Wijzigingen Officiële bron
Hygiënebesluit leghennenbedrijven (PPE) 2007Hygiënebesluit leghennenbedrijven (PPE) 2007Het bestuur van het Productschap Pluimvee en Eieren;

Besluit van het Productschap Pluimvee en Eieren van 13 september 2007;

Gelet op de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2007;

Besluit:

Zoetermeer13 september 2007R.J.Gijsenplv. voorzitterB.M.Dellaertsecretaris

Dit besluit neemt de terminologie, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2007, over en verstaat daarnaast onder ondernemer: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die een leghennenbedrijf uitoefent.

De in artikel 2, derde lid, van de Verordening bedoelde eisen waaraan de ondernemer die zijn leghennen in kooien houdt, heeft te voldoen, zijn opgenomen in Bijlage I.

Indien op grond van het verificatieonderzoek als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van de Verordening een besmetting met de serotypen Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium is bevestigd in een meerleeftijdenleghennenstal, mag de ondernemer geen leghennen in de meerleeftijdenleghennenstal plaatsen voordat de tijdens de besmetting aanwezige leghennen van het bedrijf zijn afgevoerd.

De ondernemer die een leghennenbedrijf uitoefent en zijn pluimvee in kooien houdt is niet verplicht iedere stal te splitsen in een bufferdeel en een schoon deel en op de scheiding van het bufferdeel en het schone deel van schoeisel te wisselen, mits hij de hygiëne op één van de volgende wijzen heeft gewaarborgd:

Hygiënesluis per bedrijfsgebouw die volledig afgescheiden is van de ruimte waarin het pluimvee gehouden wordt, waarbij een fysieke scheiding aanwezig is tussen bufferdeel en schoon deel en waarin het bufferdeel van kleding en schoeisel gewisseld wordt. In het schone deel dienen voldoende aantallen bedrijfsgebouweigen schoeisel en -kleding aanwezig te zijn.

Met dezelfde kleding en schoeisel mag nooit het volgende bedrijfsgebouw worden betreden

Per bedrijf van kleding wisselen in een aparte omkleedruimte/kantine, die alleen deze functie heeft. Hier worden ook schone laarzen aangetrokken. Deze ruimte wordt gezien als de centrale hygiënesluis. Per bedrijfsgebouw is bedrijfsgebouweigen schoeisel aanwezig, dat ook bij het betreden van dat gebouw gebruikt wordt. Alle stallen binnen dit bedrijfsgebouw mogen worden betreden.

De ondernemer die een leghennenbedrijf of meerleeftijdenleghennenbedrijf uitoefent (hierna ondernemer) dient de op het pluimveebedrijf aanwezige koppels leghennen te (laten) onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella enteritidis (Se) en Salmonella typhimurium (St). De onderzoeken bestaan uit een regulier onderzoek en een officieel onderzoek. In dit hoofdstuk worden deze twee typen onderzoeken nader uitgelegd.

Het reguliere onderzoek in het kort:

In hoofdstuk 4 staat omschreven hoe een regulier onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit kan volgens 2 methoden: één voor kooihuisvestingssystemen (methode 1) en één voor grondhuisvesting (methode 2). In 4.4 t/m 4.6 staan de vervolgstappen na een onderzoek omschreven.

Het officiële onderzoek in het kort:

In hoofdstuk 4.3 (methode 3) staat omschreven hoe een officieel onderzoek uitgevoerd dient te worden. In 4.4 t/m 4.6 staan de vervolgstappen na een onderzoek omschreven.

In de volgende 5 gevallen vindt er een officieel onderzoek plaats:

In dit hoofdstuk wordt omschreven wat een ondernemer moet doen indien uit een regulier- of officieel onderzoek blijkt dat een monster besmet is met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium.

Indien uit het regulier of officieel onderzoek, zoals genoemd onder 1 'Monstername en analyse', blijkt dat een monster met Se of St is besmet, dan krijgt het betreffende koppel de status verdacht. Indien bij een officieel onderzoek geen besmetting met Se of St is aangetoond, maar wel antimicrobiële stoffen of een bacteriegroeiremmend effect, dan krijgt het betreffende koppel ook de status verdacht. Zodra de ondernemer bericht over een verdenking ontvangt van de GD of het door de voorzitter van het Productschap erkende laboratorium, mogen de eieren van het betreffende koppel vanaf die dag niet meer afgezet worden als consumptieeieren. De ondernemer kan er voor kiezen om de eieren vast te houden op zijn bedrijf óf de eieren te laten verwerken (afzet eiproductenindustrie).

De ondernemer dient een verdenking uiterlijk de volgende werkdag te melden bij het Productschap en GD. Daarnaast brengt de ondernemer de afnemer van de eieren op de hoogte van de verdenking.

Nadat de ondernemer de verdenking van een Se en/of St besmetting heeft gemeld bij het Productschap en GD, voert GD vervolgens in opdracht van de voorzitter van het Productschap een verificatieonderzoek uit. Het verificatieonderzoek vindt zo spoedig mogelijk na het vaststellen van de verdenking plaats. In principe is dat uiterlijk de volgende werkdag na het melden van de besmetting aan GD. In Hoofdstuk 4.7 staat omschreven hoe een verificatieonderzoek wordt uitgevoerd. Indien het verificatieonderzoek de aanwezigheid van Se en/of St bij een koppel bevestigt, krijgt het koppel de status besmet. Indien bij een verificatieonderzoek géén besmetting met Se of St is aangetoond, maar wel antimicrobiële stoffen of een bacteriegroeiremmend effect, dan krijgt het betreffende koppel ook de status besmet. Indien de uitslag van het verificatieonderzoek de aanwezigheid van Se of St niet bevestigt, wordt de verdenking opgeheven en mogen de eieren weer afgezet worden als consumptie eieren.

Het uitvoeren van een verificatieonderzoek is niet verplicht. Indien de ondernemer geen verificatieonderzoek wil laten uitvoeren, wordt de verdenking direct omgezet in een besmetting, (zie voor de vervolgstappen Hoofdstuk 2.3).

Als de uitslag van het verificatie onderzoek een besmetting met Salmonelle enteritidis en/of Samonella typhimurium bij een koppel bevestigt, geeft GD dit onmiddellijk door aan de pluimveehouder en het Productschap. De voorzitter van het Productschap gelast de ondernemer vervolgens de consumptie-eieren van het betrokken koppel te laten verwerken (d.w.z. afzetten naar de eiproductenindustrie of een andere effectieve behandeling laten ondergaan) of te vernietigen. De ondernemer is verder verplicht om afschriften van zijn afleverbonnen van de eieren van het betreffende koppel aan het Productschap te sturen.

Nadat een besmet koppel is afgevoerd uit de stal, dient de ondernemer de in artikel 8 van de Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij (PPE) 2007 omschreven hygiënemaatregelen te nemen. De ondernemer mag pas een nieuw koppel in de stal plaatsen als uit onderzoek zoals bedoeld in artikel 8, lid 7 van deze verordening (het zgn. swabonderzoek) is gebleken dat er geen Se of St in de stal meer wordt aangetoond. Plaatsing van een nieuw koppel in de stal dient binnen 5 werkdagen door de ondernemer aan het Productschap en GD te worden gemeld.

Eieren afkomstig van een met Se of St besmet koppel leghennen worden beschouwd als klasse B eieren. Deze eieren moeten op het bedrijf van de ondernemer worden gemerkt volgens Verordening (EG) 557/2007. Hierbij kan gekozen worden uit 2 opties:

Daarnaast mogen de eieren voorzien worden van de producentencode.

Indien bij een volgend mestonderzoek bij een koppel met de status besmet geen besmetting met Se of St wordt aangetoond, dan kan de ondernemer de GD verzoeken een verificatie onderzoek uit te voeren. Indien dit verificatieonderzoek geen besmetting aantoont, dan trekt de voorzitter de last tot verwerking of vernietiging van de consumptie-eieren van het betreffende koppel in.

De positieve uitslagen dienen direct (uiterlijk de volgende werkdag) schriftelijk of elektronisch door of namens de ondernemer te worden doorgegeven aan het Productschap, GD en de afnemer van de consumptie-eieren. Daarnaast dienen bij positieve uitslagen de acties als omschreven in 2.1 te worden uitgevoerd. De negatieve uitslagen dienen direct (uiterlijk de volgende werkdag) schriftelijk of elektronisch door of namens de ondernemer te worden doorgegeven aan het Productschap en de afnemer van de consumptie-eieren.

De positieve uitslagen dienen direct (uiterlijk de volgende werkdag) schriftelijk of elektronisch door of namens de ondernemer te worden doorgegeven aan het Productschap, GD en de afnemer van de consumptie-eieren. Daarnaast dienen bij positieve uitslagen de acties als omschreven in 2.1 te worden uitgevoerd. De negatieve uitslagen dienen direct (uiterlijk de volgende werkdag) schriftelijk of elektronisch door of namens de ondernemer te worden doorgegeven aan het Productschap en de afnemer van de consumptie-eieren.

De uitslag van het verificatieonderzoek wordt binnen 5 werkdagen na ontvangst van de monsters bij GD doorgegeven aan de betrokken ondernemer en het Productschap. De pluimveehouder meldt de uitslag direct schriftelijk aan de afnemer van de consumptie-eieren.

Dit hoofdstuk beschrijft het werkvoorschrift voor de uitvoering van het onderzoek naar Salmonella bij leghennen (zie hoofdstuk 1). De monsters worden genomen door of namens de ondernemer (reguliere monstername) dan wel door GD of een HOSOWO-instantie (officiële monstername). In hoofdstuk 1 is omschreven wie, wanneer een monstername moet uitvoeren. Het reguliere onderzoek door of namens de ondernemer en het officiële onderzoek zoals beschreven onder hoofdstuk 1.2a sub 1 moet, afhankelijk van het huisvestingssysteem, plaatsvinden volgens methode 1 (Hoofdstuk 4.1) of methode 2 (Hoofdstuk 4.2). Het officiële onderzoek door GD als gevolg van een besmetting (Hoofdstuk 1.2a sub 2 tot en met 5) moet plaatsvinden volgens methode 3 (Hoofdstuk 4.3). Van alle monsternames worden steeds de benodigdheden, de werkwijze en de uitvoering van de monstername omschreven. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk aandacht besteed aan het inzendformulier (Hoofdstuk 4.4), de verzending van de monsters (Hoofdstuk 4.5) en het laboratorium (Hoofdstuk 4.6). Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een omschrijving van het verificatie onderzoek (Hoofdstuk 4.7).

Voor de monstername zijn de volgende benodigdheden noodzakelijk:

Verder zijn voor methode 1, Hoofdstuk 4.4, 4.5 en 4.6 van toepassing.

Voor de monstername zijn de volgende benodigdheden noodzakelijk:

Verder zijn voor methode 2, Hoofdstuk 4.4, 4.5 en 4.6 van toepassing.

De uitvoering van de officiële monstername is gelijk aan de reguliere monstername met dien verstande dat per stal een extra mestmonster (bij kooihuisvesting) dan wel een extra paar overschoentjes (bij grondhuisvesting) genomen wordt. Alle monsters worden gepoold tot één.

In enkele gevallen (zie Hoofdstuk 1.2a sub 2 tot en met 4) dienen er per stal aselect 5 dieren te worden meegenomen. Deze worden onderzocht op de aanwezigheid van anti-microbiële stoffen of een bacteriegroeiremmend effect.

Elke inzending van reguliere én officiële monsters moet vergezeld gaan van een inzendformulier met minimaal de volgende gegevens:

Bij verzending van monsters worden de volgende regels gehanteerd:

Monsters dienen geanalyseerd te worden door een door de voorzitter van het Productschap erkend laboratorium in het kader van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2007. De monsters van het reguliere onderzoek (via methode 1 en 2) van elke stal worden op het pluimveebedrijf of het laboratorium gepoold tot één monster. Vervolgens dienen de monsters te worden geanalyseerd op alle typen Salmonella volgens de PVE branchemethode (PVESALMONELLA- MSRV-140607). Wanneer de monsters Salmonellapositief zijn, dan dient te worden vastgesteld om welk serotype het gaat (Se of St). Serotypering wordt uitgevoerd door een laboratorium welke door het Productschap erkend is om serotypering uit te voeren volgens de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2007. De analyseresultaten dienen overeenkomstig Hoofdstuk 3 te worden doorgegeven.

In deze paragraaf wordt het verificatieonderzoek omschreven. Het verificatieonderzoek wordt uitgevoerd door GD.

Bij het uitvoeren van het verificatieonderzoek kan uit één van de onderstaande 4 methoden gekozen worden:

In 4.7.1 zijn de toegelaten methoden voor een verificatieonderzoek opgesomd. In deze paragraaf wordt voor methode 1 en 2 aangegeven hoe de monstername uitgevoerd dient te worden.

Methode 1, cloacaswabs

Benodigdheden

Aantal, soort en locatie te nemen cloacaswabs

Uitvoering monstername

Methode 2a, kooihuisvesting

Methode 2b, grondhuisvesting

Per stal worden ook aselect 5 dieren meegenomen. Deze dieren worden onderzocht op antimicrobiële stoffen of middelen met een bacteriegroeiremmend effect.

De monsters en dieren voor het verificatie onderzoek moeten op de dag van bemonstering bij het laboratorium van de GD binnen zijn en dezelfde dag worden ingezet voor analyse. De monsters moeten zo zijn verpakt dat onderweg geen lekkage op kan treden (volgens landelijke verpakkingsinstructie diagnostische monsters) en zo zijn geadresseerd dat voor de transporteur en de ontvanger geen verwarring ontstaat.

Monsters worden geanalyseerd op Se en St volgens de PVE branchemethode (PVESALMONELLA- MSRV-140607). De uitslag van het verificatie onderzoek dient binnen 5 dagen na ontvangst van de monsters bij GD, doorgegeven te worden aan betrokken ondernemer en aan het Productschap.

Van iedere partij graan die op het pluimveebedrijf wordt opgeslagen, afkomstig van eigen teelt of van een andere teler, dient een monster te worden achtergehouden wanneer de partij wordt opgeslagen.

Monstername

Analyse