U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-07-2012.

Regeling · BWBR0026872

Waterbesluit

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 30 november 2009 houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterbesluit)WaterbesluitWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 17 februari 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/132 Sector WAT, Hoofddirectie Juridische Zaken, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op de artikelen 1.2, tweede lid, 2.9, 2.14, 3.1, eerste tot en met derde lid, 3.10, tweede lid, 3.11, tweede lid, 4.3, eerste lid, 4.7, 4.8, tweede lid, 5.1, derde lid, 5.2, derde lid, 5.29, eerste lid, 6.5, 6.6, 6.7, 6.14, eerste lid, 6.16, eerste lid,6.20, tweede lid, 7.8, tweede en derde lid, en 10.1, eerste lid, van de Waterwet;

De Raad van State gehoord (advies van 5 juni 2009, nr. W09.09.0044/IV);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 24 november 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/1305 sector WAT, Hoofddirectie Juridische Zaken, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage30 november 2009BeatrixDe Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,J. C.Huizinga-Heringade achttiende december 2009De Minister van Justitie,E. M. H.Hirsch Ballin

Onverminderd artikel 2.1, kunnen bij of krachtens provinciale verordening voor regionale wateren nadere regels worden gesteld ten aanzien van de verdeling van het beschikbare water over de in artikel 2.1, vierde en vijfde lid, genoemde behoeften in geval van een watertekort.

Het beheer van de primaire waterkeringen en andere waterkeringen die zijn vermeld in bijlage III bij dit besluit berust bij het Rijk.

Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer worden:

In afwijking van artikel 4.1, eerste lid, geldt een termijn van zes weken voor het naar voren brengen van zienswijzen op het ontwerp van tussentijdse wijzigingen van het nationale waterplan, voor zover die wijzigingen geen betrekking hebben op een stroomgebiedbeheerplan of overstromingsrisicobeheerplan.

Onze Ministers herzien de initiële beoordeling en het monitoringsprogramma, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, onderdeel c, onder 1° respectievelijk 4°, eenmaal in de zes jaren.

Onze Ministers leggen in het nationale waterplan de functie drinkwateronttrekking vast voor de rijkswateren die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water en van waaruit dagelijks meer dan 10 m3 water wordt onttrokken, dan wel van waaruit water wordt onttrokken ten behoeve van meer dan 50 personen.

Een regionaal waterplan omvat mede:

Indien internationale verplichtingen of bovenregionale belangen dat noodzakelijk maken, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de inhoud van regionale waterplannen.

Voor zover het nationale waterplan voorziet in aanvullende toekenning van de functie zwemwater in het beheerplan voor de rijkswateren, is artikel 4.8 van overeenkomstige toepassing op die toekenning, met dien verstande dat voor «Onze Ministers» wordt gelezen: Onze Minister.

Indien internationale verplichtingen of bovenregionale belangen dat noodzakelijk maken, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over de inhoud van beheerplannen.

Van de in artikel 5.1, eerste lid, van de wet bedoelde verplichtingen wordt vrijstelling verleend met betrekking tot de volgende waterstaatswerken of delen daarvan:

Het door de beheerder vast te stellen calamiteitenplan, bedoeld in artikel 5.29 van de wet, bevat ten minste:

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Bij het verlenen van een watervergunning houdt het bevoegd gezag rekening met de ingevolge de artikelen 4.1, 4.4 en 4.6 van de wet vastgestelde plannen, die betrekking hebben op het betreffende watersysteem of onderdeel daarvan.

Op de voorbereiding van een vergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de wet zijn de afdelingen 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en 13.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing, indien het lozen plaatsvindt:

Indien internationale verplichtingen dat noodzakelijk maken, kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat:

Indien internationale verplichtingen dat noodzakelijk maken, kunnen bij ministeriële regeling emissiegrenswaarden worden vastgesteld voor het lozen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk. Bij die regeling kunnen tevens regels worden gesteld ten aanzien van het meten van die stoffen.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het lozen van afvalwater van rookgasreiniging. Deze regels omvatten mede een instructie aan het bevoegd gezag omtrent de aan een vergunning te verbinden voorschriften en beperkingen.

In afwijking van artikel 6.5, eerste lid, kan het bevoegd gezag aan de vergunning voor een zuiveringtechnisch werk hogere grenswaarden verbinden voor de parameters totaal-fosfor en totaal-stikstof, indien het zuiveringsrendement ten minste 75 procent bedraagt en het een zuiveringtechnisch werk betreft:

Het is in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen verboden zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet water te brengen in of te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk.

Degene die water brengt in of onttrekt aan oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk, waarvoor geen vergunning is vereist krachtens artikel 6.17, doet daarvan in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen melding aan Onze Minister, volgens bij die regeling te stellen regels. Bij de regeling kunnen mede regels worden gesteld met betrekking tot het uitvoeren van metingen, het registreren van gegevens en het doen van opgave daarvan aan Onze Minister.

Van grondwaterheffing zijn vrijgesteld onttrekkingen van grondwater:

De maatregelen, bedoeld in artikel 11 van de kaderrichtlijn water, die zijn opgenomen in een plan als bedoeld in de artikelen 4.1, 4.4 of 4.6 van de wet dat betrekking heeft op de jaren 2010 tot 2015, dienen uiterlijk op 22 december 2012 operationeel te zijn.

De eerste overstromingsrisicobeheerplannen die betrekking hebben of mede betrekking hebben op het Nederlandse grondgebied worden uiterlijk op 22 december 2015 vastgesteld.

Tot het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 6.20, tweede lid, wordt in artikel 6.21, tweede lid, in plaats van «ten hoogste vier» gelezen: ten hoogste acht.

Artikel 2.25, tweede tot en met vierde lid, van de Invoeringswet Waterwet is van overeenkomstige toepassing op een vergunning krachtens artikel 1, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, die overeenkomstig het eerste lid van artikel 2.29 van de Invoeringswet Waterwet onherroepelijk is geworden na het tijdstip van inwerkingtreding van paragraaf 6.2 van de wet.

Voor zover artikel 6.12 van toepassing is in gedeelten van het rivierbed doordat tengevolge van dit besluit zoals dat luidde op 22 december 2009 begrenzingen, gebiedsaanwijzingen of andere beperkingen op het vereiste van een vergunning krachtens de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, zoals die wet luidde vóór genoemde datum, zijn gewijzigd of vervallen, is met ingang van genoemde datum dat artikel niet van toepassing op gedragingen waarvoor op de genoemde datum een eerder verleende vergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet, zoals die wet luidde op die datum, onherroepelijk was.

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Dit besluit wordt aangehaald als: Waterbesluit.