Regeling · BWBR0022233
Besluit OM-afdoening
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 3 april 2007, directie Wetgeving, nr. 5476193/07/6,
Gelet op de artikelen 257b, 257d, vierde lid, en 572, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, en de artikelen 22e, 22k, 74, vijfde lid, en 77ff, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht;
Voorts gelet op de artikelen 1, onderdeel a, 2, tweede lid, 4, derde lid, 9, eerste lid, en 13, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, artikel 126 van de Wet op de rechterlijke organisatie en de artikelen 37, 39 en 41 van de Wet op de rechtsbijstand;
De Raad van State gehoord (advies van 23 mei 2007, nr.W03.07.0090/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 29 juni 2007, directie Wetgeving, nr. 5491696/07/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage4 juli 2007BeatrixDe Minister van Justitie, E. M. H.Hirsch Ballinde zeventiende juli 2007De Minister van Justitie, E. M. H.Hirsch BallinIn dit besluit wordt verstaan onder:
- a.
de wet: het Wetboek van Strafvordering;
- b.
Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
- c.
Centraal Justitieel Incassobureau: het Centraal Justitieel Incassobureau, bedoeld in artikel 1 van het Besluit Instelling Centraal Justitieel Incassobureau.
Het Centraal Justitieel Incassobureau heeft tot taak degene die bevoegd is de strafbeschikking uit te vaardigen te ondersteunen bij diens daarop betrekking hebbende taken.
Het Centraal Justitieel Incassobureau verricht de werkzaamheden die Onze Minister of het openbaar ministerie van hem in verband met de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde taken verlangen.
Degene die de strafbeschikking uitvaardigt, verstrekt aan het Centraal Justitieel Incassobureau de gegevens die het behoeft in verband met de uitvoering van dit artikel.
Van elke uitreiking in persoon of toezending van het afschrift van de strafbeschikking wordt overeenkomstig dit artikel in daarvoor bestemde landelijke geautomatiseerde registers aantekening gehouden door degene die de strafbeschikking heeft uitgevaardigd.
In geval van uitreiking in persoon aan de verdachte, wordt aantekening gehouden van in ieder geval de volgende gegevens:
- a.
de datum van uitreiking;
- b.
de plaats en het adres van uitreiking;
- c.
de naam van de verdachte aan wie wordt uitgereikt;
- d.
indien de verdachte een rechtspersoon, een maatschap, een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, een doelvermogen, of een rederij is, en het afschrift van de strafbeschikking wordt uitgereikt aan de bestuurder van de rechtspersoon, de aansprakelijke vennoot, de bestuurder van een doelvermogen, de boekhouder of het lid van een rederij, dan wel aan de persoon die gemachtigd is het afschrift in ontvangst te nemen: de naam van de desbetreffende persoon.
In geval van toezending wordt aantekening gehouden van in ieder geval de volgende gegevens:
- a.
de datum van toezending;
- b.
de naam van de verdachte aan wie het afschrift wordt toegezonden, de naam van de benadeelde partij aan wie het afschrift wordt toegezonden en de naam van de bij de officier van justitie bekende rechtstreeks belanghebbende aan wie het afschrift wordt toegezonden;
- c.
het adres of de adressen waarnaar het afschrift wordt toegezonden;
- d.
of de toezending per gewone dan wel per aangetekende brief geschiedt;
- e.
de datum van ontvangst van het afschrift.
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Wijzigt het Besluit tenuitvoerlegging geldboetevonnissen.
Wijzigt het Besluit tenuitvoerlegging ontnemings- en schadevergoedingsmaatregelen.
Wijzigt het Besluit tenuitvoerlegging taakstraffen.
Wijzigt het Besluit justitiële gegevens.
Wijzigt het Besluit reorganisatie openbaar ministerie en instelling landelijk parket.
Wijzigt het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000.
Vervallen
Vervallen
In strafzaken waarin voor het in werking treden van artikel II, onderdelen O tot en met R, artikel III, artikel IV en artikel VI van de Wet OM-afdoening voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging zijn gesteld overeenkomstig de artikelen 74 en 74c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 36 en 37 van de Wet op de economische delicten, artikel 76 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dan wel artikel 85 van de Waterschapswet, blijven de artikelen die door dit besluit gewijzigd worden of vervallen, van toepassing zoals zij luidden voor het in werking treden van dit besluit.
In strafzaken waarin voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging zijn gesteld overeenkomstig artikel 59 van het Wetboek van Militair Strafrecht, blijven de artikelen die door dit besluit gewijzigd worden of vervallen van toepassing zoals zij luidden voor het in werking treden van dit besluit.
De artikelen van de hoofdstukken I, II en V van dit besluit, alsmede de artikelen van hoofdstuk IV van dit besluit, met uitzondering van de artikelen 4.1, onderdelen A, tweede lid, C, E, G en H, 4.4, onderdeel C, 4.7 en 4.8, treden in werking op het tijdstip waarop de Wet OM-afdoening in werking treedt.
De artikelen van hoofdstuk III, de daarop gebaseerde bijlage, artikel 4.1, onderdelen A, tweede lid, C, E, G en H, artikel 4.4, onderdeel C, en de artikelen 4.7 en 4.8 van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit OM-afdoening.
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden