Ministeriële regeling · BWBR0024397
Regeling vakbekwaamheid bestuurders
Gelet op richtlijn nr. 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 juli 2003 (PbEU L 226) betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en tot intrekking van richtlijn nr. 76/914/EEG van de Raad, alsmede de artikelen 124a, vijfde lid, 151b, onderdeel a, 151f, eerste en vijfde lid, 151h en 158, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 156c, tweede lid, 156h, vierde en vijfde lid, 156i, tweede, vierde en vijfde lid, 156k, tweede lid, 156l, tweede en derde lid, 156m, tweede en derde lid, 156o, 156q, tweede, derde en zevende lid, 156s, tweede lid, 156t, derde lid, 156w, tweede lid, 156x, eerste en vijfde lid, 156y, eerste lid, onder b, en tweede lid, en 156aa, derde lid, van het Reglement rijbewijzen;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen 1 tot en met 6 en 11 tot en met 13, die ter inzage worden gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat te Den Haag.
De Minister van Verkeer en Waterstaat, C.M.P.S.EurlingsIn deze regeling wordt verstaan onder:
- a.
wet: Wegenverkeerswet 1994;
- b.
Nederlands omwisselingscertificaat: een certificaat als bedoeld in artikel 151g, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
- c.
nationaal certificaat: een certificaat als bedoeld in artikel 151c, vierde lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994;
- d.
deelcertificaat: een certificaat als bedoeld in artikel 1, onderdeel y, van het Reglement rijbewijzen;
- e.
NIWO: de Stichting Nationale en Internationale Wegvervoerorganisatie.
Als richtlijn vakbekwaamheid bestuurders, bedoeld in artikel 151b, onderdeel a, van de wet, wordt aangewezen: richtlijn nr. 2003/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 juli 2003 betreffende de vakbekwaamheid en de opleiding en nascholing van bestuurders van bepaalde voor goederen- en personenvervoer over de weg bestemde voertuigen, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad en richtlijn nr. 91/439/EEG van de Raad en tot intrekking van richtlijn nr. 76/914/EEG van de Raad (PbEU L 226).
Als exameninstantie bedoeld in artikel 151f, eerste lid, van de wet wordt het CBR aangewezen.
Het theorie-examen vakbekwaamheid voor de rijbewijscategorieën C en D bestaat uit:
- a.
een theorietoets rijbewijs en vakbekwaamheid 1 die met behulp van een meer-antwoorden-keuze toets betreffende de onderwerpen verkeer en techniek wordt afgenomen,
- b.
een theorietoets vakbekwaamheid 2 die met behulp van een meer-antwoorden-keuze toets betreffende overige zaken wordt afgenomen en
- c.
een theorietoets vakbekwaamheid 3 waarbij de aanvrager opgaven in de vorm van casestudies beantwoordt.
De duur van het theorie-examen vakbekwaamheid bedraagt ten minste 240 minuten.
Bij de theorietoets rijbewijs en vakbekwaamheid 1 voor rijbewijscategorie C en D wordt getoetst of de aanvrager grondige kennis bezit van:
- a.
de risico’s die het besturen van het motorvoertuig met zich meebrengen;
- b.
de gedragsregels die gelden bij het gebruik van de openbare weg;
- c.
de gedragsregels die gelden met betrekking tot het verlenen van voorrang en voor laten gaan;
- d.
de kenmerken en de betekenis van de verkeerstekens en aanwijzingen;
- e.
de techniek, de bediening en het onderhoud van het motorvoertuig
- f.
de inrichtings- en gebruikseisen van het motorvoertuig;
- g.
de voor het besturen van het motorvoertuig relevante bepalingen in de verkeerswetgeving.
De eisen van de in het eerste lid bedoelde toets zijn nader uitgewerkt in de als bijlage 1 bij deze regeling gevoegde Toetsmatrijs theorie-examen rijbewijs/vakbekwaamheid 1.
Bij de theorietoetsen vakbekwaamheid 2 en 3 voor rijbewijscategorie C wordt getoetst of de aanvrager grondige kennis bezit van:
- a.
de risico’s die het besturen van het motorvoertuig met zich meebrengt;
- b.
de veiligheidsaspecten bij het gebruik van het motorvoertuig;
- c.
de milieuaspecten die het gevolg zijn van het gebruik van het motorvoertuig;
- d.
de voor de beroepsuitoefening relevante bepalingen in de vervoerswetgeving;
- e.
de voor de beroepsuitoefening relevante bepalingen van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit vervoer;
- f.
de wijze waarop lading veilig vervoerd moet worden;
- g.
de veiligheidsaspecten bij de beroepsuitoefening;
- h.
de wijze waarop de beroepschauffeur kan bijdragen aan het goede imago van de door hem vertegenwoordigde branche;
- i.
de markt van het goederenvervoer.
De eisen van de in het eerste lid bedoelde toetsen zijn nader uitgewerkt in de als bijlage 2 bij deze regeling gevoegde Toetsmatrijs theorie-examen rijbewijs/vakbekwaamheid voor categorie C (R2/V2-V3).
De aanvrager die reeds beschikt over een geldig rijbewijs van de categorie C verwerft het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C door met goed gevolg de theorietoetsen vakbekwaamheid 2 en 3 voor rijbewijscategorie C af te leggen.
De aanvrager die het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D met goed gevolg heeft afgelegd, verwerft het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C door met goed gevolg de theorietoetsen vakbekwaamheid 2 en 3 voor rijbewijscategorie C af te leggen.
Bij de theorietoetsen vakbekwaamheid 2 en 3 voor rijbewijscategorie D wordt getoetst of de aanvrager grondige kennis bezit van:
- a.
de risico’s die het besturen van het motorvoertuig met zich meebrengt;
- b.
de veiligheidsaspecten bij het gebruik van het motorvoertuig;
- c.
de milieuaspecten die het gevolg zijn van het gebruik van het motorvoertuig;
- d.
de voor de beroepsuitoefening relevante bepalingen in de vervoerswetgeving;
- e.
de voor de beroepsuitoefening relevante bepalingen van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit vervoer;
- f.
de wijze waarop personen en bijbehorende lading veilig vervoerd moeten worden;
- g.
de veiligheidsaspecten bij de beroepsuitoefening;
- h.
de wijze waarop de beroepschauffeur kan bijdragen aan het goede imago van de door hem vertegenwoordigde branche;
- i.
de markt van het personenvervoer.
De eisen van de in het eerste lid bedoelde toetsen zijn nader uitgewerkt in de als bijlage 3 bij deze regeling gevoegde Toetsmatrijs theorie-examen rijbewijs/vakbekwaamheid voor categorie D (R2/V2-V3).
De aanvrager die reeds beschikt over een geldig rijbewijs van de categorie D verwerft het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D door met goed gevolg de theorietoetsen vakbekwaamheid 2 en 3 voor rijbewijscategorie D af te leggen.
De aanvrager die het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C met goed gevolg heeft afgelegd, verwerft het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D door met goed gevolg de theorietoetsen vakbekwaamheid 2 en 3 voor rijbewijscategorie D af te leggen.
Het praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorieën C, E bij C, D en E bij D bestaat uit het afleggen van:
- a.
een rijproef van ten minste 60 minuten, die geïntegreerd wordt afgelegd met het praktijkexamen voor het rijbewijs C, E bij C, D of E bij D, bedoeld in de artikelen 73, 74, 76 en 77 van het Reglement rijbewijzen;
- b.
een praktijktoets vakbekwaamheid 1, in de vorm van een praktische test van ten minste 30 minuten gericht op onder andere beroepshouding en veiligheid en
- c.
een praktijktoets vakbekwaamheid 2, in de vorm van een praktische test van ten minste 30 minuten op een besloten terrein of in een simulator gericht op de controle van het motorvoertuig.
De duur van het praktijkexamen vakbekwaamheid bedraagt ten minste 120 minuten.
Bij de praktijktoets vakbekwaamheid 1 voor rijbewijscategorie C en E bij C wordt getoetst of de aanvrager in staat is:
- a.
de veiligheidsvoorschriften toe te passen die van belang zijn bij het laden en lossen en vastzetten van lading;
- b.
criminaliteit en illegaliteit te voorkomen;
- c.
fysieke risico’s te voorkomen tijdens de werkzaamheden en het tillen, verplaatsen en vastzetten van lading;
- d.
passende maatregelen bij noodsituaties te nemen en het Europese schadeformulier in te vullen.
De eisen van de in het eerste lid bedoelde toets zijn nader uitgewerkt in de als bijlage 4 bij deze regeling gevoegde Toetsmatrijs Praktische Toets C.
De aanvrager die reeds beschikt over een geldig rijbewijs van de categorie C of E bij C verwerft het praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C door met goed gevolg de praktijktoets vakbekwaamheid 1 voor categorie C en de praktijktoets vakbekwaamheid 2 voor categorie C af te leggen.
Bij de praktijktoets vakbekwaamheid 1 voor rijbewijscategorie D en E bij D wordt getoetst of de aanvrager in staat is:
- a.
over een juiste beroepshouding te beschikken;
- b.
de veiligheidsvoorschriften toe te passen die van belang zijn bij het in- en uitladen van bagage;
- c.
criminaliteit en illegaliteit te voorkomen;
- d.
fysieke risico’s te voorkomen tijdens de werkzaamheden en tijdens het in- en uitladen van bagage;
- e.
passende maatregelen bij noodsituaties te nemen en het Europese schadeformulier in te vullen.
De eisen van de in het eerste lid bedoelde toets zijn nader uitgewerkt in de als bijlage 5 bij deze regeling gevoegde Toetsmatrijs Praktische Toets D.
Artikel 16 Eisen praktijktoets vakbekwaamheid 2 voor rijbewijscategorie C en E bij C of D en E bij D
Bij de praktijktoets vakbekwaamheid 2 voor rijbewijscategorie C en E bij C of D en E bij D wordt getoetst of de aanvrager in staat is de controle over het voertuig bij verschillende situaties te hebben.
De eisen van de in het eerste lid bedoelde toets zijn nader uitgewerkt in de als bijlage 6 bij deze regeling gevoegde Toetsmatrijs Praktische Toets Besloten Terrein/Simulator.
De aanvrager die reeds beschikt over een geldig rijbewijs van de categorie D of E bij D verwerft het praktijkexamen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D door met goed gevolg de praktijktoets vakbekwaamheid 1 voor categorie D en de praktijktoets vakbekwaamheid 2 voor categorie D af te leggen.
De aangewezen exameninstantie wijst rij-instructeurs aan tot het afnemen van praktijktoetsen ingevolge artikel 156n van het Reglement rijbewijzen door middel van het aanwijzen van een opleidingsinstituut in opdracht waarvan een rij-instructeur de praktijktoetsen afneemt.
De aanwijzing bedoeld in het eerste lid heeft een geldigheidsduur van maximaal vijf jaren.
Een bestuurder die in het bezit is van de getuigschrift van vakbekwaamheid voor binnenlands beroepsvervoer of voor grensoverschrijdend beroepsvervoer bedoeld in de Regeling erkenning getuigschrift beroepsvervoer is vrijgesteld van de theorietoetsen vakbekwaamheid 2 en 3 voor rijbewijscategorie C.
Een bestuurder die in het bezit is van het getuigschrift examen vakbekwaamheid voor het verrichten van openbaar vervoer, anders dan per trein, of besloten busvervoer bedoeld in de Regeling vakbekwaamheid beroepspersonenvervoer is vrijgesteld van de theorietoetsen vakbekwaamheid 2 en 3 voor rijbewijscategorie D.
Op het rijbewijs van een bestuurder als bedoeld in artikel 156q, zesde lid, van het Reglement rijbewijzen wordt een getuigschrift van vakbekwaamheid vermeld waarvan de einddatum gelijk is aan de geldigheidsduur van de desbetreffende rijbewijscategorie.
De bewijsstukken bedoeld in artikel 156t, derde lid, van het Reglement rijbewijzen tonen aan dat de bestuurder gedurende een bepaald aantal uren door de bevoegde autoriteit van de desbetreffende lidstaat gecertificeerde nascholing heeft gevolgd.
Een erkenning als opleidingscentrum voor het geven van een in het raamwerk, bedoeld in artikel 156s, tweede lid, van het Reglement rijbewijzen, bepaalde nascholingscursus wordt verleend door de aangewezen exameninstantie.
Om voor erkenning in aanmerking te komen voldoen de opleidingscentra aan de volgende eisen:
- a.
de aangeboden nascholingscursussen zijn door de aangewezen exameninstantie gecertificeerd overeenkomstig artikel 22;
- b.
het opleidingscentrum draagt er zorg voor dat de nascholingscursussen in een daarvoor geschikte locatie worden gegeven;
- c.
het opleidingscentrum overlegt het te gebruiken lesmateriaal;
- d.
het opleidingscentrum draagt zorg voor de actualiteit van de bij de aangewezen exameninstantie bekende gegevens;
- e.
het opleidingscentrum controleert de legitimatie van deelnemers van nascholingscursussen.
De aanvraag van een erkenning geschiedt op de door de aangewezen exameninstantie vastgestelde wijze.
Nascholingscursussen komen voor certificering in aanmerking indien is voldaan aan de volgende eisen:
- a.
het opleidingsprogramma van de cursus bevat een duidelijke beschrijving van de leerstof;
- b.
het lesprogramma en de leerstof van de cursus vormen een uitwerking van de onderwerpen genoemd in de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders;
- c.
het opleidingsprogramma bevat een overzicht van de kwalificaties van de voor die cursus in te zetten nascholingsdocenten en -instructeurs;
- d.
het opleidingsprogramma geeft voldoende inzicht in de toe te passen lesmethoden;
- e.
het opleidingsprogramma geeft voldoende inzicht in het te gebruiken lesmateriaal alsmede van de te gebruiken voertuigen en simulatoren;
- f.
de nascholingsdocenten en -instructeurs voldoen aan de eisen zoals deze per nascholingscursus zijn gedefinieerd in het raamwerk van nascholingscursussen, bedoeld in artikel 156s, tweede lid, van het Reglement rijbewijzen;
- g.
het voor de praktijklessen gebruikte wagenpark voldoet aan de eisen, gesteld in artikel 23;
- h.
de bij een nascholingscursus te gebruiken simulatoren voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 156z van het Reglement rijbewijzen.
Een certificering van een nascholingscursus heeft een geldigheidsduur van maximaal vijf jaren.
Een motorrijtuig dat gebruikt wordt voor nascholingscursussen voor rijbewijscategorie C is een voertuig als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder d, van het Reglement rijbewijzen.
Een motorrijtuig dat gebruikt wordt voor nascholingscursussen voor rijbewijscategorie D is een voertuig als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder f, van het Reglement rijbewijzen.
Met het toezicht op de naleving van artikel 156n en de paragrafen 9 en 10 van hoofdstuk VIIA van het Reglement rijbewijzen zijn belast de personen die door de aangewezen exameninstantie zijn belast met het toezicht op de erkenning van opleidingscentra en onder de verantwoordelijkheid van de aangewezen exameninstantie fungeren.
Nationale certificaten worden door de NIWO op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief afgegeven indien:
- a.
de aanvrager beschikt over een tewerkstellingsvergunning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen en
- b.
de aanvrager met bewijzen, afgegeven door de aangewezen exameninstantie, aantoont dat hij:
- i.
de basiskwalificatie heeft behaald,
- ii.
de nascholing heeft afgerond,
- iii.
op basis van artikel 156q, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen is vrijgesteld van het behalen van een getuigschrift van vakbekwaamheid dan wel
- iv.
op basis van artikel 156v, tweede lid, van het Reglement rijbewijzen is vrijgesteld van het behalen van een getuigschrift van nascholing.
- i.
Het voor de aanvraag verschuldigde tarief wordt door de NIWO vastgesteld onder goedkeuring van de Minister van Verkeer en Waterstaat.
Het nationale certificaat is slechts geldig zo lang wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder het is afgegeven; de geldigheidsduur bedraagt ten hoogste vijf jaren.
Indien de aanvrager niet beschikt over een tewerkstellingsvergunning, wordt de aanvraag niettemin toegewezen indien op grond van artikel 3, eerste lid, of artikel 4, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen geen tewerkstellingsvergunning is vereist.
De NIWO verklaart een nationaal certificaat ongeldig indien na afgifte blijkt dat:
- a.
het nationaal certificaat is afgegeven op grond van onjuiste gegevens dan wel
- b.
de aanvrager niet langer voldoet aan een of meer van de in artikel 25 genoemde vereisten.
Wijzigt de Regeling rijonderricht motorrijtuigen.
Wijzigt de Regeling coderingen beperkingen rijbevoegdheid.
Wijzigt de Regeling vaststelling modellen rijbewijzen en daarmee verband houdende formulieren.
Wijzigt de Regeling eisen theorie-examen rijbewijscategorie C.
Wijzigt de Regeling eisen theorie-examen rijbewijscategorie D.
Wijzigt de Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorieën C en E bij C.
Wijzigt de Regeling eisen praktijkexamens rijbewijscategorieën D en E bij D.
Wijzigt de Regeling bestelling, transport en beveiliging rijbewijzen.
Wijzigt de Regeling bestuurdersattest.
De aanvrager die reeds beschikt over een getuigschrift van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 2.7:2 van het Arbeidstijdenbesluit zoals dat luidde tot 10 september 2009 voor rijbewijscategorie C, verwerft het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie C door met goed gevolg de theorietoets rijbewijs en vakbekwaamheid 1 af te leggen.
De aanvrager die reeds beschikt over een getuigschrift van vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 2.7:2 van het Arbeidstijdenbesluit zoals dat luidde tot 10 september 2008 voor rijbewijscategorie D, verwerft het theorie-examen vakbekwaamheid voor rijbewijscategorie D door met goed gevolg de theorietoets rijbewijs en vakbekwaamheid 1 af te leggen.
De artikelen 1 tot en met 36 en 38 tot en met 40 treden in werking op het tijdstip waarop de artikelen I, onderdelen A, B, C, D, E, F en H, en II van de wet van 10 april 2007 houdende wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 ter implementatie van richtlijn nr. 2003/59/EG (vakbekwaamheid bestuurders) (Stb. 166) in werking treden.
Artikel 37 treedt in werking met ingang van 10 september 2009.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling vakbekwaamheid bestuurders.
Opgesteld door: | CCV |
Examenonderdeel: | Rijbewijs/Vakbekwaamheid 1 |
Code: | Nnb |
Naam: | RV1 |
Toetsvorm: | Schriftelijk |
Nummer | Eindtoetsterm | Afbakening | Taxonomie code: |
1 | De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de risico’s die het besturen van het motorvoertuig met zich meebrengt. | ||
1.1 | Kan uitleggen wat de risico’s zijn voor de bestuurder en de medeweggebruiker(s) die door de eigenschappen en de toestand van het voertuig worden veroorzaakt, en op welke wijze het gedrag van de bestuurder hierop kan worden afgestemd. | Hierbij gaat het om zaken als: – het type voertuig, afmetingen en gewichten – de mogelijke gevolgen van een onjuist gebruik of onjuiste bediening van de remmen – het effect van de centrifugaalkracht en situaties waarin deze kan optreden – de mogelijke consequenties van de wijze waarop het voertuig beladen of ingericht is (gewichtsverdeling, zwaartepunt, afmetingen, zichtbeperking) – eigen zichtbaarheid voor andere weggebruikers – het uitzwaai-effect. | B |
1.2 | Kan uitleggen welke factoren een rol spelen bij het uitoefenen van de bestuurderstaak, dit in het bijzonder in relatie tot andere weggebruikers, en de toepassing hiervan. | Het gaat hierbij om begrippen als: Taakprocessen: – scherpe en bewuste waarneming – voorspellen – evalueren – beslissen – handelen | B |
Oplettendheid: – anticiperen – verkeersinzicht – besluitvaardigheid – verwachtingspatroon | |||
Houding: – defensief rijgedrag – sociaal rijgedrag – communiceren met andere weggebruikers – menselijke beperkingen | |||
Afstand bewaren: – begrip snelheid in meters per seconde – reactietijd – remweg – stopafstand – volgafstand – ruimtekussen | |||
1.3 | Kan uitleggen welke risico’s verbonden zijn aan de aanwezigheid en het gedrag van andere verkeersdeelnemers en hoe hier rekening mee gehouden moet worden. | Zaken die hier aan de orde komen, zijn: – het (her)kennen van afzonderlijke soorten verkeersdeelnemers – de gedrags (on)mogelijkheden van deze verkeersdeelnemers – rijden in file – aangepast eigen gedrag als gevolg van ○ het gedrag van andere verkeersdeelnemers ○ beperkte gedragsmogelijkheden van andere verkeersdeelnemers ○ beperkte eigen gedragsmogelijkheden | B |
1.4 | Kan uitleggen welke risico’s er zijn als gevolg van weg-, zicht- en weersomstandigheden en hoe het gedrag hieraan aangepast moet worden. | Het gaat hierbij om risico’s bij of ten gevolge van: Wegomstandigheden: – aansluitingen van wegen – aard van het wegdek – bebakening en reflectoren – berm – bruggen en viaducten – busbaan en busstroken – doelgroepstroken – erven – obstakels – soorten wegen – snelheidsremmers – spitsstroken – spoorvorming – (tijdelijke) markering – toestand van het wegdek – tunnels – uitritten – verblijfsgebieden – verkanting – weefvakken – weginrichting – zones | B |
Zichtomstandigheden: – begroeiing – duisternis – openbare verlichting – reflectie – schaduw – schemering – zonlicht – voertuigverlichting | B | ||
Weersomstandigheden: – ijzel – mist – regen – sneeuw – vorst – wind | |||
2 | De kandidaat heeft kennis van de gedragsregels die gelden bij het gebruik van de openbare weg. | ||
2.1 | Kan de plaats op de weg en het gebruik door alle weggebruikers in het algemeen benoemen. | Met name heeft dit betrekking op: – bochten – busbaan en busstroken – doelgroepstroken – voet-/fiets-/bromfietspad – fietsstroken – in- en uitvoegstroken – kruispunten – (spoor)overwegen – rechte weggedeelten – rijstroken – rotondes – spitsstroken – voorsorteervakken | F |
2.2 | Kan de gedragsregels benoemen bij het inhalen en ingehaald worden. | Hierbij moet gedacht worden aan: – inhalen bij een voetgangersoversteekplaats (VOP) – links inhalen/ingehaald worden – rechts inhalen/ingehaald worden | F |
2.3 | Kan de gedragsregels benoemen met betrekking tot snelheid. | Het gaat hierbij om zaken als: – algemene snelheidsregel (art. 19 RVV) – maximumsnelheden binnen de bebouwde kom – maximumsnelheden buiten de bebouwde kom – toelatingssnelheid auto(snel)weg – afwijkende maximumsnelheden | F |
2.4 | Kan de gedragsregels benoemen met betrekking tot het stilstaan en parkeren. | Hierbij moet gedacht worden aan: – verbod(en) tot stilstaan – parkeerverboden – parkeerschijfzone – gehandicaptenparkeerplaats – erven | F |
2.5 | Kan de gedragsregels benoemen met betrekking tot het geven van tekens en signalen. | Zaken die hierbij aan de orde komen zijn onder andere: – richting aangeven – signalen die gegeven moeten en mogen worden ter afwending van dreigend gevaar – signalen van voorrangsvoertuigen – verbod tot het geven van signalen – gebruik van geel zwaai of knipperlicht – knipperend waarschuwingslicht/gevarendriehoek | F |
2.6 | Kan de gedragsregels benoemen met betrekking tot het gebruik van lichten. | Voornamelijk gaat het hier om: – gebruik van lichten tijdens het rijden – gebruik van lichten tijdens het stilstaan – het voeren van bijzondere lichten | F |
3 | De kandidaat heeft kennis van de gedragsregels die gelden met betrekking tot het verlenen van voorrang en het voor laten gaan. | ||
3.1 | Kan het gedrag en de gedragsregels benoemen op kruispunten. | Het gaat hierbij om zaken als: – verlenen van voorrang – blokkeren van een kruispunt – verhard/onverhard – tram – voorrangsvoertuigen | F |
3.2 | Kan het gedrag en de gedragsregels benoemen bij het afslaan. | Voornamelijk gaat het hier om: – rechtdoorgaand verkeer – links afslaan ten opzichte van rechts afslaan op hetzelfde kruispunt – tram – voorrangsvoertuigen | F |
3.3 | Kan de verkeersregels benoemen bij het voor laten gaan van het overige verkeer bij het uitvoeren van bijzondere manoeuvres en gedragingen. | Bijzondere manoeuvres als: – achteruitrijden – invoegen – keren – oprijden van een inrit – uitvoegen – verlaten van een uitrit – wegrijden – wisselen van rijstrook | F |
Gedragingen: – in en uitstappen – wegrijden van een autobus | |||
4 | De kandidaat heeft kennis van de kenmerken en de betekenis van verkeerstekens en aanwijzingen. | ||
4.1 | Kan de betekenis benoemen van aanwijzingen en kan het gedrag benoemen dat hierdoor geadviseerd, geboden of verboden wordt. | Aanwijzingen: – opsporingsambtenaren – verkeersregelaars – verkeersbrigadiers | F |
4.2 | Kan de betekenis benoemen van verkeerslichten, verkeersborden en verkeerstekens en kan het gedrag benoemen dat hierdoor geadviseerd, geboden of verboden wordt. | Verkeerslichten: – driekleurige verkeerlichten – tweekleurige verkeerslichten – voorrangsvoertuigen – militaire colonne – tram/buslichten – overweglichten – bruglichten – rijstrooklichten – geel knipperlicht | F |
Verkeersborden: – vorm en kleur van verkeerborden – onderborden – relevante plaatsingsvoorschriften – tijdelijke verkeersborden – werkingssfeer van verkeersborden – zonale verkeersborden – matrixborden | |||
Verkeerstekens op het wegdek: – as-, kant- of deelstreep – dubbele asmarkering met groene vulling – busbanen en busstroken – doorgetrokken (gele) streep – haaientanden – onderbroken (gele) streep – pijlen – stopstreep – suggestiestrook – tijdelijke verkeerstekens op het wegdek – verdrijvingsvlak – voorsorteerstrook – waarschuwingsstreep – wegreflectoren – puntstukken – fietsstrook | |||
5 | De kandidaat heeft kennis van de inrichtings- en gebruikseisen van het motorvoertuig. | ||
5.1 | Kan benoemen aan welke inrichtingseisen een motorvoertuig en een aanhangwagen moeten voldoen en welke technische aspecten van het voertuig voor de bestuurder van belang zijn voor een veilig gebruik ervan. | De permanente eisen: – voertuigafmetingen – stootbalken en zijafscherming – verlichting – spiegels en gezichtsveld – reflectie – markering | F |
De gebruikseisen: – afmeting samenstel voertuigen – afmeting in verband met belading – gewichten – stootbalken – markering – slepen | |||
6 | De kandidaat heeft kennis van de voor het besturen van het motorvoertuig relevante bepalingen in de verkeerswetgeving. | ||
6.1 | Kan de relevante bepalingen van de verkeerswetgeving benoemen. | – algemeen veiligheidsartikel (art. 5) – verlaten plaats ongeval – besturen onder invloed – rijden met ongeldig rijbewijs – ontzegging – rijden met een ingevorderd rijbewijs – rijden tijdens een schorsing – bevel medewerking ademonderzoek – kentekenplicht – keuringsplicht – vordering inzage documenten – letsel of dood door schuld | F |
– kentekenplaat – kentekenbewijs | |||
Reglement verkeersregels en verkeerstekens – Begrippen (art. 1) | |||
6.2 | Kan de wettelijke bepalingen benoemen die betrekking hebben op de rijbevoegdheid, aansprakelijkheid en verzekeringen. | Hierbij moet gedacht worden aan zaken als: – begrippen reglement rijbewijzen – bevoegdheden opsporingsambtenaar ten aanzien van document – geldigheidsduur rijbewijs – invordering en inhouding rijbewijs – minimumleeftijd voor het besturen van motorrijtuigen – rijbewijsbeperkingen – rijbewijscategorieën – rijbewijsplicht – rijverbod | F |
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen: verplichte verzekering. | |||
Aansprakelijkheid t.o.v. zwakkere verkeersdeelnemers. | |||
7 | De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de functie en werking van de motor, het brandstofsysteem en het koelsysteem. | ||
7.1 | Kan de onderdelen van de vierslag dieselmotor benoemen. | De onderdelen aanwijzen: – motorblok – cilinderkop met kleppen – zuiger met zuigerveren – drijfstang – krukas – vliegwiel met starterkrans – nokkenas – distributie (tandwielen) – kleppendeksel – krukaspoelie | F |
7.2 | Kan de constructie en werking van de vierslag dieselmotor uitleggen. | Het dieselprincipe kunnen uitleggen. De functie uitleggen van: – luchtinlaat en filter – turbo – intercooler. | B |
7.3 | Kan de onderdelen van het motorsmeersysteem benoemen. | De onderdelen van de druksmering: – oliepomp – zeef – warmtewisselaar – oliefilter – carter – oliepeilstok | F |
7.4 | Kan de onderdelen van het brandstofsysteem benoemen. | De onderdelen van het brandstofsysteem: – brandstoftank – aanzuigzeef – filter (s) – waterafscheider – opvoerpomp – leidingen – de inspuitsystemen | F |
7.5 | Kan de constructie en werking van het brandstofsysteem uitleggen. | De werking van het brandstofsysteem. | B |
De functie van de elektronische regeleenheid. | |||
Cruisecontrol. | |||
Snelheidsbegrenzer. | |||
7.6 | Kan optimaal gebruik van de krachtoverbrenging van het voertuig uitleggen. | Prestatiediagram met: – koppel – vermogen – specifiek brandstofverbruik – optimaal gebruik toerenteller – overbrengingsverhoudingen | B |
8 | De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de functie en werking van de koeling en smering. | ||
8.1 | Kan de onderdelen van het centrale smeersysteem benoemen. | De onderdelen van het centrale smeersysteem: – reservoir – smeerpomp – leiding – doseurs – tijdklok/afstandimpuls | F |
8.2 | Kan de functie van het centrale smeersysteem uitleggen. | De functie: bewegende onderdelen van vet voorzien. | B |
Aandachtspunt: de oorzaken van vetverlies. | |||
8.3 | Kan de functie en kenmerken van motorolie benoemen. | De functie: – koeling – geluid dempen – reiniging – afdichten – smeren | F |
De kenmerken van: – viscositeit – kwaliteit | |||
8.4 | Kan de functie van het motorsmeersysteem uitleggen en bepalen welke soort motorolie gebruikt moet worden. | De functie uitleggen van: – oliepomp – warmtewisselaar – oliefilter – oliepeilstok | B |
De functie: koeling en voorkoming van metaalcontact. | |||
Bepalen motorolie: aan de hand van het instructieboek. | |||
8.5 | Kan de functie van het koelsysteem, koelvloeistof en ruitensproeiervloeistof en de onderdelen daarvan benoemen. | Onderdelen van het koelsysteem: – radiateur – thermostaat – koelvloeistofpomp – ventilator – warmtewisselaar – expansievat – overdrukdop | F |
Functie systeem: beheersen van bedrijfstemperatuur. | |||
Functie koelvloeistof: warmtetransport. | |||
Ruitensproeiervloeistof: – reinigen – bevriezing tegengaan. | |||
9 | De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de functie en werking van de remmen. | ||
9.1 | Kan de soorten reminrichtingen en de onderdelen daarvan benoemen. | Soorten remmen en principewerking: – trommelremmen – schijfremmen | F |
Reminrichtingen: – bedrijfsrem – parkeerrem – noodrem en/of hulprem – volgwagenberemming | |||
Hulpremsystemen – retarder – motorrem | |||
Onderdelen van het luchtdrukremsysteem: – compressor – luchtdroger – voorraadketels – voorraadleiding volgwagen – commandoleiding volgwagen – rangeerventiel – ALR (Automatische Lastafhankelijke Regelventiel) – remsteller | |||
9.2 | Kan de constructie en werking van de reminrichtingen en de functie van de extra voorzieningen aan het remsysteem uitleggen. | Remwerking en principewerking: – luchtdrukmechanisch – elektronisch – mechanisch | B |
Extra voorzieningen: ABS (Anti Blokkeer Systeem); ASR (Aandrijf Slip Regeling); EBS (Electronic Brake Support); ESP (Electronisch Stabiliteits Programma). | |||
Veel voorkomende storingen. | |||
9.3 | Kan uitleggen op welke wijze de reminrichting bediend moet worden teneinde het voertuig onder controle te houden, de slijtage te beperken en disfuncties te voorkomen. | Remsystemen en retarders: – grenzen aan het gebruik hiervan – gecombineerd gebruik van rem en retarder. | B |
Benutting van de traagheid van het voertuig. | |||
Benutting van de mogelijkheden tot vertraging en remmen bij afdalingen. | |||
Wat te doen in geval van defecte remmen. | |||
10 | De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de functie en werking van de aandrijving, veersystemen en banden. | ||
10.1 | Kan de onderdelen van de koppeling, versnellingsbak en aandrijflijn benoemen. | De onderdelen: – drukgroep – versnellingsbak – aandrijfas – pignonwiel en kroonwiel – differentieel – steekassen – differentieelslot – kruiskoppelingen | F |
10.2 | Kan de constructie en werking van de koppeling, versnellingsbak en aandrijflijn uitleggen. | – Koppelingsmechanisme – Versnellingsbak – Aandrijfassen – Differentieel – Pignonwiel en kroonwiel | B |
Maatregelen bij slepen voertuig. | |||
10.3 | Kan de verschillende soorten banden en de daarbij behorende kenmerken noemen. | – diagonaalband – radiaalband – tubelessband – super single | F |
10.4 | Kan de aandachtspunten bij het wisselen van wielen en bij het gebruik en onderhoud van banden noemen. | Aandachtspunten bij het wisselen van wielen: Volgorde van handelingen Veiligheidsmaatregelen Kenmerken van velgen Bout en naafcentrering Bandenmaat Type band Natrekken | F |
Aandachtpunten bij het gebruik en onderhoud van banden: Bandenspanning Rijstijl Belading Onbalans van de wielen Oorzaken ongelijkmatige slijtage o.a. schokdempers Dagelijkse controle: – beschadigingen – wielmoeren – slijtage Dubbellucht | |||
10.5 | Kan de soorten, onderdelen en gebruik van de veersystemen en wielophanging benoemen. | Soorten veersystemen: – bladvering – luchtvering | F |
Hoogteregeling: – bij laden en lossen – bij aan- en afkoppelen. | |||
Functie van de schokdempers. | |||
Functie van de hefassen. | |||
10.6 | Kan de constructie en werking van de stuurinrichting, veersystemen en wielophanging uitleggen. | Stuurinrichting. | B |
Veersystemen. | |||
Wielophanging. | |||
Veel voorkomende defecten. | |||
10.7 | Kan de soorten koppelmechanismen en de aandachtspunten daarvan benoemen. | Soorten koppelmechanismen: – vangmuilkoppeling – koppelschotel | F |
Aandachtspunten voor de chauffeur: – vergrendeling – borging. | |||
11 | De kandidaat heeft kennis van en inzicht in het onderhoud, de controle, de storingen en het elektrische systeem. | ||
11.1 | Kan de onderdelen/componenten van het elektrische systeem herkennen en de aandachtspunten van veel voorkomende storingen benoemen. | – accu – dynamo – zekeringen – startmotor – verlichting – richtingaanwijzers – verbinding tussen motorvoertuig en volgwagen | F |
Aandachtspunten voor de chauffeur. | |||
Veel voorkomende storingen. | |||
11.2 | Kan het belang van preventief onderhoud benoemen. | Voorkoming van onnodige stilstand. | F |
Voorkoming van onnodige kosten. | |||
Verhoogde bedrijfszekerheid. | |||
Bevorderen van de verkeersveiligheid. | |||
Lagere milieubelasting realiseren. | |||
11.3 | Kan uitleggen waaruit de voertuigcontrole voor, tijdens en na de rit bestaat. | Conform algemene instructies die in de instructieboekjes voorkomen. | B |
11.4 | Kan, gegeven een situatie, defecten herkennen en de daarbij horende maatregelen benoemen. | Waarschuwingssymbolen en de te nemen maatregelen: – oliedruk – cabinevergrendeling – luchtdruk – EBS-remsysteem – koelwaterniveau – koelwatertemperatuur – dynamospanning – olieniveau – stuurbekrachtiging – motorstoring – centrale smering | F |
Aandachtspunten bij het kantelen van de cabine. |
- 1.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de risico’s die het besturen van het motorvoertuig met zich meebrengt.
- 2.
De kandidaat heeft kennis van de gedragsregels die gelden bij het gebruik van de openbare weg.
- 3.
De kandidaat heeft kennis van de gedragsregels die gelden met betrekking tot het verlenen van voorrang en het voor laten gaan.
- 4.
De kandidaat heeft kennis van de kenmerken en de betekenis van verkeerstekens en aanwijzingen.
- 5.
De kandidaat heeft kennis van de inrichtings- en gebruikseisen van het motorvoertuig.
- 6.
De kandidaat heeft kennis van de voor het besturen van het motorvoertuig relevante bepalingen in de verkeerswetgeving.
- 7.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de functie en werking van de motor, het brandstofsysteem en het koelsysteem.
- 8.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de functie en werking van de koeling en smering.
- 9.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de functie en werking van de remmen.
- 10.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de functie en werking van de aandrijving, veersystemen en banden.
- 11.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in het onderhoud, de controle, de storingen en het elektrische systeem.
De onderwerpen die in deze toetsmatrijs voorkomen, hebben met name betrekking op het gebruik van zowel de autobus als de vrachtauto.
- 1.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de risico’s die het besturen van het motorvoertuig met zich meebrengen.
- 2.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de veiligheidsaspecten bij het gebruik van het motorvoertuig.
- 3.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de milieuaspecten die het gevolg zijn van het gebruik van het motorvoertuig.
- 4.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de voor de beroepsuitoefening relevante bepalingen in de vervoerswetgeving.
- 5.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de voor de beroepsuitoefening relevante bepalingen van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit vervoer.
- 6.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de wijze waarop lading veilig vervoerd moet worden.
- 7.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de veiligheidsaspecten bij de beroepsuitoefening.
- 8.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de wijze waarop de beroepschauffeur kan bijdragen aan het goede imago van de door hem vertegenwoordigende branche.
- 9.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de markt van het goederenvervoer.
In de kolom ‘R2’ staan met ‘**’ de toetstermen aangeduid die betrekking hebben op het examen Rijbewijs 2 voor categorie C.
De vermelde taxonomiecode heeft betrekking op het beheersingsniveau van de examens Rijbewijs 2 en Vakbekwaamheid 2. Voor het examen Vakbekwaamheid 3 is geen taxonomiecode vermeld.
- 1.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de risico’s die het besturen van het motorvoertuig met zich meebrengen.
- 2.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de veiligheidsaspecten bij het gebruik van het motorvoertuig.
- 3.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de milieuaspecten die het gevolg zijn van het gebruik van het motorvoertuig.
- 4.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de voor de beroepsuitoefening relevante bepalingen in de vervoerswetgeving.
- 5.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de voor de beroepsuitoefening relevante bepalingen van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit vervoer.
- 6.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de wijze waarop personen en bijbehorende lading veilig vervoerd moeten worden.
- 7.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de veiligheidsaspecten bij de beroepsuitoefening.
- 8.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de wijze waarop de beroepschauffeur kan bijdragen aan het goede imago van de door hem vertegenwoordigende branche.
- 9.
De kandidaat heeft kennis van en inzicht in de markt van het personenvervoer.
In de kolom ‘R2’ staan met ‘**’ de toetstermen aangeduid die betrekking hebben op het examen Rijbewijs 2 voor categorie D.
De vermelde taxonomiecode heeft betrekking op het beheersingsniveau van de examens Rijbewijs 2 en Vakbekwaamheid 2. Voor het examen Vakbekwaamheid 3 is geen taxonomiecode vermeld.
Opgesteld door: | CCV |
Examenonderdeel | Praktische Toets C |
Code: | Nnb |
Naam: | Praktische Toets C |
Toetsvorm: | Praktische Toets afgenomen door opleider |
Eindtermen/toetstermen: | Afbakening: | Taxonomie code: | |
Lading (1.4 richtlijn 2003/59/EG) | |||
1.1 | Laden en lossen en vastzetten van lading | De kandidaat is in staat om de veiligheidsvoorzieningen aan te wijzen en te bedienen. | F/R |
De kandidaat is in staat om de veiligheidsvoorschriften toe te passen die van belang zijn bij het laden en lossen van de lading: – goed vastzetten van de lading binnen de voornaamste categorieën (ijzer, hout, rolcontainers, pallets en); – afdekken van los gestorte goederen – controle van de vastzetinrichtingen; – juiste verdeling van de belasting over de assen; – juiste verdeling van de belasting om de stabiliteit van de vrachtauto te borgen (rekening houdend met het zwaartepunt). | |||
De kandidaat is in staat om in relatie tot de te vervoeren lading: – een juiste keuze te maken voor klem- en vastzettechnieken (sjorringen, klemstangen, kettingen, rekken, antislipmatten, sjorbanden); – een juiste keuze te maken voor laad- en losmachines (laadklep en pompwagen). | |||
Criminaliteit en illegaliteit (3.2 richtlijn 2003/59/EG) | |||
2.1 | Voorkomen van criminaliteit en illegaliteit | De kandidaat is in staat de maatregelen (checklist) te noemen waarmee criminaliteit en illegaliteit aan de vrachtauto/lading kan worden voorkomen: – vrachtauto goed op slot; – keuze parkeerplaats (verlichte plek, bij anderen parkeren, parkeerplek met toezicht); – het al dan niet verlaten van de vrachtauto is afhankelijk van het parkeermoment/de parkeerplek; – voorkomen dat derden bij de lading kunnen komen; – verzegeling controleren; – voor het wegrijden de vrachtauto rondom checken: rondom, onder de vrachtauto, verzegeling controleren, andere potentiële verstopplekken en indien mogelijk, de lading; – zorg dragen voor persoonlijke-, lading- en voertuigdocumenten; – niet met derden praten over de samenstelling van de lading. | F |
Fysieke risico’s (3.3 richtlijn 2003/59/EG) | |||
3.1 | Voorkomen van fysieke risico’s | De kandidaat is in staat om maatregelen te nemen waarmee fysieke risico’s tijdens de werkzaamheden worden beperkt: – juiste manier van in- en uitstappen en betreden van de laadruimte; – juiste zithouding door afstellen van stoel en spiegels; – oefeningen tijdens het rijden. | F/R |
3.2 | Voorkomen van fysieke risico’s tijdens tillen, verplaatsen en vastzetten van de lading | De kandidaat is in staat om de maatregelen toe te passen waarmee fysieke risico’s tijdens tillen/goederenbehandeling worden beperkt: – tillen met rechte rug; – tijdens het tillen/vastzetten van de lading door de knieën buigen; – gebruik maken van tilhulpmiddelen; – gebruik persoonlijke beschermingsmiddelen. | R |
Noodsituaties (3.5 richtlijn 2003/59/EG) | |||
4.1 | Invullen Europees schadeformulier | De kandidaat is in staat het Europese schadeformulier correct in te vullen: – plaats, datum en tijdstip van de aanrijding; – persoonlijke gegevens van de betrokken partijen; – gegevens van het andere voertuig; – getuigen; – situatieschets; – handtekening van de betrokken partijen; van toepassing zijnde kruisjes (bij elkaar optellen). | R |
De kandidaat is in staat aan te geven dat het Europese schadeformulier uniform is in heel Europa (ongeacht de taal). | |||
4.2 | Maatregelen bij noodsituaties | Inschatting van de situatie, erger voorkomen, hulpdiensten waarschuwen, hulp verlenen aan gewonden en eerstehulpverlening, optreden bij brand, inzittenden van de vrachtwagen redden, de veiligheid van alle passagiers waarborgen, reactie in geval van agressie, omgaan met gladheid, omleggen van sneeuwkettingen, omgaan met storingen. | F/R |
De precieze invulling van de Praktische toets D is uitgewerkt in de scenario’s.
De scenario’s vindt u op de website www.ccvexamenhuis.nl.
Opgesteld door: | CCV |
Examenonderdeel | Praktische Toets D |
Code: | Nnb |
Naam: | Praktische Toets D |
Toetsvorm: | Praktische Toets afgenomen door opleider |
Eindtermen/toetstermen: | Afbakening: | Taxonomie code: | |
Beroepshouding (1.5 richtlijn 2003/59/EG) | |||
1.1 | Beroepshouding | De kandidaat treft de juiste voorbereidingen voor de rit; hij beschikt over een juiste beroepshouding en hij kan de toepassing van verschillende documenten omschrijven. | R |
De kandidaat is tijdens de interactie met passagiers in staat een net en beleefd taalgebruik te bezigen | |||
1.2 | Reageren op wensen, behoeften en gedragingen van passagiers | De kandidaat laat door een adequate reactie zien dat hij kan inspelen op de specifieke wensen, behoeften en gedragingen van verschillende soorten passagiers (kinderen, gehandicapten) aan de hand van voorbeeldsituaties die worden aangedragen. | R |
De kandidaat kan de veiligheids- en comfortvoorzieningen bedienen en controleren. | |||
Veiligheid (1.6 richtlijn 2003/59/EG) | |||
2.1 | Veilig vervoeren van bagage | De kandidaat is in staat om de veiligheidsvoorschriften toe te passen die van belang zijn bij het in- en uitladen van bagage: – juiste verdeling van de bagage over de assen; – vastzetten van de bagage om schuiven te voorkomen; – juist verdeling van de bagage om de stabiliteit van de bus te borgen (rekening houdend met het zwaartepunt). | R |
Criminaliteit en illegaliteit (3.2 richtlijn 2003/59/EG) | |||
3.1 | Voorkomen van criminaliteit en illegaliteit | De kandidaat is in staat de maatregelen (checklist) te noemen waarmee criminaliteit en illegaliteit aan de bus kan worden voorkomen: – bus goed op slot; – keuze parkeerplaats (verlichte plek, bij anderen parkeren, parkeerplek met toezicht); – het al dan niet verlaten van de bus is afhankelijk van het parkeermoment/de parkeerplek; – voor het wegrijden de bus checken: rondom, onder de bus, andere potentiële verstopplekken; – zorg dragen voor persoonlijke en voertuigdocumenten. | F |
Fysieke risico’s (3.3 richtlijn 2003/59/EG) | |||
4.1 | Voorkomen van fysieke risico’s tijdens in- en uitladen van bagage | De kandidaat is in staat om de maatregelen toe te passen waarmee fysieke risico’s tijdens in- en uitladen van bagage worden beperkt: – tillen met rechte rug; – tijdens het tillen van de bagage door de knieën buigen; – gebruik maken van tilhulpmiddelen; – gebruik persoonlijke beschermingsmiddelen. | R |
Noodsituaties (3.5 richtlijn 2003/59/EG) | |||
5.1 | Invullen Europees schadeformulier | De kandidaat is in staat het Europese schadeformulier in te vullen: – plaats, datum en tijdstip van de aanrijding; – persoonlijke gegevens van de betrokken partijen; – gegevens van het andere voertuig; – getuigen; – situatieschets; – handtekening van de betrokken partijen; – van toepassing zijnde kruisjes (bij elkaar optellen). | R |
De kandidaat is in staat aan te geven dat het Europese schadeformulier uniform is in heel Europa (ongeacht de taal). | |||
5.2 | Maatregelen bij noodsituaties | Inschatting van de situatie, erger voorkomen, hulpdiensten waarschuwen, hulp verlenen aan gewonden en eerstehulpverlening, optreden bij brand, passagiers van de bus redden, de veiligheid van alle passagiers waarborgen, reactie in geval van agressie, omgaan met gladheid, omleggen van sneeuwkettingen, omgaan met storingen. | F/R |
De precieze invulling van de Praktische toets D is uitgewerkt in de scenario’s.
De scenario’s vindt u op de website www.ccvexamenhuis.nl.
Opgesteld door: | CCV |
Examenonderdeel | Praktische Toets Besloten Terrein/Simulator |
Code: | Nnb |
Naam: | Praktische Toets Besloten Terrein/Simulator |
Toetsvorm: | Praktische Toets afgenomen door opleider |
Eindtermen/toetstermen: | Afbakening: | Taxonomie code: | |
2000/59/EG, deel 2 paragraaf 2.2 | |||
Controle over het voertuig onder verschillende (weers)omstandigheden | |||
1.1 | Controle over het voertuig | De kandidaat is in staat aan te tonen het voertuig in verschillende situaties onder controle te hebben: – vooruit en achteruit manoeuvreren volgens aangegeven parcours; – parkeren op aangewezen plek; – bochten rijden met verschillende bochtstralen. | P |
1.2 | Controle over het voertuig onder verschillende (weers)omstandigheden | De kandidaat is in staat aan te tonen het voertuig in verschillende situaties (zie eindterm 1.1) onder verschillende (weers)omstandigheden onder controle te hebben: – stroef wegdek; – glad wegdek. | P |