Ministeriële regeling · BWBR0026543
Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2010
Gelet op de artikelen 2, 4 en 7 van de Kaderwet LNV-subsidies en de artikelen 1:3, 1:7, 1:8, 1:13, 1:15 en 1:17 van de Regeling LNV-subsidies,
Besluit:
Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag16 oktober 2009De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G.VerburgIn dit besluit wordt verstaan onder:
- –
regeling:Regeling LNV-subsidies;
- –
verordening (EG) nr. 2200/96:verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sectoren groenten en fruit (PbEG L 297);
- –
verordening 73/2009: Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PbEU L 30).
De subsidies, bedoeld in artikel 1:20 van de regeling, zijn de subsidies bedoeld in de volgende titels van hoofdstuk 2 van dit besluit:
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen die overwegen om te schakelen naar de biologische productiemethode, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Landbouwkwaliteitsbesluit biologische productiemethode, die in omschakeling zijn of die reeds omgeschakeld zijn naar die biologische productiemethode.
Aanvragen tot subsidieverlening voor de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, onderdeel a, van de regeling, kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen die in liquiditeitsproblemen verkeren.
De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 4 januari tot en met 30 november 2010.
De aanvragen, bedoeld in het tweede lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 mei tot en met 7 juli 2010.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid, kunnen uitsluitend worden ingediend voor de in artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, b, c, d en g, van de regeling genoemde typen bedrijfsconsulten of de in het derde lid van dat artikel genoemde opleidingen, trainingen of voorlichtingsbijeenkomsten, en uitsluitend voor zover deze activiteiten betrekking hebben op:
- a.
de bedrijfseconomische gevolgen van de omschakeling naar, aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode;
- b.
de markt- en afzetperspectieven voor de ondernemer bij omschakeling naar, de aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode;
- c.
de implementatie van de regelgeving voor de biologische productiemethode in de bedrijfsvoering;
- d.
de aanpassingen in het bedrijfssysteem ten behoeve van de biologische productiemethode;
- e.
de financieringsmogelijkheden van de voor omschakeling naar, de aanpassing of uitbreiding van de biologische productiemethode benodigde investeringen;
- f.
het verwerven van technische kennis en vaardigheden van de biologische productiemethode, of
- g.
het verwerven van technische kennis en vaardigheden voor het uitoefenen van een of meer andere activiteiten dan de primaire agrarische activiteit met dien verstande dat de aanvrager de primaire agrarische activiteit blijft voortzetten.
In afwijking van artikel 3, eerste lid, kunnen geen aanvragen worden ingediend door landbouwondernemingen die lid zijn van een erkende telersvereniging als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96, tenzij door desbetreffende ondernemingen wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening voor kosten die uit hoofde van artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, en g, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
De aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3, eerste lid kunnen uitsluitend tot subsidievaststelling leiden, indien de ingeschakelde adviseur of instelling voldoet aan artikel 2:8, tweede lid, onderdeel e, van de regeling.
Per landbouwonderneming kan slechts één aanvraag tot subsidieverlening worden ingediend op grond van artikel 3, eerste lid of artikel 3, tweede lid.
Aanvragen tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 3, tweede lid, worden afgewezen, indien aan de aanvrager reeds in 2009, op grond van artikel 3, tweede lid, van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009 een subsidie is verleend.
De aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3, tweede lid:
- a.
kunnen uitsluitend worden ingediend voor de in artikel 2:3, tweede lid, onderdelen a, c en d, van de regeling genoemde typen bedrijfsconsulten en voor zover deze ten minste betrekking hebben op:
- a.
een beschrijving van de moeilijkheden waarin het bedrijf verkeert met een kwantificering daarvan;
- b.
de stappen die de onderneming kan nemen die leiden tot verbetering en de financiële aspecten die daarbij aan de orde komen.
- a.
De aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3, tweede lid;
- a.
kunnen uitsluitend tot subsidieverlening leiden, indien de aanvrager een bankverklaring overlegt waaruit volgt dat de onderneming liquiditeitsproblemen ondervindt en daardoor volgens normaal bankgebruik geen financiering kan krijgen;
- b.
kunnen uitsluitend tot subsidievaststelling leiden, indien de ingeschakelde adviseur of instelling voldoet aan artikel 2:8, tweede lid, onderdeel e, van de regeling.
Op de aanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, is artikel 2:1a, aanhef en onderdeel a, van de regeling niet van toepassing.
Er worden geen voorschotten verleend.
De subsidie bedraagt 50% van de totale kosten van het bedrijfsconsult, training of opleiding, met dien verstande dat de subsidie per dagdeel ten hoogste € 250 bedraagt en de subsidie in totaal ten hoogste € 1500 bedraagt.
Het subsidieplafond bedraagt:
- a.
€ 450.000 voor aanvragen als bedoeld in artikel 3, eerste lid;
- b.
€ 191.500 voor aanvragen als bedoeld in artikel 3, tweede lid.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen die rechtstreekse betalingen uit hoofde van verordening (EG) nr. 73/2009 ontvangen.
Onder beheerseisen en minimumeisen als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, wordt verstaan: beheerseisen en bepalingen inzake goede landbouw- en milieucondities als bedoeld in artikel 3 en 6 van de Regeling GLB inkomenssteun 2006.
De aanvragen kunnen uitsluitend betrekking hebben op adviezen als bedoeld in artikel 2:8, eerste lid, onderdelen a tot en met c, van de regeling.
De aanvragen kunnen worden ingediend:
- a.
in de periode van 4 januari tot en met 26 februari 2010, of
- b.
in de periode van 2 augustus tot en met 30 september 2010.
Artikel 2:10, derde lid, van de regeling is niet van toepassing op aanvragen die worden ingediend in de periode, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b.
Er worden geen voorschotten verleend.
De subsidie bedraagt 50% van de kosten van een bedrijfsadvies en ten minste € 250.
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, bedraagt:
- a.
€ 300.000 voor aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel a;
- b.
€ 300.000 voor aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 9, vierde lid, onderdeel b.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen, met dien verstande dat een samenwerkingsverband uit minimaal twee deelnemers bestaat.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen of kennisinstellingen, met dien verstande dat een samenwerkingsverband uit minimaal acht deelnemers bestaat.
De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen uitsluitend worden ingediend voor projecten als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, onderdeel b, van de regeling en hebben een duur van ten hoogste twee jaar.
De aanvragen, bedoeld in het tweede lid, kunnen uitsluitend worden ingediend voor projecten als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, onderdeel c, van de regeling en hebben een duur van ten hoogste drie jaar.
De aanvragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden ingediend in de periode van 15 september tot en met 29 oktober 2010.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 13, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate:
- a.
het gekozen thema en de gekozen aanpak van het project inhoudelijk meer vernieuwend zijn;
- b.
het project een meer duurzaam karakter heeft;
- c.
de samenstelling van het samenwerkingsverband beter past bij het project;
- d.
de kennis en ervaring effectiever worden verspreid.
De subsidie bedraagt voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, 80% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 40.000.
De subsidie bedraagt voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 13, tweede lid, 70% van de subsidiabele kosten, en bedraagt ten minste € 100.000 en ten hoogste € 500.000.
Het subsidieplafond bedraagt:
- a.
voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, € 1.200.000;
- b.
voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 13, tweede lid, € 3.600.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-. paarden-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij.
Aanvragen tot verlening van subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen tevens worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat de landbouwondernemingen werkzaam zijn in de bijenhouderij, glastuinbouw, paddenstoelenteelt, akkerbouw, opengrondstuinbouw of teelt van plantaardig uitgangsmateriaal.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat het innovatieproject past binnen één of meerdere van de nieuwe uitdagingen: klimaatverandering, waterbeheer, hernieuwbare energie en biodiversiteit.
De aanvragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 februari tot en met 26 februari 2010.
De aanvragen, bedoeld in het derde lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 juni tot en met 15 juli 2010.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 17, eerste, tweede of derde lid, advies uit aan de minister in de vorm van een rangschikking.
Projecten als bedoeld in artikel 17, eerste en tweede lid, hebben een meer innovatief karakter als bedoeld in artikel 2:33, onderdeel a, van de regeling naarmate het project meer aansluit bij de programmalijnen van de desbetreffende sectorale innovatieagenda’s.
Projecten als bedoeld in artikel 17, eerste lid, hebben een meer duurzaam karakter als bedoeld in artikel 2:33, onderdeel d, van de regeling naarmate het project meer bijdraagt aan de uitwerking van de zes speerpunten van de Uitvoeringsagenda duurzame veehouderij.
Per samenwerkingsverband kan slechts een aanvraag worden ingediend.
De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 500.000 voor het innovatieproject, met dien verstande dat voor kosten als bedoeld in artikel 2:35, eerste lid, onderdelen c en h, van de regeling de subsidie ten hoogste € 400.000 bedraagt.
Het subsidieplafond bedraagt:
- a.
voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 17, eerste lid, € 3.250.000;
- b.
voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 17, tweede lid, € 3.750.000;
- c.
voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 17, derde lid, € 5.600.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in:
- a.
een eerste energiescherm als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 1, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 1, onderdeel B, van de regeling;
- b.
een tweede energiescherm als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 2, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 2, onderdeel B, van de regeling;
- c.
een klimaatcomputer als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 3, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 3, onderdeel B, van de regeling;
- d.
een kasdek met antireflectie als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 4, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 4, onderdeel B, van de regeling;
- e.
een warmtebuffersysteem als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 5, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 5, onderdeel B, van de regeling;
- f.
energieclusters als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 7, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 7, onderdeel B, van de regeling;
- g.
een hogedruk vernevelingssysteem ten behoeve van kaskoeling als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 8, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door energie-extensieve glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 8, onderdeel B, van de regeling;
- h.
een gevelscherm als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 9, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 9, onderdeel B, van de regeling, of
- i.
een energiebesparend ventilatiesysteem met warmte terugwinning en/of voorverwarming als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 10, onderdeel A, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 10, onderdeel B, van de regeling;
- j.
diffuus glas als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk1, paragraaf 11, onderdeel A van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 1, paragraaf 11, onderdeel B van de regeling.
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 april tot en met 14 mei 2010.
De Minister rangschikt de aanvragen overeenkomstig artikel 1:6 van de regeling.
Er worden geen voorschotten verleend.
De subsidie voor de in artikel 22, eerste lid, bedoelde investeringen wordt vastgesteld overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in bijlage 1 bij dit besluit met betrekking tot de daarin onderscheiden landbouwondernemingen of samenwerkingsverbanden.
De volledige aanvraag tot subsidievaststelling wordt uiterlijk 1 jaar na subsidieverlening ingediend.
Het subsidieplafond bedraagt € 2.100.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in energieinnovaties als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel a, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde energieinnovatie op grond van artikelen 3.2 of 4.2 van de Tijdelijke energieregeling markt en innovatie worden gesubsidieerd.
De aanvragen kunnen worden ingediend:
- a.
in de periode van 1 februari tot en met 12 maart 2010, of
- b.
in de periode van 15 september tot en met 29 oktober 2010.
De subsidie voor de in artikel 26, eerste lid, bedoelde investeringen bedraagt 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 1.500.000.
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 26, eerste lid, bedraagt:
- a.
€ 8.000.000 voor aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 26, tweede lid, onderdeel a;
- b.
€ 8.000.000 voor aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 26, tweede lid, onderdeel b.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in energieinnovaties als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt A, onderdeel b, van de regeling kunnen worden ingediend door glastuinbouwondernemingen en samenwerkingsverbanden als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 2, punt B, van de regeling, met uitzondering van glastuinbouwondernemingen die voor dezelfde energieinnovatie op grond van de artikelen 3.2 of 4.2 van de Tijdelijke energieregeling markt en innovatie worden gesubsidieerd.
De aanvragen kunnen worden ingediend:
- a.
in de periode van 1 februari tot en met 12 maart 2010, of
- b.
in de periode van 15 september tot en met 29 oktober 2010.
De subsidie voor de in artikel 29, eerste lid, bedoelde investeringen bedraagt 40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 1.500.000, met dien verstande dat de subsidiabele kosten worden gemaximeerd op € 100/m2 oppervlak voor het gesloten en bijbehorende open gedeelte of het totale opverlak semi-gesloten kas.
Het subsidieplafond voor subsidies voor investeringen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, bedraagt:
- a.
€ 5.000.000 voor aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel a;
- b.
€ 5.000.000 voor aanvragen ingediend in de periode, bedoeld in artikel 29, tweede lid, onderdeel b.
In afwijking van artikel 26, eerste lid, en artikel 29, eerste lid, kunnen geen aanvragen worden ingediend door glastuinbouwonderneming of samenwerkingsverbanden daarvan, indien deze ondernemingen lid zijn van een erkende telersvereniging als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2200/96, tenzij wordt aangetoond dat geen steun wordt ontvangen als bedoeld in artikel 15 of 16 van die verordening voor kosten die uit hoofde van bijlage 2, hoofdstuk 2, van de regeling kunnen worden gesubsidieerd.
Indien subsidie wordt verleend aan een samenwerkingsverband van een of meer glastuinbouwondernemingen en een of meer andere landbouwondernemingen en het aandeel van de met de investering opgewekte energie dat door die landbouwonderneming of -ondernemingen aan de glastuinbouwonderneming of glastuinbouwondernemingen wordt geleverd minder is dan 100% van de energiecapaciteit die met gebruik van de investering kan worden opgewekt, wordt de overeenkomstig artikel 27 vastgestelde subsidie naar rato van dat aandeel verlaagd.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 26, eerste lid, en 29, eerste lid, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking, waarbij de aanvragen hoger zijn gerangschikt naarmate de energieinnovatie naar het oordeel van de commissie:
- –
meer bijdraagt aan klimaatneutrale glastuinbouw door een zo laag mogelijk gebruik van primaire energie en een zo laag mogelijke CO2-uitstoot;
- –
meer teelttechnisch en economisch perspectief heeft en meer perspectief biedt voor toepassing door andere ondernemingen, of
- –
een hoger niveau van doorontwikkeling vertegenwoordigt gericht op teelttechnische of economische inpasbare systemen.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in gecombineerde luchtwassystemen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 3, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 3, punt B, van de regeling, met uitzondering van landbouwondernemingen gelegen in extensiveringsgebieden als bedoeld in artikel 1 van de Reconstructiewet.
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 juni tot en met 15 juli 2010.
Overeenkomstig artikel 1:4 van de regeling wordt een aanvraag hoger gerangschikt naarmate:
- a.
de landbouwonderneming ten hoogste 1000 meter is verwijderd van een gebied als omschreven in bijlage 3 bij dit besluit (2 punten), en
- b.
de aanvrager een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer of een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht heeft aangevraagd voor één of meer gecombineerde luchtwassystemen (1 punt).
Aanvragen tot subsidieverlening die op grond van het eerste lid inhoudelijk gelijk zijn gewaardeerd en daardoor niet kunnen worden verleend in verband met overschrijding van het subsidieplafond, worden door loting gerangschikt.
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot 30 september 2012.
Er kan slechts één aanvraag worden ingediend per inrichting als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
De subsidie bedraagt 35% van de subsidiabele kosten.
Het subsidieplafond bedraagt € 5.750.000.
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van:
- a.
€ 1.387.500 voor landbouwondernemingen die gevestigd zijn in de provincie Overijssel;
- b.
€ 1.156.250 voor landbouwondernemingen die gevestigd zijn in de provincie Noord-Brabant.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:42, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli tot en met 13 augustus 2010.
Een jonge landbouwer kan slechts één aanvraag indienen.
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot 30 september 2012.
Er worden geen voorschotten verleend.
Het subsidieplafond bedraagt € 7.200.000.
In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van:
- a.
€ 186.047 voor jonge landbouwers gevestigd in Friesland;
- b.
€ 159.070 voor jonge landbouwers gevestigd in Drenthe;
- c.
€ 291.125 voor jonge landbouwers gevestigd in Overijssel;
- d.
€ 679.070 voor jonge landbouwers gevestigd in Gelderland;
- e.
€ 51.163 voor jonge landbouwers gevestigd in Utrecht;
- f.
€ 232.558 voor jonge landbouwers gevestigd in Noord-Holland;
- g.
€ 55.814 voor jonge landbouwers gevestigd in Zeeland;
- h.
€ 279.070 voor jonge landbouwers gevestigd in Noord-Brabant;
- i.
€ 93.023 voor jonge landbouwers gevestigd in Limburg.
- a.
De subsidiabele kosten bedragen nooit meer dan € 100.000.
- b.
De subsidie bedraagt ten minste € 5000 en ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten.
De Minister rangschikt de aanvragen voor subsidies als bedoeld in artikel 40, eerste lid, overeenkomstig artikel 1:5 van de regeling, met dien verstande dat per provincie voorrang wordt gegeven aan jonge landbouwers die op grond van de regeling ook in 2008 of 2009 aanvragen hebben ingediend en:
- a.
vanwege overschrijding van de subsidieplafonds in die jaren niet voor subsidieverlening in aanmerking kwamen en in 2010 opnieuw voor subsidie in aanmerking willen komen op grond van de regeling, en
- b.
voldoen aan de voorwaarden van de regeling.
Na verlening van de aanvragen overeenkomstig het eerste lid, geschiedt, voor zover van toepassing, de toewijzing van de aanvragen waarvan de onderneming zijn hoofdvestiging heeft in de provincies die een additioneel subsidieplafond ter beschikking hebben gesteld.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in een integraal duurzame stal of houderijsysteem als bedoeld in Bijlage 2, Hoofdstuk 4, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen die werkzaam zijn in de melkvee-, vleesvee-, schapen-, geiten-, varkens-, kalveren-, pluimvee-, inclusief eenden- en kalkoenenhouderij, of konijnenhouderij.
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 15 september tot en met 15 oktober 2010.
De door de Minister ingestelde beoordelingscommissie brengt na de beoordeling van de aanvragen, bedoeld in artikel 43c, advies uit aan de Minister in de vorm van een rangschikking.
Een aanvraag wordt hoger gerangschikt naar mate:
- a.
de integraal duurzame stal of houderijsysteem waarin wordt geïnvesteerd in de beginfase van marktintroductie verkeert;
- b.
de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem meer economisch of technisch perspectief heeft;
- c.
er voor de investering in de integraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het dierenwelzijn, en
- d.
er voor de investering in de intergraal duurzame stal of houderijsysteem een betere verhouding tussen de prijs en kwaliteit bestaat, gezien het aangevraagde subsidiebedrag en de verbetering van het milieu, diergezondheid of arbeidsomstandigheden.
De subsidie bedraagt 40% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 400.000 bedraagt.
Een op de liquiditeitsbehoefte afgestemd voorschot kan worden verleend, mits de aanvraag tot voorschotverlening vergezeld gaat van het overzicht van de liquiditeitsbehoefte.
Het tweede lid is, in zoverre in afwijking van artikel 65 van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009, van overeenkomstige toepassing op subsidies die zijn verleend op grond van aanvragen die zijn ingediend op grond van artikel 59 van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009.
Het subsidieplafond bedraagt: € 15.000.000.
De extra kosten, bedoeld in Bijlage 2, Hoofdstuk 4, punt C, van de regeling betreffen de kosten die worden gemaakt naast de norminvesteringen met betrekking tot dierenwelzijn en, voor zover van toepassing met betrekking tot milieu of diergezondheid, in een gangbare stal, als bedoeld in de kwantitatieve informatie veehouderij.
Aanvragen tot subsidieverlening voor een investering in een techniek ter vermindering van de uitstoot fijn stof als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 5, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 5, punt B, van de regeling.
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 4 januari 2010 tot en met 31 december 2010.
De Minister rangschikt de aanvragen overeenkomstig artikel 1:6 van de regeling.
Er kan slechts één aanvraag worden ingediend per inrichting bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, van de Wet Milieubeheer.
Er worden geen voorschotten verleend.
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot een jaar na subsidieverlening.
In afwijking van artikel 1:15, derde lid, van de regeling komt niet-verrekenbare BTW niet voor subsidie in aanmerking.
De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten.
Het subsidieplafond bedraagt € 20.000.000.
Aanvragen tot subsidievaststelling voor een investering als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 6, punt A, van de regeling kunnen worden ingediend door landbouwondernemingen als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk 6, punt B, van de regeling.
De aanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 april 2010 tot en met 10 juni 2010.
Er kan slechts één aanvraag worden ingediend per landbouwonderneming.
Voor de rangschikking van de aanvragen is artikel 1:5 van de regeling van toepassing, met dien verstande dat onder het tweede lid het woord ‘subsidieverlening’ wordt gelezen als: subsidievaststelling.
In afwijking van artikel 1:15, derde lid, van de regeling komt niet-verrekenbare BTW niet voor subsidie in aanmerking.
Een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag van de subsidie.
In afwijking van artikel 2:41 van de regeling bedraagt de subsidie € 200, met dien verstande dat de subsidiabele kosten minimaal € 400 bedragen.
Het subsidieplafond bedraagt € 600.000.
Aanvraag tot verlening van een subsidie voor een investering in een machine of installatie als bedoeld in Bijlage 2, Hoofdstuk 7, punt A, van de regeling kan worden ingediend in de periode van 18 oktober tot en met 15 november 2010.
Per landbouwonderneming kan één aanvraag worden ingediend, welke betrekking kan hebben op één of meerdere van de in de categorieën 1 tot en met 5, bedoeld in Bijlage 2, hoofdstuk 7, punt A, van de regeling, onderscheiden machines of installaties.
Op de rangschikking van de aanvragen is artikel 1:6 van de regeling van toepassing.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een investering in een machine of installatie als bedoeld in Bijlage 2, Hoofdstuk 7, punt A, categorie 5, van de regeling kunnen uitsluitend worden ingediend door landbouwbedrijven die zijn gelegen in Noord-Brabant.
Er worden geen voorschotten verleend.
Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen worden ingediend tot en met 29 september 2012 en per landbouwonderneming kan in die periode slechts één aanvraag worden ingediend.
De subsidie voor een machine of installatie als bedoeld in Bijlage 2, Hoofdstuk 7, punt A, van de regeling bedraagt per categorie:
- a.
voor zover het een investering uit categorieën 1, 2, 4 of 5 betreft 40% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie per hiervoor genoemde categorie ten hoogste € 100.000 bedraagt;
- b.
voor zover het een investering of investeringen uit categorie 3 betreft en de subsidie wordt verstrekt aan een landbouwonderneming waarvoor een minimumopslagcapaciteit is voorgeschreven krachtens Hoofdstuk V van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet:
- 1.
25% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 50.000, ingeval de investering of investeringen leiden tot opslagcapaciteitverhoging van niet meer dan drie maanden;
- 2.
40% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 100.000, ingeval de investering of de investeringen leiden tot opslagcapaciteitverhoging van meer dan drie maanden;
- 1.
- c.
voor zover het een investering of investeringen uit categorie 3 betreft en de subsidie wordt verstrekt aan een landbouwonderneming waarvoor geen minimumopslagcapaciteit is voorgeschreven krachtens Hoofdstuk V van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, 25% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 50.000;
- d.
ten minste € 5000.
Het subsidieplafond voor investeringen in machines of installaties als bedoeld in Bijlage 2. Hoofdstuk 7, punt A, van de regeling bedraagt:
- a.
€ 6.400.000 voor de categorieën 1, 2, 3 en 4;
- b.
€ 1.600.000 voor categorie 5.
Voor investeringen in machines of installaties als bedoeld in Bijlage 2, Hoofdstuk 7, punt A, categorie 3, van de regeling, is het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, verhoogd met € 1.600.000, met dien verstande dat de verhoging uitsluitend bestemd is voor:
- a.
landbouwondernemingen die werkzaam zijn in de melkveehouderij en gelegen zijn binnen het gebied, zoals vastgesteld krachtens de Waterschapswet, van het waterschap de Dommel of het waterschap de Brabantse Delta, en
- b.
de investeringen leiden tot een opslagcapaciteitverhoging van meer dan drie maanden.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:55, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 15 september tot en met 31 december 2010.
Het subsidieplafond bedraagt € 250.000.
Een landbouwonderneming kan per Skal-certificaat één aanvraag indienen.
Aanvragen tot verstrekking van een subsidie als bedoeld in artikel 2:69k, eerste lid, van de Regeling LNV-subsidies kunnen worden ingediend in de periode van 1 juni tot en met 30 november 2010.
Aanvragen kunnen worden ingediend door ondernemingen die zodanig ernstig zijn getroffen door maatregelen ter bestrijding van de Q-koorts dat zij als rechtstreeks gevolg daarvan zijn aan te merken als onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2:69c, eerste lid, van de Regeling LNV-subsidies.
Het subsidieplafond bedraagt € 1.000.000,–.
Onverminderd artikel 2:69p van de Regeling LNV-subsidies is de rente op de lening, bedoeld in artikel 2:69k, eerste lid, van de Regeling LNV-subsidies marktconform en niet hoger dan de wettelijke rente voor handelstransacties.
Artikel 1:13, tweede lid, van de Regeling LNV-subsidies, is niet van toepassing.
De subsidieontvanger van de subsidie, bedoeld in artikel 2:69k van de Regeling LNV-subsidies, voert het herstructureringsplan, bedoeld in artikel 2:69n, eerste lid, van de Regeling LNV-subsidies, zo spoedig als mogelijk uit, maar in ieder geval binnen twee jaar nadat bedoelde subsidie is verstrekt.
Binnen vier maanden na afronding van de maatregelen in het herstructureringsplan, bedoeld in artikel 2:69n van de Regeling LNV-subsidies, dient de subsidieontvanger een eindverslag in dat ten minste bevat:
- a.
een kopie van de overeenkomst voor de lening, bedoeld in artikel 2:69k, eerste lid, van de Regeling LNV-subsidies, zoals afgesloten;
- b.
het bewijs dat de aanvrager bedoelde lening volledig heeft opgenomen.
Het subsidieplafond bedraagt:
- a.
€ 50.000.000 voor garantstellingen als bedoeld in artikel 2:79 van de regeling;
- b.
€ 80.000.000 voor garantstellingen als bedoeld in artikel 2:80 van de regeling.
Aanvragen tot garantstellingen als bedoeld in Hoofdstuk 2, Titel 12, paragraaf 2, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 4 januari tot en met het tijdstip dat de Commissie van de Europese Unie verstrekking van steun in de vorm van garanties aan landbouwondernemingen op grond van punt 4.2.2 van de Mededeling van de Commissie – Tijdelijke communautaire kaderregeling inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de huidige financiële en economische crisis (PbEU C 16), na aanmelding als bedoeld in punt 5.2 van dat kader, aan de Nederlandse autoriteiten heeft toegestaan.
Het subsidieplafond voor aanvragen als bedoeld in artikel 2:82 van de regeling bedraagt € 100.000.000.
Het in het eerste lid bedoelde plafond is tevens van toepassing op aanvragen die in 2009 zijn ingediend.
Het subsidieplafond bedoeld in artikel 62, onderdeel b, van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009 is opgehoogd met € 3.500.000.
Het subsidieplafond, bedoeld in artikel 40, onderdeel b, van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009 is opgehoogd met € 10.376.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 2, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli tot en met 31 juli 2010.
Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 49e, bedraagt het subsidieplafond:
- a.
voor projecten als bedoeld in artikel 3:4, eerste en tweede lid, van de regeling: € 800.000;
- b.
voor programma’s als bedoeld in artikel 3:4, eerste en derde lid, van de regeling: € 1.700.000.
Voor zover na de periode voor indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 49e het subsidieplafond, bedoeld in artikel 49f, aanhef en onderdeel a, niet wordt bereikt, wordt het resterende bedrag opgeteld bij het subsidieplafond, bedoeld in artikel 49f, aanhef en onderdeel b.
Voor zover na de periode voor indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 49e het subsidieplafond, bedoeld in artikel 49f, aanhef en onderdeel b, niet wordt bereikt, wordt het resterende bedrag opgeteld bij het subsidieplafond, bedoeld in artikel 49f, aanhef en onderdeel a.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:10b van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli tot en met 31 juli 2010.
Het subsidieplafond voor activiteiten als bedoeld in artikel 3:10b van de regeling bedraagt: € 500.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:21 en 3:25a van de regeling kunnen worden ingediend tot en met 31 januari 2010.
Het subsidieplafond bedraagt voor activiteiten als bedoeld in artikel 3:21 en 3:25a van de regeling: € 2.200.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:34 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 4 januari tot en met 31 december 2010.
Het subsidieplafond bedraagt ten aanzien van aanvragen door:
- a.
de IVN Vereniging voor natuur- en milieueducatie: € 1.478.444,09;
- b.
Stichting Samenwerkingsverband Nationale Parken: € 300.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:51, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend voor activiteiten als bedoeld in artikel 3:51, tweede lid, sub a, van de regeling in de periode van 4 januari tot en met 1 maart 2010.
Het subsidieplafond bedraagt € 230.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3:61 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 4 januari tot en met 28 februari 2010.
Het subsidieplafond bedraagt € 200.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor innovatieprojecten als bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 augustus tot en met 31 augustus 2010.
De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 350.000.
Het subsidieplafond bedraagt € 2.000.000.
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van de liquiditeitsbehoefte van de aanvrager.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 4:22, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 augustus tot en met 31 augustus 2010.
De subsidie bedraagt:
- a.
80% van de subsidiabele kosten voor aanvragers als bedoeld in artikel 4:22, tweede lid, onderdelen a en b, van de regeling, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 350.000 bedraagt;
- b.
100% van de subsidiabele kosten voor aanvragers als bedoeld in artikel 4:22, tweede lid, onderdeel c, van de regeling, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 350.000 bedraagt.
Het subsidieplafond bedraagt € 2.000.000.
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van de liquiditeitsbehoefte van de aanvrager.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4:27, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend voor het volledig doorlopen van een beoordeling door onafhankelijke deskundigen in het kader van een traject ter certificering van visserijproducten die zijn gevangen of gekweekt met milieuvriendelijke productiemethoden, voor zover die beoordeling van gemeenschappelijk belang is voor een unieke vorm van zee-, kust- of binnenvisserij, schelpdier- en viskweek, gedefinieerd aan de hand van:
- a.
de doelsoort;
- b.
de vis- of kweekmethode, en
- c.
het vis- of kweekgebied.
Een traject ter certificering als bedoeld in het eerste lid, voldoet naar het oordeel van de Minister, voor binnenvisserij en schelpdier- en viskweek voorzover van toepassing, aan de ‘Guidelines for the ecolabelling of fish and fishery products from marine capture fisheries’ van de Voedsel en Landbouw Organisatie van de Verenigde Naties, waarbij de volgende thema’s van belang zijn:
- a.
structuur en procedures voor het opstellen van de standaard voor certificering;
- b.
participatie van belanghebbenden bij het opstellen van de standaard voor certificering;
- c.
accreditatie en certiferingsstructuren, en
- d.
accreditatie en certiferingsprocedures.
Op verzoek van de Minister maakt een aanvrager aannemelijk dat het traject ter certificering, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de guidelines, bedoeld in het tweede lid.
Het gemeenschappelijke belang, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit het voor de eerste maal doorlopen van de beoordeling door onafhankelijke deskundigen, bedoeld in het eerste lid, dat een toegevoegde waarde heeft voor de desbetreffende unieke vorm van zee-, kust- of binnenvisserij, schelpdierkweek en aquacultuur.
Onder vismethode als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan de vismethoden, bedoeld in:
- a.
de internationale statistische standaardindeling van vistuig (ISSCFG);
- b.
bijlage I van Verordening (EU) nr. 1342/2008 van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/2004 (Pb L 348), of
- c.
onder kweekmethode als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b wordt verstaan:
- a.
een open aquacultuurvoorziening, of
- b.
een gesloten aquacultuurvoorziening.
Het vis- of kweekgebied, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan bestaan uit:
- a.
het IJsselmeer, bedoeld in artikel 1, onderdeel t, van de Uitvoeringsregeling visserij;
- b.
de binnenwateren, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Uitvoeringsregeling visserij, met uitzondering van het IJsselmeer;
- c.
één van de kustwateren, bedoeld in artikel 2 van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970, of
- d.
een deelgebied of sectorgebied van een internationaal vastgesteld statistisch zeevisserijgebied.
In afwijking van artikel 4:27, tweede lid, van de regeling komen een erkende beroepsorganisatie, een samenwerkingsverband van visserijondernemingen of een combinatie daarvan in aanmerking voor de subsidie.
Aanvragen als bedoeld in artikel 60aa, eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 september tot en met 30 september 2010.
Het subsidieplafond voor aanvragen met betrekking tot zee- en kustvisserij en schelpdierkweek bedraagt € 800.000.
Het subsidieplafond voor aanvragen met betrekking tot binnenvisserij en viskweek bedraagt € 200.000.
Voor zover na de periode voor indiening van aanvragen, bedoeld in artikel 60ab, tweede lid, het subsidieplafond, bedoeld in dat artikel, niet is bereikt, wordt het resterende bedrag opgeteld bij het subsidieplafond, bedoeld in artikel 60ab, derde lid.
Voor zover na de periode voor indiening van aanvragen, bedoeld in artikel 60ab, derde lid, het subsidieplafond, bedoeld in dat artikel, niet is bereikt, wordt het resterende bedrag opgeteld bij het subsidieplafond, bedoeld in artikel 60ab, tweede lid.
In afwijking van artikel 4:29 van de regeling is artikel 1:5 van de regeling van toepassing op aanvragen als bedoeld in artikel 60aa, eerste lid.
In afwijking van artikel 4:31 van de regeling komen de volgende kosten in aanmerking voor de subsidie:
- a.
kosten voor een procesbegeleider voor het certificeringstraject;
- b.
aan derden verschuldigde kosten ter zake van noodzakelijke studies en onderzoeksactiviteiten ten behoeve van het certificeringstraject;
- c.
de overige kosten van het certificeringstraject, zoals overeengekomen met en in rekening gebracht door de certificeerder.
De kosten van offertes en voorstudies komen niet in aanmerking voor subsidie.
De kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kunnen loonkosten of kosten van eigen arbeid omvatten.
Een aanvraag tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 60aa, eerste lid, gaat vergezeld van offertes of prijsopgaven van de kosten, bedoeld in het eerste lid.
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van liquiditeitsbehoefte.
De subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 100.000 bedraagt.
Aanvragen tot verlening van subsidie als bedoeld in artikel 4:33c van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli tot en met 31 augustus 2010.
Het subsidieplafond bedraagt voor het visserijgebied opgenomen in:
- a.
- b.
bijlage 5, onderdeel a, onder 3, van de regeling € 1.223.390;
- c.
Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 100.000.
Artikel 1:2, tweede lid, van de regeling is niet van toepassing op aanvragen als bedoeld in artikel 61 met dien verstande dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend niet zijn aangevangen voor 1 januari 2007.
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van liquiditeitsbehoefte.
Aanvragen tot verlening van subsidie als bedoeld in artikel 4:47, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli tot en met 30 juli 2010.
Het subsidieplafond bedraagt € 2.000.000.
Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten.
Aanvragen voor de vaststelling van subsidie voor de aanschaf en installatie van elektronische registratie- en meldapparatuur als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend:
- a.
in de periode van 1 januari tot en met 26 februari 2010 voor zover de subsidievaststelling betrekking heeft op een vaartuig als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, onderdeel a, van de regeling;
- b.
in de periode van 1 juli tot en met 31 augustus 2010 voor zover de subsidievaststelling betrekking heeft op een vaartuig als bedoeld in artikel 4:61, eerste lid, onderdeel b, van de regeling.
Het subsidieplafond bedraagt € 1.800.000,–.
In afwijking van artikel 1:2, tweede lid, van de regeling kan subsidie worden verleend voor activiteiten die zijn aangevangen voor de subsidievaststelling op voorwaarde dat de activiteiten zijn aangevangen na 1 januari 2009.
Aanvragen tot verstrekking van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 4:68 van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 oktober tot en met 1 november 2010.
Het subsidieplafond voor aanvragen als bedoeld in artikel 4.69 bedraagt € 1.000.000.
Er worden geen voorschotten verleend.
Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een lectoraat als bedoeld in artikel 4a:3 van de regeling, kunnen worden ingediend in de periode 1 juli 2010 tot 15 september 2010.
De hoogte van het subsidiebedrag bedraagt maximaal € 120.000 per jaar.
De duur van de subsidieverlening bedraagt maximaal 4 jaar.
Het subsidieplafond bedraagt € 1.920.000.
Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 3.5.2 van de Subsidieregeling energie en innovatie kunnen worden ingediend in de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 maart 2010, 17:00.
Het subsidieplafond bedraagt:
- a.
voor aanvragen tot verlening van subsidie voor demonstratieprojecten als bedoeld in artikel 3.5.2, eerste lid, onderdeel a en c, van de Subsidieregeling energie en innovatie, €8.000.000;
- b.
voor aanvragen tot verlening van subsidie voor pilotprojecten als bedoeld in artikel 3.5.2, tweede lid, onderdeel b en c, van de Subsidieregeling energie en innovatie, €2.000.000.
De volgende subsidieplafonds worden, voor zover van toepassing, naar rato verhoogd:
- a.
de subsidieplafonds, bedoeld in de artikelen 25, 28, onderdeel a, en 31, onderdeel a, met het bedrag of bedragen overgebleven door het niet bereiken van een of meerdere van deze subsidieplafonds;
- b.
de subsidieplafonds, bedoeld in de artikelen 28, onderdeel b, en 31, onderdeel b, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds of met het bedrag of bedragen overgebleven door het niet bereiken van een of meerdere van de in onderdeel a bedoelde subsidieplafonds;
- c.
de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 21, onderdeel a en onderdeel b, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds;
- d.
de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 12, onderdeel a en onderdeel b, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds;
- e.
de subsidieplafonds, bedoeld in artikel 62c, tweede lid, onderdeel a en onderdeel b, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds;
- f.
de subsidieplafonds bedoeld in artikel 44q, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, met het bedrag overgebleven door het niet bereiken van een van deze subsidieplafonds.
Als beoordelingscommissie bedoeld in de artikelen 14, 18, 34 en 43d wordt ingesteld de beoordelingscommissie concurrerende landbouw.
De beoordelingscommissie, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit de heer drs. J.P.J. Lokker en de heer ir. J.T.G.M. Koolen.
Het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009 wordt ingetrokken.
De verlening en vaststelling van een subsidie die is aangevraagd onder het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2009 wordt afgehandeld op grond van het recht zoals dat gold voorafgaand aan de intrekking van dat besluit.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.
Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2010.
Eerste energieschermen, niet zijnde gevelschermen of (teeltkundig vereiste) verduisteringsschermen of wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen (artikel 22, eerste lid, onderdeel a):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 6,70 | € 67.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 5,00 | € 250.000,– |
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten | |
Materieel | Eigen arbeid forfaitair | |||
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 3,00 | € 3,70 | € 67.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 1,30 | € 3,70 | € 250.000,– |
Tweede energieschermen, niet zijnde gevelschermen of (teeltkundig vereiste) verduisteringsschermen of wettelijk verplichte lichtafschermingsschermen (artikel 22,eerste lid, onderdeel b):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve of energie- intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 6,70 | € 67.000,– |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 5,00 | € 250.000,– |
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten | |
Materieel | Eigen arbeid forfaitair | |||
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 3,00 | € 3,70 | € 67.000,– |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 1,30 | € 3,70 | € 250.000,– |
Klimaatcomputer (artikel 22, eerste lid, onderdeel c):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximale subsidiabele investeringskosten | |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | € 45.000,– |
Meerinvestering kasdek met antireflectie gecoat kasdekglas of kasdekkunstof (artikel 22, onderdeel d):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen | 25% | € 10,00 | € 400.000,– |
Warmtebuffersysteem (artikel 22, eerste lid, onderdeel e):
Onderneming | Subsidiepercentage | Buffercapaciteit | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | Tot 60 m3 | € 50.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | Tot 125 m3 | € 70.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | Tot 250 m3 | € 90.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming | 25% | 250 m3 of groter | € 100.000,– |
Energieclusters (artikel 22, eerste lid, onderdeel f):
Onderneming | Subsidiepercentage | Aantal deelnemers in het samenwerkingsverband | Maximale subsidiabele investeringskosten voor het cluster |
Samenwerkingsverband van twee glastuinbouwondernemingen | 25% | 2 | € 200.000,00 |
Samenwerkingsverband van drie glastuinbouwondernemingen | 25% | 3 | € 300.000,00 |
Hogedruk vernevelingssysteem voor kaskoeling (artikel 22, eerste lid, onderdeel g):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve glastuinbouwondernemingen kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 5,50 | € 55.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwondernemingen groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 4,10 | € 205.000,– |
Gevelscherm, niet zijnde verduisteringsscherm (artikel 22, eerste lid, onderdeel h):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 9,– | € 90.000,– |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 6,70 | € 336.000,– |
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd (Materieel eigen arbeid forfaitair) | Maximale subsidiabele investeringskosten | |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming kleiner dan of gelijk aan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 4,00 | € 5,– | € 90.000,– |
Energie-extensieve glastuinbouwonderneming groter dan 1 ha beteelde oppervlakte onder glas/kunststof | 25% | € 1,75 | € 5,– | € 336.000,– |
Energiebesparend ventilatiesysteem met warmte terugwinning en/of voorverwarming (artikel 22, eerste lid, onderdeel i):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximum subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen | 25% | € 10,– | € 360.000,– |
Meerinvestering diffuus glas (artikel 22, eerste lid, onderdeel j):
Onderneming | Subsidiepercentage | Maximale subsidiabele investeringskosten per m2 geïnstalleerd | Maximale subsidiabele investeringskosten |
Energie-extensieve of energie-intensieve glastuinbouwondernemingen | 25% | € 100.00 | € 400.000 |
Bedrijfsnaam:
Eigenaar/indiener:
Bedrijfsadres:
Postcode/plaats:
Bedrijfswebsite:
Correspondentieadres:
Postcode/plaats:
Telefoonnummer:
E-mailadres:
Aanvraagnummer:
De berekeningen zijn gemaakt op grond van de door de aanvrager ingevulde karakteristieken met betrekking tot het verwarmings- en koelingsysteem, de installaties die in kas en ketelhuis worden voorzien en het door de tuinder gewenste kasklimaat.
Als rekenmodel wordt gebruik gemaakt van programmatuur die in het kader van het project Synergie is ontwikkeld ten behoeve van de technische, energetische en economische beoordeling van gesloten kasconcepten. Dit rekenmodel is gebouwd en wordt onderhouden door de Business Unit Glas van Wageningen UR.
Het model rekent op uurbasis de warmte- en koudebehoefte van de door de aanvrager beschreven kasconfiguratie in een gemiddeld Nederlands jaar. Vanuit deze gegevens wordt voor elk uur uitgerekend welke gas-, elektriciteits-, CO2-behoefte en laagwaardig warmtegebruik of -overschot voor deze kas verwacht mag worden.
Deze berekening wordt gemaakt voor de geconditioneerde kas en voor een relevante referentie.
De vergelijking van de berekende CO2-emissie voor het hierbij ingediende geconditioneerde kasconcept met de referentie leidt tot de conclusie dat de verwachte CO2-emissiereductie ........... bedraagt.
In de tuinbouw staat de klimatiseringsinstallatie ten dienste van het gewas om een zo gunstig mogelijk kasklimaat te realiseren. Er blijft evenwel, zelfs in geconditioneerde kassen, altijd een spanningsveld tussen het klimaat waarbij het gewas het beste zou groeien en de kosten de gepaard gaan met het realiseren van dat klimaat. Zo wordt in de gangbare tuinbouw weliswaar bij hoge instraling een hoge CO2-concentratie gewenst, maar de dosering wordt toch begrensd om de CO2-gift in overeenstemming te houden met de hoeveelheid warmte die bij de productie van rookgassen vrijkomt. Ook wordt geaccepteerd dat, omwille van een gunstig gascontract, op heel koude dagen de gewenste etmaaltemperatuur niet gerealiseerd wordt. Het model houdt met al deze zaken rekening (middels de begrenzingen van het klimatiseringssysteem (zie deel 2).
De kasklimaatinstellingen die in dit deel moeten worden ingevuld moeten dan ook worden opgevat op dezelfde manier als waarop de instellingen van de kasklimaatcomputer worden gebruikt.
Er staan twee kolommen met invoergegevens en indien de geconditioneerde kas niet de gehele unit beslaat maar slechts een fractie dan komt er nog een derde kolom die aangeeft hoe het klimaat in het niet-geconditioneerde deel gewenst wordt.
In de eerste kolom staan de instellingen die voor de geconditioneerde kas gaan gelden.
De tweede kolom wordt gebruikt om de referentiesituatie te beschrijven. Veel getallen zullen gelijk zijn, maar wellicht wordt in de geconditioneerde kas de temperatuur waarboven gekoeld wordt wat hoger gekozen dan u in de referentie zou hebben gedaan. Ook het gebruik van minimumbuis zal in de geconditioneerde kas vaak minder zijn.
De derde kolom verschijnt in afhankelijkheid van de gesloten kasfractie. De teelt-instellingen in de derde kolom zullen veel gelijkenis vertonen met de instellingen van de tweede kolom.
Elk veld heeft een uitleg, die naar voren komt als de muis erop wordt gelegd. Achterin dit document staan alle toelichtingen bij elkaar geplaatst.
Omschrijving | Eenheid | Geconditioneerde afdeling | Referentie | Niet geconditioneerd deel | |
1 | Gesloten kas fractie | % | 50 | n.v.t. | 50 |
2 | Gewas (kies: groente, potplant of snijbloem) | groente | groente | groente | |
3 | Kasdek (kies: enkelglas, dubbel of triple) | enkelglas | enkelglas | enkelglas | |
4 | Stooktemperatuur dag | °C | 18 | 18 | 18 |
5 | Stooktemperatuur nacht | °C | 17 | 17 | 17 |
6 | Koel- of ventilatietemperatuur | °C | 27 | 27 | 27 |
7 | Pband ventilatie/koeling | °C | 2 | 2 | 2 |
8 | Maximale ventilatie met buitenlucht | m3/(m2 hr) | 0 | n.v.t. | n.v.t. |
9 | Toegestane RV in de kas | % | 85 | 85 | 85 |
10 | Deksproeiers (kies ja of nee) | nee | nee | nee | |
11 | Minimumbuistemperatuur | °C | 40 | 40 | 40 |
12 | VO van het minimumbuisnet | m2 buis/m2 | 0,2 | 0,2 | 0,2 |
13 | Streefwaarde CO2 | ppm | 900 | 900 | 900 |
14 | Maximale doseercapaciteit | kg/(ha hr) | 120 | 180 | 180 |
15 | Stralingscrit. voor schaduwscherm | W/m2 | 1000 | 1000 | 1000 |
16 | Schaduwfactor schaduwscherm | % | 30 | 30 | 30 |
17 | Buitentemp sluiten energiescherm | °C | 12 | 12 | 12 |
18 | Besparingspercentage v.h. scherm | % | 45 | 45 | 45 |
19 | Belichtingsintensiteit | Wel/m2 | 0 | 0 | 0 |
20 | Belichtingsschema (kies schema 1, 2 of 3) | 2 | 2 | 2 |
Op deze pagina treft u drie belichtingsschema’s die u kunt gebruiken om de door u gebruikte wijze van belichting vast te leggen. U kunt voor verschillende kasafdelingen verschillende schema’s gebruiken (dus voor de geconditioneerde kasafdeling een ander schema dan voor de referentie of voor de niet-geconditioneerde delen van het nieuw te bouwen of te vernieuwen kascomplex), maar u kunt ook voor alle afdelingen hetzelfde schema gebruiken.
De drie getoonde schema’s zijn voorzien van default instellingen. U kunt ze evenwel naar eigen inzicht aanpassen.
[Schema 1] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 1 kiest
1 | DagnrStartBel | 280 | (→ dit is 6 oktober) | |
2 | DagnrStopBel | 80 | (→ dit is 20 maart en betekent 165 dg belichting) | |
3 | IglobBelUit | 150 | W/m2 globale straling buiten de kas | |
4 | SavondsUit | 20 | uur | (belichting is 2 uur uit) |
5 | SavondsAan | 22 | uur |
[Schema 2] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 2 kiest
1 | DagnrStartBel | 260 | (→ dit is 16 september) | |
2 | DagnrStopBel | 91 | (→ dit is 31 maart en betekent 196 dg belichting) | |
3 | IglobBelUit | 150 | W/m2 globale straling buiten de kas | |
4 | SavondsUit | 22 | uur | (belichting is 4 uur uit) |
5 | SavondsAan | 2 | uur |
[Schema 3] Dit schema wordt gebruikt als u in deel 1 van het formulier belichtingsschema 3 kiest
1 | DagnrStartBel | 330 | (→ dit is 25 november) | |
2 | DagnrStopBel | 300 | (→ dit is 26 oktober en betekent 335 dg belichting) | |
3 | IglobBelUit | 150 | W/m2 globale straling buiten de kas | |
4 | SavondsUit | 20 | uur | (belichting is 4 uur uit) |
5 | SavondsAan | 24 | uur |
Met de installatie van een semi-gesloten kas zal een nieuw ketelhuis worden neergezet of het bestaande ketelhuis worden gerenoveerd. Er zal waarschijnlijk een warmtepomp, een aquifer en een etmaalbuffer voor laagwaardige warmte/kou worden geplaatst en er wordt waarschijnlijk een WK geplaatst. Ook is het denkbaar dat de nieuwe of vernieuwde kas wordt voorzien van additionele CO2-voorziening in de vorm van zuivere- of OCAP-CO2.
In dit deel kunt u de eigenschappen van het nieuwe ketelhuis vastleggen.
Indien het ontwerp om een systeem gaat waarbij de semi-gesloten kas een fractie is van het totale kasoppervlak dat door het nieuw (ingerichte) ketelhuis wordt verwarmd, dan gaat het rekenprogramma er van uit dat de in de zomer verzamelde warmte in de winter zowel op het geconditioneerde deel als op het niet geconditioneerde deel wordt gebruikt (zoals bijvoorbeeld bij Themato).
Als u in het vorige deel hebt aangegeven dat de geconditioneerde kasfractie 100% is, dan betekent dit dat de nieuwe of vernieuwde ketelhuisconfiguratie die hier in deel 2 wordt beschreven uitsluitend wordt ingezet voor (de) geconditioneerde afdeling(en).
Teneinde de gerealiseerde CO2-emissiebeperking te kunnen berekenen dient u ook het referentie-ketelhuis te beschrijven.
1 | Kasoppervlak | 1 | ha | |||
Geconditioneerd oppervlak | 0,5 | ha | Niet geconditioneerd opp. | 0,5ha | ||
2 | Buffercapaciteit | 200 | m3 | 200 | m3/ha | |
3 | Thermisch warmtepompvermogen | 700 | kW th | 700 | kW/ha | |
4 | Efficientie v.d. warmtepomp | 45 | % | |||
5 | Capaciteit aquifer | 200 | m3/uur | 400 | m3/ha gecond. kas per uur | |
6 | Temp verlies scheidingswisselaar | 1 | °C | |||
7 | Bufferinhoud koudebuffer | 1500 | m3 | 3000 | m3/ha gecond. kas | |
8 | Koude bron laden op | 8 | °C | |||
9 | WK-vermogen | 60 | kW el. | 60 | kW/ha | |
10 | elektrisch WK-rendement | 42 | % | |||
11 | thermisch WK-rendement | 55 | % | |||
12 | WK inzetten tijdens piek-uren (ja/nee) | ja | ||||
13 | Zomerse WK-warmte oversch. in aquif. | nee |
14 | Kasoppervlak | 1 | ha | |||
15 | Buffercapaciteit | 100 | m3 | 100 | m3/ha | |
16 | WK-vermogen | 0 | kW el. | 0 | kW/ha | |
17 | elektrisch WK-rendement | 42 | % | |||
18 | thermisch WK-rendement | 55 | % | |||
19 | WK inzetten tijdens piek-uren (ja/nee) | nee |
In de geconditioneerde kasafdeling zijn luchtbehandelingunits geplaatst. Tijdens gebruik van deze units leveren ze een bepaalde koelcapaciteit. Deze is vooral afhankelijk van het temperatuurverschil tussen ingaand water en ingaande lucht en van de hoeveelheid lucht die er doorheen wordt geblazen.
Daarnaast speelt ook de luchtvochtigheid een rol. (Deze kan worden verhoogd door gebruik te maken van een fogging installatie (afhankelijk van de instelling in deel 1)).
Bij het gebruik van de installatie koelsysteem wordt er elektriciteit gebruikt. Vooral voor het circuleren van de lucht, maar ook voor het verpompen van water.
Het elektriciteitsverbruik per eenheid koelvermogen, maar ook het waterdebiet en de opwarming van het water is door dit alles sterk afhankelijk van de gekozen luchtbehandelingunits, het aantal dat daarvan gebruikt wordt en de kasklimaatcondities waaronder gekoeld wordt.
Het is niet waarschijnlijk dat de luchtbehandelingskast-leverancier de prestatie van de koelunit onder al die variabele omstandigheden voorhanden heeft. Laat staan dat die dan ook nog gedocumenteerd zouden zijn.
Omdat de kwaliteit van de koelunits echter een duidelijke invloed heeft op het energiebesparingresultaat van semi-gesloten kassen is het noodzakelijk om toch over zo'n prestatie karakterisering te beschikken.
In dit deel wordt vanuit een bench-mark punt (dat bij voorkeur zo dicht mogelijk ligt bij de werkingscondities die representatief zijn voor het gebruik in uw situatie) een karakterisering van het koelsysteem gemaakt die toegesneden is op uw kasklimaatwensen en die het deellastgedrag in beeld brengt. Er worden grafieken gemaakt van het elektriciteitsverbruik als functie van het koelvermogen, het waterdebiet door de koelers en de temperatuur waarmee het water uit de koelers zal komen. Tevens wordt op grond van de koeleigenschappen een karakterisering gemaakt voor het gedrag van deze units bij gebruik voor verwarming.
Koelen | Lege Velden | |||||
Hiernaast ziet u een invulveld waarin u specificaties van de gebruikte koelunits kunt aangeven. Vanuit deze specificaties maakt het programma relaties voor het elektriciteitsverbruik tijdens het koelen. Hierbij zijn vanuit de benchmark gegevens, rekening houdend met de achterliggende fysische processen (convectie en condensatie), extrapolaties gemaakt. | Benchmark punten v.d. Koelunit | 0 | ||||
1 | Koelvermogen[kW] | 20 | kW | 0 | ||
2 | Watertemp in [°C] | 12 | °C | 17 | 0 | |
3 | Watertemp uit [°C] | 22 | °C | 0 | 0 | |
4 | Luchttemperatuur in [°C] | 26 | °C | 21 | 0 | |
5 | Luchttemperatuur uit [°C] | 16 | °C | 0 | 0 | |
6 | Koelvermogen geldt bij een RV van | 85 | % | 0 | ||
7 | Maximaal luchtdebiet [m3/uur] | 2000 | m3/uur | 0 | ||
8 | Electr.gebr.vent bij max luchtdeb. | 0,3 | kW | 0 | ||
9 | Waterzijdige drukval | 1,2 | bar | 0 |
Vanuit de benchmark punten kan worden berekend dat de ontvochtigingscapaciteit 19,6 liter/uur is.
Dit betekent een latente warmteafvoer van 13,3 kW. De voelbare warmteoverdracht is dus 6,67 kW.
Er worden (vraag 10) 60 van deze units op de gekoelde afdeling van 0,5 ha geplaatst ( 83 m2 per unit).
De voelbare warmteoverdrachtscoëfficiënt blijkt 1,67 kW per °C verschil tussen gemiddelde water- en luchttemperatuur.
Het programma gaat ervan uit dat de luchtbehandelingkasten ook voor verwarmen worden gebruikt.
Op grond van de warmte-overdrachtgegevens in de koelmodus wordt voor de verwarming verondersteld dat de units 0,045 W ventilatorenergie gebruiken per overgedragen W verwarmingsvermogen.
Dit komt neer op een COP-verwarming van 22,2 (dit is exclusief het verbruik van de warmtepomp).
De combinatie van benchmark-punten en kasklimaat in de geconditioneerde afdeling levert de volgende karakteristieken van de koeler:
Hieruit worden de onderstaande tabellen afgeleid waarmee het simulatiemodel zal rekenen.
Elektriciteitsverbruik ventilator | Approach temperatuur als functie van koelvermogen | ||
belasting | Elekverbruik [W/m2] | koelverm | Approachtemperatuur |
–1,00 | 0,00 | 0,00 | 0,20 |
0,10 | 1,36 | 32,57 | 2,42 |
0,15 | 1,67 | 48,86 | 3,06 |
0,20 | 1,92 | 65,14 | 3,52 |
0,25 | 2,15 | 81,43 | 3,87 |
0,30 | 2,36 | 97,71 | 4,14 |
0,35 | 2,55 | 114,00 | 4,36 |
0,40 | 2,72 | 130,29 | 4,53 |
0,45 | 2,89 | 146,57 | 4,67 |
0,50 | 3,04 | 162,86 | 4,77 |
0,55 | 3,19 | 179,14 | 4,85 |
0,60 | 3,33 | 195,43 | 4,91 |
0,65 | 3,47 | 211,71 | 4,95 |
0,70 | 3,60 | 228,00 | 4,97 |
0,75 | 3,60 | 244,29 | 4,98 |
0,80 | 3,60 | 260,57 | 4,98 |
0,85 | 3,60 | 276,86 | 4,96 |
0,90 | 3,60 | 293,14 | 4,93 |
0,95 | 3,60 | 309,43 | 4,90 |
1,00 | 3,60 | 325,71 | 4,85 |
100,00 | 3,60 | 800,00 | 19,90 |
Gemiddeld is het uittredend 4,46 °C lager dan de intredende lucht. Voor de pompen wordt met een drukval van 0,69667 bar/(m3/uur) gewerkt.
Hier ziet u de resultaten m.b.t. de teelt en de resultaten qua energieverbruik en CO2-emissie.
Omschrijving | Eenheid | Nieuwe situatie | Referentiesituatie |
Gem. teelttemperatuur winterperiode | °C | 17,9 | 17,8 |
Gem. teelttemperatuur zomerperiode | °C | 0,0 | 0,0 |
Gem. CO2 concentratie zomerperiode | ppm | 677 | 405 |
Jaarlijkse CO2-gift | kg/m2 | 25 | 37 |
Jaarlijks aantal energieschermuren | uur | 2291 | 2291 |
Jaarlijks aantal schaduwschermuren | uur | 0 | 0 |
Jaarlijks aantal belichtingsuren | uur | 0 | 0 |
Resultaten warmte, koude en elektra | |||
Jaarlijkse warmtevraag | MJ/m2 | 1486 | 1542 |
Jaarlijkse laagwaardige warmte naar Aquifer | MJ/m2 | 372 | n.v.t. |
Gemiddelde temperatuur naar warme bron | °C | 22,3 | |
Jaarlijkse laagwaardige warmte uit Aquifer | MJ/m2 | 361 | n.v.t. |
Hoogwaardig warmte-overschot | MJ/m2 | 0 | 0 |
Elektriciteit voor belichting | kWh/m2 | 0 | 0 |
Electriciteit voor koeling en verwarming | kWh/m2 | 12 | n.v.t. |
Elektriciteitsgebruik Warmtepomp | kWh/m2 | 45 | n.v.t. |
Effectieve COP Warmtepomp | – | 2,9 | n.v.t. |
Resultaten gas en elektra | |||
Gasinkoop | m3/m2 | 35 | 49 |
Elektra inkoop | kWh/m2 | 27 | 1 |
Elektra verkoop | kWh/m2 | 12 | 0 |
Netto elektra inkoop | kWh/m2 | 15 | 1 |
Resultaten CO2-emissie | |||
CO2-emissie Ketel | kg/m2 | 42 | 87 |
CO2-emissie WKK voor eigen gebruik | kg/m2 | 14 | 0 |
CO2-emissie WKK voor netlevering | kg/m2 kg/m2 | 6 62 | 0 |
Conclusie CO2 emissiebeperking | 29% |
Natura 2000-gebied | Kritische depositiewaarde1 | |
Gebiedsnummer | Gebiedsnaam | mol N/ha/jaar |
55 | Aamsveen | 400 |
47 | Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek | 1100 |
13 | Alde Feanen | 700 |
17 | Bakkeveense Duinen | 740 |
33 | Bargerveen | 400 |
63 | Bekendelle | 1400 |
156 | Bemelerberg & Schiepersberg | 830 |
46 | Bergvennen & Brecklenkampse Veld | 410 |
112 | Biesbosch | 1250 |
65 | Binnenveld | 1100 |
52 | Boddenbroek | 410 |
41 | Boetelerveld | 410 |
44 | Borkeld | 410 |
144 | Boschhuizerbergen | 410 |
83 | Botshol | 700 |
128 | Brabantse Wal | 410 |
104 | Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein | 1540 |
155 | Brunssumerheide | 400 |
69 | Bruuk | 830 |
153 | Bunder- en Elsloërbos | 830 |
53 | Buurserzand & Haaksbergerveen | 400 |
96 | Coepelduynen | 1000 |
139 | Deurnsche Peel & Mariapeel | 400 |
49 | Dinkelland | 410 |
107 | Donkse Laagten | 1100 |
25 | Drentsche Aa-gebied | 400 |
27 | Drents-Friese Wold & Leggelderveld | 400 |
26 | Drouwenerzand | 740 |
5 | Duinen Ameland | 770 |
84 | Duinen Den Helder-Callantsoog | 770 |
2 | Duinen en Lage Land Texel | 770 |
101 | Duinen Goeree & Kwade Hoek | 770 |
6 | Duinen Schiermonnikoog | 700 |
4 | Duinen Terschelling | 700 |
3 | Duinen Vlieland | 940 |
30 | Dwingelderveld | 400 |
89 | Eilandspolder | 700 |
28 | Elperstroomgebied | 830 |
40 | Engbertsdijksvenen | 400 |
23 | Fochteloërveen | 400 |
67 | Gelderse Poort | 1250 |
154 | Geleenbeekdal | 1100 |
157 | Geuldal | 830 |
152 | Grensmaas | 1400 |
115 | Grevelingen | 770 |
80 | Groot Zandbrink | 830 |
140 | Groote Peel | 400 |
9 | Groote Wielen | 1100 |
109 | Haringvliet | 2000 |
29 | Havelte-oost | 400 |
111 | Hollands Diep | 2000 |
72 | IJsselmeer | 1200 |
92 | Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske | 700 |
133 | Kampina & Oisterwijkse Vennen | 400 |
135 | Kempenland-West | 410 |
88 | Kennemerland-Zuid | 770 |
81 | Kolland & Overlangbroek | 2000 |
116 | Kop van Schouwen | 770 |
61 | Korenburgerveen | 400 |
114 | Krammer-Volkerak | 1390 |
158 | Kunderberg | 1400 |
58 | Landgoederen Brummen | 410 |
50 | Landgoederen Oldenzaal | 1100 |
130 | Langstraat | 410 |
19 | Leekstermeergebied | 1200 |
136 | Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux | 400 |
48 | Lemselermaten | 410 |
147 | Leudal | 1400 |
21 | Lieftinghsbroek | 1100 |
71 | Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem | 1250 |
51 | Lonnekermeer | 410 |
131 | Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen | 410 |
145 | Maasduinen | 400 |
117 | Manteling van Walcheren | 940 |
31 | Mantingerbos | 1100 |
32 | Mantingerzand | 410 |
97 | Meijendel & Berkheide | 940 |
149 | Meinweg | 400 |
94 | Naardermeer | 1100 |
103 | Nieuwkoopse Plassen & De Haeck | 700 |
161 | Noorbeemden & Hoogbos | 1400 |
87 | Noordhollands Duinreservaat | 770 |
7 | Noordzeekustzone | 1390 |
22 | Norgerholt | 1400 |
141 | Oeffelter Meent | 1250 |
37 | Olde Maten & Veerslootslanden | 700 |
95 | Oostelijke Vechtplassen | 700 |
118 | Oosterschelde | 700 |
10 | Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving | 2100 |
91 | Polder Westzaan | 700 |
134 | Regte Heide & Riels Laag | 410 |
150 | Roerdal | 1250 |
18 | Rottige Meenthe & Brandemeer | 700 |
42 | Sallandse Heuvelrug | 400 |
146 | Sarsven en De Banen | 410 |
160 | Savelsbos | 830 |
86 | Schoorlse Duinen | 940 |
142 | Sint Jansberg | 1100 |
159 | Sint Pietersberg & Jekerdal | 830 |
99 | Solleveld & Kapittelduinen | 940 |
45 | Springendal & Dal van de Mosbeek | 830 |
60 | Stelkampsveld | 410 |
137 | Strabrechtse heide & Beuven | 410 |
148 | Swalmdal | 1250 |
59 | Teeselinkven | 410 |
38 | Uiterwaarden IJssel | 1250 |
82 | Uiterwaarden Lek | 1250 |
66 | Uiterwaarden Neder-Rijn | 1400 |
68 | Uiterwaarden Waal | 1250 |
36 | Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht | 1540 |
129 | Ulvenhoutse Bos | 1100 |
15 | Van Oordt’s Mersken | 830 |
39 | Vecht- en Beneden-Reggegebied | 410 |
57 | Veluwe | 400 |
132 | Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek | 410 |
100 | Voornes Duin | 770 |
1 | Waddenzee | 940 |
34 | Weerribben | 700 |
138 | Weerter- en Budelerbergen & Ringselven | 410 |
98 | Westduinpark & Wapendal | 1100 |
122 | Westerschelde & Saeftinghe | 1420 |
35 | Wieden | 700 |
43 | Wierdense veld | 400 |
16 | Wijnjeterper Schar | 830 |
62 | Willinks Weust | 830 |
54 | Witte Veen | 400 |
24 | Witterveld | 400 |
64 | Wooldse Veen | 400 |
90 | Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder | 700 |
143 | Zeldersche Driessen | 1100 |
105 | Zouweboezem | 1100 |
70 | Zuider Lingedijk & Diefdijk-Zuid | 1100 |
85 | Zwanenwater & Pettemerduinen | 770 |
74 | Zwarte Meer | 1540 |
123 | Zwin & Kievittepolder | 1240 |
1 Bron: H.F. van Dobben & A. van Hinsberg (2008): Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en Natura 2000-gebieden. Alterra-rapport 1654.