loonkosten voor betrokken personeel, voor zover deze rechtstreeks voor de uitvoering van het onderzoek noodzakelijk zijn. Het uurloon wordt berekend op basis van 1650 productieve uren per jaar;
- 2°.
de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
- 3°.
kosten van het gebruik van bestaande machines en apparatuur van de deelnemers;
- 4°.
kosten van speciaal voor het onderzoek aan te schaffen machines en apparatuur;
- 5°.
aan derden verschuldigde kosten;
- 6°.
kosten van buitenlandstages;
- 7°.
kosten van octrooiaanvraag van onderzoeksorganisaties en MKB-ondernemers;
- 8°.
kosten inzake kennisoverdracht en verankering;
- 1°.
- b.
een opslag voor overige algemene kosten van 50 procent van de onder a, onder 1°, bedoelde kosten.
Voor de directe loonkosten als bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van gemiddelde uurtarieven per categorie bij het onderzoek betrokken personeel.
De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het project wordt verricht, wordt voor de berekening van de projectkosten uitgegaan van een uurtarief van € 35.
Op verzoek van de subsidie-ontvanger kan, in plaats van het eerste tot en met het vierde lid, artikel 5 van de kaderregeling worden toegepast.
De in artikel 15, onderdeel c, van de kaderregeling bedoelde termijn is drie jaar.
De Minister beslist, in aanvulling op het bepaalde in artikel 15 van de kaderregeling, tevens afwijzend op een aanvraag indien:
- a.
hij de subsidiabele kosten raamt op minder dan € 1.000.000;
- b.
het onaannemelijk is dat ten minste 20 procent van de werkzaamheden wordt uitgevoerd door MKB-ondernemers in het R&D-samenwerkingsverband;
- c.
onvoldoende samenhang in het project aanwezig is, gelet op de verhouding tussen de voorgenomen kosten en de omvang van de activiteiten van het R&D-project.
Er is een Adviescommissie Boegbeeldprogramma, die tot taak heeft de Minister op zijn verzoek te adviseren over aanvragen om subsidie voor een R&D-project. Artikel 6 van de kaderregeling is van toepassing.
De Minister wint over de aanvragen om een subsidie voor een R&D-project, waarop niet op grond van artikel 15 van de kaderregeling of 10 van deze regeling afwijzend wordt beslist, het advies in van de adviescommissie.
De Minister rangschikt, daarbij geadviseerd door de adviescommissie, de aanvragen zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan:
- a.
de doelstellingen van het in de bij deze regeling behorende bijlage 1 opgenomen programma;
- b.
de kwaliteit van de samenwerking, ten minste blijkend uit de mate van betrokkenheid van MKB-ondernemingen en het effect van het project op MKB-ondernemingen alsmede de mate van samenwerking met onderzoeksorganisaties;
- c.
technologische innovatie;
- d.
het duurzaam economisch perspectief, ten minste blijkend uit de toepassingsmogelijkheden van de projectresultaten alsmede het perspectief op arbeidsplaatsen of kennisuitwisseling met human capital.
Voor de rangschikking wegen de in het derde lid vermelde criteria even zwaar.
In aanvulling op artikel 33 van de kaderregeling draagt de subsidieontvanger zorg voor de openbaarmaking van de algemene kennis die voorvloeit uit de resultaten van het R&D-project.
De Minister kan bij de subsidieverlening aan een R&D-samenwerkingsverband verplichtingen opleggen met betrekking tot het geven van bekendheid aan het project en de resultaten ervan.
De Minister kan voor een periode van vijf jaar na de vaststelling van de subsidie nadere verplichtingen ter uitvoering van het eerste en tweede lid opleggen.
Wanneer een onderzoeksorganisatie deel uitmaakt van een R&D-samenwerkingsverband, draagt het slechts kennis of andere resultaten uit een R&D-project over aan een ondernemer die deelneemt aan het samenwerkingsverband, indien aan tenminste een van de volgende voorwaarden is voldaan:
- a.
de deelnemende ondernemingen dragen de volledige kosten van het project;
- b.
de resultaten waaraan geen intellectuele eigendomsrechten kunnen worden ontleend, mogen ruim worden verspreid en eventuele intellectuele eigendomsrechten op de resultaten die uit de activiteiten van de onderzoeksorganisatie voortvloeien, worden volledig aan de onderzoeksorganisatie toegekend;
- c.
de onderzoeksorganisatie ontvangt van de deelnemende ondernemingen een vergoeding die overeenstemt met de marktprijs voor de intellectuele eigendomsrechten die voortvloeien uit de door de onderzoeksorganisatie in het kader van het project uitgevoerde activiteit en die worden overgedragen aan de deelnemende ondernemingen. Eventuele bijdragen van de deelnemende ondernemingen in de kosten van de onderzoeksorganisatie worden op deze compensatie in mindering gebracht.
Indien niet is voldaan aan het vierde lid, onderdelen a, b of c, kan de Minister op verzoek van de penvoerder ontheffing verlenen van het verbod tot het overdragen van kennis of andere resultaten uit een R&D-project van een publiek gefinancierde onderzoeksorganisatie die deel uitmaakt van een R&D-samenwerkingsverband aan een ondernemer die deelneemt aan datzelfde samenwerkingsverband, indien geen sprake is van staatssteun aan die ondernemer. Aan die ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een Internationaal R&D-samenwerkingsverband dat voor gezamenlijke rekening en risico een Internationaal R&D-project uitvoert dat past binnen de technologische gebieden zoals genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.
De periode, bedoeld in artikel 12 van de kaderregeling, is: de dag na de datum van inwerkingtreding van deze regeling tot en met 10 oktober 2008, 18.00 uur.
Het subsidieplafond voor het in 2008 verlenen van subsidies op grond van artikel 13 op aanvragen ontvangen in de periode, bedoeld in het eerste lid, is € 9.200.000.
Voor het verstrekken van subsidies op grond van artikel 13 zijn de artikelen 3, eerste lid, onderdelen b en c, en tweede tot en met vierde lid, 6, 7, 12 tot en met 19, 21 tot en met 23, 28 tot en met 32, 33, eerste tot en met derde en 34 van de kaderregeling van toepassing.
Artikel 4, eerste, derde en vierde lid, van de kaderregeling is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de kaderregeling ook geldt, indien voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan reeds door de Commissie van de Europese Gemeenschappen subsidie is verstrekt.
Artikel 33, vijfde lid, van de kaderregeling is van overeenkomstige toepassing.
Het in artikel 3, vierde lid, van de kaderregeling bedoelde bedrag is € 2.000.000.
De in artikel 21 van de kaderregeling bedoelde penvoerder is een in Nederland gevestigde ondernemer.
Indien de subsidiabele kosten betrekking hebben op industrieel onderzoek, bedraagt, in afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdeel b van de kaderregeling, de subsidie voor een ondernemer 35 procent van de subsidiabele kosten. Dit percentage wordt met 10 procent verhoogd indien subsidie wordt verleend aan een MKB-ondernemer.
Artikel 9 van deze regeling is van toepassing.
De in artikel 15, onderdeel c, van de kaderregeling bedoelde termijn is drie jaar.
De Minister beslist, in aanvulling op het bepaalde in artikel 15 van de kaderregeling, tevens afwijzend op een aanvraag indien:
- a.
hij de subsidiabele kosten raamt op minder dan € 1.000.000;
- b.
onvoldoende samenhang in het project aanwezig is, gelet op de verhouding tussen de voorgenomen kosten en de omvang van de activiteiten van het Internationaal R&D-project.
De in artikel 11 van deze regeling genoemde Adviescommissie Boegbeeldprogramma heeft tevens tot taak de Minister op zijn verzoek te adviseren over aanvragen om subsidie voor een Internationaal R&D-project.
De Minister wint over de aanvragen om een subsidie voor een Internationaal R&D-project, waarop niet op grond van artikel 15 van de kaderregeling of 18 van deze regeling afwijzend wordt beslist, het advies in van de adviescommissie.
De Minister rangschikt, daarbij geadviseerd door de adviescommissie, de aanvragen zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan:
- a.
de doelstellingen van de bij deze regeling behorende bijlage 1;
- b.
een brede betrokkenheid van verschillende partijen bij het Internationaal R&D-project, met name van het MKB;
- c.
de kwaliteit van de samenwerking in het Internationaal R&D-project met het oog op het bereiken van d e Research & Development doelstellingen en strategische afstemming met andere clusters;
- d.
technologische- en procesinnovatie;
- e.
het duurzaam economisch perspectief, ten minste blijkend uit de toepassingsmogelijkheden van de projectresultaten alsmede het perspectief op arbeidsplaatsen of kennisuitwisseling met human capital.
Voor de rangschikking wegen de in het derde lid vermelde criteria a en b zwaarder dan de criteria c tot en met e.
Artikel 12 is van overeenkomstige toepassing.
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, met uitzondering van paragraaf 2 die in werking treedt twee weken na het eerder genoemde tijdstip.
De subsidieregeling BoegBeeld-module van de Experimentele kaderregeling subsidies innovatieprojecten, blijft van toepassing op subsidies voor haalbaarheids- en R&D-projecten die voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling zijn aangevraagd.
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Point One Boegbeeld-module 2007 van de Experimentele kaderregeling subsidies innovatieprojecten.
Point One heeft een Strategische Onderzoeksagenda opgesteld op basis van de bijdragen van de Nederlandse partijen die werkzaam zijn op het terrein van embedded systemen en nano-elektronica en de reeds beschikbare internationale roadmaps van MEDEA+, ITEA2.
Doel van de Strategische Onderzoeksagenda van Point One is het verstrekken van een integrale richtlijn voor onderzoek- en ontwikkelingsactiviteiten die gezamenlijk worden ondernomen door grote bedrijven, MKB’s, overheid, universiteiten en andere publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties.
De ambities van Point One zijn verwoord in het Orangebook. De ambitie is: het verkrijgen van het wereldwijde leiderschap in innovatie en business op het terrein van embedded systemen en nanoelektronica.
De ambitie laat zich vertalen in programma doelen voor 2011. In het Orange book zijn deze helder geformuleerd:
- –
de omzet van bedrijven die op dit terrein actief zijn, moet met ruim 30% zijn toegenomen tot EUR 26 miljard per jaar;
- –
de huidige bedrijven hebben hun marktpositie versterkt en tientallen nieuwe bedrijven zijn opgestart;
- –
via een speciaal durfkapitaalfonds zijn miljoenen risicodragend kapitaal beschikbaar gekomen;
- –
de partners hebben toegang tot grote onderzoeksfaciliteiten;
- –
het huidige aantal toeleveranciers is met meer dan honderd bedrijven gegroeid;
- –
de bedrijven en publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties in het Point One ecosysteem beschikken over voldoende gekwalificeerde kenniswerkers en vaklieden.
De uitvoering van de Strategische Onderzoeksagenda maakt het mede mogelijk de ambities en programmadoelen van Point One te realiseren
De Strategische Onderzoeksagenda is gebaseerd op :
- a.
de huidige en toekomstige maatschappelijke behoeftes met betrekking tot toepassingen;
- b.
de nationale en internationale onderzoeksonderwerpen en technologische roadmaps.
Nadere informatie over de Strategische Onderzoeksagenda van Point One en het Point One orange book kan gevonden worden op www.point-one.nl. Hier staat een Engelstalige versie van de Strategische Onderzoeksagenda van Point One.
De toepassingsdomeinen van de Strategische Onderzoeksagenda van Point One zijn (genummerd volgens de SRA):
2.1 | Gezondheid; |
2.2 | Mobiliteit/transport; |
2.3 | Veiligheid; |
2.4 | Communicatie; |
2.5 | Educatie en vermaak; |
2.6 | Energie en milieu. |
De technologiedomeinen van de Strategische Onderzoeksagenda van Point One zijn (genummerd volgens de SRA):
3.2 | Nano-elektronica |
3.2.1. | Radio frequenties (circuits en systemen, devices, interconnectie, verpakking en antennes); |
3.2.2. | Hoge voltages en kracht; |
3.2.3. | Sensoren en actuatoren; |
3.2.4. | ‘System-in-Package‘; |
3.2.5. | ‘Heterogeneous and system ability’ ontwerpmethodes. |
3.3 | Embedded systemen |
3.3.2 | Architecturen en Platforms; |
3.3.3 | Systeem engineering; |
3.3.4 | Integratie van hard- en software; |
3.3.5 | Gegevens afhandeling in complexe embedded systemen; |
3.3.6 | Distributie, compositie en communicatie; |
3.3.7 | Systeeminteractie; |
3.3.8 | Bewegings- en positiecontrole; |
3.3.9 | Kwaliteit en afhankelijkheid. |
3.4 | Halfgeleider gerelateerde apparatuur en hun werking |
3.4.2 | Lithografie; |
3.4.3 | Wafer afhandelingsapparatuur; |
3.4.4 | Metrologie en ‘characterization‘gereedschappen; |
3.4.5 | More than Moore apparatuur; |
3.4.6 | Back-end apparatuur. |
3.5 | Interactie tussen technologieën |
3.5.2 | Interactie tussen Nano-elektronica en Embedded systemen; |
3.5.3 | Interactie tussen Nano-elektronica en apparatuur; |
3.5.4 | Andere interactie onderwerpen (materiaal technologie, beyond CMOS). |
Ligt ter inzage bij SenterNovem te Den Haag.
Ligt ter inzage bij Senter-Novem te Den Haag.
Ligt ter inzage bij SenterNovem te Den Haag.