Wijzigingen Officiële bron
Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 23 oktober 2009, nr. DJZ/BR/0889-09, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Internationaal Antiterrorisme Instituut)Besluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond subsidiëring Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Internationaal Antiterrorisme Instituut)De Minister van Buitenlandse Zaken,

Gelet op de artikelen 6, 7 en 10 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en artikel 2.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Buitenlandse Zaken, M.J.M.Verhagen

Voor subsidieverlening op grond van 2.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 ten behoeve van het functioneren van een Internationaal Antiterrorisme Instituut, gelden voor de periode 1 januari 2010 tot en met 31 december 2014 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Voor dit tijdvak geldt een subsidieplafond van € 2.500.000.

Uit oogpunt van doelmatigheid zal niet meer dan één subsidieaanvraag voor subsidieverlening in aanmerking kunnen komen. Van alle aanvragen die voldoen aan de criteria, vermeld in deze beleidsregels, zal slechts de aanvraag die vergeleken met de overige aanvragen het beste aan de criteria voldoet voor subsidie in aanmerking kunnen komen.

Subsidieaanvragen kunnen tot en met 16 december 2009 worden ingediend.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het geplaatst wordt en vervalt met ingang van 1 januari 2016.

Naar aanleiding van de constatering dat internationaal terrorisme een blijvend punt van zorg en dreiging is stelt de Minister van Buitenlandse Zaken subsidie beschikbaar om onderzoek en beleidsvorming op specifieke deelterreinen binnen het veld van de internationale terrorismebestrijding te stimuleren.

In de afgelopen jaren is wereldwijd veel geïnvesteerd in de bestrijding van terrorisme. Het accent heeft daarbij gelegen op maatregelen in de sfeer van operationele kennis ten behoeve van beveiliging en bescherming, opsporing en onderzoek en andere initiatieven die van belang zijn om terroristische groeperingen te identificeren, hun modus operandi te onderkennen en de benodigde beveiligingsmaatregelen te kunnen treffen.

Tegelijkertijd wordt in toenemende mate beseft dat ook preventie van terrorisme van groot belang is. Hiervoor is het noodzakelijk om de factoren die bijdragen aan gewelddadig extremisme te identificeren en maatregelen te treffen die (het draagvlak voor) politiek geweld kunnen verminderen. Veel van de daarvoor benodigde acties zijn onder meer vermeld in de ‘Global Counter-Terrorism Strategy’ (A/RES/60/288, 8 september 2006) van de VN. Er wordt internationaal in toenemende mate aandacht gevraagd voor deze preventieve aspecten van terrorismebestrijding. Er bestaat echter nog beperkte kennis op dit werkterrein. Er bestaat nog weinig inzicht in processen van radicalisering en in succes- en faalfactoren van het preventief en de-radicaliseringsbeleid. Voor zover deze kennis aanwezig is, is deze nauwelijks toegankelijk gemaakt voor beleidsmakers. Onderzoek en beleid komen bovendien slechts beperkt met elkaar in contact, zeker buiten Europa en Noord-Amerika. Nederland heeft in de afgelopen jaren een agenderende en beleidsmatige voorhoederol gespeeld in EU en VN verband waar het gaat om preventief beleid en het verminderen van (draagvlak voor) gewelddadig extremisme.

Bij zowel de preventieve als de repressieve maatregelen op het gebied van terrorismebestrijding speelt respect voor mensenrechten een belangrijke rol. De verschillende aspecten daarvan zijn nader omschreven in de mensenrechtenstrategie van de Nederlandse regering.1 Nederland hecht groot belang aan het bevorderen van het respect voor mensenrechten, juist ook bij maatregelen op het gebied van terrorismebestrijding, en ziet afname van mensenrechtendeficit, evenals het bevorderen van de rule of law, als belangrijke bijdragen aan het voorkomen van draagvlak voor terroristische groeperingen. De mensenrechtenstrategie stelt: ‘De beste verdediging tegen terrorisme is uiteindelijk een goed functionerende nationale en internationale rechtsorde, waarin voor ieder vreedzame middelen voor handen zijn om zich te uiten en voor de eigen rechten op te komen.’2 Ook in het preventieve beleid van de Counter-Terrorism Coordinator van de EU en in de eerder genoemde strategie van de VN worden deze aspecten uitdrukkelijk onderkend. Tegelijkertijd wordt geconstateerd dat in de afgelopen jaren het accent op de repressieve maatregelen op het gebied van terrorismebestrijding tot effect heeft gehad dat de mensenrechtenaspecten op sommige momenten op de achtergrond kwamen. Relevant onderzoek ter zake en de daaruit voortkomende beleidsadviezen, zoals reeds in gang gezet bij het zogenoemde Oud-Poelgeest proces, hebben daarom een belangrijke toegevoegde waarde. Immers de notie van internationaal recht moet toegesneden worden op de nieuwe realiteit van terrorisme zodat terroristen niet vrijuit gaan maar berecht en bestraft worden.

Om bovengenoemde redenen zal de subsidie ontvanger zich richten op de ontwikkeling en verspreiding van kennis in relatie tot preventie van terrorisme, op versterking en aanvulling van het internationaal-juridisch kader voor de bestrijding van terrorisme en op terrorismebestrijding in relatie tot rechten van de mens, de rule of law en het humanitair oorlogsrecht. Hiermee wordt een lacune binnen het werkterrein terrorismebestrijding ingevuld. De subsidie heeft als doel de uitwisseling van kennis, onderzoek, beleid en praktijk op genoemde deelaspecten te faciliteren.

De subsidie wordt beschikbaar gesteld voor het inrichten, vormgeven en functioneren van een instituut op het gebied van internationale terrorismebestrijding, met bijzonder aandacht voor preventieve en (internationaal)rechtelijke (mensenrechten en internationaal humanitair recht) aspecten (hierna: Instituut). De subsidieontvanger zal verantwoordelijk zijn voor de opbouw, de lancering, de internationale en nationale inbedding en het ontplooien en ondersteunen van activiteiten van het Instituut. Ook zal de subsidieontvanger verantwoordelijk zijn voor de werving van fondsen en het verwerven van (onderzoeks)projecten voor het Instituut. Op het moment dat het subsidietijdvak ten einde loopt, dient het Instituut onafhankelijk van onderhavige subsidie te kunnen opereren.

Subsidie wordt verleend voor de volgende activiteiten:

Bij de beoordeling van de aanvragen spelen, onverminderd het overigens in het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 bepaalde, de volgende criteria een rol:

Het subsidiebedrag bedraagt voor het gehele subsidietijdvak ten hoogste € 2.500.000,–. Jaarlijks zal niet meer dan een evenredig deel van het voor het gehele tijdvak verleende subsidiebedrag betaalbaar worden gesteld.

Uit oogpunt van doelmatigheid zal slechts de aanvraag die het beste voldoet aan de criteria, vermeld in deze beleidsregels, voor subsidie in aanmerking kunnen komen.