Ministeriële regeling · BWBR0024549
Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009
Gelet op de artikelen 2, 4 en 7 van de Kaderwet LNV-subsidies, de artikelen 3 en 4 van het Reglement zee- en kustvisserij en de artikelen 1:3, 1:7, 1:8, 1:13, 1:15, 1:16 en 1:17 van de Regeling LNV-subsidies;
Besluit:
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G.VerburgIn dit besluit wordt verstaan onder:
- –
regeling: Regeling LNV-subsidies;
- –
verordening (EG) nr. 2200/96: verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sectoren groenten en fruit (PbEG L 297);
- –
verordening (EG) nr. 1782/2003: verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001.
De subsidies, bedoeld in artikel 1:20 van de regeling, zijn de subsidies bedoeld in de volgende titels van hoofdstuk 2 van dit besluit:
- –
- –
titel 4, met uitzondering van subsidies genoemd in paragraaf 1;
- –
titel 5, met uitzondering van subsidies genoemd in paragraaf 1 en 5;
- –
Aanvragen tot subsidieverlening voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door:
- a.
landbouwondernemingen die overwegen om te schakelen naar de biologische productiemethode, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode, die in omschakeling zijn of die reeds omgeschakeld zijn naar die biologische productiemethode;
- b.
landbouwondernemingen werkzaam in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, paarden-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenen-, of konijnenhouderij.
De aanvragen worden ingediend:
- a.
voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, in de periode van 2 januari tot en met 30 november 2009;
- b.
voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, in de periode van 1 april tot en met 15 mei 2009.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, kunnen uitsluitend worden ingediend voor de in artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, b, c, d en g, van de regeling genoemde typen bedrijfsconsulten of de in het derde lid van dat artikel genoemde opleidingen, trainingen of voorlichtingsbijeenkomsten, en uitsluitend voor zover deze activiteiten betrekking hebben op:
- a.
de bedrijfseconomische gevolgen van de omschakeling naar, aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode;
- b.
de markt- en afzetperspectieven voor de ondernemer bij omschakeling naar, de aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode;
- c.
de implementatie van de regelgeving voor de biologische productiemethode in de bedrijfsvoering;
- d.
de aanpassingen in het bedrijfssysteem ten behoeve van de biologische productiemethode;
- e.
de financieringsmogelijkheden van de voor omschakeling naar, de aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode benodigde investeringen;
- f.
het verwerven van technische kennis en vaardigheden van de biologische productiemethode, of
- g.
het verwerven van kennis en vaardigheden voor het uitoefenen van een of meer andere activiteiten dan de primaire agrarische activiteit, met dien verstande dat de aanvrager de primaire agrarische activiteit blijft voortzetten.
In afwijking van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, kunnen geen aanvragen worden ingediend door landbouwondernemingen die lid zijn van een erkende telersvereniging als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96, tenzij door desbetreffende ondernemingen wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening voor kosten die uit hoofde van artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, b, c, d en g, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, kunnen, voor zover deze betrekking hebben op de uitvoering van bedrijfsconsulten, uitsluitend worden ingediend voor de in artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, b, c, d en g, van de regeling genoemde typen bedrijfsconsulten.
Onverminderd artikel 3 kunnen aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, onderdeel b, van de regeling worden ingediend door landbouwondernemingen voor zover die activiteiten betrekking hebben op het voldoen aan beheerseisen en bepalingen inzake goede landbouw- en milieucondities als bedoeld in artikel 3 en 6 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, kan slechts worden ingediend voor zover de activiteit door ten minste 8 en ten hoogste 20 personen werkzaam op een landbouwonderneming wordt gevolgd of bijgewoond.
Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid kan slechts door één van de aan de bijeenkomst deelnemende ondernemingen worden ingediend in de periode van 1 april 2009 tot en met 31 augustus 2009.
Bij de rangschikking van de aanvragen, bedoeld in het eerste lid, wordt, voor zover van toepassing, voorrang gegeven aan landbouwondernemingen die tevens in 2008 een aanvraag hebben ingediend die vanwege overschrijding van het subsidieplafond van dat jaar is afgewezen.
Per landbouwonderneming kan slechts één aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel a of b, of artikel 6, eerste lid.
Er worden geen voorschotten verleend.
De subsidie bedraagt 50% van de totale kosten van het bedrijfsconsult, training of opleiding, met dien verstande dat de subsidie per dagdeel ten hoogste € 250 bedraagt en de subsidie in totaal ten hoogste € 1500 bedraagt.
De aanvraag tot subsidievaststelling voor subsidies als bedoeld in artikel 6, eerste lid, bevat de namen van de deelnemende ondernemingen.
Het subsidieplafond bedraagt:
- a.
€ 500.000 voor aanvragen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a;
- b.
€ 1.600.000 voor aanvragen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b;
- c.
€ 275.000 voor aanvragen als bedoeld in artikel 6, eerste lid.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, van de regeling kunnen in de periode van 1 april tot en met 15 mei 2009 worden ingediend door landbouwondernemingen die rechtstreekse betalingen uit hoofde van verordening (EG) nr. 1782/2003 ontvangen.
Onder beheerseisen en minimumeisen als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, wordt verstaan: beheerseisen en bepalingen inzake goede landbouw- en milieucondities als bedoeld in artikel 3 en 6 van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.
De aanvragen kunnen uitsluitend betrekking hebben op adviezen als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de regeling.
Er worden geen voorschotten verleend.
De subsidie bedraagt 50% van de kosten van een bedrijfsadvies, met dien verstande dat de subsidie ten minste € 250 bedraagt.
Het subsidieplafond bedraagt € 1.000.000.
Aanvragen tot subsidieverlening voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen die werkzaam zijn in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, paarden-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij.
De aanvragen kunnen uitsluitend worden ingediend voor projecten als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, onderdeel b, van de regeling en welke een duur hebben van ten hoogste twee jaar.
De aanvragen tot subsidieverlening worden ingediend in de periode van 15 september tot en met 30 oktober 2009.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 15, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate:
- a.
het gekozen thema en de gekozen aanpak inhoudelijk meer vernieuwend zijn;
- b.
de gekozen aanpak procesmatig meer perspectief biedt;
- c.
het aangetoonde gezamenlijke belang van de deelnemers groter is;
- d.
de kennis en ervaring effectiever worden verspreid, of
- e.
het netwerk breder is samengesteld.
De subsidie bedraagt 80 % van de subsidiabele kosten met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 25.000 bedraagt.
Het subsidieplafond bedraagt € 1.000.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:14, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend voor projecten die betrekking hebben op het thema biologische landbouw als bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, onderdeel a, van de regeling, en voor zover de projecten gericht zijn op de verduurzaming en vermaatschappelijking van de biologische landbouw of op het leggen van verbindingen met de gangbare landbouw.
De aanvragen kunnen tevens worden ingediend voor projecten die:
- a.
betrekking hebben op het in artikel 2:15, eerste lid, onderdeel g, van de regeling genoemde thema;
- b.
betrekking hebben op alle in artikel 2:15, eerste lid, van de regeling genoemde thema’s.
De aanvragen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kunnen uitsluitend worden ingediend door:
- a.
landbouwondernemingen werkzaam in de bloembollen- of paddestoelenteelt of de glastuinbouw of samenwerkingverbanden van de hiervoor genoemde ondernemingen;
- b.
samenwerkingsverbanden van ten minste één landbouwonderneming als bedoeld in onderdeel a met in artikel 2:14, tweede lid, van de regeling genoemde ondernemingen of instanties.
De aanvragen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, kunnen uitsluitend worden ingediend door:
- a.
landbouwondernemingen werkzaam in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, paarden-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij;
- b.
samenwerkingsverbanden van ten minste één landbouwonderneming als bedoeld in onderdeel a met in artikel 2:14, tweede lid, van de regeling genoemde ondernemingen of instanties.
De aanvragen kunnen worden ingediend:
- a.
in de periode van 2 november tot en met 15 december 2009 voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 19, eerste lid;
- b.
in de periode van 2 november tot en met 15 december 2009 voor zover het aanvragen betreft als bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdelen a en b.
In aanvulling op artikel 2:16 van de regeling wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 19, eerste lid, hoger gerangschikt naarmate het project meer aansluit op de doelstellingen verwoord in de Beleidsnota biologische landbouwketen 2008–2011 of de ambitie- en innovatieagenda van de biologische sector.
In aanvulling op artikel 2:16 van de regeling wordt een aanvraag als bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, hoger gerangschikt naarmate:
- a.
het project in potentie tot een grotere energiebesparing leidt;
- b.
de energiebesparing toepasbaar is op een groter aantal bedrijven of een groter aantal hectares;
- c.
voor zover het een project betreft aangevraagd door een glastuinbouwonderneming, het project relevant is voor meerdere gewassen of gewasgroepen, of
- d.
het project beter aansluit bij de doelstellingen van het werkprogramma Kas als Energiebron.
Aanvragen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel b, hebben een groter draagvlak als bedoeld in artikel 2:16, onderdeel a, onder 3°, van de regeling naarmate het project:
- a.
meer aansluit bij de programmalijnen van de sectorale innovatieagenda’s, of
- b.
meer aansluit bij de doelstellingen van de integraal duurzame en diervriendelijke stal of het houderijsysteem.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, en artikel 19, tweede lid, advies uit in de vorm van een rangschikking.
De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten.
Het subsidieplafond bedraagt:
€ 500.000 voor projecten als bedoeld in artikel 19, eerste lid;
voor projecten als bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel a, € 103.000 voor zover het projecten betreft die worden aangevraagd door ondernemingen werkzaam in de bloembollen of paddestoelenteelt en € 849.000 voor projecten aangevraagd voor ondernemingen werkzaam in de glastuinbouw;
€ 1.500.000 voor projecten als bedoeld in artikel 19, tweede lid, onderdeel b.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een innovatieproject als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 februari tot en met 27 februari 2009 door landbouwondernemingen werkzaam in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, paarden-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij, of door samenwerkingsverbanden van deze ondernemingen.
Aanvragen als bedoeld in artikel 25 hebben meer innovatief karakter als bedoeld in artikel 2:28, onderdeel a, van de regeling naarmate het project:
- a.
meer aansluit bij de programmalijnen van de desbetreffende sectorale innovatieagenda’s, of
- b.
een meer duurzaam karakter heeft.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 25, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
Het subsidieplafond bedraagt € 2.000.000.
Per landbouwonderneming kan slechts een aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, paarden-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen tevens worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de bijenhouderij, glastuinbouw, paddestoelenteelt, akkerbouw, opengrondstuinbouw of teelt van plantaardig uitgangsmateriaal.
De aanvragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 juni tot met 15 juli 2009.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 29, eerste en tweede lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
Projecten als bedoeld in artikel 29, eerste en tweede lid, hebben een meer innovatief karakter als bedoeld in artikel 2:33, onderdeel a, van de regeling naarmate het project meer aansluit bij de programmalijnen van de desbetreffende sectorale innovatieagenda’s.
Projecten als bedoeld in artikel 29, eerste lid, hebben een meer duurzaam karakter als bedoeld in artikel 2:33, onderdeel d, van de regeling naarmate het project meer aansluit bij de doelstellingen van de integraal duurzame en diervriendelijke stal of het houderijsysteem.
Per samenwerkingsverband kan slechts een aanvraag worden ingediend.
De subsidie bedraagt 35% van de subsidieabele kosten en ten hoogste € 500.000 voor het innovatieproject, met dien verstande dat voor kosten als bedoeld in artikel 2:35, eerste lid, onderdelen c en h, van de regeling de subsidie ten hoogste € 400.000 bedraagt.
Het subsidieplafond bedraagt:
- a.
voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, € 3.250.000;
- b.
voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 29, tweede lid, € 3.750.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in:
- a.
een eerste energiescherm als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 1, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 1, onderdeel B, van de regeling;
- b.
een tweede energiescherm als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 2, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 2, onderdeel B, van de regeling;
- c.
een klimaatcomputer als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 3, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 3, onderdeel B, van de regeling;
- d.
een kasdek met antireflectie als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 4, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 4, onderdeel B, van de regeling;
- e.
een warmtebuffersysteem als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 5, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 5, onderdeel B, van de regeling;
- f.
energieclusters als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 7, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 7, onderdeel B, van de regeling;
- g.
een hogedruk vernevelingssysteem ten behoeve van kaskoeling als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 8, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door energie-extensieve glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 8, onderdeel B, van de regeling;
- h.
een gevelscherm als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 9, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 9, onderdeel B, van de regeling, of
- i.
ventilatoren of lucht-luchtwamtewisselaars als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 10, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door energie-extensieve en energie-intensieve glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 10, onderdeel B, van de regeling.
De aanvragen worden ingediend in de periode van 1 april tot en met 15 mei 2009.
De Minister rangschikt de aanvragen overeenkomstig artikel 1:6 van de regeling.
Er worden geen voorschotten verleend.
De subsidie voor de in artikel 34, eerste lid, bedoelde investeringen wordt vastgesteld overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in bijlage 1 bij dit besluit met betrekking tot de daarin onderscheiden landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden.
De volledige aanvraag tot subsidievaststelling wordt uiterlijk 1 jaar na subsidieverlening ingediend.
Het subsidieplafond bedraagt € 5.100.000.
Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in energieinnovaties als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel a, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde energieinnovatie op grond van de Tijdelijke energieregeling markt en innovatie worden gesubsidieerd.
De aanvragen kunnen worden ingediend:
- a.
in de periode van 2 februari tot en met 13 maart 2009, of
- b.
in de periode van 15 september tot en met 30 oktober 2009.
De subsidie voor de in artikel 38, eerste lid, bedoelde investeringen bedraagt 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 1.500.000.
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 38, eerste lid, bedraagt:
- a.
€ 14.480.000 voor aanvragen als bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdeel a;
- b.
€ 4.000.000 voor aanvragen als bedoeld in artikel 38, tweede lid, onderdeel b.
Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in energieinnovaties als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel b, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde energieinnovatie op grond van de Tijdelijke energieregeling markt en innovatie worden gesubsidieerd.
De aanvragen kunnen worden ingediend:
- a.
in de periode van 2 februari tot en met 13 maart 2009, of
- b.
in de periode van 15 september tot en met 30 oktober 2009.
De subsidie voor de in artikel 41, eerste lid, bedoelde investeringen bedraagt 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 2.000.000.
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 41, eerste lid, bedraagt:
- a.
€ 10.000.000 voor aanvragen als bedoeld in artikel 41, tweede lid, onderdeel a;
- b.
€ 10.000.000 voor aanvragen als bedoeld in artikel 41, tweede lid, onderdeel b.
In zoverre in afwijking van artikel 38, eerste lid, en artikel 41, eerste lid, kunnen geen aanvragen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden daarvan, indien deze ondernemingen lid zijn van een erkende telersvereniging als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96, tenzij wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening voor kosten die uit hoofde van bijlage 2, hoofdstuk 2, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
Indien subsidie wordt verleend aan een samenwerkingsverband van een of meer glastuinbouwondernemingen en een of meer andere landbouwondernemingen en het aandeel van de met de investering opgewekte energie dat door die landbouwonderneming of -ondernemingen aan de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen wordt geleverd minder is dan 100% van de energiecapaciteit die met gebruik van de investering kan worden opgewekt, wordt de overeenkomstig artikel 39 vastgestelde subsidie naar rato van dat aandeel verlaagd.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 38, eerste lid, en 41, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate de energieinnovatie naar het oordeel van de commissie:
- –
meer bijdraagt aan klimaatneutrale glastuinbouw door een zo laag mogelijk gebruik van primaire energie en een zolaag mogelijke CO2-uitstoot;
- –
meer teelttechnisch en economisch perspectief heeft en meer perspectief biedt voor toepassing door andere ondernemingen, of
- –
een hoger niveau van doorontwikkeling vertegenwoordigt gericht op teelttechnische of economisch inpasbare systemen.
Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in gecombineerde luchtwassystemen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 3, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 3, punt B, van de regeling, met uitzondering van landbouwondernemingen gelegen in extensiveringsgebieden als bedoeld in artikel 1 van de Reconstructiewet.
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 juni tot en met 15 juli 2009.
Overeenkomstig artikel 1:4 van de regeling wordt een aanvraag hoger gerangschikt naarmate:
- a.
bij de landbouwonderneming een in bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM10) op of na het bijbehorende tijdstip wordt overschreden of dreigt te worden overschreden en, deze onderneming als prioritaire landbouwonderneming is genoemd of aangeduid in een programma als bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, van die wet (4 punten);
- b.
de landbouwonderneming ten hoogste 1000 meter is verwijderd van een gebied als omschreven in bijlage 3 bij dit besluit (2 punten), en
- c.
de aanvrager een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer heeft aangevraagd voor één of meer gecombineerde luchtwassystemen (1 punt).
Aanvragen tot subsidieverlening die op grond van het eerste lid inhoudelijk gelijk zijn gewaardeerd en daardoor niet kunnen worden verleend in verband met overschrijding van het subsidieplafond, worden door loting gerangschikt.
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot 30 september 2011.
Er kan slechts één aanvraag worden ingediend per inrichting bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Wet Milieubeheer.
In afwijking van artikel 1:15, derde lid, van de regeling komt niet-verrekenbare BTW niet voor subsidie in aanmerking.
De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten.
Het subsidieplafond bedraagt € 20.000.000.
Aanvragen tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 2:42, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juni tot en met 15 juli 2009.
Een jonge landbouwer kan slechts één aanvraag indienen.
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot 30 september 2011.
Er worden geen voorschotten verleend.
In aanvulling op artikel 2:40, derde lid, van de regeling komt niet-verrekenbare BTW niet voor subsidie in aanmerking.
Het subsidieplafond bedraagt € 7.200.000.
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van:
- a.
€ 167.442 voor jonge landbouwers gevestigd in Drenthe;
- b.
€ 186.047 voor jonge landbouwers gevestigd in Overijssel;
- c.
€ 558.140 voor jonge landbouwers gevestigd in Gelderland;
- d.
€ 57.433 voor jonge landbouwers gevestigd in Utrecht;
- e.
€ 93.023 voor jonge landbouwers gevestigd in Zeeland;
- f.
€ 465.116 voor jonge landbouwers gevestigd in Noord-Brabant;
- g.
€ 232.558 voor jonge landbouwers gevestigd in Noord-Holland;
- h.
€ 93.023 voor jonge landbouwers gevestigd in Limburg.
De Minister rangschikt de aanvragen voor subsidies als bedoeld in artikel 53, eerste lid, overeenkomstig artikel 1:5 van de regeling, met dien verstande dat per provincie voorrang wordt gegeven aan jonge landbouwers die op grond van de regeling ook in 2007 of 2008 aanvragen hebben ingediend en:
Na verlening van de aanvragen overeenkomstig het eerste lid, geschiedt, voor zover van toepassing, de toewijzing van de aanvragen waarvan de onderneming zijn hoofdvestiging heeft in de provincies die een additioneel subsidieplafond ter beschikking hebben gesteld.
Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in integraal duurzame stallen en houderijsystemen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt B, van de regeling, voor zover het betreft landbouwondernemingen op het gebied van de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij.
De aanvragen kunnen worden ingediend:
- a.
in de periode van 2 februari tot en met 27 februari 2009, of
- b.
in de periode van 18 augustus tot en met 18 september 2009.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 59, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
Een aanvraag wordt hoger gerangschikt naarmate:
- a.
de integraal duurzame stal of houderijsysteem waarin wordt geïnvesteerd in de beginfase van marktintroductie verkeert;
- b.
de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem meer economisch of technisch perspectief heeft;
- c.
er voor de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het dierenwelzijn, en
- d.
er voor de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het milieu, diergezondheid of arbeidsomstandigheden.
De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 200.000 bedraagt.
Het subsidieplafond bedraagt:
- a.
€ 3.500.000 voor aanvragen die zijn ingediend in de periode, bedoeld in artikel 59, tweede lid, onderdeel a;
- b.
€ 2.500.000 voor aanvragen die zijn ingediend in de periode, bedoeld in artikel 59, tweede lid, onderdeel b.
De extra kosten, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt C, van de regeling betreffen de kosten die worden gemaakt naast de norminvesteringen in een gangbare stal, als bedoeld in de kwantitatieve informatie veehouderij.
De aanvraag tot subsidieverlening gaat vergezeld van informatie waaruit blijkt in hoeverre een stal of houderijsysteem voldoet aan de definitie van integraal duurzame stal of houderijsysteem, bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 4, punt A, van de regeling.
Er worden geen voorschotten verleend.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld artikel 2:68 van de regeling, kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 juli 2009.
Het subsidieplafond bedraagt € 3.500.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:55, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 15 september tot en met 31 december 2009.
Het subsidieplafond bedraagt € 500.000.
Een landbouwonderneming kan per Skal-certificaat één aanvraag indienen.
Het subsidieplafond, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2008 is opgehoogd met € 3.700.000.
Treedt op een later tijdstip in werking.
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 2, van de regeling kunnen worden ingediend van 1 juli tot en met 31 juli 2009.
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 68a, bedraagt het subsidieplafond:
- a.
voor projecten als bedoeld in artikel 3:4, eerste en tweede lid, van de regeling: € 800.000;
- b.
voor programma’s als bedoeld in artikel 3:4, eerste en derde lid, van de regeling: € 1.700.000.
Voor zover na de periode voor indiening van de aanvraag bedoeld in artikel 68a het subsidieplafond bedoeld in artikel 68b, aanhef en onderdeel a, niet wordt bereikt, wordt het resterende bedrag opgeteld bij het subsidieplafond, genoemd in artikel 68b, aanhef en onderdeel b.
Voor zover na de periode voor indiening van de aanvraag bedoeld in artikel 68a het subsidieplafond bedoeld in artikel 68b, aanhef en onderdeel b, niet wordt bereikt, wordt het resterende bedrag opgeteld bij het subsidieplafond, genoemd in artikel 68b, aanhef en onderdeel a.
Aanvragen tot verleningen van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 3, van de regeling kunnen worden ingediend tot en met 9 februari 2009.
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 69, bedraagt het subsidieplafond ten aanzien van aanvragen door:
- a.
de Unie van Bosgroepen: € 1.576.706,65;
- b.
de Landschappen: € 1.383.137,75;
- c.
de Vereniging Natuurmonumenten: € 1.126.219,03;
- d.
overige aanvragers: € 313.229,67.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 4, paragraaf 2, van de regeling kunnen worden ingediend tot en met 31 januari 2009.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 4, paragraaf 3, kunnen worden ingediend in de periode van 1 april 2009 tot en met 31 mei 2009.
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 71, eerste lid, bedraagt het subsidieplafond € 2.250.000.
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 71, tweede lid, bedraagt het subsidieplafond € 215.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 5, van de regeling kunnen worden ingediend tot en met 31 januari 2009.
Het subsidieplafond bedraagt ten aanzien van aanvragen door:
- a.
de IVN Vereniging voor natuur- en milieueducatie: € 1.444.684,70;
- b.
Stichting Samenwerkingsverband Nationale Parken: € 300.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 6, van de regeling kunnen worden ingediend tot en met 31 oktober 2009.
Het subsidieplafond bedraagt € 792.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 8, kunnen worden ingediend tot en met 1 juli 2009.
Het subsidieplafond bedraagt:
- a.
voor activiteiten, als bedoeld in artikel 3:51, tweede lid, sub a, van de regeling: € 190.000;
- b.
voor activiteiten, als bedoeld in artikel 3:51, tweede lid, sub c, van de regeling € 167.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 10, kunnen worden ingediend in de periode van 2 februari 2009 tot en met 27 februari 2009.
Het subsidieplafond bedraagt € 200.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor innovatieprojecten als bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 maart 2009 tot en met 30 maart 2009.
Het subsidieplafond bedraagt € 2.500.000.
De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten.
De subsidie bedraagt ten hoogste € 350.000.
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten van eigen arbeid.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4:22, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 maart tot en met 30 maart 2009.
Het subsidieplafond bedraagt € 2.500.000.
De subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten voor aanvragers als bedoeld in artikel 4:22, tweede lid, onderdelen a en b, van de regeling.
De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten voor aanvragers als bedoeld in artikel 4:22, tweede lid, onderdeel c, van de regeling.
De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 82, eerste lid, bedraagt ten hoogste € 350.000.
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten van eigen arbeid.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4:27, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juni tot en met 29 juni 2009.
Het subsidieplafond bedraagt € 700.000.
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten van eigen arbeid.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4:27, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend voor het volledig doorlopen van een beoordeling door onafhankelijke deskundigen in het kader van een traject ter certificering van visserijproducten die zijn gevangen of gekweekt met milieuvriendelijke productiemethoden, voor zover die beoordeling van gemeenschappelijk belang is voor een unieke vorm van visserij en schelpdierkweek, gedefinieerd aan de hand van:
- a.
de doelsoort;
- b.
de vis- of kweekmethode, en
- c.
het vis- of kweekgebied.
Een traject ter certificering als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de ‘Guidelines for the ecolabelling of fish and fishery products from marine capture fisheries’ van de Voedsel en Landbouw Organisatie van de Verenigde Naties.
Het gemeenschappelijke belang, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit het voor de eerste maal doorlopen van de beoordeling door onafhankelijke deskundigen, bedoeld in het eerste lid, dat een toegevoegde waarde heeft voor de betreffende unieke vorm van visserij en schelpdierkweek.
Het vis- of kweekgebied, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit:
- a.
het IJsselmeer, bedoeld in artikel 1, onderdeel t, van de Uitvoeringsregeling visserij;
- b.
de binnenwateren, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Uitvoeringsregeling visserij, met uitzondering van het IJsselmeer;
- c.
één van de kustwateren, bedoeld in artikel 2 van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970;
- d.
de exclusieve 12-mijlszone, bedoeld in artikel 3 van de Regeling eisen, administratie en registratie inzake uitoefening visserij, met inbegrip van het zeegebied, bedoeld in artikel 1 van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970, of
- e.
een internationaal vastgesteld statistisch zeevisserijgebied.
In afwijking van het bepaalde in artikel 4:27, tweede lid, van de regeling komen een erkende beroepsorganisatie, een samenwerkingsverband van visserijondernemingen of een combinatie daarvan in aanmerking voor de subsidie.
Aanvragen als bedoeld in artikel 86a, eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 september tot en met 31 december 2009.
Het subsidieplafond bedraagt € 1.000.000.
In afwijking van het bepaalde in artikel 4:29 van de regeling is artikel 1:6 van de regeling van toepassing op aanvragen als bedoeld in artikel 86a, eerste lid.
In afwijking van het bepaalde in artikel 4:31 van de regeling komen de volgende kosten in aanmerking voor de subsidie:
- a.
kosten voor een procesbegeleider voor het certificeringstraject;
- b.
aan derden verschuldigde kosten ter zake van noodzakelijke studies en onderzoeksactiviteiten ten behoeve van het certificeringstraject, en
- c.
de overige kosten van het certificeringstraject, zoals overeengekomen met en in rekening gebracht door de certificeerder.
De kosten van offertes en voorstudies komen niet in aanmerking voor subsidie.
De kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kunnen loonkosten of kosten van eigen arbeid omvatten.
Een aanvraag tot subsidieverlening, bedoeld in artikel 86a, eerste lid, gaat vergezeld van offertes of prijsopgaven van de kosten, bedoeld in het eerste lid.
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten van eigen arbeid.
De subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 100.000 bedraagt.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4:34 van de regeling kunnen worden ingediend voor het moderniseren van en het aanbrengen van voorzieningen aan boord van een vissersvaartuig waarmee de boomkorvisserij wordt uitgeoefend ten behoeve van de energie-efficiëntie en de selectiviteit, door middel van:
- a.
de omschakeling van de visserij met de boomkor naar visserij met de twinrig, flyshoot of squidjig;
- b.
verkorting van de som van de totale lengte van de boomkor van 24 meter naar 20 meter.
Aanvragen als bedoeld in het eerste lid kunnen worden ingediend in de periode van 2 januari tot en met 31 januari 2009.
Het subsidieplafond bedraagt € 2.000.000.
De aanvraag tot subsidieverlening, bedoeld in artikel 87, eerste lid, gaat vergezeld van offertes of prijsopgaven voor de aan te schaffen apparatuur, de werkzaamheden ten behoeve van de installatie en de werkzaamheden ten behoeve van de noodzakelijke aanpassingen aan het vissersvaartuig.
De aanvragen, bedoeld in artikel 87, eerste lid, kunnen worden ingediend door eigenaren van vissersvaartuigen waarmee de boomkorvisserij wordt uitgeoefend, indien:
- a.
het vaartuig geregistreerd staat in het visserijregister, bedoeld in artikel 6 van het Besluit Registratie vissersvaartuigen 1998;
- b.
het motorvermogen van het vaartuig meer dan 735 kW is.
De subsidie bedraagt 20% van de subsidiabele kosten voor een omschakeling als bedoeld in artikel 87, eerste lid, onderdeel a.
De subsidie voor een omschakeling als bedoeld in artikel 87, eerste lid, onderdeel a, bedraagt ten hoogste € 100.000.
De subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten voor een verkorting van de boomkor als bedoeld in artikel 87, eerste lid, onderdeel b.
De subsidie voor een verkorting van de boomkor als bedoeld in artikel 87, eerste lid, onderdeel b, bedraagt ten hoogste € 50.000.
De aanvraag tot vaststelling van subsidie als bedoeld in artikel 87, eerste lid, gaat vergezeld van facturen en betaalbewijzen van de ten behoeve van de investering gemaakte kosten.
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten van eigen arbeid.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4:47, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 2 februari tot en met 2 maart 2009.
Het subsidieplafond bedraagt € 1.500.000.
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten en de kosten van eigen arbeid.
Aanvragen tot verstrekking van een garantstelling als bedoeld in artikel 4:53 van de regeling kunnen worden ingediend van 1 januari tot en met 31 december 2009.
Het maximumbedrag, bedoeld in artikel 4:57, eerste lid, van de regeling, wordt voor 2009 vastgesteld op € 4.000.000,–.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een lectoraat als bedoeld in artikel 4a:3 van de regeling, kunnen worden ingediend in de periode 15 juli 2009 tot 15 september 2009.
De hoogte van het subsidiebedrag bedraagt maximaal € 120.000 per jaar.
De duur van de subsidieverlening bedraagt maximaal 4 jaar.
Het subsidieplafond bedraagt € 3.840.000.
Aanvragen tot subsidieverlening voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel a, van de regeling kunnen worden ingediend door de suikerbietentelers die in 2007 in hun verzamelaanvraag ten behoeve van de landbouwtellingen 2007 hebben aangegeven dat zij beschikken over percelen met suikerbieten.
Aanvragen tot subsidieverlening voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingverbanden van suikerbietentelers of voormalige suikerbietentelers, die in 2007 in hun verzamelaanvraag ten behoeve van de landbouwtellingen 2007 hebben aangegeven dat zij beschikken over percelen met suikerbieten, onderling of met verwerkende industrie of derden.
Aanvragen tot subsidieverlening voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel c, van de regeling kunnen worden ingediend door de suikerbietentelers, die in 2007 in hun verzamelaanvraag ten behoeve van de landbouwtellingen 2007 hebben aangegeven dat zij beschikken over percelen met suikerbieten, of samenwerkingsverbanden van suikerbietentelers.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 5:3 van de regeling, kunnen worden ingediend in de periode 17 augustus 2009 tot en met 30 september 2009.
Het subsidieplafond bedraagt:
- a.
€ 8.000.000 voor aanvragen tot verlening van subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel a, van de regeling;
- b.
€ 3.500.000 voor aanvragen tot verlening van subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, van de regeling;
- c.
€ 370.108 voor aanvragen tot verlening van subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5:3, tweede lid, onderdeel c, van de regeling.
Het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2008 wordt ingetrokken.
De verlening en vaststelling van een subsidie die is aangevraagd onder het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2008 wordt afgehandeld op grond van het recht zoals dat gold voorafgaand aan de intrekking van dat besluit.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.
Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009.
Bij uitbesteden materieel en installatie
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 6,70 | € 67.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 5,00 | € 250.000,– |
Bij enkel uitbesteden materieel (installatie door eigen arbeid)
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten | |
Materieel | Eigen arbeid forfaitair | |||
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 3,00 | € 3,70 | € 67.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 1,30 | € 3,70 | € 250.000,– |
Bij uitbesteden materieel en installatie
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve of energie- intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 6,70 | € 67.000,– |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 5,00 | € 250.000,– |
Bij enkel uitbesteden materieel (installatie door eigen arbeid)
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten | |
Materieel | Eigen arbeid forfaitair | |||
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 3,00 | € 3,70 | € 67.000,– |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 1,30 | € 3,70 | € 250.000,– |
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximale subsidiabele investeringskosten | |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | € 45.000,– |
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen | 25% | € 10,00 | € 400.000,– |
Onderneming | Subsidiepercentage | Buffercapaciteit | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | Tot 60 m3 | € 50.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | Tot 125 m3 | € 70.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | Tot 250 m3 | € 90.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | 250 m3 of groter | € 100.000,– |
Onderneming | Subsidiepercentage | Aantal deelnemers in het samenwerkingsverband | Maximale subsidiabele investeringskosten voor het cluster |
Samenwerkingsverband van twee glastuinbouwondernemingen | 25% | 2 | € 200.000,00 |
Samenwerkingsverband van drie glastuinbouwondernemingen | 25% | 3 | € 300.000,00 |
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve glastuinbouwondernemingen kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 5,50 | € 55.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwondernemingen groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 4,10 | € 205.000,– |
Bij uitbesteding materiaal en installatie
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 9,– | € 90.000,– |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 6,70 | € 336.000,– |
Bij enkel uitbesteden materiaal (installatie door eigen arbeid)
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten | |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 4,00 | € 5,– | € 90.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 1,75 | € 5,– | € 336.000,– |
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 4,– | € 40.000,– |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 3,– | € 150.000,– |
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximale subsidiabele investeringskosten per hectare | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen | 25% | € 40.000 | € 150.000,– |
Bedrijfsnaam:
Eigenaar/indiener:
Bedrijfsadres:
Postcode/plaats:
Bedrijfswebsite:
Correspondentieadres:
Postcode/plaats:
Telefoonnummer:
E-mailadres:
Aanvraagnummer:
De berekeningen zijn gemaakt op grond van de door de aanvrager ingevulde karakteristieken met betrekking tot het verwarmings- en koelingsysteem, de installaties die in kas en ketelhuis worden voorzien en het door de tuinder gewenste kasklimaat.
Als rekenmodel wordt gebruik gemaakt van programmatuur die in het kader van het project Synergie is ontwikkeld ten behoeve van de technische, energetische en economische beoordeling van gesloten kasconcepten. Dit rekenmodel is gebouwd en wordt onderhouden door de Business Unit Glas van Wageningen UR.
Het model rekent op uurbasis de warmte- en koudebehoefte van de door de aanvrager beschreven kasconfiguratie in een gemiddeld Nederlands jaar. Vanuit deze gegevens wordt voor elk uur uitgerekend welke gas-, elektriciteits-, CO2-behoefte en laagwaardig warmtegebruik of -overschot voor deze kas verwacht mag worden.
Deze berekening wordt gemaakt voor de geconditioneerde kas en voor een relevante referentie.
De vergelijking van de berekende CO2-emissie voor het hierbij ingediende geconditioneerde kasconcept met de referentie leidt tot de conclusie dat de verwachte CO2-emissiereductie ……… bedraagt.
In de tuinbouw staat de klimatiseringsinstallatie ten dienste van het gewas om een zo gunstig mogelijk kasklimaat te realiseren. Er blijft evenwel, zelfs in geconditioneerde kassen, altijd een spanningsveld tussen het klimaat waarbij het gewas het beste zou groeien en de kosten de gepaard gaan met het realiseren van dat klimaat. Zo wordt in de gangbare tuinbouw weliswaar bij hoge instraling een hoge CO2-concentratie gewenst, maar de dosering wordt toch begrensd om de CO2-gift in overeenstemming te houden met de hoeveelheid warmte die bij de productie van rookgassen vrijkomt. Ook wordt geaccepteerd dat, omwille van een gunstig gascontract, op heel koude dagen de gewenste etmaaltemperatuur niet gerealiseerd wordt. Het model houdt met al deze zaken rekening (middels de begrenzingen van het klimatiseringssysteem (zie deel 2).
De kasklimaatinstellingen die in dit deel moeten worden ingevuld moeten dan ook worden opgevat op dezelfde manier als waarop de instellingen van de kasklimaatcomputer worden gebruikt.
Er staan twee kolommen met invoergegevens en indien de geconditioneerde kas niet de gehele unit beslaat maar slechts een fractie dan komt er nog een derde kolom die aangeeft hoe het klimaat in het niet-geconditioneerde deel gewenst wordt.
In de eerste kolom staan de instellingen die voor de geconditioneerde kas gaan gelden.
De tweede kolom wordt gebruikt om de referentiesituatie te beschrijven. Veel getallen zullen gelijk zijn, maar wellicht wordt in de geconditioneerde kas de temperatuur waarboven gekoeld wordt wat hoger gekozen dan u in de referentie zou hebben gedaan. Ook het gebruik van minimumbuis zal in de geconditioneerde kas vaak minder zijn.
De derde kolom verschijnt in afhankelijkheid van de gesloten kasfractie. De teelt-instellingen in de derde kolom zullen veel gelijkenis vertonen met de instellingen van de tweede kolom.
Elk veld heeft een uitleg, die naar voren komt als de muis erop wordt gelegd. Achterin dit document staan alle toelichtingen bij elkaar geplaatst.
Omschrijving | Eenheid | Geconditioneerde afdeling | Referentie | Niet geconditioneerd deel | |
1 | Gesloten kas fractie | % | 50 | n.v.t. | 50 |
2 | Gewas (kies: groente, potplant of snijbloem) | groente | groente | groente | |
3 | Kasdek (kies: enkelglas, dubbel of triple) | enkelglas | enkelglas | enkelglas | |
4 | Stooktemperatuur dag | °C | 18 | 18 | 18 |
5 | Stooktemperatuur nacht | °C | 17 | 17 | 17 |
6 | Koel- of ventilatietemperatuur | °C | 27 | 27 | 27 |
7 | Pband ventilatie/koeling | °C | 2 | 2 | 2 |
8 | Maximale ventilatie met buitenlucht | m3/(m2 hr) | 0 | n.v.t. | n.v.t. |
9 | Toegestane RV in de kas | % | 85 | 85 | 85 |
10 | Deksproeiers (kies ja of nee) | nee | nee | nee | |
11 | Minimumbuistemperatuur | °C | 40 | 40 | 40 |
12 | VO van het minimumbuisnet | m2 buis/m2 | 0,2 | 0,2 | 0,2 |
13 | Streefwaarde CO2 | ppm | 900 | 900 | 900 |
14 | Maximale doseercapaciteit | kg/(ha hr) | 120 | 180 | 180 |
15 | Stralingscrit. voor schaduwscherm | W/m2 | 1000 | 1000 | 1000 |
16 | Schaduwfactor schaduwscherm | % | 30 | 30 | 30 |
17 | Buitentemp sluiten energiescherm | °C | 12 | 12 | 12 |
18 | Besparingspercentage v.h. scherm | % | 45 | 45 | 45 |
19 | Belichtingsintensiteit | Wel/m2 | 0 | 0 | 0 |
20 | Belichtingsschema (kies schema 1, 2 of 3) | 2 | 2 | 2 |
Op deze pagina treft u drie belichtingsschema’s die u kunt gebruiken om de door u gebruikte wijze van belichting vast te leggen. U kunt voor verschillende kasafdelingen verschillende schema’s gebruiken (dus voor de geconditioneerde kasafdeling een ander schema dan voor de referentie of voor de niet-geconditioneerde delen van het nieuw te bouwen of te vernieuwen kascomplex), maar u kunt ook voor alle afdelingen hetzelfde schema gebruiken.
De drie getoonde schema’s zijn voorzien van default instellingen. U kunt ze evenwel naar eigen inzicht aanpassen.
[Schema1] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 1 kiest
1 | DagnrStartBel | 280 | (→ dit is 6 oktober) | |
2 | DagnrStopBel | 80 | (→ dit is 20 maart en betekent 165 dg belichting) | |
3 | IglobBelUit | 150 | W/m2 globale straling buiten de kas | |
4 | SavondsUit | 20 | uur | (belichting is 2 uur uit) |
5 | SavondsAan | 22 | uur |
[Schema2] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 2 kiest
1 | DagnrStartBel | 260 | (→ dit is 16 september) | |
2 | DagnrStopBel | 91 | (→ dit is 31 maart en betekent 196 dg belichting) | |
3 | IglobBelUit | 150 | W/m2 globale straling buiten de kas | |
4 | SavondsUit | 22 | uur | (belichting is 4 uur uit) |
5 | SavondsAan | 2 | uur |
[Schema3] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 3 kiest
1 | DagnrStartBel | 330 | (→ dit is 25 november) | |
2 | DagnrStopBel | 300 | (→ dit is 26 oktober en betekent 335 dg belichting) | |
3 | IglobBelUit | 150 | W/m2 globale straling buiten de kas | |
4 | SavondsUit | 20 | uur | (belichting is 4 uur uit) |
5 | SavondsAan | 24 | uur |
Met de installatie van een semi-gesloten kas zal een nieuw ketelhuis worden neergezet of het bestaande ketelhuis worden gerenoveerd. Er zal waarschijnlijk een warmtepomp, een aquifer en een etmaalbuffer voor laagwaardige warmte/kou worden geplaatst en er wordt waarschijnlijk een WK geplaatst. Ook is het denkbaar dat de nieuwe of vernieuwde kas wordt voorzien van additionele CO2-voorziening in de vorm van zuivere- of OCAP-CO2.
In dit deel kunt u de eigenschappen van het nieuwe ketelhuis vastleggen.
Indien het ontwerp om een systeem gaat waarbij de semi-gesloten kas een fractie is van het totale kasoppervlak dat door het nieuw (ingerichte) ketelhuis wordt verwarmd, dan gaat het rekenprogramma er van uit dat de in de zomer verzamelde warmte in de winter zowel op het geconditioneerde deel als op het niet geconditioneerde deel wordt gebruikt (zoals bijvoorbeeld bij Themato).
Als u in het vorige deel hebt aangegeven dat de geconditioneerde kasfractie 100% is, dan betekent dit dat de nieuwe of vernieuwde ketelhuisconfiguratie die hier in deel 2 wordt beschreven uitsluitend wordt ingezet voor (de) geconditioneerde afdeling(en).
Teneinde de gerealiseerde CO2-emissiebeperking te kunnen berekenen dient u ook het referentie-ketelhuis te beschrijven.
1 | Kasoppervlak | 1 | ha | ||
Geconditioneerd oppervlak | 0,5 | ha | Niet geconditioneerd opp. 0,5ha | ||
2 | Buffercapaciteit | 200 | m3 | 200 | m3/ha |
3 | Thermisch warmtepompvermogen | 700 | kW th | 700 | kW/ha |
4 | Efficiëntie v.d. warmtepomp | 45 | % | ||
5 | Capaciteit aquifer | 200 | m3/uur | 400 | m3/ha gecond. kas per uur |
6 | Temp verlies scheidingswisselaar | 1 | °C | ||
7 | Bufferinhoud koudebuffer | 1500 | m3 | 3000 | m3/ha gecond. kas |
8 | Koude bron laden op | 8 | °C | ||
9 | WK-vermogen | 60 | kW el. | 60 | kW/ha |
10 | elektrisch WK-rendement | 42 | % | ||
11 | thermisch WK-rendement | 55 | % | ||
12 | WK inzetten tijdens piek-uren (ja/nee) | ja | |||
13 | Zomerse WK-warmte oversch. in aquif. | nee |
14 | Kasoppervlak | 1 | ha | ||
15 | Buffercapaciteit | 100 | m3 | 100 | m3/ha |
16 | WK-vermogen | 0 | kW el. | 0 | kW/ha |
17 | elektrisch WK-rendement | 42 | % | ||
18 | thermisch WK-rendement | 55 | % | ||
19 | WK inzetten tijdens piek-uren (ja/nee) | nee |
In de geconditioneerde kasafdeling zijn luchtbehandelingunits geplaatst. Tijdens gebruik van deze units leveren ze een bepaalde koelcapaciteit. Deze is vooral afhankelijk van het temperatuurverschil tussen ingaand water en ingaande lucht en van de hoeveelheid lucht die er doorheen wordt geblazen.
Daarnaast speelt ook de luchtvochtigheid een rol. (Deze kan worden verhoogd door gebruik te maken van een fogging installatie (afhankelijk van de instelling in deel 1)).
Bij het gebruik van de installatie koelsysteem wordt er elektriciteit gebruikt. Vooral voor het circuleren van de lucht, maar ook voor het verpompen van water.
Het elektriciteitsverbruik per eenheid koelvermogen, maar ook het waterdebiet en de opwarming van het water is door dit alles sterk afhankelijk van de gekozen luchtbehandelingunits, het aantal dat daarvan gebruikt wordt en de kasklimaatcondities waaronder gekoeld wordt.
Het is niet waarschijnlijk dat de luchtbehandelingskast-leverancier de prestatie van de koelunit onder al die variabele omstandigheden voorhanden heeft. Laat staan dat die dan ook nog gedocumenteerd zouden zijn.
Omdat de kwaliteit van de koelunits echter een duidelijke invloed heeft op het energiebesparingresultaat van semi-gesloten kassen is het noodzakelijk om toch over zo'n prestatie karakterisering te beschikken.
In dit deel wordt vanuit een bench-mark punt (dat bij voorkeur zo dicht mogelijk ligt bij de werkingscondities die representatief zijn voor het gebruik in uw situatie) een karakterisering van het koelsysteem gemaakt die toegesneden is op uw kasklimaatwensen en die het deellastgedrag in beeld brengt. Er worden grafieken gemaakt van het elektriciteitsverbruik als functie van het koelvermogen, het waterdebiet door de koelers en de temperatuur waarmee het water uit de koelers zal komen. Tevens wordt op grond van de koeleigenschappen een karakterisering gemaakt voor het gedrag van deze units bij gebruik voor verwarming.
Koelen | Lege Velden | |||||
Hiernaast ziet u een invulveld waarin u specificaties van de gebruikte koelunits kunt aangeven. Vanuit deze specificaties maakt het programma relaties voor het elektriciteitsverbruik tijdens het koelen. Hierbij zijn vanuit de benchmark gegevens, rekening houdend met de achterliggende fysische processen (convectie en condensatie), extrapolaties gemaakt. | Benchmark punten v.d. Koelunit | 0 | ||||
1 | Koelvermogen [kW] | 20 | kW | 0 | ||
2 | Watertemp in [°C] | 12 | °C | 17 | 0 | |
3 | Watertemp uit [°C] | 22 | °C | 0 | 0 | |
4 | Luchttemperatuur in [°C] | 26 | °C | 21 | 0 | |
5 | Luchttemperatuur uit [°C] | 16 | °C | 0 | 0 | |
6 | Koelvermogen geldt bij een RV van | 85 | % | 0 | ||
7 | Maximaal luchtdebiet [m3/uur] | 2000 | m3/uur | 0 | ||
8 | Electr.gebr.vent bij max luchtdeb. | 0,3 | kW | 0 | ||
9 | Waterzijdige drukval | 1,2 | bar | 0 |
Vanuit de benchmark punten kan worden berekend dat de ontvochtigingscapaciteit 19,6 liter/uur is.
Dit betekent een latente warmteafvoer van 13,3 kW. De voelbare warmteoverdracht is dus 6,67 kW.
Er worden (vraag 10) 60 van deze units op de gekoelde afdeling van 0,5 ha geplaatst (83 m2 per unit).
De voelbare warmteoverdrachtscoëfficiënt blijkt 1,67 kW per °C verschil tussen gemiddelde water- en luchttemperatuur.
Verwarmen
Het programma gaat ervan uit dat de luchtbehandelingkasten ook voor verwarmen worden gebruikt.
Op grond van de warmte-overdrachtgegevens in de koelmodus wordt voor de verwarming verondersteld dat de units 0,045 W ventilatorenergie gebruiken per overgedragen W verwarmingsvermogen.
Dit komt neer op een COP-verwarming van 22,2 (dit is exclusief het verbruik van de warmtepomp).
De combinatie van benchmark-punten en kasklimaat in de geconditioneerde afdeling levert de volgende karakteristieken van de koeler:
Hieruit worden de onderstaande tabellen afgeleid waarmee het simulatiemodel zal rekenen.
Elektriciteitsverbruik ventilator | Approach temperatuur als functie van koelvermogen | ||
belasting | Elekverbruik [W/m2 ] | koelverm | Approachtemperatuur |
–1,00 | 0,00 | 0,00 | 0,20 |
0,10 | 1,36 | 32,57 | 2,42 |
0,15 | 1,67 | 48,86 | 3,06 |
0,20 | 1,92 | 65,14 | 3,52 |
0,25 | 2,15 | 81,43 | 3,87 |
0,30 | 2,36 | 97,71 | 4,14 |
0,35 | 2,55 | 114,00 | 4,36 |
0,40 | 2,72 | 130,29 | 4,53 |
0,45 | 2,89 | 146,57 | 4,67 |
0,50 | 3,04 | 162,86 | 4,77 |
0,55 | 3,19 | 179,14 | 4,85 |
0,60 | 3,33 | 195,43 | 4,91 |
0,65 | 3,47 | 211,71 | 4,95 |
0,70 | 3,60 | 228,00 | 4,97 |
0,75 | 3,60 | 244,29 | 4,98 |
0,80 | 3,60 | 260,57 | 4,98 |
0,85 | 3,60 | 276,86 | 4,96 |
0,90 | 3,60 | 293,14 | 4,93 |
0,95 | 3,60 | 309,43 | 4,90 |
1,00 | 3,60 | 325,71 | 4,85 |
100,00 | 3,60 | 800,00 | 19,90 |
Gemiddeld is het uittredend 4,46 °C lager dan de intredende lucht. Voor de pompen wordt met een drukval van 0,69667 bar/(m3/uur) gewerkt.
Hier ziet u de resultaten m.b.t. de teelt en de resultaten qua energieverbruik en CO2-emissie.
Omschrijving | Eenheid | Nieuwe situatie | Referentiesituatie |
Gem. teelttemperatuur winterperiode | °C | 17,9 | 17,8 |
Gem. teelttemperatuur zomerperiode | °C | 0,0 | 0,0 |
Gem. CO2-concentratie zomerperiode | ppm | 677 | 405 |
Jaarlijkse CO2-gift | kg/m2 | 25 | 37 |
Jaarlijks aantal energieschermuren | uur | 2291 | 2291 |
Jaarlijks aantal schaduwschermuren | uur | 0 | 0 |
Jaarlijks aantal belichtingsuren | uur | 0 | 0 |
Resultaten warmte, koude en elektra | |||
Jaarlijkse warmtevraag | MJ/m2 | 1486 | 1542 |
Jaarlijkse laagwaardige warmte naar Aquifer | MJ/m2 | 372 | n.v.t. |
Gemiddelde temperatuur naar warme bron | °C | 22,3 | |
Jaarlijkse laagwaardige warmte uit Aquifer | MJ/m2 | 361 | n.v.t. |
Hoogwaardig warmte-overschot | MJ/m2 | 0 | 0 |
Elektriciteit voor belichting | kWh/m2 | 0 | 0 |
Electriciteit voor koeling en verwarming | kWh/m2 | 12 | n.v.t. |
Elektriciteitsgebruik Warmtepomp | kWh/m2 | 45 | n.v.t. |
Effectieve COP Warmtepomp | – | 2,9 | n.v.t. |
Resultaten gas en Elektra | |||
Gasinkoop | m3/m2 | 35 | 49 |
Elektra inkoop | kWh/m2 | 27 | 1 |
Elektra verkoop | kWh/m2 | 12 | 0 |
Netto elektra inkoop | kWh/m2 | 15 | 1 |
Resultaten CO2-emissie | |||
CO2-emissie Ketel | kg/m2 | 42 | 87 |
CO2-emissie WKK voor eigen gebruik | kg/m2 | 14 | 0 |
CO2-emissie WKK voor netlevering | kg/m2 | 6 | 0 |
kg/m2 | 62 | 87 | |
Conclusie CO2-emissiebeperking | 29% |
Gebied | ||
Kritische depositiewaarde | ||
Gebiedscode | Gebiedsnaam | mol N/ha/jaar |
NL2003001 | Aamsveen | 400 |
NL2003003 | Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek | 1100 |
NL3000044 | Alde Feanen | 700 |
NL2003004 | Amerongse Bovenpolder | 1400 |
NL9801004 | Bakkeveense Duinen | 740 |
NL2000002 | Bargerveen | 400 |
NL2003005 | Bekendelle | 1400 |
NL9801076 | Bemelerberg en Schiepersberg | 830 |
NL2003006 | Bennekomse Meent | 1100 |
NL2003007 | Bergvennen en Brecklenkampse Veld | 410 |
NL3000040 | Biesbosch | 1250 |
NL2003008 | Boddenbroek | 410 |
NL2003009 | Boetelerveld | 410 |
NL3004001 | Boezem van Brakel | 1250 |
NL9801016 | Borkeld | 410 |
NL2003010 | Boschhuizerbergen | 410 |
NL9801044 | Botshol | 700 |
NL1000029 | Brunssumerheide | 400 |
NL2003011 | Bruuk | 830 |
NL2003012 | Bunder- en Elsloerbos | 830 |
NL9801019 | Buurserzand en Haaksbergerveen | 400 |
NL1000030 | Coepelduynen | 1000 |
NL9801021 | Dinkelland | 410 |
NL9802066 | Donkse Laagten | 1100 |
NL9801009 | Drentsche Aa | 400 |
NL9803011 | Drents-Friese Wold en Leggelerveld | 400 |
NL2003014 | Drouwenerzand | 740 |
NL2003057 | Duinen Ameland | 770 |
NL1000009 | Duinen Den Helder – Callantsoog | 770 |
NL9801079 | Duinen Goeree | 770 |
NL2003058 | Duinen Schiermonnikoog | 700 |
NL1000010 | Duinen Schoorl | 940 |
NL2003059 | Duinen Terschelling | 700 |
NL2003060 | Duinen Texel, Waal en Burg, Dijkmanshuizen en de Bol | 770 |
NL2003061 | Duinen Vlieland | 1000 |
NL3000016 | Duinen Zwanenwater en Pettemerduinen | 770 |
NL3000070 | Dwingelderveld | 400 |
NL3004002 | Eilandspolder-oost | 700 |
NL2003015 | Elperstroom | 830 |
NL1000004 | Engbertsdijksvenen | 400 |
NL9801007 | Fochteloërveen en Esmeer | 400 |
NL1000002 | Friese IJsselmeerkust | 1200 |
NL9801024 | Gelderse Poort | 1250 |
NL2003016 | Geleenbeekdal | 1100 |
NL9801041 | Geuldal | 830 |
NL2003017 | Gouwzee en kustzone Muiden | 2400 |
NL9801075 | Grensmaas | 1400 |
NL4000021 | Grevelingen | 770 |
NL2003018 | Groot Zandbrink | 830 |
NL2003019 | Groote Gat | 2400 |
NL9801036 | Groote Heide – De Plateaux | 400 |
NL1000025 | Groote Peel | 400 |
NL2003020 | Groote Wielen | 1100 |
NL1000015 | Haringvliet | 2000 |
NL9801071 | Havelte-oost | 400 |
NL2003021 | Hollands Diep (oeverlanden) | 2000 |
NL2003022 | IJsseluiterwaarden | 1250 |
NL2003023 | Ilperveld/Oostzanerveld/Varkensland | 700 |
NL3000401 | Kampina en Oisterwijkse Bossen en Vennen | 400 |
NL1000022 | Kempenland | 410 |
NL1000012 | Kennemerland-zuid | 770 |
NL2003024 | Kolland en Overlangbroek | 2000 |
NL1000017 | Kop van Schouwen | 770 |
NL9801072 | Korenburgerveen | 400 |
NL1000021 | Krammer-Volkerak | 1390 |
NL2003025 | Kunderberg | 1400 |
NL3004003 | Landgoederen Oldenzaal | 1100 |
NL2003026 | Langstraat bij Sprang-Capelle | 410 |
NL9802041 | Leekstermeergebied | 1200 |
NL2003027 | Lemselermaten | 410 |
NL9803039 | Leudal | 1400 |
NL3004005 | Leusveld, Voorstonden en Empensche/Tondensche heide | 830 |
NL2003028 | Lieftinghsbroek | 1100 |
NL2003029 | Lonnekermeer | 410 |
NL9803030 | Loonse en Drunense Duinen, De Brand en de Leemkuilen | 410 |
NL2003030 | Luistenbuul en Koekoeksche Waard | 1250 |
NL1000028 | Maasduinen | 400 |
NL1000020 | Manteling van Walcheren | 1000 |
NL2003031 | Mantingerbos | 1100 |
NL2003032 | Mantingerzand | 410 |
NL1000027 | Mariapeel en Deurnese Peel | 400 |
NL1000013 | Meijendel en Berkheide | 940 |
NL2000008 | Meinweg | 400 |
NL3000061 | Naardermeer | 1100 |
NL3000036 | Nieuwkoopse Plassen en de Haeck | 700 |
NL2003033 | Noorbeemden | 1400 |
NL9801080 | Noordhollands Duinreservaat | 770 |
NL2003062 | Noordzeekustzone | 1390 |
NL2003034 | Norgerholt | 1400 |
NL2003035 | Oeffeltermeent | 1250 |
NL2003063 | Olde Maten en Veerslootslanden | 700 |
NL2003036 | Oostelijke Vechtplassen | 700 |
NL1000018 | Oosterschelde | 700 |
NL2003038 | Oudegaasterbrekken, Gouden Bodem en Fluessen | 2100 |
NL2003037 | Oude Maas | 2410 |
NL9801055 | Ossendrecht | 410 |
NL2003039 | Polder Stein | 1540 |
NL2003040 | Polder Westzaan | 700 |
NL9803073 | Regte Heide en Riels Laag | 410 |
NL2003041 | Rijswaard en Kil van Hurwenen | 1250 |
NL2003065 | Ringselven en Kruispeel | 410 |
NL2003042 | Roerdal | 1250 |
NL9803006 | Rottige Meenthe en Brandemeer | 700 |
NL9803015 | Sallandse Heuvelrug | 400 |
NL2003043 | Sarsven en de Banen | 410 |
NL9801040 | Savelsbos | 830 |
NL1000016 | Solleveld | 940 |
NL9801064 | Springendal en Dal van de Mosbeek | 830 |
NL2003044 | Stelkampsveld (Beekvliet) | 410 |
NL3004004 | St. Jansberg | 1100 |
NL9801025 | St. Pietersberg en Jekerdal | 830 |
NL1000024 | Strabrechtse heide en Beuven | 410 |
NL2003045 | Swalmdal | 1250 |
NL2003046 | Teeselinkven | 410 |
NL2003047 | Ulvenhoutse Bos | 1100 |
NL9802046 | Van Oordt’s Mersken | 830 |
NL9801017 | Vecht- en Beneden-Regge | 410 |
NL9801023 | Veluwe: NW (incl. enclave) | 400 |
NL9801023 | Veluwe: NO | 400 |
NL9801023 | Veluwe: midden | 400 |
NL9801023 | Veluwe: ZO | 400 |
NL9801023 | Veluwe: zoom | 400 |
NL9801023 | Veluwe: omg Ede | 400 |
NL2003048 | Veluwemeer-Wolderwijd | > 2400 |
NL9801049 | Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek | 410 |
NL4000017 | Voordelta | 2500 |
NL9803077 | Voornes Duin | 770 |
NL1000001 | Waddenzee | 940 |
NL9801013 | Weerribben | 700 |
NL9801035 | Weerterbos | 410 |
NL1000014 | Westduinpark en Wapendal | 1100 |
NL9803061 | Westerschelde | 1420 |
NL2003064 | Wieden | 700 |
NL9801018 | Wierdense veld | 400 |
NL2003050 | Wijnjeterper Schar en Terwispeler Grootschar | 830 |
NL2003051 | Willinks Weust | 830 |
NL2003052 | Witte Veen | 400 |
NL1000003 | Witterveld | 400 |
NL2003053 | Wooldse Veen | 400 |
NL2003054 | Wormer- en Jisperveld en Kalverpolder | 700 |
NL9802068 | Yerseke en Kapelse Moer | 2500 |
NL2003055 | Zeldersche Driessen | 1100 |
NL3004006 | Zouweboezem | 1100 |
NL3004007 | Zuider Lingedijk – Diefdijk Zuid | 1100 |
NL2003056 | Zwarte Meer | 1540 |
NL1000005 | Zwarte Water | 1540 |
NL3000027 | Zwin | 1240 |