Ministeriële regeling · BWBR0022892
Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2008
Gelet op de artikelen 2, 4 en 7 van de Kaderwet LNV-subsidies en de artikelen 1:3, 1:7, 1:8, 1:15, 1:16, 1:17, 1:20 en 2:23 van de Regeling LNV-subsidies;
Besluit:
Dit besluit zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G.VerburgIn dit besluit wordt verstaan onder:
- –
regeling: Regeling LNV-subsidies;
- –
richtlijn 92/43/EEG: richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en wilde flora en fauna (PbEG L 206);
- –
verordening (EG) nr. 2200/96: verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sectoren groenten en fruit (PbEG L 297);
- –
verordening (EG) nr. 1782/2003: verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001;
- –
Dienst Regelingen: Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.
De subsidies, bedoeld in artikel 1:20 van de regeling, zijn de subsidies bedoeld in de volgende titels van hoofdstuk 2 van dit besluit:
- –
- –
titel 4, met uitzondering van subsidies genoemd in paragraaf 1,
- –
titel 5, met uitzondering van subsidies genoemd in paragraaf 1 en 5, en
- –
Aanvragen tot subsidieverlening voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door:
- a.
landbouwondernemingen die overwegen om te schakelen naar de biologische productiemethode, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode of die reeds omgeschakeld zijn naar die biologische productiemethode;
- b.
landbouwondernemingen werkzaam in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, paarden-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenen-, of konijnenhouderij.
De aanvragen worden ingediend:
- –
voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, in de periode van 1 mei tot en met 15 juni 2008;
- –
voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, in de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, kunnen uitsluitend worden ingediend voor de in artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, b, c, d en g, van de regeling genoemde typen bedrijfsconsulten of de in het derde lid van dat artikel genoemde opleidingen, trainingen of voorlichtingsbijeenkomsten, en uitsluitend voor zover deze activiteiten betrekking hebben op:
- a.
de bedrijfseconomische gevolgen van de omschakeling naar, aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode;
- b.
de markt- en afzetperspectieven voor de ondernemer bij omschakeling naar, de aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode;
- c.
de implementatie van de regelgeving voor de biologische productiemethode in de bedrijfsvoering;
- d.
de aanpassingen in het bedrijfssysteem ten behoeve van de biologische productiemethode;
- e.
de financieringsmogelijkheden van de voor omschakeling naar, de aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode benodigde investeringen;
- f.
het verwerven van technische kennis en vaardigheden van de biologische productiemethode, of
- g.
het verwerven van kennis en vaardigheden voor het uitoefenen van een of meer andere activiteiten dan de primaire agrarische activiteit, met dien verstande dat de aanvrager de primaire agrarische activiteit blijft voortzetten.
In afwijking van artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, kunnen geen aanvragen worden ingediend door landbouwondernemingen die lid zijn van een erkende telersvereniging als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96, tenzij door desbetreffende ondernemingen wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening voor kosten die uit hoofde van artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, b, c, d en g, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, kunnen, voor zover deze betrekking hebben op de uitvoering van bedrijfsconsulten, uitsluitend worden ingediend voor de in artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, b, c, d en g, van de regeling genoemde typen bedrijfsconsulten.
Onverminderd artikel 3 kunnen aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de regeling worden ingediend door landbouwondernemingen voor zover die activiteiten:
- a.
betrekking hebben op het voldoen aan beheerseisen en bepalingen inzake goede landbouw- en milieucondities als bedoeld in artikel 3 en 6 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006;
- b.
betrekking hebben op kennisoverdracht over artikel 8, onderdeel b, van de Meststoffenwet, aan akkerbouwondernemingen die zijn gevestigd op gronden, aangewezen bij artikel 3 van het uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden ingediend voor zover de activiteit door ten minste 8 en ten hoogste 20 personen werkzaam op een landbouwonderneming wordt gevolgd of bijgewoond.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kan slechts door één van de aan de bijeenkomst deelnemende ondernemingen worden ingediend in de periode van 1 september 2008 tot en met 1 december 2008.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, kan slechts door één van de aan de bijeenkomst deelnemende ondernemingen worden ingediend in de periode van 1 september 2008 tot en met 15 oktober 2008.
In afwijking van artikel 2:4 van de regeling is artikel 1:6 van de regeling van toepassing op de in dit artikel bedoelde aanvragen.
Per landbouwonderneming kan slechts één aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel a of b, of artikel 6, eerste lid, onderdeel a of b.
Er worden geen voorschotten verleend.
De subsidie bedraagt 50% van de totale kosten van het bedrijfsconsult, training of opleiding, met dien verstande dat de subsidie per dagdeel ten hoogste € 250 bedraagt en de subsidie in totaal ten hoogste € 1500 bedraagt.
De aanvraag tot subsidievaststelling op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel a of b, bevat de namen van de deelnemende ondernemingen.
Het subsidieplafond bedraagt:
- –
€ 455.000 voor aanvragen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a;
- –
€ 2.175.000 voor aanvragen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel b;
- –
€ 325.000 voor aanvragen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel a;
- –
€ 325.000 voor aanvragen als bedoeld in artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel b.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, van de regeling kunnen in de periode van 1 mei tot en met 1 juni 2008 worden ingediend door landbouwondernemingen die rechtstreekse betalingen uit hoofde van verordening (EG) nr. 1782/2003 ontvangen.
Onder beheerseisen en minimumeisen als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, wordt verstaan: beheerseisen en bepalingen inzake goede landbouw- en milieucondities als bedoeld in artikel 3 en 6 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.
De aanvragen kunnen uitsluitend betrekking hebben op adviezen als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de regeling.
Per landbouwonderneming kan slechts één aanvraag per drie jaar worden ingediend.
Er worden geen voorschotten verleend.
De subsidie bedraagt 50% van de kosten van een bedrijfsadvies, met dien verstande dat de subsidie ten minste € 250 bedraagt.
Het subsidieplafond bedraagt: € 1.300.000.
Aanvragen tot subsidieverlening voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen die werkzaam zijn in de veehouderijsector.
De aanvragen kunnen uitsluitend worden ingediend voor projecten als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, onderdeel b, van de regeling en welke een duur hebben van ten hoogste twee jaar.
De aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend in de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 16 advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate:
- 1.
het gekozen thema en de gekozen aanpak zowel inhoudelijk als procesmatig meer perspectief bieden;
- 2.
de probleemstelling concreter is;
- 3.
er meer gebruik wordt gemaakt van een vernieuwende aanpak, zowel inhoudelijk als procesmatig;
- 4.
het aangetoonde gezamenlijk belang van de deelnemers groter is;
- 5.
de verhouding tussen de kosten en de kwaliteit van het project beter is ten opzichte van andere projecten;
- 6.
de kennis en ervaring effectiever worden verspreid, of
- 7.
het netwerk breder is samengesteld.
De subsidie bedraagt 80 % van de subsidiabele kosten met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 25.000 bedraagt.
Het subsidieplafond bedraagt: € 1.000.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door:
- –
landbouwondernemingen;
- –
samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen;
- –
samenwerkingsverbanden van ten minste één landbouwonderneming met een of meerdere van de in artikel 2:14, tweede lid, onderdeel b, onder 1° en 2°, van de regeling genoemde ondernemingen.
De aanvragen kunnen worden ingediend voor projecten die betrekking hebben op het thema biologische landbouw als bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, onderdeel a, van de regeling en voor zover de projecten gericht zijn op:
- a.
demonstratie van de biologische bedrijfsvoering of elementen hieruit voor gangbare ondernemers waarbij ervaringen over innovaties in de biologische en gangbare landbouw worden uitgewisseld met als doel verduurzaming van de landbouw;
- b.
demonstratie van wijzen van communicatie met en verkoop aan de eindconsument;
- c.
demonstratie van productie, verwerking of verkoop van biologische producten waarbij kostprijsverlaging of verbetering van de kwaliteit van het eindproduct wordt bereikt, of
- d.
het verwerven van kennis en vaardigheden voor het uitoefenen van een of meer andere activiteiten dan de primaire agrarische activiteit, met dien verstande dat de aanvrager de primaire agrarische activiteit blijft voortzetten.
De aanvragen kunnen tevens worden ingediend voor projecten die:
- a.
betrekking hebben op het in artikel 2:15, eerste lid, onderdeel g, van de regeling genoemde thema, en voor zover de aanvragen worden ingediend door landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden werkzaam in de bloembollen- of paddestoelenteelt of de glastuinbouw;
- b.
betrekking hebben op alle in artikel 2:15, eerste lid, van de regeling genoemde thema’s, en voor zover de aanvragen worden ingediend door landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden, werkzaam in de varkens-, de konijnen- of de pluimveehouderij, inclusief de eenden- en kalkoenenhouderij, of,
- c.
betrekking hebben op alle in artikel 2:15, eerste lid, van de regeling genoemde thema’s, en voor zover de aanvragen worden ingediend door landbouwondernemingen werkzaam in de melkveehouderij.
De aanvragen kunnen worden ingediend:
- a.
in de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008 voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 21, eerste lid;
- b.
in de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008 voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 21, tweede lid, aanhef en onderdeel a;
- c.
in de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008 voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 21, tweede lid, aanhef en onderdeel b;
- d.
in de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008 voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 21, tweede lid, aanhef en onderdeel c.
In aanvulling op artikel 2:16 van de regeling wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel a, hoger gerangschikt naarmate:
- a.
het project in potentie tot een grotere energiebesparing leidt;
- b.
de energiebesparing toepasbaar is op een groter aantal bedrijven of een groter aantal hectares;
- c.
voor zover het een project betreft aangevraagd door een glastuinbouwonderneming, het project relevant is voor meerdere gewassen of gewasgroepen, of,
- d.
het project beter aansluit bij de doelstellingen van het werkprogramma Schoon en Zuinig.
Aanvragen als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdelen b en c, hebben een groter draagvlak als bedoeld in artikel 2:16, onderdeel a, onder 3°, van de regeling naarmate het project:
- a.
meer aansluit bij de programmalijnen van de sectorale innovatieagenda’s, of
- b.
meer aansluit bij de doelstellingen van de integraal duurzame en diervriendelijke stal of het houderijsysteem.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 21, eerste lid en artikel 21, tweede lid, onderdeel a, b, en c, advies uit.
De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten.
Het subsidieplafond bedraagt:
- 1.
€ 495.000 voor projecten als bedoeld in artikel 21, eerste lid;
- 2.
€ 1.452.500 voor projecten als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel a;
- 3.
€ 600.000 voor projecten als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel b, en
- 4.
€ 550.000 voor projecten als bedoeld in artikel 21, tweede lid, onderdeel c.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een innovatieproject als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei tot en met 30 mei 2008 door landbouwondernemingen:
- 1.
werkzaam in de melkveehouderij of samenwerkingsverbanden van deze ondernemingen met ondernemingen bedoeld in het tweede lid;
- 2.
werkzaam in de varkens-, konijnen-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of samenwerkingsverbanden van deze ondernemingen met ondernemingen bedoeld in het eerste lid.
Aanvragen als bedoeld in artikel 27 hebben meer innovatief karakter als bedoeld in artikel 2:28, onderdeel a, van de regeling naarmate het project meer aansluit bij de programmalijnen van de desbetreffende sectorale innovatieagenda’s.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 27, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
Het subsidieplafond bedraagt € 900.000 voor projecten als bedoeld in artikel 27, eerste lid.
Het subsidieplafond bedraagt € 1.200.000 voor projecten als bedoeld in artikel 27, tweede lid.
Per landbouwonderneming kan slechts een aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei tot en met 30 mei 2008 door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de: melkvee-, varkens-, konijnen-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen tevens worden ingediend in de periode van 1 februari tot en met 15 maart 2008 door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de: bijenhouderij, glastuinbouw, paddestoelenteelt, akkerbouw, opengrondstuinbouw, biologische landbouw of teelt van plantaardig uitgangsmateriaal.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 31, eerste en tweede lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
Projecten als bedoeld in artikel 31, eerste en tweede lid, hebben een meer innovatief karakter als bedoeld in artikel 2:33, onderdeel a, van de regeling naarmate het project meer aansluit bij de programmalijnen van de desbetreffende sectorale innovatieagenda’s.
Projecten als bedoeld in artikel 31, eerste lid, hebben een meer duurzaam karakter als bedoeld in artikel 2:33, onderdeel d, van de regeling naarmate het project meer aansluit bij de doelstellingen van de integraal duurzame en diervriendelijke stal of het houderijsysteem.
Per samenwerkingsverband kan slechts een aanvraag worden ingediend.
De subsidie bedraagt 35% van de subsidieabele kosten en ten hoogste € 500.000 voor het innovatieproject, met dien verstande dat voor kosten als bedoeld in artikel 2:35, eerste lid, onderdelen c en h, van de regeling de subsidie ten hoogste € 400.000 bedraagt.
Het subsidieplafond bedraagt:
- a.
€ 1.200.000 voor subsidieaanvragen uit de melkveehouderij;
- b.
€ 2.200.000 voor subsidieaanvragen uit de varkens-, de konijnen-, de pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij;
- c.
€ 3.000.000 voor subsidieaanvragen van glastuinbouwondernemingen en ondernemingen die zich richten op paddestoelenteelt, inclusief subsidieaanvragen van ondernemingen die zich richten op uitgangsmateriaal voor de hiervoor in dit onderdeel genoemde typen ondernemingen;
- d.
€ 1.200.000 voor subsidieaanvragen van akkerbouw- of opengrondtuinbouwondernemingen, inclusief subsidieaanvragen van ondernemingen die zich richten op uitgangsmateriaal voor de hiervoor in dit onderdeel genoemde typen ondernemingen, en voor subsidieaanvragen uit de bijenhouderij;
- e.
€ 420.000 voor subsidieaanvragen van ondernemingen die zich richten op biologische landbouw.
Indien verstrekking van subsidies niet leidt tot overschrijding van een of meerdere van de in het eerste lid bedoelde subsidieplafonds, kunnen overgebleven bedragen worden verdeeld over in dat lid genoemde subsidiecategorieën waarbij wel sprake is van overschrijding van het subsidieplafond.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in:
- a.
een eerste energiescherm als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 1, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 1, onderdeel B, van de regeling;
- b.
een tweede energiescherm als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 2, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 2, onderdeel B, van de regeling;
- c.
een klimaatcomputer als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 3, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 3, onderdeel B, van de regeling;
- d.
een temperatuurintegratiesoftwarepakket als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 4, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 4, onderdeel B, van de regeling;
- e.
een kasdek met antireflectie als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 5, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 5, onderdeel B, van de regeling;
- f.
een warmtebuffersysteem als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 6, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 6, onderdeel B, van de regeling;
- g.
een condensor als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 7, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 7, onderdeel B, van de regeling, of
- h.
energieclusters als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 8, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 8, onderdeel B, van de regeling;
- i.
een hogedruk vernevelingssysteem ten behoeve van kaskoeling als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 9, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door energie-extensieve glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 9, onderdeel B, van de regeling;
- j.
een gevelscherm als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 10, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door energie-extensieve glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 10, onderdeel B, van de regeling;
- k.
verticale ventilatoren als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 11, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door energie-extensieve glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 11, onderdeel B, van de regeling.
De aanvragen worden ingediend in de periode van 1 mei tot en met 21 mei 2008.
De Minister rangschikt de aanvragen overeenkomstig artikel 1:6 van de regeling.
Er worden geen voorschotten verleend.
De subsidie voor de in artikel 36, eerste lid, bedoelde investeringen wordt vastgesteld overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in bijlage 1 bij dit besluit met betrekking tot de daarin onderscheiden landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden.
De volledige aanvraag tot subsidievaststelling wordt uiterlijk 1 jaar na subsidieverlening ingediend.
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, bedraagt: € 5.500.000.
Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in energieinnovaties als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel a, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde energieinnovatie op grond van het Besluit EOS: demo en transitie-experimenten worden gesubsidieerd.
De aanvragen kunnen worden ingediend:
- a.
in de periode van 1 februari tot en met 15 maart 2008 en,
- b.
in de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008.
De subsidie voor de in artikel 40, eerste lid, bedoelde investeringen bedraagt 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 2.000.000.
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 40, eerste lid, en tweede lid, onderdeel a, bedraagt: € 3.500.000.
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 40, eerste lid, en tweede lid, onderdeel b, bedraagt: € 3.500.000.
Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in energieinnovaties als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel b, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde energieinnovatie op grond van het Besluit EOS: demo en transitie-experimenten worden gesubsidieerd.
De aanvragen kunnen worden ingediend:
- a.
in de periode van 1 februari tot en met 15 maart 2008
- b.
In de periode van 1 september tot en met 15 oktober 2008.
Indien subsidie wordt verleend aan een samenwerkingsverband van een of meer glastuinbouwondernemingen en een of meer andere landbouwondernemingen en het aandeel van de met de investering opgewekte energie dat door die landbouwonderneming of -ondernemingen aan de glastuinbouwonderneming of -ondernemingen wordt geleverd minder is dan 100% van de energiecapaciteit die met gebruik van de investering kan worden opgewekt, wordt de overeenkomstig artikel 41 vastgestelde subsidie naar rato van dat aandeel verlaagd.
De subsidie voor de in artikel 43, eerste lid, bedoelde investeringen bedraagt 40% van de subsidiabele kosten.
De subsidie voor de in artikel 43, eerste lid, bedoelde investeringen bedraagt ten hoogste € 2.000.000 per aanvraag.
In zoverre in afwijking van artikel 40, eerste lid, en artikel 43, eerste lid, kunnen geen aanvragen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden daarvan, indien deze ondernemingen lid zijn van een erkende telersvereniging als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96, tenzij wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening voor kosten die uit hoofde van bijlage 2, hoofdstuk 2, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 40, eerste lid, en 43, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate de energieinnovatie naar het oordeel van de commissie:
- –
meer bijdraagt aan energieneutrale glastuinbouw door een zo laag mogelijk gebruik van fossiele brandstoffen en een zolaag mogelijke CO2-uitstoot;
- –
meer teelttechnisch en economisch perspectief heeft en meer perspectief biedt voor toepassing door andere ondernemingen, of
- –
een hoger niveau van doorontwikkeling vertegenwoordigt gericht op teelttechnische of economisch inpasbare systemen.
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 43, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, bedraagt bedraagt: € 10.000.000.
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 43, eerste lid en tweede lid, onderdeel b, bedraagt: € 10.000.000.
Indien verstrekking van subsidies niet leidt tot overschrijding van een of meerdere van de in de artikelen 42 of 48 bedoelde subsidieplafonds, kunnen overgebleven bedragen worden verdeeld over de in die artikelen genoemde subsidiecategorieën waarbij wel sprake is van overschrijding van het subsidieplafond.
Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in gecombineerde luchtwassystemen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 3, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 3, punt B, van de regeling, met uitzondering van landbouwondernemingen gelegen in extensiveringsgebieden als bedoeld in artikel 1 van de Reconstructiewet.
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 september tot en met 26 september 2008.
Overeenkomstig artikel 1:4 van de regeling wordt een aanvraag hoger gerangschikt naarmate:
- 1.
de landbouwonderneming waarin veehouderij wordt beoefend ten hoogste 1000 meter is verwijderd van een gebied als omschreven in bijlage 3 bij dit besluit;
- 2.
de aanvrager een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer heeft aangevraagd voor één of meer gecombineerde luchtwassystemen, en
- 3.
rondom de landbouwonderneming de bij of krachtens de Wet milieubeheer vastgestelde grenswaarde voor zwevende deeltjes wordt overschreden.
Er worden geen voorschotten verleend.
Er kan slechts één aanvraag worden ingediend per inrichting bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Wet Milieubeheer.
In afwijking van artikel 1:15, derde lid, van de regeling komt niet-verrekenbare BTW niet voor subsidie in aanmerking.
De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten.
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 50 bedraagt: € 8.250.000.
Aanvragen tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 2:42, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 september tot 26 september 2008.
Per landbouwonderneming kan slechts 1 aanvraag worden ingediend.
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot 26 september 2010.
Er worden geen voorschotten verleend.
In aanvulling op artikel 1:15, derde lid, en artikel 2:40, tweede lid, van de regeling komt niet-verrekenbare BTW niet voor subsidie in aanmerking.
Het subsidieplafond bedraagt: € 7.200.000.
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van:
- a.
€ 167.442 voor landbouwondernemingen die gevestigd zijn in de provincie Drenthe;
- b.
558.140 voor landbouwondernemingen die gevestigd zijn in de provincie Gelderland.
De Minister rangschikt de aanvragen voor subsidies als bedoeld in artikel 56, eerste lid, overeenkomstig artikel 1:5 van de regeling, met dien verstande dat per provincie voorrang wordt gegeven aan aanvragen die ingediend zijn op grond van de Subsidieregeling jonge agrariërs in 2006, of artikel 59 van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies en:
Na verlening van de aanvragen overeenkomstig het eerste lid, geschiedt de toewijzing van de aanvragen waarvan de onderneming zijn hoofdvestiging heeft in de provincies die een additioneel subsidieplafond ter beschikking hebben gesteld.
Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in integraal duurzame stallen en houderijsystemen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt B, van de regeling, voor zover het betreft landbouwondernemingen op het gebied van de varkenshouderij, pluimveehouderij of melkveehouderij.
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei tot en met 30 mei 2008.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 62, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
Een aanvraag wordt hoger gerangschikt naarmate:
- a.
het project meer economisch of technisch perspectief heeft;
- b.
er voor het project een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het dierenwelzijn, en
- c.
er voor het project een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het milieu, diergezondheid of arbeidsomstandigheden.
De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 200.000 bedraagt.
Het subsidieplafond bedraagt € 1.100.000.
De extra kosten, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt C, van de regeling betreffen de kosten die worden gemaakt naast de norminvesteringen in een gangbare stal, als bedoeld in de kwantitatieve informatie veehouderij.
Uit de informatie, bedoeld in artikel 1:9, tweede lid, onderdeel b, van de regeling blijkt in hoeverre een stal of houderijsysteem voldoet aan de definitie van integraal duurzame stal of houderijsysteem, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt A, van de regeling.
Er worden geen voorschotten verleend.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:55, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 september tot en met 1 december 2008.
De beschikking omtrent subsidieverlening wordt gegeven binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag doch niet eerder dan 10 november 2008.
Het subsidieplafond bedraagt: € 500.000.
Een landbouwonderneming kan per Skal-certificaat één aanvraag indienen.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 2, van de regeling kunnen worden ingediend van 1 juli 2008 tot en met 31 juli 2008.
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 72, bedraagt het subsidieplafond:
- a.
voor projecten als bedoeld in artikel 3:4, eerste en tweede lid, van de regeling: € 1.250.000;
- b.
voor programma’s, als bedoeld in artikel 3:4, eerste en derde lid, van de regeling: € 1.250.000,–
Aanvragen tot verleningen van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3, van de regeling kunnen worden ingediend tot en met 9 februari 2008.
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 74, bedraagt het subsidieplafond ten aanzien van aanvragen door:
- a.
de Unie van Bosgroepen: € 1.869.772,80;
- b.
de Landschappen: € 1.640.224,80;
- c.
de Vereniging natuurmonumenten: € 1.335.552,–;
- d.
overige aanvragers: € 371.450,40.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 4, paragraaf 2, van de regeling kunnen worden ingediend tot en met 31 december 2007.
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 76, bedraagt het subsidieplafond € 2.250.000,–.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 4, paragraaf 3, kunnen worden ingediend van 1 april 2008 tot en met 31 mei 2008.
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 78, bedraagt het subsidieplafond € 215.000,–.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 5, van de regeling kunnen worden ingediend tot en met 1 januari 2008.
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 80, bedraagt het subsidieplafond ten aanzien van aanvragen door:
- a.
de IVN Vereniging voor natuur- en milieueducatie: € 1.347.710,23;
- b.
Stichting Samenwerkingsverband Nationale Parken: € 300.000,–.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 8, kunnen worden ingediend tot en met 1 juli 2008.
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 82, bedraagt het subsidieplafond:
- a.
voor activiteiten, als bedoeld in artikel 3:51, tweede lid, sub a: € 220.000,–;
- b.
voor activiteiten, als bedoeld in artikel 3:51, tweede lid, sub c: € 167.000,–.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 10, kunnen worden ingediend van 1 februari tot en met 1 maart 2008.
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 84, bedraagt het subsidieplafond: € 200.000,–
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- –
segment: segment als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel l, van de Regeling visvergunning;
- –
lengte over alles: lengte als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 2930/86 van de Raad van de Europese Gemeenschap van 22 september 1986 houdende definities van de kenmerken van vissersvaartuigen (PbEG L 274);
- –
dag: aaneengesloten tijdvak van 24 uur waarin een vissersvaartuig niet in de haven ligt;
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, onderdeel a, van de regeling, kunnen worden ingediend in de periode van 26 november tot en met 10 december 2007.
Het subsidieplafond bedraagt € 29.000.000,–.
Na afloop van de aanvraagperiode, bedoeld in het eerste lid, kan het aangevraagde subsidiebedrag als bedoeld in artikel 4:3 van de regeling niet worden gewijzigd.
De aanvragen kunnen uitsluitend worden ingediend voor de definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten van een vissersvaartuig, bedoeld in artikel 4:2, tweede lid, onderdeel a, van de regeling, voor zover:
- a.
het vissersvaartuig behoort tot het segment MFL 1 en hiervoor een contingent schol of tong is toegekend;
- b.
het vissersvaartuig een lengte over alles van meer dan 15 meter heeft en een tonnage van minder dan 1.200 BT;
- c.
het vissersvaartuig op de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening meer dan tien jaar oud is;
- d.
het vissersvaartuig in elk van de twee aan de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening voorafgaande perioden van twaalf maanden ten minste 75 dagen is gebruikt voor een visserijactiviteit, en
- e.
ten aanzien van het vissersvaartuig op de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening op grond van artikel 2a, eerste en tweede lid, van de Regeling visvergunning een visvergunning is toegekend.
Er worden geen voorschotten verleend.
Het forfaitaire subsidiebedrag per brutoton en het aanvullende bedrag, bedoeld in artikel 4:7 van de regeling, zijn:
- a.
indien het vaartuig een brutotonnage heeft van minder dan 10 BT: € 11.121,– per brutoton en € 2.022,–;
- b.
indien het vaartuig een brutotonnage heeft van 10 BT of meer, en minder dan 25 BT: € 5.055,– per brutoton en € 62.682,–;
- c.
indien het vaartuig een brutotonnage heeft van 25 BT of meer, en minder dan 100 BT: € 4.246,– per brutoton en € 82.902,–;
- d.
indien het vaartuig een brutotonnage heeft van 100 BT of meer, en minder dan 300 BT: € 2.730,– per brutoton en € 234.552,–;
- e.
indien het vaartuig een brutotonnage heeft van 300 BT of meer, en minder dan 500 BT: € 2.224,– per brutoton en € 386.202,–, of
- f.
indien het vaartuig een brutotonnage heeft van 500 BT of meer: € 1.213,– per brutoton en € 891.702,–.
Indien het vaartuig, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f, tussen 16 en 29 jaar oud is, wordt het maximale subsidiebedrag, bedoeld in artikel 4:7, verlaagd met 1,5% per jaar dat het vaartuig ouder is dan 15 jaar.
Indien het vaartuig, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met f, 30 jaar of ouder is, wordt het maximale subsidiebedrag, bedoeld in artikel 4:7, verlaagd met 22,5%.
Voor de toepassing van dit artikel is de leeftijd van een vissersvaartuig een geheel getal dat het verschil aangeeft tussen het jaar waarin de subsidieaanvraag is ingediend en het jaar van inbedrijfstelling in de zin van artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 2930/86 van de Raad van 22 september 1986 houdende definities van de kenmerken van vissersvaartuigen (PbEG L 274).
Voor de toepassing van dit artikel is het aantal brutoton dat een vissersvaartuig meet, het aantal brutoton dat het vaartuig meet volgens de opgave in de meetbrief.
De subsidieverlening wordt in ieder geval geweigerd indien de aanvrager de aan het vissersvaartuig verleende garnalenvergunning, de vergunning voor het vissen met een sleepnet in de Oosterschelde of, geheel of gedeeltelijk, een aan het vissersvaartuig toegekend contingent in de periode tussen 23 juli 2007 en de datum van subsidieverlening overeenkomstig de Regeling contingentering zeevis of de Beschikking visserij visserijzone, zeegebied en kustwateren:
- a.
heeft overgedragen, of
- b.
binnen zijn onderneming heeft toegewezen aan een ander vissersvaartuig.
De subsidieverlening wordt tevens in ieder geval geweigerd indien de aanvrager in de periode tussen 23 juli 2007 en de datum van subsidieverlening overeenkomstig de Regeling contingentering zeevis een verzoek heeft gedaan tot aanhouding van de toekenning van een contingent, een garnalenvergunning, een vergunning voor het vissen met een sleepnet in de Oosterschelde.
Subsidie wordt verleend onder voorbehoud van goedkeuring door de Commissie van de Europese Gemeenschappen.
De beslissing tot verlening van subsidie kan worden ingetrokken of gewijzigd indien dit noodzakelijk is in verband met het verkrijgen van de goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor deze regeling of het uitblijven daarvan.
Aanvragen tot verstrekking van een garantstelling als bedoeld in artikel 4:53 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008.
Het maximumbedrag, bedoeld in artikel 4:57, eerste lid, van de regeling, wordt voor 2008 vastgesteld op € 8.000.000,–.
Als beoordelingscommissie, bedoeld in artikel 17, 24, 28, 32, eerste en tweede lid, 47 en 63 wordt ingesteld de beoordelingscommissie concurrerende landbouw.
De beoordelingscommissie bedoeld in artikel 94, bestaat uit:
De heer drs. J.P.J. Lokker, en
De heer ir. J.T.G.M. Koolen.
Als formulier waarmee aanvragen tot subsidieverlening als bedoeld in de artikelen 27, 31, eerste en tweede lid, 40, eerste lid, en 43, eerste lid, worden ingediend, zijn vastgesteld de formulieren die overeenkomen met de desbetreffende modellen die zijn opgenomen in de bijlage bij dit besluit.
Het Openstellingsbesluit LNV-subsidies wordt ingetrokken.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat artikel 96 in werking treedt met ingang van 18 januari 2008.
Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2008.
Hoogte van het subsidiepercentage en de subsidiabele kosten bij Investeringen op het terrein van energiebesparing als bedoeld in artikel 36, eerste lid.
Eerste energieschermen, niet zijnde gevelschermen of verduisteringsschermen (artikel 36, onderdeel a):
Onderneming | Subsidie-percentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 6,70 | € 67.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 5,00 | € 250.000,– |
Onderneming | Subsidie-percentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten | |
Materieel | Eigen arbeid forfaitair | |||
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 3,00 | € 3,70 | € 67.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 1,30 | € 3,70 | € 250.000,– |
Tweede energieschermen, niet zijnde gevelschermen of verduisteringsschermen (artikel 36, onderdeel b):
Onderneming | Subsidie-percentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve of energie- intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 6,70 | € 67.000,– |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 5,00 | € 250.000,– |
Onderneming | Subsidie-percentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten | |
Materieel | Eigen arbeid forfaitair | |||
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 3,00 | € 3,70 | € 67.000,– |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 1,30 | € 3,70 | € 250.000,– |
Klimaatcomputer (artikel 36, onderdeel c):
Onderneming | Subsidie-percentage | Maximale subsidiabele investeringskosten | |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | € 45.000,– |
Temperatuurintegratiesoftwarepakket (artikel 36, onderdeel d):
Onderneming | Subsidie-percentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per pakket | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | Een vast bedrag van € 7000,– vermeerderd met € 700,– per aantal hectare onder kasdekglas/kasdekkunststof van de aanvrager | € 10.000,– |
Meerinvestering kasdek met antireflectie gecoat kasdekglas of kasdekkunstof (artikel 36, onderdeel e):
Onderneming | Subsidie-percentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen | 25% | € 10,00 | € 400.000,– |
Warmtebuffersysteem (artikel 36, onderdeel f):
Onderneming | Subsidie-percentage | Buffercapaciteit | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | Tot 60 m3 | € 50.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | Tot 125 m3 | € 70.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | Tot 250 m3 | € 90.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | 250 m3 of groter | € 100.000,– |
Condensor op retour (artikel 36, onderdeel g):
Onderneming | Subsidie-percentage | Maximale subsidiabele investeringskosten | |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | € 13.000,– |
Energieclusters (artikel 36, onderdeel h):
Onderneming | Subsidie-percentage | Aantal deelnemers in het samenwerkingsverband | Maximale subsidiabele investeringskosten voor het cluster |
Samenwerkingsverband van twee glastuinbouwondernemingen | 25% | 2 | € 200.000,00 |
Samenwerkingsverband van drie glastuinbouwondernemingen | 25% | 3 | € 300.000,00 |
Hogedruk vernevelingssysteem voor kaskoeling (artikel 39, onderdeel i):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geinstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve glastuinbouwondernemingen kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 5,50 | € 55.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwondernemingen groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 4,10 | € 205.000,– |
Gevelscherm, niet zijnde verduisteringsscherm (artikel 39, onderdeel j):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 9,– | € 90.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 6,70 | € 336.000,– |
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten | |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 4,00 | € 5,– | € 90.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 1,75 | € 5,– | € 336.000,– |
Verticale ventilatoren voor vochtregulatie (artikel 39, onderdeel k):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve glastuinbouwondernemingen kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 4,– | € 40.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwondernemingen groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 3,– | € 150.000,– |
Rekenmodel als bedoeld in bijlage 2, Hoofdstuk 2, Punt A, onderdeel b, van de regeling. Marktintroductie Energie-innovaties: beperking van CO2-emissie door toepassing van een semi-gesloten kas
Bedrijfsnaam: |
Eigenaar/indiener: |
Bedrijfsadres: |
Postcode/plaats: |
Bedrijfswebsite: |
Correspondentieadres: |
Postcode/plaats: |
Telefoonnummer: |
E-mailadres: |
Aanvraagnummer: |
De berekeningen zijn gemaakt op grond van de door de aanvrager ingevulde karakteristieken met betrekking tot het verwarmings- en koelingsysteem, de installaties die in kas en ketelhuis worden voorzien en het door de tuinder gewenste kasklimaat.
Als rekenmodel wordt gebruik gemaakt van programmatuur die in het kader van het project Synergie is ontwikkeld ten behoeve van de technische, energetische en economische beoordeling van gesloten kasconcepten. Dit rekenmodel is gebouwd en wordt onderhouden door de Business Unit Glas van Wageningen UR.
Het model rekent op uurbasis de warmte- en koudebehoefte van de door de aanvrager beschreven kasconfiguratie in een gemiddeld Nederlands jaar. Vanuit deze gegevens wordt voor elk uur uitgerekend welke gas-, elektriciteits-, CO2-behoefte en laagwaardig warmtegebruik of -overschot voor deze kas verwacht mag worden.
Deze berekening wordt gemaakt voor de geconditioneerde kas en voor een relevante referentie.
De vergelijking van de berekende CO2-emissie voor het hierbij ingediende geconditioneerde kasconcept met de referentie leidt tot de conclusie dat de verwachte CO2-emissiereductie ........... bedraagt.
In de tuinbouw staat de klimatiseringsinstallatie ten dienste van het gewas om een zo gunstig mogelijk kasklimaat te realiseren. Er blijft evenwel, zelfs in geconditioneerde kassen, altijd een spanningsveld tussen het klimaat waarbij het gewas het beste zou groeien en de kosten de gepaard gaan met het realiseren van dat klimaat. Zo wordt in de gangbare tuinbouw weliswaar bij hoge instraling een hoge CO2-concentratie gewenst, maar de dosering wordt toch begrensd om de CO2-gift in overeenstemming te houden met de hoeveelheid warmte die bij de productie van rookgassen vrijkomt. Ook wordt geaccepteerd dat, omwille van een gunstig gascontract, op heel koude dagen de gewenste etmaaltemperatuur niet gerealiseerd wordt. Het model houdt met al deze zaken rekening (middels de begrenzingen van het klimatiseringssysteem (zie deel 2).
De kasklimaatinstellingen die in dit deel moeten worden ingevuld moeten dan ook worden opgevat op dezelfde manier als waarop de instellingen van de kasklimaatcomputer worden gebruikt.
Er staan twee kolommen met invoergegevens en indien de geconditioneerde kas niet de gehele unit beslaat maar slechts een fractie dan komt er nog een derde kolom die aangeeft hoe het klimaat in het niet-geconditioneerde deel gewenst wordt.
In de eerste kolom staan de instellingen die voor de geconditioneerde kas gaan gelden.
De tweede kolom wordt gebruikt om de referentiesituatie te beschrijven. Veel getallen zullen gelijk zijn, maar wellicht wordt in de geconditioneerde kas de temperatuur waarboven gekoeld wordt wat hoger gekozen dan u in de referentie zou hebben gedaan. Ook het gebruik van minimumbuis zal in de geconditioneerde kas vaak minder zijn.
De derde kolom verschijnt in afhankelijkheid van de gesloten kasfractie. De teelt-instellingen in de derde kolom zullen veel gelijkenis vertonen met de instellingen van de tweede kolom.
Elk veld heeft een uitleg, die naar voren komt als de muis erop wordt gelegd. Achterin dit document staan alle toelichtingen bij elkaar geplaatst.
Omschrijving | Eenheid | Geconditioneerde afdeling | Referentie | Niet gecondi- tioneerd deel | |
1 | Gesloten kas fractie | % | 50 | n.v.t. | 50 |
2 | Gewas (kies: groente, potplant of snijbloem) | groente | groente | groente | |
3 | Kasdek (kies: enkelglas, dubbel of triple) | enkelglas | enkelglas | enkelglas | |
4 | Stooktemperatuur dag | °C | 18 | 18 | 18 |
5 | Stooktemperatuur nacht | °C | 17 | 17 | 17 |
6 | Koel- of ventilatietemperatuur | °C | 27 | 27 | 27 |
7 | Pband ventilatie/koeling | °C | 2 | 2 | 2 |
8 | Maximale ventilatie met buitenlucht | m3/(m2 hr) | 0 | n.v.t. | n.v.t. |
9 | Toegestane RV in de kas | % | 85 | 85 | 85 |
10 | Deksproeiers (kies ja of nee) | nee | nee | nee | |
11 | Minimumbuistemperatuur | °C | 40 | 40 | 40 |
12 | VO van het minimumbuisnet | m2 buis/m2 | 0,2 | 0,2 | 0,2 |
13 | Streefwaarde CO2 | ppm | 900 | 900 | 900 |
14 | Maximale doseercapaciteit | kg/(ha hr) | 120 | 180 | 180 |
15 | Stralingscrit. voor schaduwscherm | W/m2 | 1000 | 1000 | 1000 |
16 | Schaduwfactor schaduwscherm | % | 30 | 30 | 30 |
17 | Buitentemp sluiten energiescherm | °C | 12 | 12 | 12 |
18 | Besparingspercentage v.h. scherm | % | 45 | 45 | 45 |
19 | Belichtingsintensiteit | Wel/m2 | 0 | 0 | 0 |
20 | Belichtingsschema (kies schema 1, 2 of 3) | 2 | 2 | 2 |
Op deze pagina treft u drie belichtingsschema’s die u kunt gebruiken om de door u gebruikte wijze van belichting vast te leggen. U kunt voor verschillende kasafdelingen verschillende schema’s gebruiken (dus voor de geconditioneerde kasafdeling een ander schema dan voor de referentie of voor de niet-geconditioneerde delen van het nieuw te bouwen of te vernieuwen kascomplex), maar u kunt ook voor alle afdelingen hetzelfde schema gebruiken.
De drie getoonde schema’s zijn voorzien van default instellingen. U kunt ze evenwel naar eigen inzicht aanpassen.
1 | DagnrStartBel | 280 | (→ dit is 6 oktober) | |
2 | DagnrStopBel | 80 | (→ dit is 20 maart en betekent 165 dg belichting) | |
3 | IglobBelUit | 150 | W/m2 globale straling buiten de kas | |
4 | SavondsUit | 20 | uur | (belichting is 2 uur uit) |
5 | SavondsAan | 22 | uur |
1 | DagnrStartBel | 260 | (→ dit is 16 september) | |
2 | DagnrStopBel | 91 | (→ dit is 31 maart en betekent 196 dg belichting) | |
3 | IglobBelUit | 150 | W/m2 globale straling buiten de kas | |
4 | SavondsUit | 22 | uur | (belichting is 4 uur uit) |
5 | SavondsAan | 2 | uur |
1 | DagnrStartBel | 330 | (→ dit is 25 november) | |
2 | DagnrStopBel | 300 | (→ dit is 26 oktober en betekent 335 dg belichting) | |
3 | IglobBelUit | 150 | W/m2 globale straling buiten de kas | |
4 | SavondsUit | 20 | uur | (belichting is 4 uur uit) |
5 | SavondsAan | 24 | uur |
Met de installatie van een semi-gesloten kas zal een nieuw ketelhuis worden neergezet of het bestaande ketelhuis worden gerenoveerd. Er zal waarschijnlijk een warmtepomp, een aquifer en een etmaalbuffer voor laagwaardige warmte/kou worden geplaatst en er wordt waarschijnlijk een WK geplaatst. Ook is het denkbaar dat de nieuwe of vernieuwde kas wordt voorzien van additionele CO2-voorziening in de vorm van zuivere- of OCAP-CO2.
In dit deel kunt u de eigenschappen van het nieuwe ketelhuis vastleggen.
Indien het ontwerp om een systeem gaat waarbij de semi-gesloten kas een fractie is van het totale kasoppervlak dat door het nieuw (ingerichte) ketelhuis wordt verwarmd, dan gaat het rekenprogramma er van uit dat de in de zomer verzamelde warmte in de winter zowel op het geconditioneerde deel als op het niet geconditioneerde deel wordt gebruikt (zoals bijvoorbeeld bij Themato).
Als u in het vorige deel hebt aangegeven dat de geconditioneerde kasfractie 100% is, dan betekent dit dat de nieuwe of vernieuwde ketelhuisconfiguratie die hier in deel 2 wordt beschreven uitsluitend wordt ingezet voor (de) geconditioneerde afdeling(en).
Teneinde de gerealiseerde CO2-emissiebeperking te kunnen berekenen dient u ook het referentie-ketelhuis te beschrijven.
1 | Kasoppervlak | 1 | ha | |||
Geconditioneerd oppervlak | 0,5 | ha | Niet geconditioneerd opp. | 0,5ha | ||
2 | Buffercapaciteit | 200 | m3 | 200 | m3/ha | |
3 | Thermisch warmtepompvermogen | 700 | kW th | 700 | kW/ha | |
4 | Efficientie v.d. warmtepomp | 45 | % | |||
5 | Capaciteit aquifer | 200 | m3/uur | 400 | m3/ha gecond. kas per uur | |
6 | Temp verlies scheidingswisselaar | 1 | °C | |||
7 | Bufferinhoud koudebuffer | 1500 | m3 | 3000 | m3/ha gecond. kas | |
8 | Koude bron laden op | 8 | °C | |||
9 | WK-vermogen | 60 | kW el. | 60 | kW/ha | |
10 | elektrisch WK-rendement | 42 | % | |||
11 | thermisch WK-rendement | 55 | % | |||
12 | WK inzetten tijdens piek-uren (ja/nee) | ja | ||||
13 | Zomerse WK-warmte oversch. in aquif. | nee |
14 | Kasoppervlak | 1 | ha | |||
15 | Buffercapaciteit | 100 | m3 | 100 | m3/ha | |
16 | WK-vermogen | 0 | kW el. | 0 | kW/ha | |
17 | elektrisch WK-rendement | 42 | % | |||
18 | thermisch WK-rendement | 55 | % | |||
19 | WK inzetten tijdens piek-uren (ja/nee) | nee |
In de geconditioneerde kasafdeling zijn luchtbehandelingunits geplaatst. Tijdens gebruik van deze units leveren ze een bepaalde koelcapaciteit. Deze is vooral afhankelijk van het temperatuurverschil tussen ingaand water en ingaande lucht en van de hoeveelheid lucht die er doorheen wordt geblazen.
Daarnaast speelt ook de luchtvochtigheid een rol. (Deze kan worden verhoogd door gebruik te maken van een fogging installatie (afhankelijk van de instelling in deel 1)).
Bij het gebruik van de installatie koelsysteem wordt er elektriciteit gebruikt. Vooral voor het circuleren van de lucht, maar ook voor het verpompen van water.
Het elektriciteitsverbruik per eenheid koelvermogen, maar ook het waterdebiet en de opwarming van het water is door dit alles sterk afhankelijk van de gekozen luchtbehandelingunits, het aantal dat daarvan gebruikt wordt en de kasklimaatcondities waaronder gekoeld wordt.
Het is niet waarschijnlijk dat de luchtbehandelingskast-leverancier de prestatie van de koelunit onder al die variabele omstandigheden voorhanden heeft. Laat staan dat die dan ook nog gedocumenteerd zouden zijn.
Omdat de kwaliteit van de koelunits echter een duidelijke invloed heeft op het energiebesparingresultaat van semi-gesloten kassen is het noodzakelijk om toch over zo'n prestatie karakterisering te beschikken.
In dit deel wordt vanuit een bench-mark punt (dat bij voorkeur zo dicht mogelijk ligt bij de werkingscondities die representatief zijn voor het gebruik in uw situatie) een karakterisering van het koelsysteem gemaakt die toegesneden is op uw kasklimaatwensen en die het deellastgedrag in beeld brengt. Er worden grafieken gemaakt van het elektriciteitsverbruik als functie van het koelvermogen, het waterdebiet door de koelers en de temperatuur waarmee het water uit de koelers zal komen. Tevens wordt op grond van de koeleigenschappen een karakterisering gemaakt voor het gedrag van deze units bij gebruik voor verwarming.
Koelen | Lege Velden | |||||
Hiernaast ziet u een invulveld waarin u specificaties van de gebruikte koelunits kunt aangeven. Vanuit deze specificaties maakt het programma relaties voor het elektriciteitsverbruik tijdens het koelen. Hierbij zijn vanuit de benchmark gegevens, rekening houdend met de achterliggende fysische processen (convectie en condensatie), extrapolaties gemaakt. | Benchmark punten v.d. Koelunit | 0 | ||||
1 | Koelvermogen[kW] | 20 | kW | 0 | ||
2 | Watertemp in [°C] | 12 | °C | 17 | 0 | |
3 | Watertemp uit [°C] | 22 | °C | 0 | 0 | |
4 | Luchttemperatuur in [°C] | 26 | °C | 21 | 0 | |
5 | Luchttemperatuur uit [°C] | 16 | °C | 0 | 0 | |
6 | Koelvermogen geldt bij een RV van | 85 | % | 0 | ||
7 | Maximaal luchtdebiet [m3/uur] | 2000 | m3/uur | 0 | ||
8 | Electr.gebr.vent bij max luchtdeb. | 0,3 | kW | 0 | ||
9 | Waterzijdige drukval | 1,2 | bar | 0 |
Vanuit de benchmark punten kan worden berekend dat de ontvochtigingscapaciteit 19,6 liter/uur is.
Dit betekent een latente warmteafvoer van 13,3 kW. De voelbare warmteoverdracht is dus 6,67 kW.
Er worden (vraag 10) 60 van deze units op de gekoelde afdeling van 0,5 ha geplaatst ( 83 m2 per unit).
De voelbare warmteoverdrachtscoëfficiënt blijkt 1,67 kW per °C verschil tussen gemiddelde water- en luchttemperatuur.
Het programma gaat ervan uit dat de luchtbehandelingkasten ook voor verwarmen worden gebruikt.
Op grond van de warmte-overdrachtgegevens in de koelmodus wordt voor de verwarming verondersteld dat de units 0,045 W ventilatorenergie gebruiken per overgedragen W verwarmingsvermogen.
Dit komt neer op een COP-verwarming van 22,2 (dit is exclusief het verbruik van de warmtepomp).
De combinatie van benchmark-punten en kasklimaat in de geconditioneerde afdeling levert de volgende karakteristieken van de koeler:
Hieruit worden de onderstaande tabellen afgeleid waarmee het simulatiemodel zal rekenen.
Elektriciteitsverbruik ventilator | Approach temperatuur als | ||
functie van koelvermogen | |||
belasting | Elekverbruik [W/m2] | koelverm | Approachtemperatuur |
–1,00 | 0,00 | 0,00 | 0,20 |
0,10 | 1,36 | 32,57 | 2,42 |
0,15 | 1,67 | 48,86 | 3,06 |
0,20 | 1,92 | 65,14 | 3,52 |
0,25 | 2,15 | 81,43 | 3,87 |
0,30 | 2,36 | 97,71 | 4,14 |
0,35 | 2,55 | 114,00 | 4,36 |
0,40 | 2,72 | 130,29 | 4,53 |
0,45 | 2,89 | 146,57 | 4,67 |
0,50 | 3,04 | 162,86 | 4,77 |
0,55 | 3,19 | 179,14 | 4,85 |
0,60 | 3,33 | 195,43 | 4,91 |
0,65 | 3,47 | 211,71 | 4,95 |
0,70 | 3,60 | 228,00 | 4,97 |
0,75 | 3,60 | 244,29 | 4,98 |
0,80 | 3,60 | 260,57 | 4,98 |
0,85 | 3,60 | 276,86 | 4,96 |
0,90 | 3,60 | 293,14 | 4,93 |
0,95 | 3,60 | 309,43 | 4,90 |
1,00 | 3,60 | 325,71 | 4,85 |
100,00 | 3,60 | 800,00 | 19,90 |
Gemiddeld is het uittredend 4,46 °C lager dan de intredende lucht. Voor de pompen wordt met een drukval van 0,69667 bar/(m3/uur) gewerkt.
Hier ziet u de resultaten m.b.t. de teelt en de resultaten qua energieverbruik en CO2-emissie.
Omschrijving | Eenheid | Nieuwe situatie | Referentie- situatie |
Gem. teelttemperatuur winterperiode | °C | 17,9 | 17,8 |
Gem. teelttemperatuur zomerperiode | °C | 0,0 | 0,0 |
Gem. CO2 concentratie zomerperiode | ppm | 677 | 405 |
Jaarlijkse CO2-gift | kg/m2 | 25 | 37 |
Jaarlijks aantal energieschermuren | uur | 2291 | 2291 |
Jaarlijks aantal schaduwschermuren | uur | 0 | 0 |
Jaarlijks aantal belichtingsuren | uur | 0 | 0 |
Resultaten warmte, koude en elektra | |||
Jaarlijkse warmtevraag | MJ/m2 | 1486 | 1542 |
Jaarlijkse laagwaardige warmte naar Aquifer | MJ/m2 | 372 | n.v.t. |
Gemiddelde temperatuur naar warme bron | °C | 22,3 | |
Jaarlijkse laagwaardige warmte uit Aquifer | MJ/m2 | 361 | n.v.t. |
Hoogwaardig warmte-overschot | MJ/m2 | 0 | 0 |
Elektriciteit voor belichting | kWh/m2 | 0 | 0 |
Electriciteit voor koeling en verwarming | kWh/m2 | 12 | n.v.t. |
Elektriciteitsgebruik Warmtepomp | kWh/m2 | 45 | n.v.t. |
Effectieve COP Warmtepomp | – | 2,9 | n.v.t. |
Resultaten gas en Elektra | |||
Gasinkoop | m3/m2 | 35 | 49 |
Elektra inkoop | kWh/m2 | 27 | 1 |
Elektra verkoop | kWh/m2 | 12 | 0 |
Netto elektra inkoop | kWh/m2 | 15 | 1 |
Resultaten CO2 emissie | |||
CO2-emissie Ketel | kg/m2 | 42 | 87 |
CO2-emissie WKK voor eigen gebruik | kg/m2 | 14 | 0 |
CO2-emissie WKK voor netlevering | kg/m2 | 6 | 0 |
kg/m2 | 62 | 87 | |
Conclusie CO2 emissiebeperking | 29% |
Gebied als bedoeld in artikel 51, eerste lid, waarvan de kritische depositiewaarde kleiner is dan 2.400 mol N per hectare per jaar.
Gebied | Kritische depositiewaarde | |
gebiedscode | gebiedsnaam | mol N/ha/jaar |
NL2003001 | Aamsveen | 1071 |
NL2003002 | Abdij Lilbosch en voormalig Klooster Mariahoop | n.v.t |
NL2003003 | Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek | 779 |
NL3000044 | Alde Feanen | 1293 |
NL2003004 | Amerongse Bovenpolder | 1693 |
NL9801004 | Bakkeveense Duinen | 1071 |
NL2000002 | Bargerveen | 1071 |
NL2003005 | Bekendelle | 1336 |
NL9801076 | Bemelerberg en Schiepersberg | 829 |
NL2003006 | Bennekomse Meent | 729 |
NL2003007 | Bergvennen en Brecklenkampse Veld | 1071 |
NL3000040 | Biesbosch | 1300 |
NL2003008 | Boddenbroek | 729 |
NL2003009 | Boetelerveld | 736 |
NL3004001 | Boezem van Brakel | 1300 |
NL9801016 | Borkeld | 1071 |
NL2003010 | Boschhuizerbergen | 1071 |
NL9801044 | Botshol | 514 |
NL1000029 | Brunssumerheide | 1071 |
NL2003011 | Bruuk | 736 |
NL2003012 | Bunder- en Elsloerbos | 1557 |
NL9801019 | Buurserzand en Haaksbergerveen | 1071 |
NL2003013 | Canisvlietse Kreek | n.v.t |
NL1000030 | Coepelduynen | 1193 |
NL9801021 | Dinkelland | 1071 |
NL9801009 | Drentsche Aa | 1071 |
NL9803011 | Drents-Friese Wold en Leggelerveld | 1071 |
NL2003014 | Drouwenerzand | 743 |
NL2003057 | Duinen Ameland | 771 |
NL1000009 | Duinen Den Helder – Callantsoog | 771 |
NL9801079 | Duinen Goeree | 771 |
NL2003058 | Duinen Schiermonnikoog | 771 |
NL1000010 | Duinen Schoorl | 779 |
NL2003059 | Duinen Terschelling | 771 |
NL2003060 | Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol | 771 |
NL2003061 | Duinen Vlieland | 771 |
NL3000016 | Duinen Zwanenwater en Pettemerduinen | 771 |
NL3000070 | Dwingelderveld | 1071 |
NL3004002 | Eilandspolder-oost | 514 |
NL2003015 | Elperstroom | 729 |
NL1000004 | Engbertsdijksvenen | 1071 |
NL9801007 | Fochteloërveen en Esmeer | 1071 |
NL1000002 | Friese IJsselmeerkust | 1129 |
NL9801024 | Gelderse Poort | 1300 |
NL2003016 | Geleenbeekdal | 1621 |
NL9801041 | Geuldal | 829 |
NL2003017 | Gouwzee en kustzone Muiden | n.v.t |
NL9801075 | Grensmaas | 1786 |
NL4000021 | Grevelingen | 779 |
NL2003018 | Groot Zandbrink | 736 |
NL2003019 | Groote Gat | 1557 |
NL9801036 | Groote Heide – De Plateaux | 1071 |
NL1000025 | Groote Peel | 1071 |
NL2003020 | Groote Wielen | 736 |
NL1000015 | Haringvliet | 1807 |
NL9801071 | Havelte-oost | 1071 |
NL2003021 | Hollands Diep (oeverlanden) | 2564 |
NL2003022 | Ijsseluiterwaarden | 1300 |
NL2003023 | Ilperveld/Oostzanerveld/Varkensland | 514 |
NL3000401 | Kampina en Oisterwijkse Bossen en Vennen | 1071 |
NL1000022 | Kempenland | 1071 |
NL1000012 | Kennemerland-zuid | 771 |
NL2003024 | Kolland en Overlangbroek | 1336 |
NL1000017 | Kop van Schouwen | 771 |
NL9801072 | Korenburgerveen | 779 |
NL1000021 | Krammer-Volkerak | 1486 |
NL2003025 | Kunderberg | 829 |
NL3004003 | Landgoederen Oldenzaal | 1336 |
NL2003026 | Langstraat bij Sprang-Capelle | 1129 |
NL2003027 | Lemselermaten | 736 |
NL9803039 | Leudal | 2400 |
NL3004005 | Leusveld, Voorstonden en Empensche/Tondensche heide | 714 |
NL2003028 | Lieftinghsbroek | 2164 |
NL2003029 | Lonnekermeer | 1071 |
NL9803030 | Loonse en Drunense Duinen, De Brand en de Leemkuilen | 1071 |
NL2003030 | Luistenbuul en Koekoeksche Waard | 1300 |
NL1000028 | Maasduinen | 1071 |
NL1000020 | Manteling van Walcheren | 779 |
NL2003031 | Mantingerbos | 2007 |
NL2003032 | Mantingerzand | 1071 |
NL1000027 | Mariapeel en Deurnese Peel | 400 |
NL1000013 | Meijendel en Berkheide | 800 |
NL2000008 | Meinweg | 1071 |
NL3000061 | Naardermeer | 514 |
NL3000036 | Nieuwkoopse Plassen en de Haeck | 514 |
NL2003033 | Noorbeemden | 1621 |
NL9801080 | Noordhollands Duinreservaat | 771 |
NL2003062 | Noordzeekustzone | n.v.t |
NL2003034 | Norgerholt | 2043 |
NL2003035 | Oeffeltermeent | 1300 |
NL2003063 | Olde Maten en Veerslootslanden | 514 |
NL2003036 | Oostelijke Vechtplassen | 514 |
NL1000018 | Oosterschelde | 1486 |
NL2003038 | Oudegaasterbrekken, Gouden Bodem en Fluessen | 1550 |
NL2003037 | Oude Maas | 1557 |
NL9801055 | Ossendrecht | 1071 |
NL2003039 | Polder Stein | 1536 |
NL2003040 | Polder Westzaan | 514 |
NL9803073 | Regte Heide en Riels Laag | 1071 |
NL2003041 | Rijswaard en Kil van Hurwenen | 1300 |
NL2003065 | Ringselven en Kruispeel | 1193 |
NL2003042 | Roerdal | 1300 |
NL9803006 | Rottige Meenthe en Brandemeer | 514 |
NL9803015 | Sallandse Heuvelrug | 1071 |
NL2003043 | Sarsven en de Banen | 1193 |
NL9801040 | Savelsbos | 1471 |
NL1000016 | Solleveld | 800 |
NL9801064 | Springendal en Dal van de Mosbeek | 1071 |
NL2003044 | Stelkampsveld (Beekvliet) | 1071 |
NL3004004 | St. Jansberg | 1786 |
NL9801025 | St. Pietersberg en Jekerdal | 1436 |
NL1000024 | Strabrechtse heide en Beuven | 1071 |
NL2003045 | Swalmdal | 1300 |
NL2003046 | Teeselinkven | 1071 |
NL2003047 | Ulvenhoutse Bos | 921 |
NL9801017 | Vecht- en Beneden-Regge | 1071 |
NL9801023 | Veluwe: NW (incl. enclave) | 1071 |
NL9801023 | Veluwe: NO | 1071 |
NL9801023 | Veluwe: midden | 1071 |
NL9801023 | Veluwe: ZO | 1071 |
NL9801023 | Veluwe: zoom | 1071 |
NL9801023 | Veluwe: omg Ede | 1071 |
NL2003048 | Veluwemeer-Wolderwijd | n.v.t |
NL9801049 | Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek | 729 |
NL2003049 | Vogelkreek | n.v.t |
NL4000017 | Voordelta | 1486 |
NL9803077 | Voornes Duin | 771 |
NL1000001 | Waddenzee | 771 |
NL9801013 | Weerribben | 514 |
NL9801035 | Weerterbos | 1964 |
NL1000014 | Westduinpark en Wapendal | 800 |
NL9803061 | Westerschelde | 1271 |
NL2003064 | Wieden | 514 |
NL9801018 | Wierdense veld | 1071 |
NL2003050 | Wijnjeterper Schar en Terwispeler Grootschar | 729 |
NL2003051 | Willinks Weust | 729 |
NL2003052 | Witte Veen | 1071 |
NL1000003 | Witterveld | 1071 |
NL2003053 | Wooldse Veen | 1071 |
NL2003054 | Wormer- en Jisperveld en Kalverpolder | 514 |
NL2003055 | Zeldersche Driessen | 1300 |
NL3004006 | Zouweboezem | n.v.t |
NL3004007 | Zuider Lingedijk – Diefdijk Zuid | 1557 |
NL2003056 | Zwarte Meer | 1536 |
NL1000005 | Zwarte Water | 1071 |
NL3000027 | Zwin | 1007 |
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit te Den Haag.