U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 22-07-2010.

Ministeriële regeling · BWBR0026543

Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2010

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 16 oktober 2009, nr. 49465, houdende openstelling subsidieaanvragen en vaststelling subsidieplafonds (Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2010)Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2010 De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op de artikelen 2, 4 en 7 van de Kaderwet LNV-subsidies en de artikelen 1:3, 1:7, 1:8, 1:13, 1:15 en 1:17 van de Regeling LNV-subsidies,

Besluit:

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag16 oktober 2009De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G.Verburg

In dit besluit wordt verstaan onder:

De subsidies, bedoeld in artikel 1:20 van de regeling, zijn de subsidies bedoeld in de volgende titels van hoofdstuk 2 van dit besluit:

Er worden geen voorschotten verleend.

De subsidie bedraagt 50% van de totale kosten van het bedrijfsconsult, training of opleiding, met dien verstande dat de subsidie per dagdeel ten hoogste € 250 bedraagt en de subsidie in totaal ten hoogste € 1500 bedraagt.

Het subsidieplafond bedraagt:

Er worden geen voorschotten verleend.

De subsidie bedraagt 50% van de kosten van een bedrijfsadvies en ten minste € 250.

Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, bedraagt:

De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 13, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate:

Het subsidieplafond bedraagt:

Per samenwerkingsverband kan slechts een aanvraag worden ingediend.

De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 500.000 voor het innovatieproject, met dien verstande dat voor kosten als bedoeld in artikel 2:35, eerste lid, onderdelen c en h, van de regeling de subsidie ten hoogste € 400.000 bedraagt.

Het subsidieplafond bedraagt:

Er worden geen voorschotten verleend.

Het subsidieplafond bedraagt € 2.100.000.

De subsidie voor de in artikel 26, eerste lid, bedoelde investeringen bedraagt 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 1.500.000.

Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 26, eerste lid, bedraagt:

De subsidie voor de in artikel 29, eerste lid, bedoelde investeringen bedraagt 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 1.500.000, met dien verstande dat de subsidiabele kosten worden gemaximeerd op € 100/m2 oppervlak voor het gesloten en bijbehorende open gedeelte of het totale opverlak semi-gesloten kas.

Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, bedraagt:

In afwijking van artikel 26, eerste lid, en artikel 29, eerste lid, kunnen geen aanvragen worden ingediend door glastuinbouwonderneming of samenwerkingsverbanden daarvan, indien deze ondernemingen lid zijn van een erkende telersvereniging als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96, tenzij wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening voor kosten die uit hoofde van bijlage 2, hoofdstuk 2, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.

Indien subsidie wordt verleend aan een samenwerkingsverband van een of meer glastuinbouwondernemingen en een of meer andere landbouwondernemingen en het aandeel van de met de investering opgewekte energie dat door die landbouwonderneming of -ondernemingen aan de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen wordt geleverd minder is dan 100% van de energiecapaciteit die met gebruik van de investering kan worden opgewekt, wordt de overeenkomstig artikel 27 vastgestelde subsidie naar rato van dat aandeel verlaagd.

De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 26, eerste lid, en 29, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate de energieinnovatie naar het oordeel van de commissie:

De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten.

Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot 30 september 2012.

Er worden geen voorschotten verleend.

Er worden geen voorschotten verleend.

Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot een jaar na subsidieverlening.

In afwijking van artikel 1:15, derde lid, van de regeling komt niet-verrekenbare BTW niet voor subsidie in aanmerking.

De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten.

Het subsidieplafond bedraagt € 20.000.000.

Voor de rangschikking van de aanvragen is artikel 1:5 van de regeling van toepassing, met dien verstande dat onder het tweede lid het woord ‘subsidieverlening’ wordt gelezen als: subsidievaststelling.

In afwijking van artikel 1:15, derde lid, van de regeling komt niet-verrekenbare BTW niet voor subsidie in aanmerking.

Een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag van de subsidie.

In afwijking van artikel 2:41 van de regeling bedraagt de subsidie € 200, met dien verstande dat de subsidiabele kosten minimaal € 400 bedragen.

Het subsidieplafond bedraagt € 600.000.

Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:55, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 15 september tot en met 31 december 2010.

Het subsidieplafond bedraagt € 250.000.

Een landbouwonderneming kan per Skal-certificaat één aanvraag indienen.

Het subsidieplafond bedraagt € 1.000.000,–.

Onverminderd artikel 2:69p van de Regeling LNV-subsidies is de rente op de lening, bedoeld in artikel 2:69k, eerste lid, van de Regeling LNV-subsidies marktconform en niet hoger dan de wettelijke rente voor handelstransacties.

Het subsidieplafond bedraagt:

Aanvragen tot garantstellingen als bedoeld in Hoofdstuk 2, Titel 12, paragraaf 2, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 4 januari tot en met het tijdstip dat de Commissie van de Europese Unie verstrekking van steun in de vorm van garanties aan landbouwondernemingen op grond van punt 4.2.2 van de Mededeling van de Commissie – Tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de huidige financiële en economische crisis (PbEU C 16), na aanmelding als bedoeld in punt 5.2 van dat kader, aan de Nederlandse autoriteiten heeft toegestaan.

Het subsidieplafond bedoeld in artikel 62, onderdeel b, van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009 is opgehoogd met € 3.500.000.

Het subsidieplafond, bedoeld in artikel 40, onderdeel b, van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009 is opgehoogd met € 10.376.000.

Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 2, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli tot en met 31 juli 2010.

Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 49e, bedraagt het subsidieplafond:

Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:10b van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli tot en met 31 juli 2010.

Het subsidieplafond voor activiteiten als bedoeld in artikel 3:10b van de regeling bedraagt: € 500.000.

Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:21 en 3:25a van de regeling kunnen worden ingediend tot en met 31 januari 2010.

Het subsidieplafond bedraagt voor activiteiten als bedoeld in artikel 3:21 en 3:25a van de regeling: € 2.200.000.

Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:34 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 4 januari tot en met 31 december 2010.

Het subsidieplafond bedraagt ten aanzien van aanvragen door:

Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van de liquiditeitsbehoefte van de aanvrager.

Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4:22, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 augustus tot en met 31 augustus 2010.

De subsidie bedraagt:

Het subsidieplafond bedraagt € 2.000.000.

Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van de liquiditeitsbehoefte van de aanvrager.

In afwijking van artikel 4:29 van de regeling is artikel 1:5 van de regeling van toepassing op aanvragen als bedoeld in artikel 60aa, eerste lid.

De subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 100.000 bedraagt.

Artikel 1:2, tweede lid, van de regeling is niet van toepassing op aanvragen als bedoeld in artikel 61 met dien verstande dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend niet zijn aangevangen voor 1 januari 2007.

Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van liquiditeitsbehoefte.

Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten.

In afwijking van artikel 1:2, tweede lid, van de regeling kan subsidie worden verleend voor activiteiten die zijn aangevangen voor de subsidievaststelling op voorwaarde dat de activiteiten zijn aangevangen na 1 januari 2009.

Er worden geen voorschotten verleend.

Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een lectoraat als bedoeld in artikel 4a:3 van de regeling, kunnen worden ingediend in de periode 1 juli 2010 tot 15 september 2010.

De hoogte van het subsidiebedrag bedraagt maximaal € 120.000 per jaar.

De duur van de subsidieverlening bedraagt maximaal 4 jaar.

Het subsidieplafond bedraagt € 1.920.000.

De volgende subsidieplafonds worden, voor zover van toepassing, naar rato verhoogd:

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.

Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2010.

Eerste energieschermen, niet zijnde gevelschermen of (teeltkundig vereiste) verduisteringsschermen of wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen (artikel 22, eerste lid, onderdeel a):

Tweede energieschermen, niet zijnde gevelschermen of (teeltkundig vereiste) verduisteringsschermen of wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen (artikel 22,eerste lid, onderdeel b):

Klimaatcomputer (artikel 22, eerste lid, onderdeel c):

Meerinvestering kasdek met antireflectie gecoat kasdekglas of kasdekkunstof (artikel 22, onderdeel d):

Warmtebuffersysteem (artikel 22, eerste lid, onderdeel e):

Energieclusters (artikel 22, eerste lid, onderdeel f):

Hogedruk vernevelingssysteem voor kaskoeling (artikel 22, eerste lid, onderdeel g):

Gevelscherm, niet zijnde verduisteringsscherm (artikel 22, eerste lid, onderdeel h):

Energiebesparend ventilatiesysteem met warmte terugwinning en/of voorverwarming (artikel 22, eerste lid, onderdeel i):

Meerinvestering diffuus glas (artikel 22, eerste lid, onderdeel j):

Bedrijfsnaam:

Eigenaar/indiener:

Bedrijfsadres:

Postcode/plaats:

Bedrijfswebsite:

Correspondentieadres:

Postcode/plaats:

Telefoonnummer:

E-mailadres:

Aanvraagnummer:

De berekeningen zijn gemaakt op grond van de door de aanvrager ingevulde karakteristieken met betrekking tot het verwarmings- en koelingsysteem, de installaties die in kas en ketelhuis worden voorzien en het door de tuinder gewenste kasklimaat.

Als rekenmodel wordt gebruik gemaakt van programmatuur die in het kader van het project Synergie is ontwikkeld ten behoeve van de technische, energetische en economische beoordeling van gesloten kasconcepten. Dit rekenmodel is gebouwd en wordt onderhouden door de Business Unit Glas van Wageningen UR.

Het model rekent op uurbasis de warmte- en koudebehoefte van de door de aanvrager beschreven kasconfiguratie in een gemiddeld Nederlands jaar. Vanuit deze gegevens wordt voor elk uur uitgerekend welke gas-, elektriciteits-, CO2-behoefte en laagwaardig warmtegebruik of -overschot voor deze kas verwacht mag worden.

Deze berekening wordt gemaakt voor de geconditioneerde kas en voor een relevante referentie.

De vergelijking van de berekende CO2-emissie voor het hierbij ingediende geconditioneerde kasconcept met de referentie leidt tot de conclusie dat de verwachte CO2-emissiereductie ........... bedraagt.

In de tuinbouw staat de klimatiseringsinstallatie ten dienste van het gewas om een zo gunstig mogelijk kasklimaat te realiseren. Er blijft evenwel, zelfs in geconditioneerde kassen, altijd een spanningsveld tussen het klimaat waarbij het gewas het beste zou groeien en de kosten de gepaard gaan met het realiseren van dat klimaat. Zo wordt in de gangbare tuinbouw weliswaar bij hoge instraling een hoge CO2-concentratie gewenst, maar de dosering wordt toch begrensd om de CO2-gift in overeenstemming te houden met de hoeveelheid warmte die bij de productie van rookgassen vrijkomt. Ook wordt geaccepteerd dat, omwille van een gunstig gascontract, op heel koude dagen de gewenste etmaaltemperatuur niet gerealiseerd wordt. Het model houdt met al deze zaken rekening (middels de begrenzingen van het klimatiseringssysteem (zie deel 2).

De kasklimaatinstellingen die in dit deel moeten worden ingevuld moeten dan ook worden opgevat op dezelfde manier als waarop de instellingen van de kasklimaatcomputer worden gebruikt.

Er staan twee kolommen met invoergegevens en indien de geconditioneerde kas niet de gehele unit beslaat maar slechts een fractie dan komt er nog een derde kolom die aangeeft hoe het klimaat in het niet-geconditioneerde deel gewenst wordt.

In de eerste kolom staan de instellingen die voor de geconditioneerde kas gaan gelden.

De tweede kolom wordt gebruikt om de referentiesituatie te beschrijven. Veel getallen zullen gelijk zijn, maar wellicht wordt in de geconditioneerde kas de temperatuur waarboven gekoeld wordt wat hoger gekozen dan u in de referentie zou hebben gedaan. Ook het gebruik van minimumbuis zal in de geconditioneerde kas vaak minder zijn.

De derde kolom verschijnt in afhankelijkheid van de gesloten kasfractie. De teelt-instellingen in de derde kolom zullen veel gelijkenis vertonen met de instellingen van de tweede kolom.

Elk veld heeft een uitleg, die naar voren komt als de muis erop wordt gelegd. Achterin dit document staan alle toelichtingen bij elkaar geplaatst.

Op deze pagina treft u drie belichtingsschema’s die u kunt gebruiken om de door u gebruikte wijze van belichting vast te leggen. U kunt voor verschillende kasafdelingen verschillende schema’s gebruiken (dus voor de geconditioneerde kasafdeling een ander schema dan voor de referentie of voor de niet-geconditioneerde delen van het nieuw te bouwen of te vernieuwen kascomplex), maar u kunt ook voor alle afdelingen hetzelfde schema gebruiken.

De drie getoonde schema’s zijn voorzien van default instellingen. U kunt ze evenwel naar eigen inzicht aanpassen.

[Schema 1] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 1 kiest

[Schema 2] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 2 kiest

[Schema 3] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 3 kiest

Met de installatie van een semi-gesloten kas zal een nieuw ketelhuis worden neergezet of het bestaande ketelhuis worden gerenoveerd. Er zal waarschijnlijk een warmtepomp, een aquifer en een etmaalbuffer voor laagwaardige warmte/kou worden geplaatst en er wordt waarschijnlijk een WK geplaatst. Ook is het denkbaar dat de nieuwe of vernieuwde kas wordt voorzien van additionele CO2-voorziening in de vorm van zuivere- of OCAP-CO2.

In dit deel kunt u de eigenschappen van het nieuwe ketelhuis vastleggen.

Indien het ontwerp om een systeem gaat waarbij de semi-gesloten kas een fractie is van het totale kasoppervlak dat door het nieuw (ingerichte) ketelhuis wordt verwarmd, dan gaat het rekenprogramma er van uit dat de in de zomer verzamelde warmte in de winter zowel op het geconditioneerde deel als op het niet geconditioneerde deel wordt gebruikt (zoals bijvoorbeeld bij Themato).

Als u in het vorige deel hebt aangegeven dat de geconditioneerde kasfractie 100% is, dan betekent dit dat de nieuwe of vernieuwde ketelhuisconfiguratie die hier in deel 2 wordt beschreven uitsluitend wordt ingezet voor (de) geconditioneerde afdeling(en).

Teneinde de gerealiseerde CO2-emissiebeperking te kunnen berekenen dient u ook het referentie-ketelhuis te beschrijven.

In de geconditioneerde kasafdeling zijn luchtbehandelingunits geplaatst. Tijdens gebruik van deze units leveren ze een bepaalde koelcapaciteit. Deze is vooral afhankelijk van het temperatuurverschil tussen ingaand water en ingaande lucht en van de hoeveelheid lucht die er doorheen wordt geblazen.

Daarnaast speelt ook de luchtvochtigheid een rol. (Deze kan worden verhoogd door gebruik te maken van een fogging installatie (afhankelijk van de instelling in deel 1)).

Bij het gebruik van de installatie koelsysteem wordt er elektriciteit gebruikt. Vooral voor het circuleren van de lucht, maar ook voor het verpompen van water.

Het elektriciteitsverbruik per eenheid koelvermogen, maar ook het waterdebiet en de opwarming van het water is door dit alles sterk afhankelijk van de gekozen luchtbehandelingunits, het aantal dat daarvan gebruikt wordt en de kasklimaatcondities waaronder gekoeld wordt.

Het is niet waarschijnlijk dat de luchtbehandelingskast-leverancier de prestatie van de koelunit onder al die variabele omstandigheden voorhanden heeft. Laat staan dat die dan ook nog gedocumenteerd zouden zijn.

Omdat de kwaliteit van de koelunits echter een duidelijke invloed heeft op het energiebesparingresultaat van semi-gesloten kassen is het noodzakelijk om toch over zo'n prestatie karakterisering te beschikken.

In dit deel wordt vanuit een bench-mark punt (dat bij voorkeur zo dicht mogelijk ligt bij de werkingscondities die representatief zijn voor het gebruik in uw situatie) een karakterisering van het koelsysteem gemaakt die toegesneden is op uw kasklimaatwensen en die het deellastgedrag in beeld brengt. Er worden grafieken gemaakt van het elektriciteitsverbruik als functie van het koelvermogen, het waterdebiet door de koelers en de temperatuur waarmee het water uit de koelers zal komen. Tevens wordt op grond van de koeleigenschappen een karakterisering gemaakt voor het gedrag van deze units bij gebruik voor verwarming.

Vanuit de benchmark punten kan worden berekend dat de ontvochtigingscapaciteit 19,6 liter/uur is.

Dit betekent een latente warmteafvoer van 13,3 kW. De voelbare warmteoverdracht is dus 6,67 kW.

Er worden (vraag 10) 60 van deze units op de gekoelde afdeling van 0,5 ha geplaatst ( 83 m2 per unit).

De voelbare warmteoverdrachtscoëfficiënt blijkt 1,67 kW per °C verschil tussen gemiddelde water- en luchttemperatuur.

Het programma gaat ervan uit dat de luchtbehandelingkasten ook voor verwarmen worden gebruikt.

Op grond van de warmte-overdrachtgegevens in de koelmodus wordt voor de verwarming verondersteld dat de units 0,045 W ventilatorenergie gebruiken per overgedragen W verwarmingsvermogen.

Dit komt neer op een COP-verwarming van 22,2 (dit is exclusief het verbruik van de warmtepomp).

De combinatie van benchmark-punten en kasklimaat in de geconditioneerde afdeling levert de volgende karakteristieken van de koeler:

Hieruit worden de onderstaande tabellen afgeleid waarmee het simulatiemodel zal rekenen.

Gemiddeld is het uittredend 4,46 °C lager dan de intredende lucht. Voor de pompen wordt met een drukval van 0,69667 bar/(m3/uur) gewerkt.

Hier ziet u de resultaten m.b.t. de teelt en de resultaten qua energieverbruik en CO2-emissie.

1 Bron: H.F. van Dobben & A. van Hinsberg (2008): Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en Natura 2000-gebieden. Alterra-rapport 1654.