U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2014.

Ministeriële regeling · BWBR0026952

Subsidieregeling energie en innovatie

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Economische Zaken, en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, van 10 december 2009, nr. WJZ/9179413, houdende regels betreffende subsidies op het gebied van energie en innovatie (Subsidieregeling energie en innovatie)Subsidieregeling energie en innovatieDe Minister van Economische Zaken en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op de artikelen 3, tweede lid, 4, 5, 7, 8, 12, vierde lid, 13, 14, 14a, 15, 16, 17, 18, 19, eerste lid, 23, 25, 34, eerste lid, 44, 48, eerste en derde lid, 50, tweede en derde lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies en de verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (‘de algemene groepsvrijstellingsverordening’) (PbEU L214);

Besluiten:

Deze regeling zal met de toelichting, en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag10 december 2009De Minister van Economische Zaken, M.J.A. van derHoevenDe Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, G.Verburg

In deze regeling wordt verstaan onder:

Deze regeling valt onder de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Indien door de minister op grond van deze regeling een subsidie wordt verleend van minder dan € 25.000, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000, en bijdragen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is:

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

In deze paragraaf wordt verstaan onder een korte termijnproject: een voor Nederland nieuw, planmatig geheel van activiteiten, hetzij bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, of een combinatie van beide, hetzij bestaande uit een haalbaarheidsstudie.

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000, en bijdragen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

De in artikel 2.1.7 bedoelde adviescommissie heeft tevens tot taak de minister op zijn verzoek met betrekking tot aanvragen om subsidie voor korte termijnprojecten, bestaande uit industrieel onderzoek of ontwikkeling, te adviseren omtrent de afwijzigingsgronden, bedoeld in artikel 23, onderdeel e, f, en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies en artikel 2.2.9 en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 2.2.10.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, is:

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien van het project onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn.

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

In deze paragraaf wordt verstaan onder een EOS-demonstratieproject: een demonstratieproject, geheel of nagenoeg geheel bestemd voor het vergroten van inzicht in de geschiktheid voor toepassing in de praktijk van duurzame energiehuishouding, dat bestaat uit:

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en het Besluit subsidies regionale investeringsprojecten 2000, en bijdragen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten:

Voor zover de subsidiabele projectkosten betrekking hebben op een demonstratieproject als bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 10, derde lid, en 38, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van het Kaderbesluit EZ-subsidies niet van toepassing.

Indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan het in de relevante subparagraaf van deze paragraaf genoemde maximum subsidiebedrag per project, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

Bijdragen van gemeenten, provincies, waterschappen en openbare lichamen als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, worden aangemerkt als publieke cofinanciering, en blijven bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies buiten beschouwing voor zover het de berekening betreft van het maximum bedrag dat krachtens deze paragraaf per project kan worden verstrekt.

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

In afwijking van de Regeling steunintensiteit bedraagt de subsidie maximaal:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een kennisinstelling in een samenwerkingsverband voor het uitvoeren van een GAS-project.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

In deze subparagraaf wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een duurzame warmtemaatregel aan:

die een duurzame warmtemaatregel uitvoert.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

In afwijking van artikel 45 tot en met 47 van het Kaderbesluit EZ-subsidies wordt geen voorschot verstrekt bij een aanvraag om subsidie met een totaalbedrag van minder dan € 50.000.

Het formulier voor het indienen van een aanvraag om een subsidie en om een subsidievaststelling is opgenomen in bijlage 3.1.4.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor het treffen van technische maatregelen aan een eigenaar van een woning die:

Voor subsidie komen in aanmerking de rechtstreeks aan de technische maatregelen, bedoeld in artikel 3.3.2, onderdeel b, toe te rekenen gemaakte en betaalde kosten.

De subsidie voor het treffen van technische maatregelen als bedoeld in artikel 3.3.2, onderdeel b, bedraagt:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De afwijzingsgronden, genoemd in artikel 23, onderdelen a, b, c, d, f en h, van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn niet van toepassing.

De subsidie wordt vastgesteld zonder voorafgaande beschikking tot subsidieverlening.

De verplichtingen, genoemd in de artikelen 36 tot en met 42 van het Kaderbesluit EZ-subsidies, zijn niet van toepassing.

Het formulier voor het indienen van een aanvraag om een subsidie is opgenomen in bijlage 3.3.1.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

De Minister van LNV verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Op een subsidie voor een pilotproject bioraffinage en een subsidie voor een demonstratieproject bioraffinage is niet van toepassing artikel 23, onderdeel a, van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel c, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is drie jaar en zes maanden.

Op een subsidie voor een demonstratieproject bioraffinage zijn niet van toepassing de artikelen 38, eerste lid, onderdelen b tot en met d, en 41 van het Kaderbesluit EZ-subsidies.

In aanvulling op de artikelen 37 en 39, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies staan aan de hand van het Toetsingskader voor duurzame biomassa in het projectplan en de eindrapportage ook gegevens over de duurzaamheid van de gebruikte biomassa in het demonstratieproject bioraffinage of in het pilotproject bioraffinage.

Vooraanmeldingen, ingediend krachtens artikel 9.9 van de Tijdelijke energieregeling markt en innovatie, gelden als vooraanmeldingen als bedoeld in artikel 3.5.8 van de Subsidieregeling energie en innovatie.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 3.6.2, eerste lid, indien de aanvrager geen aantoonbare ervaring heeft in innovatieve vergassingstechnologie.

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Bij de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en bijdragen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

Voor zover de projectkosten betrekking hebben op activiteiten als bedoeld in artikel 3.7.3, eerste lid, is artikel 14a van het Kaderbesluit EZ-subsidies van toepassing en zijn de artikelen 10, derde lid, 38, eerste lid, onder b t/m d, en 41 van het Kaderbesluit EZ-subsidies niet van toepassing.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een ondernemer die een industriële onderneming in stand houdt of een deelnemer in een haalbaarheidsonderzoek-samenwerkingsverband, die een haalbaarheidsonderzoek warmtereductie uitvoert.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De afwijzingsgrond, bedoeld in artikel 23, onderdeel d, van het Kaderbesluit EZ-subsidies is niet van toepassing.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een ondernemer die een industriële onderneming in stand houdt voor een investeringsproject industriële warmtebenutting.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten adviseert de minister over de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 3.8.13 en artikel 23, onderdelen d tot en met g van het Kaderbesluit EZ-subsidies en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 3.8.14.

De subsidie-ontvanger rondt het investeringsproject industriële warmtebenutting af binnen drie jaar na subsidieverlening.

Op subsidie voor investeringsprojecten industriële warmtebenutting zijn de artikelen 10, derde lid, en 38, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van het Kaderbesluit EZ-subsidies niet van toepassing.

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De subsidie voor een pilotproject vergistingketen bedraagt niet meer dan € 750.000. Indien verscheidene aanvragen worden gedaan die betrekking hebben op hetzelfde project en die tezamen een subsidiebedrag van meer dan € 750.000 betreffen, of indien het totale subsidiebedrag voor de deelnemers van een samenwerkingsverband meer bedraagt dan € 750.000, wordt het meerdere naar rato in mindering gebracht op de aan de betrokken aanvragers te verstrekken subsidie.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten adviseert de minister over de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 3.9.9, eerste lid, en in artikel 23, onderdelen b tot en met i, van het Kaderbesluit EZ-subsidies, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 3.9.10.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan een deelnemer in een samenwerkingsverband, waarvan ten minste een ondernemer deel uitmaakt, die een smart-grids-project uitvoert.

Bij de toepassing van artikel 6 van het Kaderbesluit EZ-subsidies worden buiten beschouwing gelaten subsidies op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en bijdragen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van het Zevende Kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie.

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

Het formulier voor het indienen van een aanvraag voor:

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een natuurlijk persoon, niet zijnde een ondernemer, voor de koop van zonnepanelen met een vermogen groter dan 0,6 kWp die in Nederland op een onroerende zaak of een woonboot worden geïnstalleerd.

In afwijking van de artikelen 10, eerste en tweede lid, en 11 tot en met 14a van het Kaderbesluit EZ-subsidies komen:

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld binnen 9 maanden na de beschikking tot subsidieverlening.

Het formulier voor het indienen van een aanvraag om een subsidie is opgenomen in bijlage 3.11.1.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

In afwijking van artikel 1.5 valt deze paragraaf niet onder de algemene groepsvrijstellingsverordening.

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een ondernemer die een inrichting drijft waar producten worden vervaardigd in bedrijfstakken of deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico ten gevolge van in de elektriciteitsprijzen doorberekende kosten in verband met broeikasgasemissies, bedoeld in bijlage 3A.1.

In aanvulling op artikel 3A.4 wordt:

In aanvulling op artikel 3A.4. wordt:

In afwijking van de artikelen 10, eerste tot en met vijfde en zevende lid, en 11 tot en met 14a van het Kaderbesluit EZ-subsidies komen de indirecte emissiekosten ETS in aanmerking voor subsidie, voor zover deze kosten betrekking hebben op de vervaardiging van producten in bedrijfstakken of deeltakken, bedoeld in bijlage 3A.1.

De minister verdeelt het subsidieplafond evenredig over de ingediende aanvragen.

Op een subsidie voor de indirecte emissiekosten ETS zijn de artikelen 37 tot en met 42 van het Kaderbesluit EZ-subsidies niet van toepassing.

Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, opgenomen in bijlage 3A.3.

De subsidie wordt vastgesteld zonder voorafgaande beschikking tot subsidieverlening.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling energie en innovatie.

Het rapport van feitelijke bevindingen wordt opgesteld overeenkomstig de Nadere voorschriften controle- en overige standaarden (ex Artikel A-130.7 VGC) van het NIVRA. In het rapport van feitelijke bevindingen rapporteert de accountant over de hieronder genoemde aspecten en aandachtspunten van de integrale kostensystematiek.

1 Winstopslagen bij transacties binnen een groep worden wel in aanmerking genomen, maar alleen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen (art. 10 lid 5 Kaderbesluit EZ subsidies).

1 Onder algemene research valt basisonderzoek, waaronder het eerste geldstroom onderzoek van universiteiten. De directe kosten van algemene research mogen niet zonder meer deel uitmaken van de integrale kostensytematiek. De indirecte kosten die aan algemene research zijn verbonden kunnen wel deel uitmaken van de systematiek, mits deze kosten evenredig worden omgeslagen over alle activiteiten.

2 Van buitensporige uitgaven is sprake als subsidie-ontvanger beduidend meer betaalt voor producten, diensten of personeel dan tegen de gangbare markttarieven, waardoor een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald. Roekeloze uitgaven betreft het onzorgvuldig omgaan met het selecteren van producten, diensten of personeel waardoor eveneens een vermijdbaar verlies wordt geleden of een vermijdbare hoge prijs wordt betaald.

3 Deze uitsluiting betreft reserveringen en voorzieningen die niet rechtstreeks aan kosten voor normale bedijfsuitoefening verbonden zijn. Overlopende activa en passiva zijn dus niet uitgesloten.

4 Voor universiteiten geldt hier een uitzondering, voor zover activa van universiteiten beslag leggen op eigen vermogen en voor zover die activa toerekenbaar zijn aan de subsidiabele activiteiten. Als rekenrente moet dan de 10-jaars rente van de Bank Nederlandse Gemeenten per primo van een betreffend jaar gehanteerd worden.

(1) Bioraffinage

Bioraffinage is het fractioneren van biomassa in verschillende ‘producten’ die al dan niet na een verdere biologische, (bio)chemische, fysische en/of thermochemische bewerking en scheiding afzonderlijk af te zetten zijn. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan vergisting, superkritische vergassing, pyrolyse en enzymatische en katalytische omzettingsroutes.

Onderzoeksdoel: het fractioneren van biomassa in hoogwaardige deelcomponenten voor toepassing in de chemie en de energiesector waarbij het aantal omzettingsstappen en verliezen tussen de grondstof en het product worden geminimaliseerd en exergetisch geoptimaliseerd. De onderzoeksresultaten kunnen leiden tot:

Onderzoek naar en de ontwikkeling van (onderdelen van):

(2) Geïntegreerde concepten voor teelt, oogst en raffinage van aquatische biomassa

Aquatische biomassa omvat zowel microalgen als macroalgen (wieren) in zowel zoet- als zoutwatermilieu. Projecten komen uitsluitend in aanmerking als zij zich richten op een concept waarin zowel teelt, oogst als raffinage zijn geïntegreerd. Projecten die zich uitsluitend richten op teelt en/of oogst van aquatische biomassa zijn uitgesloten.

Onderzoeksdoel: het verkrijgen van energetisch en economisch efficiënte teelt, oogst en raffinage van aquatische biomassa, met als doel deze toe te passen voor de productie van brandstoffen en industriële grondstoffen. Het doen van onderzoek naar de duurzaamheid van dergelijke concepten en ontwikkelen van methodes om deze te verbeteren.

Onderzoek naar en de ontwikkeling van (onderdelen van):

Projecten hebben een aantoonbaar marktperspectief. Daarnaast moet aannemelijk worden gemaakt dat binnen een termijn van 5 jaar na de start van het project een eerste commerciële toepassing wordt gerealiseerd.

(3) Beschikbaarheid, maatschappelijke aanvaardbaarheid, infrastructurele inpassing van biomassa

Beschikbaarheid van biomassa, prioritering (cascadering) in gebruik, efficiency in gebruik (hoogwaardige biomassa voor hoogwaardige toepassing), het voldoen aan de duurzaamheidscriteria, LCA’s, de mogelijkheden om biomassastromen infrastructureel optimaal in te passen in of naast de bestaande biomassastromen.

Dit onderwerp is niet in het LT- onderzoeksprogramma ondergebracht.

Het doen van onderzoek naar de beschikbaarheid van biomassa, gezien in het licht van prioritering (cascadering), efficiency, duurzaamheidscriteria, LCA’s en de mogelijkheid van het inpassen in of naast de bestaande logistiek waarbij biomassa als energiedrager of groene grondstof gebruikt wordt. Ook het ontwikkelen van systemen om deze inpassing in de logistiek te realiseren valt onder dit speerpunt. Onderzoek moet zich richten op een concreet project waarin de toepassing van specifiek benoemde biomassastromen centraal staat.

(4) Brandstofcel

Een brandstofcel is een elektrochemisch apparaat dat de chemische energie van een reactie rechtstreeks in elektrische energie kan omzetten. Brandstofcellen zijn modulair opschaalbaar en hebben een hoog elektrisch rendement. Brandstofcellen kunnen op termijn verbrandingsmotoren vervangen en in voertuigen gekoppeld worden aan een elektrische aandrijving. Voor stationaire toepassingen kan winst behaald worden door de toepassing van warmteopwekking en krachtopwekking te combineren, of door het integreren van een brandstofcel in het proces van een chemische fabriek. Binnen EOS wordt onderzoek gedaan aan de volgende brandstofcellen: PEMFC (hoge en lage bedrijfstemperatuur), SOFC en de biologische brandstofcel.

(5) Waterstofproductie en geavanceerde conversie

Waterstof kan geproduceerd worden vanuit (bio)koolwaterstoffen, warmte, zonlicht en elektriciteit. Via vergassing worden (bio)koolwaterstoffen omgezet in syngas, een geconcentreerde gasstroom bestaande uit waterstof en CO2. Vanuit syngas zijn er verschillende routes mogelijk. De CO2 kan worden opgeslagen, hergebruikt of feedstock zijn voor chemicaliën of brandstoffen (gas-to-liquid proces, GTL). Het waterstofgas kan in een geavanceerde gasturbine of brandstofcel worden omgezet naar elektriciteit. Het waterstofgas kan ook worden opgeslagen voor later gebruik of toepassing in de mobiliteit. Het vergassingsproces kan zo ingesteld worden dat men kan inspelen op de wisselende elektriciteitsvraag, warmtevraag en ook de vraag naar een specifieke energiedrager (koolwaterstoffen, waterstofgas). Onderzoek naar deze processen en de integratie ervan tot een werkend concept bieden goede mogelijkheden voor een duurzame toekomst.

In de afgelopen jaren is door een aantal onderzoeksgroepen initieel werk verricht naar de productie van ‘groene’ waterstof via nieuwe reforming processen, zonlicht, biologische processen (bv. agro-reststromen) en elektrolyse. Dergelijke processen zouden geschikt kunnen zijn om decentraal waterstof te produceren. Er spelen systeemvragen en vragen omtrent ketenefficiëntie.

De productie van waterstof via het reformen van aardgas op industriële schaal is een uitontwikkeld proces. Op een kleinere schaal is de technologie nog in ontwikkeling maar de systemen waarin aardgas als bron dient, zijn niet meer te kenmerken als fundamenteel onderzoek. Wel zijn er enkele geavanceerde concepten zoals membraanreforming, solaire reforming en waterstofproductie door middel van metaaloxiden die (ook in combinatie met brandstofcellen) nog aan het begin staan van hun ontwikkeling.

(6) Waterstofinfrastructuur: netwerken en opslag

Er zijn verschillende scenario’s voor de productie, transport en opslag van waterstof. De productie van waterstof kan decentraal bij de gebruiker plaatsvinden, of centraal in grootschalige fabrieken. Schommelingen in productie en gebruik van waterstof maken opslag noodzakelijk (vergelijkbaar als bij aardgas).

Een waterstofnetwerk zal bestaan uit een leidingensysteem en een aaneenschakeling van tanks en verschillende productietechnologieën. Waterstofopslag vindt plaats via compressie, cryogeen of fysisch-chemisch door het gas op te lossen in een medium zoals metaalpoeder, (in)organic frameworks en koolstof. Een waterstofnetwerk, een elektriciteitsnetwerk of aard(bio)gasnetwerk kunnen gekoppeld worden via respectievelijk reforming, brandstofceltechnologie en elektrolyse.

(7) Vergassing, gasreiniging, -conditionering en syngasproductie en -toepassing

Processen waarbij biomassa en/of afvalstromen worden omgezet tot een gasvormig product dat kan worden aangewend voor directe energieproductie door verbranding, of kan worden opgewerkt tot een hoogwaardige intermediaire brandstof voor vervanging van fossiele brandstoffen dan wel toepassingen in geavanceerde systemen voor elektriciteitsopwekking als brandstofcellen. Het basisproces is een thermische ontleding van de gebruikte grondstoffen bij hoge temperatuur door reactie met een ondermaat aan zuurstof of een ander reagens.

Het efficiënt omzetten van biomassa naar een hoogwaardig productgas dat qua samenstelling voldoet aan de eisen voor de daaropvolgende energieopwekking en/of het syntheseproces naar hoogwaardige vloeibare of gasvormige energiedragers. Deze omzetting dient aan hoge milieueisen te voldoen.

Onderzoek naar en ontwikkeling van innovatieve installaties voor vergassing, gasreiniging, gasconditionering, syngasproductie en syngastoepassing. Innovaties kunnen zich bijvoorbeeld kenmerken door:

(8) Transport en distributie van energie (transitie en exploitatie van de energie-infrastructuur)

Transport en distributie van energie:

De programma’s, met mogelijkheden voor onderzoek en ontwikkeling richten zich op de bijdrage van de energie-infrastructuur aan een duurzame energievoorziening:

Niet onder dit speerpunt vallen de onderdelen, die elders in het EOS programma zijn gespecificeerd in samenhang met de opslag en het transport van een energiedrager:

Het lange termijn onderzoek binnen dit speerpunt richt zich op twee onderzoeksterreinen: de transitie van de energie-infrastructuur en de exploitatie van de energie-infrastructuur.

Onderzoeksterrein : De transitie van de energie-infrastructuur.

Doelstelling : De transitie van de huidige naar de toekomstige energie-infrastructuur, die een duurzame energievoorziening mogelijk maakt in 2030.

Technologische doorbraak: de analyse van de economie, de maatschappij en de technologie in hun samenhang en met deze analyse de oplossingsrichtingen voor de transitie.

Richtingen van onderzoek die nodig zijn voor deze doorbraak:

Onderzoeksterrein: Exploitatie van de energie-infrastructuur.

Doelstelling: Duurzame exploitatie van de energie-infrastructuur.

Technologische doorbraak: het succesvol combineren van betrouwbaarheid, betaalbaarheid en milieukwaliteit in de exploitatie van de energie-infrastructuur.

Richtingen van onderzoek die nodig zijn voor deze doorbraak:

Voor de bijdrage van de energie-infrastructuur aan een duurzame energievoorziening zijn hard- en sofware nodig. Korte termijn onderzoek en ontwikkeling richt zich nu op het onderzoek naar en de ontwikkeling van deze hard- en software, maar dit soort projecten is nog in de minderheid ten opzichte van het lange termijn onderzoek. Er is een groeiend aantal kansen voor bedrijven, die hiervoor producten op de markt willen brengen.

De bedoeling is om met korte termijn onderzoek en ontwikkeling te stimuleren dat het vele lange termijn onderzoekswerk een weg vindt naar de markt. Het gaat om producten met een plaats in of nabij de energienetten:

(9) Zon PV: (multi)kristallijn-silicium PV-technologie

Tot dit speerpunt behoren alle zonnecellen en -modules gebaseerd op silicium wafers.

Het doel is om een PV-moduleprijs mogelijk te maken van 1 Euro/Wp of minder in 2020, bij een rendement van 18% of hoger (total area).

Het gaat hierbij dus om onderzoek om de volledige potentie van deze technologie te benutten, in termen van prijs en van prestatie. Tevens wordt onderzoek gevraagd waarmee de milieuprestaties van modules substantieel kunnen worden verbeterd.

Onderzoeksonderwerpen zijn:

In aanvulling op de lange termijn doelstellingen betreft het hier de volgende onderzoeksonderwerpen:

(10) Zon PV: dunnefilm PV-technologie

Tot dit speerpunt behoren alle dunne-film zonneceltechnieken en nieuwe celconcepten, waarbij zeer sterke materiaal reductie (cel-materiaal) uitgangspunt is. Ook vallen hieronder hoog-rendement cellen op basis van III/V (o.a. galliumarsenide), in combinatie met CPV onderzoek. Leidend is kostprijsreductie en ruimte voor high efficiency cellen onafhankelijk van de technologie keuze.

Het doel is om een PV-module prijs mogelijk te maken van 1 Euro/Wp of minder in 2020, bij een rendement van 12% of hoger (total area). De levensduur en stabiliteit moeten voldoende zijn voor toepassingen in de bouw, dus meer dan 20 jaar bij een rendementsafname van minder dan 20%. De milieukwaliteit van modules dient in alle gevallen expliciet te worden geadresseerd. Voor de periode na 2020 is het doel om moduleconcepten te ontwikkelen voor een zeer hoog rendement (typisch > 25% op moduleniveau, > 30% op celniveau), bij een acceptabele levensduur voor toepassing in de gebouwde omgeving. Voor deze periode is het tevens het doel celconcepten te ontwikkelen die potentieel nog aanzienlijk lagere kosten, of nieuwe toepassingsmogelijkheden met zich meebrengen.

Onderzoeksonderwerpen zijn:

Voor organische zonnecellen zijn in verband met het stadium van ontwikkeling en de specifieke problematiek vooralsnog de volgende onderwerpen aan de orde:

In aanvulling op de lange termijn doelstellingen betreft het hier de volgende onderzoeksonderwerpen:

(11) Windconversie offshore (ontwerpkennis en netinpassing 6 GW tot 20 GW)

Het speerpunt windconversie offshore is opgedeeld in de onderzoeksterreinen ‘Ontwerpkennis’ en ‘Netinpassing’. Daarbij betreft het onderzoeksterreinen ‘Ontwerpkennis’ alle kennis over de offshore windcentrale vanaf de wind en andere ontwerpomgevingscondities, de windturbine, het interne elektriciteitsnet tot en met het transformatorstation op zee en de integratie daarvan inclusief de regeling. Het onderzoeksterrein ‘Netinpassing’ omvat alle kennis voor het ontwerp en de inpassing van windvermogen (6 GW to 20 GW) vanaf de transformatorstations op zee naar de nationale hoogspanningselektriciteitsnetten op land en de invloed van dat vermogen op die netten.

Streven: Windconversie offshore is concurrerend (kostenniveau per geleverde kWh) met fossiele opwekking op land in 2025.

Het ontwerp van toekomstige offshore windparken is geschikt voor de zware offshore condities. Onderzoek mikt op stabielere, lagere kosten en de potentiële invloed op verlaging van kosten van windenergie, speciaal van investeringen en onderhouds- en bedrijfskosten, verhoging van het energierendement van de totale windcentrale, en verhoging van de beschikbaarheid in termen van betrouwbaarheid, toegankelijkheid en levensduur. Door de vereiste lagere kosten zullen nieuwe windturbineconcepten, -componenten en -materialen in beeld komen. Extreme betrouwbaarheidseisen vereisen windturbines met een minimum aan onderhoudsgevoelige onderdelen en dit leidt tot bijvoorbeeld de verdere ontwikkeling van lichtere direct aangedreven generatoren met zeer grote vermogens. Ontwikkelingen in de techniek van sterke, slimme en recyclebare materialen, vermogenselektronica, EMVT, supergeleiding, besturingssensoren, ICT zullen kosteneffectieve concepten mogelijk maken.

Ontwikkelingen in de rotor- en parkaërodynamica zullen leiden tot hoge opbrengst per turbine door verbetering van het aërodynamisch rendement van de rotor en de aandrijftrein (vermogenscurve) en de regelsystemen zullen de output van de gehele windenergiecentrale optimaliseren bijvoorbeeld door de concepten ‘heat & flux’ en ‘controlling wind’.

Ontwikkelingen in aëro-elasticiteit, structuurdynamica inclusief regelingen zullen leiden tot belastingreductie door geavanceerde regelingen bijvoorbeeld door individuele bladhoekregeling, beheersing van extreme belastingen inclusief regelingen gestuurd door LiDAR en grote, snellopende rotoren met intelligente dynamische individuele bladbesturing over gedeeltes van de bladen.

Ontwikkelingen in elektrische regelstrategieën voor turbines, parken en net zullen leiden tot verbetering van de netintegratie door regelkarakteristieken van de individuele windturbines, het elektrisch systeem in het windpark en de actieve elementen in dat net. Hierdoor ontstaan windenergiecentrales waarvan de output is geoptimaliseerd in de zin van elektriciteitsproductie, 'dispatchability', en belastingsfactor . De regelbaarheid van een windenergiecentrale en de kwaliteit van de opgewekte elektriciteit (vermogensniveau, blindstroomhuishouding, spanningsniveau, hogere harmonischen, dempen van korte termijn fluctuaties), verhogen de waarde van windelektriciteit.

Ontwikkelingen door het integraal ontwerp voor onderhoud, bedrijfsvoering en conditiebewaking zullen leiden tot de verlaging van de totale kosten gedurende de levensduur van windparken met zeer grote turbines (5 MW, 10 MW tot wellicht 20 MW) in diep water. Ontwikkeling van diverse soorten ondersteuningsconstructies zal leiden tot verlaging van de investeringskosten evenals de ontwikkeling van assemblage-, bouw- en transporttechnieken, waarbij rekening moet worden gehouden met typisch maritieme fysische verschijnselen zoals corrosie, wind-, stromings- en golfbelastingen .

Kosteneffectieve windturbines, windcentrales, installatietechnieken en bedrijfsvoeringmethodes vormen daarbij de technologische vooruitgang.

Richtingen van onderzoek die nodig zijn om deze vooruitgang te realiseren betreffen met name:

Bij korte termijn onderzoek en ontwikkeling kan het ook gaan om vernieuwende onderdelen van de onderzoeksrichtingen. Richtingen van onderzoek en ontwikkeling die nodig zijn om deze vooruitgang te realiseren betreffen met name:

Doelstelling: Economisch en betrouwbaar ontwerp en inpassing van windvermogens van 6 GW tot 20 GW in het Nederlandse elektriciteitsnet en toekomstige grensoverschrijdende zeenetten zonder dat hierdoor instabiliteit of knelpunten elders in de netten ontstaan.

Offshore windparken zullen vermogens hebben van 100 MW, 500 MW, wellicht 1000 MW en de output van meerdere parken zullen samenkomen op aansluitpunten van het hoogspanningsnet, in de toekomst ook op zee. De aansluiting van individuele windparken en clusters van windparken kunnen in de periode van 2020 tot 2030 uitgroeien tot grensoverschrijdende zeenetten die ook onderlinge uitwisseling van vermogen tussen landen mogelijk maken. Onderzoek naar ontwerpen, regeling en bedrijf van transportnetten op zee met een combinatie AC, klassieke DC en moderne DC hoogspanningstechnieken zijn noodzakelijk. Het afvoeren van het vermogen vanaf de locaties van de windparken naar de invoedingspunten, heeft systeemconsequenties. De output is variabel en tot op zeker hoogte voorspelbaar. Flexibilisering van bedrijfsmiddelen op het land via het vrije-marktmechanisme en verhoging van interconnectiecapaciteit verbeteren de balans tussen vraag en aanbod. Betere en betrouwbare voorspelling van het aanbod in relatie tot de vraag bij meer windvermogen is dan essentieel. Tevens zijn technieken nodig die gericht de output kunnen aanpassen, zodat een windcentrale bijvoorbeeld systeemdiensten kan leveren in de vorm van korte termijn reservevermogen.

Integrale systeemsimulaties geven inzicht in het gedrag van windconversiesystemen en met het net met de bestaande opwekkers. Ontwerpoptimalisaties geven inzicht in de modulariteit, flexibiliteit en kosteneffectiviteit. De tijdschalen zijn: de korte termijn vermogensfluctuaties en verstoringen in het systeem (seconden – minuten) die de stabiliteit beïnvloeden, en de langere termijn fluctuaties (kwartieren – dagen) die invloed hebben op de leveringszekerheid. Geschikte modellen, regelingen en signaleringsfuncties zijn vereist. De grootste verstoringen komen van kortsluitingen in het net dan wel van snelle variaties van grote hoeveelheden windvermogen, bijvoorbeeld door stormfronten of door storingen in het net op zee. De langere termijn vermogensfluctuaties zijn naast technisch ook organisatorisch van aard. Vermogensmarkten, regelgeving, netcodes, procedures en routines spelen hierbij een rol.

De technologische vooruitgang wordt gevormd door de integrale systeemaanpak van inpassing van windvermogen.

Richtingen van onderzoek die nodig zijn om deze vooruitgang te realiseren betreffen met name:

Bij korte termijn onderzoek en ontwikkeling kan het ook gaan om vernieuwende onderdelen van de onderzoeksrichtingen. Richtingen van onderzoek en ontwikkeling die nodig zijn om deze vooruitgang te realiseren betreffen met name:

(12) Elektriciteit en warmte uit biomassa

Alle processen waarbij biomassa wordt omgezet in elektriciteit en warmte. Hieronder vallen onder andere bij- en meestookinstallaties, afvalverbrandingsinstallaties en installaties die specifiek zijn toegesneden op de omzetting van biomassa in elektriciteit en multifuel installaties. Deze kunnen met een hoog rendement mengsels van biomassa, kolen en restwarmte omzetten. Gestreefd wordt naar een hoog elektrisch rendement en een maximale benutting van de vrijkomende warmte.

Onderzoek naar en ontwikkeling van innovatieve (delen van) installaties voor de omzetting van biomassa in warmte en/of elektriciteit met de volgende kenmerken:

Ook innovatieve projecten die zich richten op de voorbewerking van biomassastromen voor deze toepassing komen in aanmerking.

Het energieverbruik van de industrie omvat in Nederland met 1398 PJ ongeveer 42% van de totale energievraag (cijfers 2005). Vanuit de Trias Energetica is verbetering van de efficiency essentieel voor een transitie naar een duurzame energiehuishouding. Op korte termijn kan verbetering van de industriële efficiency worden bereikt door middel van invoering van state of the art technologie, zoals gestimuleerd door meerjarenafspraken en fiscale maatregelen. De Nederlandse industrie is momenteel een koploper op het gebied van energie-efficiënte. Om deze positie op langere termijn te behouden en zo de levensvatbaarheid van de industrie op lange termijn te waarborgen, zijn echter sprongsgewijze innovaties nodig die een paradigmaverandering vereisen. Processen en ketens dienen op een totaal nieuwe wijze worden doordacht. Het EOS programma ondersteunt R&D gericht op dergelijke innovaties.

Aansluitend op de Innovatieagenda Energie kent het EOS programma twee hoofdsporen: procestechnologie/procesintensificatie en warmte. Daarnaast dienen systeemstudies voor een integrale inbedding en de benodigde ketenvisie.

Deze hoofdsporen zijn uitgewerkt in vijf speerpunten, welke op de volgende pagina’s zijn uitgewerkt.

Innovaties op het gebied van procestechnologie/procesintensificatie bieden een goed besparingspotentieel. Zo vormt membraanscheiding een mogelijk alternatief voor energie-intensieve scheidingsprocessen. Ook bieden deze innovaties de mogelijkheid voor kennisintensief ondernemersschap.

Een belangrijk deel van het energieverbruik wordt gevormd door de warmtevraag in de industrie: 581 PJ. Een betere benutting van restwarmte, de inzet van duurzame warmte en het verminderen van de warmtevraag zullen in belangrijke mate bijdragen aan efficiencyverbetering.

Naast de afzonderlijke processen is het noodzakelijk om energie-, grondstof- en warmtevraagstukken ook in het kader van de gehele productieketen te beschouwen. Een grondige ketenbenadering kan belangrijke synergievoordelen bieden. Daarnaast zijn verdere besparingen mogelijk door over de ketens heen aansluitingen te vinden om een beter gebruik van energie, warmte en grondstoffen mogelijk te maken. Met het oog hierop biedt het EOS programma de mogelijkheid tot het uitvoeren van systeemstudies.

Vanuit de meerjarenafspraken zullen de komende tijd sectorale roadmaps worden uitgevoerd. Deze kunnen mede resulteren in onderzoeks- en ontwikkelingsvragen. Bijvoorbeeld op het gebied van korte termijn onderzoek en ontwikkeling kan bij oplevering van de roadmaps worden onderzocht of het EOS programma kan bijdragen door projecten die aansluiten bij deze roadmaps te ondersteunen.

Op initiatief van het Platform Ketenefficiency is in 2008 een roadmap uitgevoerd op het gebied van procesintensificatie. Het concept van procesintensificatie beoogt een paradigmaverandering waarbij processen opnieuw geheel tegen het licht worden gehouden. Dit kan resulteren in het toepassen van vaak radicaal vernieuwende principes in proces- en installatieontwerp, bijvoorbeeld door microreactoren, combinatie van reactie en scheiding, of andere methoden van energie-overdracht.

Onderzoek binnen de speerpunten van Ketenefficiency kan een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de voor procesintensificatie benodigde technologieën. Zo kunnen membranen een rol spelen in bijvoorbeeld membraanreactoren. In multifunctionele reactoren worden meerdere functies gecombineerd in één nieuw reactorconcept. Alternatieven voor warmteoverdracht worden ook met name genoemd in de roadmap procesintensificatie. Hoewel één van de speerpunten er met name naar genoemd is, is procesintensificatie dus ook een doorsnijdend thema binnen dit aandachtsgebied.

(13) Membraanscheiding

Aangezien voor de meeste scheidingen en combinaties van reactie en scheiding in de procesindustrie omstandigheden van hoge druk (> 20 bar) en temperatuur (> 120°C) in combinatie met (agressieve) organische media aan de orde zijn, vereist dit voor de inzet van membraantechnologie het gebruik van speciale materialen, welke operationeel bestendig zijn tegen dergelijke omstandigheden. Vooralsnog lijken anorganische membranen de beste keuze voor dergelijke toepassingen. Gezien de ontwikkelingen op het gebied van organische materialen, zijn deze in dit onderzoeksprogramma ook opgenomen. Van belang is om primair de functionele aspecten van de te ontwikkelen technologie te beoordelen.

Specifieke toepassingen van membraantechnologie die zich richten op energie-efficiëntere moleculaire scheiding:

Voor ontwikkeling en implementatie van nieuwe membraantechnologie voor de procesindustrie zijn naast de scheidingsprestaties vooral ook flexibiliteit, betrouwbaarheid, robuustheid, veiligheid en onderhoud van belang. Voor implementatie op grote schaal dienen zowel de technologie als de leverancier hiervan de status van ‘bewezen’ te hebben.

Onderzoek moet gericht zijn op:

Doorbraken: Membraantechnologie die toepasbaar is bij hoge druk (> 20 bar), hoge temperatuur (> 120°C), bestand is tegen agressieve milieus en waarbij de standtijd van de membranen voldoet aan de geldende industriële criteria.

(14) Procesintensificatie1

Procesintensificatie (PI): het toepassen van vaak radicaal vernieuwende principes in proces- en installatieontwerp.

Procesintensificatie omvat een aantal vaak radicaal vernieuwende principes (paradigma shift) in proces- en apparaatontwerp. Daarmee komen aanmerkelijke verbeteringen binnen bereik in (energie-) efficiency van de processen en van productketens, lagere investeringen en operationele kosten, verbetering van productkwaliteit en veiligheid, vermindering van milieubelasting etc.

Invoering van technologie op basis van PI betekent een energiebesparing van 5 à 10 PJ op een termijn van ca. 10 jaar, maar 100 PJ op lange termijn. Voor het energiegebruik in de industrie betekent dit 20% reductie.

Van procesintensificatie wordt bijvoorbeeld gesproken wanneer meerdere functies in een reactor worden gecombineerd dan wel de primaire functies worden geïntensiveerd. Gedacht kan worden aan de volgende verdere concretisering:

Doorbraken: Het ontwikkelen en opschalen van nieuwe reactorconcepten.

Vloeistofscheiding door middel van destillatie is de grootste energieverbruiker in de Nederlandse industrie. Gedacht kan worden aan warmteintegratie, extractieve destillatie met designer solvents of high-gravity destillatie. Onderwerpen als reactieve destillatie en destillatie-membraan hybride scheiding passen binnen de trend naar geïntegreerde, meer compacte en hybride systemen. Onderzoek naar energie-efficiëntie te behalen door middel van vloeistofscheiding via geavanceerde destillatie is in dit speerpunt opgenomen.

Doorbraken: Het ontwikkelen en opschalen van geavanceerde destillatieconcepten.

Onderzoek moet gericht zijn op:

(15) Warmtehuishouding in de industrie

Onderzoek gericht op technologieën die bijdragen aan een duurzame warmtehuishouding door efficiënt gebruik van restwarmte en inzet van duurzame warmte. Gedacht kan worden aan:

Doorbraken:

(16) Thermische behandelingsprocessen

Onderzoek en ontwikkeling naar nieuwe thermische behandelingsprocessen en alternatieven voor thermische behandeling. Onder thermische behandeling wordt een veelheid aan processen verstaan waarbij warmte wordt toegevoegd om bepaalde scheidingen, fysische, eventueel biologische en/of chemische veranderingen aan producten teweeg te brengen. Het betreft processen waarbij de warmte vaak door middel van aardgas wordt opgewekt en ingebracht. Soms worden andere warmtebronnen, brandstoffen of elektriciteit ingezet. Het energieverbruik in de Nederlandse industrie is aanzienlijk op deze gebieden. Binnen de thermische processen zijn als voorbeelden de volgende functies te benoemen: drogen, blancheren, steriliseren, smelten etc. Deze functies zijn ook nu gemeengoed in de industrie.

Nieuwe technologieën kunnen gericht zijn op alternatieve wijzen van energieoverdracht of het uitvoeren van processen bij lagere temperatuur. Het uitvoeren bij lagere temperatuur maakt een effectievere inzet van restwarmte of duurzame warmte mogelijk.

Het onderzoek moet gericht zijn op technologieën die substantiële, sprongsgewijze energiebesparing realiseren. Hierbij valt te denken aan technieken als (niet limitatief):

Doorbraken: De ontwikkeling van nieuwe concepten voor thermische behandelingsprocessen die een factor 2 tot 3 efficiënter zijn.

(17) Systeembenadering in de industrie

In het algemeen kan de systeembenadering informatie aanreiken over de potentiële mogelijkheden van nieuwe technologie, bijvoorbeeld in termen van mogelijke energiebesparing, rendementen etc. Behalve potentiëlen wordt doorgaans ook andere informatie gegenereerd, zoals verwachte kosten, fase van ontwikkeling, maatschappelijke effecten, technologische barrières en andere factoren die relevant zijn voor de slaagkans van een nieuwe technologie. Bovendien geeft zij inzicht in de status van de ontwikkelingen wereldwijd, de concurrentiepositie van de Nederlandse kennis op het betreffende gebied en het potentiële draagvlak voor verder onderzoek en ontwikkeling. Dit kan ook belangrijk zijn voor het in de toekomst beoordelen en eventueel herwaarderen van de speerpunten en importthema’s van het lange termijn energieonderzoeksprogramma.

Doelstelling: Ontwikkelingen toepassing van kennis met betrekking tot systeemstudies en technologieverkenningen ten behoeve van selectie en beoordeling van kansrijke onderzoeksgebieden gericht op substantiële energie- en emissiereductie in de industrie.

Het lange termijn onderzoek (procesherontwerp) dient gericht te zijn op:

(18) Integrale systemen en concepten voor nieuw te bouwen of te renoveren gebouwen, wijken of bedrijventerreinen.

Het geheel van bouwkundige en installatietechnische onderwerpen, die in combinatie met andere, niet gebouwgerelateerde invloedsfactoren, het energiegebruik beïnvloeden.

Een project is energieneutraal als er op jaarbasis geen netto import van fossiele of nucleaire brandstof van buiten de systeemgrens nodig is om het gebouw op te richten, te gebruiken en af te breken. Dit betekent dat het energiegebruik binnen de projectgrens gelijk is aan de hoeveelheid duurzame energie die binnen de projectgrens wordt opgewekt of die op basis van externe maatregelen aan het project mag worden toegerekend.

Doelstelling: ontwikkeling van integrale concepten die een energiereductie bewerkstelligen die steeds verder gaan richting energieneutraal en zelfs naar energieleverend.

Studies die verdergaande energiebesparing en/of duurzame opwekking trachten te bereiken door middel van:

Onder integraal wordt verstaan de integratie van technieken (bouwkundig, installatietechnisch, planologisch) en/of sociale aspecten (gedrag, acceptatie, gebruikergebonden energie-aandeel, bestuurlijk, financieel). Het onderzoek kan zich zowel op nieuwbouw als op de bestaande bouw richten. Hierbij kan ook het stedelijke, regionale etc. schaalniveau in ogenschouw worden genomen. Enkele voorbeelden hiervan zijn:

(19) Innovatieve systemen en componenten

Doelstelling: onderzoek en ontwikkeling van systemen en componenten en de inpassing daarvan in de gebouwde omgeving, die nodig zijn om op de lange termijn duurzame en/of hoogefficiënte opwekking van energie op lokaal niveau op grote schaal te kunnen toepassen.

Onder systemen wordt verstaan een combinatie van technieken om een bepaalde functie uit te oefenen (ventilatie, koeling, verwarming, verlichting, isolatie) of een compleet bouwconcept voor een woning/gebouw dat qua energiegedrag richting energieneutraal gaat of naar energieleverend (exergie/passief huis, wel of niet collectief/grootschalige aanpak).

Bij de innovatieve componenten gaat het om technieken die nog zo ver van de markt afstaan, dat er nog geen industrie in geïnteresseerd is om dit onderwerp op te pakken. Te denken valt aan vormen van energieopslag etc.

Vanuit de Innovatie Agenda Energie wordt in 2009 initiatief genomen tot het opzetten van meerdere proeftuinen voor duurzame mobiliteit. In afwachting van deze proeftuinen en eventueel daaruit voortkomende onderzoeksvragen zijn geen onderwerpen voor korte termijn onderzoek en ontwikkeling benoemd.

(20) Elektrisch rijden en rijden op waterstof, biogas en hogere blends biobrandstoffen

Voor EOS zijn de volgende items relevant:

Uitgaande van drie routes in duurzamer rijden – elektrisch, met waterstof en met biogas en biobrandstoffen – wordt de volgende indeling van het thema gemaakt:

EOS biedt geen ondersteuning aan onderzoek naar het voertuig, dat wil zeggen de auto of het voertuig zelf, de aandrijving of – in het bijzonder – aan verbetering van accu’s en batterijen t.b.v. elektrisch rijden. Uitzondering hierop betreft het onderzoek naar brandstofcellen en integratie van brandstofcelsystemen in mobiele (hybride) systemen. Onder het speerpunt ‘Transport en distributie van energie (transitie en exploitatie van de energie-infrastructuur)’ behoort wel onderzoek naar inpassing van opslagsystemen en systeemonderzoek waarin opslag van elektriciteit onderdeel is.

In andere speerpunten van het EOS-onderzoeksprogramma wordt ondersteuning verleend aan onderzoek op het gebied van elektrische-, waterstof- en gasinfrastructuur en aan de productie (beschikbaarheid) van elektriciteit en andere brandstoffen (waterstof, biogas en biobrandstoffen). Hieronder staan onderzoeks- en ontwikkelingsvragen voor lange termijn onderzoek genoemd, met waar mogelijk verwijzing naar de speerpunten uit andere thema’s van het EOS-programma.

De volgende technologiegerichte lange termijn onderzoeksonderwerpen zijn gedefinieerd:

Binnen het EOS-lange termijn onderzoek is er mogelijkheid tot uitvoeren van niet-technologisch (gamma) onderzoek, mits in directe relatie tot een duurzame technologie. Voorbeelden van niet-technologische lange termijn onderzoeksonderwerpen zijn:

Vanuit de Innovatie Agenda Energie wordt in 2009 initiatief genomen tot het opzetten van meerdere proeftuinen voor duurzame mobiliteit. Deze proeftuinen bieden ruimte en financiële ondersteuning voor (grootschalige) demonstraties en daarbijhorende monitoring. In afwachting van deze proeftuinen en eventueel daaruit voorkomende onderzoeksvragen zijn geen onderwerpen voor korte termijn onderzoek en ontwikkeling benoemd.

(21) CO2-scheiding, transport en veilige opslag ondergronds

Het proces van het opslaan van CO2 en de toestand van opgeslagen CO2 in voor Nederland relevante opslagreservoirs, op een manier die veilig, te monitoren en te verifiëren is. Relevante opslagreservoirs betreffen (bijna lege) aardgasvelden, (bijna lege) olievelden, aquifers, koolbedden en overig poreus gesteente. Onderzoeksterreinen betreffen integriteit (van put, reservoir), injecteerbaarheid en opslagcapaciteit, CO2-migratie (korte en lange tijdsschalen, site-specifiek en algemeen) en gas-fluidum-gesteente interactie.

Transport wordt hiernavolgend niet specifiek genoemd. Transport is geen onderwerp waar diepgaand onderzoek voor benodigd is, niet voor de lange termijn en niet voor de korte termijn. Wel worden de specifieke onderwerpen onderscheiden, zoals de invloed van verontreinigingen in CO2-stromen en daarmee gepaard gaand mogelijk afwijkend fasegedrag en compressie- en expansievraagstukken, maar de ervaring met het transporteren van CO2 is al zeer groot en al op grote schaal toegepast (pijpleidingen, scheepvaart, trucks).

De korte termijn onderzoeksvragen worden grotendeels binnen het CATO-2 programma geadresseerd. Het doel van CATO-2 is om rond 2015 één of meer grootschalige demonstraties van geïntegreerde CCS-projecten te realiseren. Daarvoor zijn binnen CATO-2 vier regio’s aangewezen waarbinnen deze demonstraties moeten plaatsvinden, te weten Rijnmond, Noord-Nederland, offshore en Limburg. Het korte termijn onderzoek dat hiervoor nodig is valt in zijn geheel binnen de kaders van CATO-2. Er wordt onderzoek gedaan naar opslag in (bijna lege) aardgasvelden (opslag en EGR), aquifers en koollagen.

Onderwerpen voor korte termijn onderzoek en ontwikkeling in EOS zijn:

(22) CO2-afvang

Fysische, chemische en/of gecombineerde methoden voor het scheiden van CO2 (en andere verontreinigingen) uit rookgassen, waaronder tevens wordt verstaan de benodigde procestechnologische apparaten, processen en procesintegratie, geschikt voor retrofitten van bestaande centrales en installaties en voor green fields.

CO2-afscheidingstechnologie heeft raakvlakken met het speerpunten ‘Geavanceerde kolenconversie met CO2-afscheiding’. De integratie van CO2-afscheidingstechnologie met energieconversieprocessen maakt een zorgvuldige afstemming noodzakelijk. Ook de eisen die vanuit opslag en hergebruik van CO2 gesteld worden aan het CO2-productieproces zijn van belang. Onderzoek naar energieconversieprocessen valt niet onder dit speerpunt, de integratie van afvangsttechnologie met energieconversie valt wel onder dit speerpunt.

Onderzoek kan plaatsvinden naar de drie ontkolingsroutes. Voor alle geldt de doelstelling van het reduceren van de kosten voor afvang met 50% in 2050 t.o.v. 2009, waarbij gestreefd wordt om de ‘energy penalty’ niet hoger te laten zijn dan 5%. Per ontkolingsroute is de onderzoeksfocus weergegeven.

Onderzoek en ontwikkeling kan plaatsvinden naar de drie ontkolingsroutes. Voor alle geldt de doelstelling van het reduceren van de kosten voor afvang met 30% in 2030 t.o.v. 2009, waarbij gestreefd wordt om de ‘energy penalty’ niet hoger te laten zijn dan 5%. Per ontkolingsroute is de onderzoeksfocus weergegeven.

(23) Geavanceerde kolenconversie met CO2-afscheiding

Dit speerpunt is een verbijzondering, richting elektriciteitsproductie via geavanceerde kolenconversie, van het speerpunt ‘CO2-scheiding, transport en veilige opslag ondergronds’.

Het proces van het opslaan van CO2 en de toestand van opgeslagen CO2 in voor Nederland relevante opslagreservoirs, op een manier die veilig, te monitoren en te verifiëren is. Relevante opslagreservoirs betreffen (bijna lege) aardgasvelden, (bijna lege) olievelden, aquifers, koolbedden en overig poreus gesteente. Onderzoeksterreinen betreffen integriteit (van put, reservoir), injecteerbaarheid en opslagcapaciteit, CO2-migratie (korte en lange tijdsschalen, site-specifiek en algemeen) en gas-fluidum-gesteente interactie.

Transport wordt hiernavolgend niet specifiek genoemd. Transport is geen onderwerp waar diepgaand onderzoek voor benodigd is, niet voor de lange termijn en niet voor de korte termijn. Wel worden de specifieke onderwerpen onderscheiden, zoals de invloed van verontreinigingen in CO2-stromen en daarmee gepaard gaand mogelijk afwijkend fasegedrag en compressie- en expansievraagstukken, maar de ervaring met het transporteren van CO2 is al zeer groot en al op grote schaal toegepast (pijpleidingen, scheepvaart, trucks).

Er worden hier alleen de onderzoeksgebieden genoemd die nog niet onder het speerpunt ‘CO2-scheiding, transport en veilige opslag ondergronds’ zijn genoemd.

Betrouwbare en goedkopere kolenvergassing met CO2-afscheiding. Doorbraakitem is:

Betrouwbare en goedkopere (zuurstof-)kolenverbranding met CO2-afscheiding. Kritieke doorbraakitems zijn:

Als parallel lopende tussenfase voor betrouwbare en goedkopere kolenverbranding met CO2-afscheiding, kan de hoogrendementseenheid met ultra super critical stoomcondities worden gezien (USC). Lange termijnonderzoekstema’s zijn hiervoor:

Er wordt binnen CATO-2 onderzoek gedaan naar kolenvergassing. Voor korte termijn onderzoek en ontwikkeling gelden de volgende onderwerpen:

Betrouwbare en goedkopere (zuurstof-)kolenverbranding met CO2-afscheiding. Kritieke doorbraakitems zijn:

Als parallel lopende tussenfase voor betrouwbare en goedkopere kolenverbranding met CO2-afscheiding, kan de hoogrendementseenheid met ultra super critical stoomcondities worden gezien (USC). Korte termijnonderzoekstema’s zijn hiervoor:

(24) Aardgasconversie, gasturbinetechnologie

Het ontwikkelen van gasturbines en hun kritieke onderdelen, die geschikt zijn voor de verbranding van (waterstof)rijke mengsels en met geïntegreerde CO2-afscheiding.

Lange termijn onderzoeksonderwerpen zijn:

Korte termijn onderzoeks- en ontwikkelingsonderwerpen zijn:

Er zijn geen onderwerpen voor korte termijn onderzoek en ontwikkeling benoemd.

(25) Systeembenadering in de glastuinbouw, inclusief warmtehuishouding

Doelstelling: Het realiseren van een kas die op een kosteneffectieve wijze energieneutraal is of energie levert.

Tijdspad: in 2020 ontwikkelde technologie marktrijp.

In de glastuinbouw is 90% van het energiegebruik nodig voor het klimatiseren van de kas (verwarmen, koelen/ontvochtigen, CO2-dosering, verlichten). Om de genoemde doelstellingen te kunnen bereiken is een intensieve systeembenadering van de processen in de kas en tussen kassen noodzakelijk. Deze moet de aangrijpingspunten identificeren die resulteren in een minimale energievraag en maximaal gebruik van duurzame energiebronnen.

Hierbij geldt als essentiële randvoorwaarde dat de nieuw te ontwikkelen technologieën bijdragen aan de gewenste bedrijfsontwikkelingen, teeltintensivering per m2 en verhoging van teeltopbrengst.

Inmiddels worden stappen op weg naar een energieleverende kas gezet. Om de genoemde doelstelling te bereiken zijn er echter nog doorbraken nodig omdat:

Globaal zal onderzoek gericht moeten zijn op het maximaal invangen van zonne-energie, opslag ervan, energieoptimale en groeispectrum-specifieke assimilatiebelichting, isolatie, bouwstrategieën, regelingen en integratie met andere systemen. Hierbij gaat het vooral om functiecombinaties die op alle factoren van het klimaatsysteem (warmtehuishouding: verwarmen, CO2-dosering, belichting en koelen/ontvochtigen) worden betrokken.

Doorbraken:

Er zijn geen onderwerpen voor korte termijn onderzoek en ontwikkeling benoemd.

Binnen EOS is er een subsidiemogelijkheid voor projecten die voor Nederland nieuwe of vernieuwende technologieën demonstreren. Een demonstratieproject betreft een nieuw systeem, een nieuwe functie (met bestaande technologie), een nieuwe aanpak of een combinatie van nieuwe en bestaande technologieën. Het doel is het realiseren van een duurzame energiehuishouding in Nederland.

Projecten die voor subsidie in aanmerking komen dienen te liggen op de terreinen van de thema’s in de Innovatie Agenda Energie, te weten:

Een succesvolle demonstratie zal gevolgd worden door marktintroductie van de technologie, methode of systeem.

Doel van deze tender is de ondersteuning van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten gericht op cascaderend gebruik van biomassa.

Projecten moeten passen binnen de programmalijnen ‘Bioraffinage’ en, of ‘Chemische en biotechnologische conversieprocessen’.

'Bioraffinage' beoogt plantaardige en dierlijke grondstoffen op efficiënte, ecologisch verantwoorde en economische wijze te ontrafelen, zodat de volledige potentie van haar inhoudstoffen benut kan worden. Het streven is om bestaande functionaliteiten en koolstofskeletstructuren in de moleculen zo veel mogelijk te behouden. Bioraffinage levert enerzijds de waardevolle building blocks en halffabrikaten die nodig zijn voor de vergroening van chemie, materialen en energie in de transitie naar de biobased economy. Voor de agri&food- en tuinbouwsector biedt bioraffinage een vergroting en verbreding, alsook een integrale verduurzaming van het productenpalet, en uiteindelijk een verhoging van de toegevoegde waarde van deze sectoren. Bioraffinage is tevens het benodigde concept voor valorisatie proces- en afvalstromen en kringloopsluiting.

'Chemische en biotechnologische conversietechnologie' betreft ontwikkeling van nieuwe geavanceerde technologieën voor de omzetting van -al dan niet voorbewerkte- biomassa naar groene materialen, chemicaliën en brandstoffen. Omzetting kan plaatsvinden via chemokatalytische- en biotechnologische routes (met aandacht voor de fundamentele katalyse en biotechnologie/genomics). Daarnaast wordt aandacht besteed aan het combineren van biotechnologische, biokatalytische, chemokatalytische en thermochemische conversieprocessen. Conversieprocessen worden gevolgd door energie-efficiënte scheidingstechnieken. Daarbij kunnen alle complementaire eigenschappen van deze verschillende technologieën optimaal benut worden.

Alle projecten dienen een bijdrage te leveren aan de doelen van de Topsector Energie (verlaging CO2-uitstoot, verhoging duurzame energieproductie tegen de laagst mogelijke kosten, benutting van het potentieel aan energiebesparing).

Projecten gericht op teelt van biomassa en/of de raffinage van aquatische biomassa zijn van subsidie uitgesloten. Projecten gericht op de productie van groen gas en omzetting daarvan in warmte eveneens, aangezien deze projecten een aanvraag kunnen indienen onder subparagraaf 2.4.5 Groen Gas.

Doel van deze tender is de ondersteuning van onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten die leiden tot een verlaging van de kostprijs voor de productie van elektriciteit en warmte uit biomassa.

Projecten moeten passen binnen de programmalijnen 'Hoogwaardige energiedragers', 'Bioraffinage', 'Hoge percentages bij- en meestook' en, of 'Chemische en biotechnologische conversietechnologie'.

De programmalijn 'Hoogwaardige energiedragers' richt zich op voorbewerking van biomassa, om deze geschikt te maken voor verdere raffinage en/of de productie van elektriciteit, warmte en/of groen gas. De beoogde technieken kunnen bijvoorbeeld tot doel hebben om de energiedichtheid van ruwe biomassa te verhogen en eigenschappen m.b.t. houdbaarheid, opslag, transport en maalbaarheid te verbeteren. Technieken kunnen ook gericht zijn op het opwaarderen van natte of droge biomassastromen die nu geen hoogwaardige- of energietoepassingen kennen, zoals bijvoorbeeld bermgras en riet.

'Bioraffinage' beoogt plantaardige en dierlijke grondstoffen op efficiënte, ecologisch verantwoorde en economische wijze te ontrafelen, zodat de volledige potentie van haar inhoudstoffen benut kan worden. Het streven is om bestaande functionaliteiten en koolstofskeletstructuren in de moleculen zo veel mogelijk te behouden. Bioraffinage levert enerzijds de waardevolle building blocks en halffabrikaten die nodig zijn voor de vergroening van chemie, materialen en energie in de transitie naar de biobased economy. Voor de agri&food- en tuinbouwsector biedt bioraffinage een vergroting en verbreding, alsook een integrale verduurzaming van het productenpalet, en uiteindelijk een verhoging van de toegevoegde waarde van deze sectoren. Bioraffinage is tevens het benodigde concept voor valorisatie proces- en afvalstromen en kringloopsluiting.

Doel van de programmalijn 'Hoge percentages bij- en meestook' is om innovatieve technologie en logistiek/infrastructuur te ontwikkelen voor het meestoken van biomassa op de schaal die noodzakelijk is om de nationale emissie- en duurzame energiedoelstellingen te bereiken. Deze zijn thans niet beschikbaar cq. nog niet bewezen. Daarnaast moeten technisch/economisch exploitabele biomassastromen gevonden en getest worden en moet de supply chain daarvoor nog ontwikkeld worden. Zonder verhoging van het aandeel biomassa meestoken zijn de Nederlandse doelstellingen voor 2020 niet haalbaar. Initiatieven moeten dicht bij de markt. Hierbij kan ook gedacht worden aan innovatieve voorbehandelingtechnologieën om grondstoffen op te waarderen.

'Chemische en biotechnologische conversietechnologie' betreft ontwikkeling van nieuwe geavanceerde technologieën voor de omzetting van -al dan niet voorbewerkte- biomassa naar groene materialen, chemicaliën en brandstoffen. Omzetting kan plaatsvinden via chemokatalytische- en biotechnologische routes (met aandacht voor de fundamentele katalyse en biotechnologie/genomics). Daarnaast wordt aandacht besteed aan het combineren van biotechnologische, biokatalytische, chemokatalytische en thermochemische conversieprocessen. Conversieprocessen worden gevolgd door energie-efficiënte scheidingstechnieken. Daarbij kunnen alle complementaire eigenschappen van deze verschillende technologieën optimaal benut worden.

Projecten gericht op teelt van biomassa en/of de raffinage van aquatische biomassa zijn van subsidie uitgesloten. Projecten gericht op de productie van groen gas en omzetting daarvan in warmte eveneens, aangezien deze projecten een aanvraag kunnen indienen onder subparagraaf 2.4.5 Groen Gas.

Om de ambitieuze doelstellingen van de TSE te realiseren is een TKI-doorsnijdend sociaal innovatie programma nodig. Het STEM programma, een acroniem voor Samenwerken Topsector Energie en Maatschappij, is een pragmatisch maar ambitieus sociaal-innovatie programma waarin bedrijven en wetenschappers met elkaar werken aan niet-technologische innovatie uitdagingen op weg naar een toekomstbestendige energievoorziening.

STEM richt zich op het vergroten van de realiseerbaarheid van energie-innovaties door beter te leren in spelen op maatschappelijke behoeftes en het handelingsperspectief van diverse groepen uit de maatschappij.

STEM streeft na om de energietransitie sneller, effectiever en efficiënter te laten verlopen en daarmee bij te dragen aan de Europese en topsector energie doelstellingen op het gebied van CO2-reductie en duurzame energieopwekking.

Het programma stimuleert tevens multidisciplinaire wetenschappelijke samenwerking rondom sociale-innovatie uitdagingen in de energiesector.

Projecten dienen direct of indirect bij te dragen aan de realisatie van de innovatie ambities van een of meerdere TKI’s en dienen gericht te zijn op een verdere verduurzaming van de energiehuishouding van Nederland en een groei van ons economisch potentieel.

In STEM worden onderzoekers uitgedaagd op een effectieve wijze het maatschappelijk bewustzijn van de sector te vergroten en het energiebewustzijn van de maatschappij. Ook zal STEM erop focussen om in de praktijk energieontwikkelingen bij te sturen vanuit een Living Lab aanpak.

STEM is opgebouwd uit drie verschillende programmalijnen, die sterke onderlinge raakvlakken vertonen, maar onderscheidend zijn m.b.t. het handelingsperspectief dat centraal staat.

Focus op handelen van: Spelers in de energiesector en gerelateerde actoren, met ambities om grootschalige energiegerelateerde infrastructurele projecten te realiseren.

Projecten binnen deze programmalijn richten zich erop de slaagkans van innovaties in het publieke domein te vergroten door een positieve bijdrage te leveren aan de effectiviteit en efficiëntie van de werkwijze van energiespelers, in wisselwerking met diverse groepen uit de maatschappij.

Dit kan o.a. dankzij het creëren van inzicht in en aandacht voor:

Er is specifieke behoefte aan projecten die leiden tot inzichten in:

Vormen van participatie die wel/beter werken dan in het verleden het geval was om daarmee draagvlak te garanderen voor aanpassingen aan de energievoorziening in het publieke domein;

Nut/noodzaak en kansen op het gebied van meervoudige waarde-creatie; dat wil bijvoorbeeld zeggen, komen tot een ander, genuanceerder winstbegrip, waarin niet alleen het financiële resultaat van een onderneming een plek heeft maar ook ecologische en sociale waarde wordt gecreëerd;

Mogelijkheden om wet-, regelgeving en beleid zo aan te passen dat energie-infra gerelateerde besluitvormingsprocessen meer draagvlak opleveren voor aanpassingen aan de energievoorziening in het publieke domein;

Focus op handelen van: de consument en prosument, die een rol wil spelen in de energietransitie

Projecten in deze programmalijn maken het consumenten/prosumenten makkelijker om duurzame keuzes op het gebied van energiegebruik te maken (besparing, opwek, vergroening) en moeten bijdragen aan meer begrip voor, betrokkenheid bij en bekwaamheid van consumenten en prosumenten bij de energietransitie.

Dit kan bijvoorbeeld door meer inzicht te genereren in en aandacht voor factoren die het handelingsperspectief beïnvloeden op de niveaus:

Gedrag – gericht op het realiseren van specifieke afgebakende energie handelingen (aanschaffen spaarlampen, laten uitvoeren energie-scan, plaatsen zonnepanelen, etc.) van consumenten/prosumenten.

Lifestyle – gericht op het scheppen van voorwaarden die het consumenten/prosumenten mogelijk maken een duurzamere leefstijl te ontwikkelen waarvan duurzaam energiegedrag een onderdeel is.

Competenties – gericht op het ontwikkelen van het vermogen van consumenten/prosumenten om kennis te vinden, te screenen en te benutten bij het zelfstandig maken van afwegingen en maken van keuzes ten einde eigen gedrag en lifestyle positief te beïnvloeden.

Binnen deze programmalijn worden projecten aangemoedigd die:

Het mogelijk maken om effectiever in te kunnen spelen op de behoefte aan (duurzame) energiecollectiviteit. Daartoe is meer inzicht nodig in de drijfveren van energiecollectiviteit onder diverse groepen in de samenleving.

Ook is behoefte aan projecten die leiden tot inzicht in succesvolle interventies met, bij en door consumenten die werken om de energietransitie te versnellen. In dit kader wordt specifiek belang gehecht aan projecten die het mogelijk maken om te kunnen bepalen wat het belang is van moralisering van technologie, dienstenontwikkeling gericht op ontzorging en interventies gericht op overtuigen/verleiden (‘licht uit’, ‘douche korter’) middels marketing/communicatie.

Focus op: Concrete duurzame energie vraagstukken/ontwikkelingen die nu spelen en waarover onzekerheid bestaat over de slagingskans.

Projecten in deze programmalijn maken het mogelijk om meer grip te krijgen op duurzame energie-ontwikkelingen die nu spelen en meer (wetenschappelijk) gefundeerde keuzes te maken in de wijze waarop deze ontwikkelingen worden bijgestuurd. Er zijn hierin drie categorieën benoemd:

Technologiegedreven (denk aan Slimme meters, wind op land trajecten, etc.)

Energie-initiatief in de samenleving (bv energiecoöperaties)

Cocreatie situaties – meerdere partijen hebben een gezamenlijke duurzame energie-ambitie maar staan open voor de verdere invulling.

Projecten dienen het mogelijk te maken dat lopende ontwikkelingen gericht op het creëren van een toekomstbestendige energievoorziening effectief kunnen worden bijgestuurd. Projecten die bottom-up energie initiatief faciliteren worden aangemoedigd.

Een project kan passen binnen meerdere programmalijnen.

Projecten moeten passen binnen minimaal één van onderstaande programmalijnen van TKI Groen Gas en één van de onderstaande programmalijnen van TKI BBE.

Programmalijnen Groen Gas, bedoeld in bijlage 2.4.7.

Vergisting

Vergassing

Infrastructuur

Toepassingen

Programmalijnen BBE, bedoeld in bijlage 2.4.4 (BBE-KEW projecten)

Hoogwaardige energiedragers

Bioraffinage

Hoge percentages bij- en meestook

Chemische- en biologische conversietechnologieën

Doel van deze tender is de integratie tussen productie van groen gas en bio-raffinage door de ontwikkeling van geïntegreerde concepten, waarbij meerdere technieken op één locatie gecombineerd worden en warmte- en materiaalstromen gekoppeld worden. Vanwege de overlap tussen de thema’s van TKI BBE en TKI Gas en het gezamenlijke beslag op biomassa zijn er veel projecten die deels in beide TKI's zouden passen. Verwaarding van mineralen uit mest bijvoorbeeld is zo’n thema. Daarom hebben TKI Groen Gas en TKI BBE besloten om tot een gezamenlijke tender voor projecten die zich op het snijvlak bevinden van BBE en Groen Gas.

Het doel van programmalijnen Groen Gas is om middels innovatieve projecten Groen Gas (of synthesegas of biogas) goedkoper te maken en een bijdrage te leveren aan de 16% duurzaamheiddoelstelling in 2020.

De programmalijn ‘Vergassing’ richt zich op onderzoek naar kostprijsverlaging of het verbeteren van de performance in meest brede zin. Denk hierbij aan onderzoek naar toepassing van goedkopere biomassa of mengstromen, verbeteren van de efficiency, bedrijfsprestaties zoals de beschikbaarheid, betere reiniging/opwerking van het (synthese)gas.

Onder vergassing wordt thermische vergassing van droge biomassa/mengstromen (temperatuur boven 800 graden Celsius) of superkritische vergassing van natte stromen verstaan.

De programmalijn ‘Vergisting’ richt zich op onderzoek naar kostprijsverlaging of het verbeteren van de performance in meest brede zin. Denk hierbij aan; verbreding van het biomassa-aanbod, efficiencyverbetering, ontsluiting van lignocellulose, toeslagstoffen zoals enzymen, benutting van bijproducten zoals mineralen.

Vergisting wordt breed opgevat; boerderijvergisters, industriële vergisters, vergisters bij RWZI’s, innovatieve vergisters zoals hogedrukvergisting.

De programmalijn ‘Infrastructuur’ richt zich op alle projectelementen die zich bevinden tussen productie en afnemer van Groen Gas, biogas of synthesegas. Denk hierbij aan; biogashubs, buffers, meetapparatuur, kwaliteitsbewaking (b.v. poortwachter), logistieke optimalisatie.

De programmalijn ‘Toepassingen’ richt zich op toepassing van Groen Gas onderzoek in meest brede zin. Denk hierbij aan rijden of varen op Groen Gas of biogas, het vloeibaar maken van Groen Gas/biogas of andere technieken die de benutting bevorderen.

Het doel van de programmalijn ‘Upstream Gas’ is de 30/30 ambitie van Nederland te ondersteunen door middel van de ontwikkeling en implementatie van innovatieve exploratie en productie technologieën.

Nieuwe Chalk play concepten

Reservoir potentieel van Dinantian Reefs

Regionale data studies t.b.v. exploratie en risico analyse

Reservoir heterogeniteiten en gerelateerde productie issues

Regionaal grensoverschrijdend onderzoek naar verdeling van reservoir eigenschappen gekoppeld aan geologie door middel van geïntegreerde studies.

Nieuwe exploratie tools voor hydrocarbon exploratie

Localiseren bypassed pay in reservoirs

Hogere en betere resolutie van permanente downhole monitoring technologieën

Optimaliseer recovery factor voor productie installaties op de zeebodem (subsea completions) (recovery factor met een gemiddelde van 0.6–0.75 voor subsea completions vs. 0.85–095 voor platform putten)

Integrititeit rotating equipment, bv. robuste downhole pumps

Innovatieve technologie en monitoring t.b.v. hydraulic fracturing

Karakterisatie en opschalen van heterogene tough gas reservoir eigenschappen (focus: geomechanische eigenschappen en permeabiliteit)

Proxies voor laboratorium metingen gebaseerd op well logs en metingen met (nieuwe) logging tools

Betere evaluatie van gas reserves volgens algemeen geaccepteerde methoden en de-risking tough gas portfolio

Nieuwe technologie voor controleren van emissies tijdens gasproductie

Het Upstream Gas programma is open voor projectvoorstellen die betrekking hebben op deze onderzoeksthema’s en die het MKB bij het Upstream Gas programma betrekken.

Doel voor 2015 is dat minimaal 2 miljard kuub gas als LNG die vanuit Gate doorgeleverd kan worden als brandstof, wordt ingezet als brandstof in de short-sea vrachtvaart, veerdiensten, binnenvaart, wegtransport en off grid-applicaties. In 2020 moet dit zijn uitgebreid naar 4 miljard kuub gas. Om dit mogelijk te maken zal er een gehele kennisinfrastructuur opgebouwd moeten worden op het vlak van LNG in de toepassing als transportbrandstof.

De onderzoeksthema’s voor deze tender zijn:

Full-chain integration and technology development

Risk management and safety

Optimised emissions performance and management

We onderscheiden binnen de programmalijn Systeemfunctie van Gas de volgende categorieën van innovaties:

Innovaties kunnen zich op specifieke categorieën of op meerdere terreinen van de hierboven genoemde onderdelen richten. Interdisciplinariteit is daarbij van belang. Het is de bedoeling dat Nederland kan uitblinken op deze innovatieterreinen, dat ze tot nieuwe bedrijvigheid leiden en dat ze de transitie naar een duurzame energiehuishouding optimaal, effectief en efficiënt vorm geven en faciliteren.

Voorbeelden van onderwerpen die op bovenstaande categorieën van toepassing zijn:

Het TKI Gas streeft ernaar om in 2013 een portfolio aan projecten te starten dat een representatieve afspiegeling is van de mogelijkheden die het gassysteem kan bieden om de transitie naar een duurzame energiehuishouding te realiseren. Om focus aan te brengen in het scala aan mogelijkheden, zijn voor 2013 de volgende prioriteiten vastgesteld:

De eerste twee thema’s (1 en 2) dragen het meeste bij aan de doelstellingen van het TKI Gas in het innovatiecontract energie. Dit zal meegewogen worden bij de beoordeling van het criterium verduurzaming en maatschappelijke relevantie uit artikel 2.4.9.7.

Inhoudelijke toelichting op de prioritaire onderwerpen:

Het programma spitst zich toe op de license to operate van de gasvoorziening, en kijkt vooral naar de publieke issues rond gas en de daarmee samenhangende institutionele aspecten van draagvlak. Cruciaal is de factor vertrouwen (trust): kan de samenleving erop vertrouwen dat een ontwikkeling, in dit geval van de gasvoorziening, leidt tot wat nodig en gewenst is? Kan de samenleving die ontwikkeling aan de sector en aanpalende organisaties toevertrouwen? Kan erop worden vertrouwd dat private en overheidsregulering voldoende borgen dat wordt geleverd wat wordt verwacht? En last but not least: biedt gas een propositie die herkend en erkend wordt als antwoord op de wensen, ideeën en behoeften die in de samenleving leven?

Het programma GAS richt zich niet primair op consumentengedrag, markten en transacties1, noch primair op kennisoverdracht en educatie. Voorstellen daarvoor kunnen mogelijk via het programma STEM lopen. Het programma GAS kijkt vooral door de lens van maatschappelijke onderhandelingsprocessen, waarin verschillende actoren met uiteenlopende doelstellingen en middelen hun rol spelen. Ze kunnen deze doelen alleen maar realiseren door met andere spelers met eigen doelen en invloed te onderhandelen om tot breder gesteunde uitkomsten te komen.

Het doel van GAS is het via onderzoek handvatten bieden voor sociale innovaties in de wisselwerking gassector, institutionele kaders en samenleving, door:

Om dit doel te bereiken steunt het programma op 4 hoofdlijnen:

Voorstellen kunnen een enkele hoofdlijnen bestrijken, maar mogen ook meerdere hoofdlijnen adresseren.

Gezien de analyse is het van belang een samenhangend programma te ontwikkelen, waarvan onderdelen wel door verschillende combinatie kunnen worden uitgevoerd, maar dat in zijn totaliteit wel de doelstelling afdekt.

Het draait allemaal om nut en noodzaak van de ontwikkeling van de gasvoorziening, die sinds de ontdekking van het Nederlandse aardgas een wezenlijke rol in de energievoorziening (en de staatshuishouding) heeft gespeeld, en Nederland tot gasland bij uitstek heeft gemaakt. Doorontwikkeling van een rol voor gas, onder meer als wezenlijke bouwsteen van een transitie naar een duurzame energiehuishouding, zal echter mede afhangen van de antwoorden die sector en samenleving zullen formuleren op nieuwe ontwikkelingen en uitdagingen, zoals de klimaatproblematiek, de opmars van duurzame bronnen en de verwachte overvloed aan fossiele voorraden. Welke rol is hierbij voor gas, of breder voor gasvormige energiedragers, weggelegd?

Als deze nut en noodzaak er onvoldoende is, of onvoldoende als zodanig wordt gezien, zal de gassector geen maatschappelijke license to operate krijgen. Zo’n license to operate is onontbeerlijk voor het creëren van een goed investerings- en innovatieklimaat, waarin de gasvoorziening zich kan ontwikkelen. TKI Gas richt zich puur op de innovatieaspecten van de gasvoorziening, en zal zelf maar beperkt het Nut- en Noodzaakverhaal kunnen vormgeven, maar de verschillende programmalijnen kunnen er wel bouwstenen voor leveren. Omgekeerd kunnen maatschappelijke weerstanden tegenover de verschillende innovatiesporen in TKI Gas inzicht geven in de vraag wat in de visie op de rol van de gasvoorziening in de toekomst ontbreekt om het maatschappelijk draagvlak te kunnen verbeteren.

Of dat nu bewust of onbewust gebeurt, in wezen is sprake van een onderhandelingsproces tussen gasspelers, maatschappelijke actoren en overheden. Context, procesgang en werkwijzen, zowel als uitkomsten van dergelijke onderhandelingsprocessen kunnen bepalend zijn voor richting en tempo waarin de gassector zich gegeven maatschappelijke wensen en barrières kan ontwikkelen.

Rondom deze kernkwesties van license to operate en vertrouwen, te realiseren op basis van een breed gedragen ‘nut- en noodzaakverhaal’ voor gas, worden 4 sub-programmalijnen vormgegeven (zie figuur 1):

Om te beginnen is een langetermijn-monitoringprogramma nodig, dat onderzoekt wat de belangrijkste factoren zijn die acceptatie bepalen. Hierbij wordt gekeken naar zowel het brede publiek en de percepties die daar een rol spelen, alsook naar bijzondere groepen ‘geïnformeerde publieken’, zoals journalisten, politici, maatschappelijke groeperingen en dergelijke. Te onderzoeken factoren kunnen zowel kenmerken en opvattingen van deze publieken zijn, alsook de aard van de ‘proposities’ die de sector neerlegt, alsook de institutionele context waarin sector en samenleving ‘onderhandelen’ over ontwikkelingen, projecten en beleid.

Op sociaal-wetenschappelijk verantwoorde wijze kan onder meer worden gekeken naar:

Het monitoringprogramma zou zo moeten zijn opgezet dat gemeten zou moeten kunnen worden hoe lessen en ervaringen uit de andere sub-programmalijnen (surprise-technologieën, best practices, institutionele factoren en arrangementen) medebepalend zijn voor draagvlak.

Elk van bovengenoemde factoren kan overigens weer onderwerp van onderzoek zijn in de andere drie hoofdlijnen.

Onbekend maakt onbemind. Dat geldt ook voor nieuwe technologieën: als deze zich plotseling in de vorm van nieuwe opties aandienen, is de eerste reactie dikwijls: niet, en zeker niet hier. Wat gas, of breder: gassen betreft was dan onder meer duidelijk bij CCS, CO2-afvang en opslag. Daartegen ontstond direct bij aankondiging verzet, en niet alleen rond de geplande locatie, maar ook breder met het oog op nut en noodzaak. CCS was onder experts al langere tijd een optie in ontwikkeling, maar in het brede publiek was het een grote onbekende.

Vergelijkbaar lijkt het verzet tegen de optie schaliegas, die zo snel opkwam dat zelfs experts er met enige verbazing naar kijken.

De ontwikkeling van de gasvoorziening kan in de toekomst nieuwe surprises opleveren; het is verstandig als daarop nu al kan worden vooruitgelopen door een beter begrip van wat acceptatie en verzet van nieuwe, onverwachte technologieën bepaalt. Denk bijvoorbeeld aan waterstof, te produceren uit overschotten hernieuwbare elektriciteit. Het is denkbaar dat waterstof in toenemende mate zal worden bijgemengd in het gassysteem, of er komen bijzondere toepassingen voor (rijden op waterstof). Hoe wordt tegen waterstoftechnologieën aangekeken?

Deze sub-programmalijn richt zich op onderzoek naar de factoren die de acceptatie van surprise-technologieën bepalen, via ex-post studies die achteraf kijken, en zo mogelijk ook via ex-ante studies die (mogelijk mede op basis van lessen uit het verleden) vooraf analyseren hoe de samenleving tegen nieuwe technologieën aan zal kijken die samenhangen met de gasvoorziening. In deze sub-programmalijn kan onder meer gekeken worden naar:

Mogelijk kunnen gasgerelateerde surprise technologieën worden vergeleken met andere surprise-energietechnologieën. Als dat het geval is kan een voorstel mogelijk door én TKI Gas/MD én STEM worden medegefinancierd.

In de praktijk hebben initiatiefnemers van projecten op verschillende wijzen en in verschillende mate vormgegeven aan onderhandelingsprocessen en stakeholderbetrokkenheid, om uiteenlopende belangen rond initiatieven/projecten te accommoderen. De benaderingswijzen lopen uiteen van de ‘klassieke’ werkwijze Decide, Announce, Defend (DAD), via beperkte stakeholderconsultaties tot zeer intensieve maatschappelijke onderhandelingsprocessen zoals begin jaren ’00 over gaswinning in de Waddenzee. De gevolgde praktijken beperken zich niet tot gasprojecten, maar kunnen ook bij andere (grootschalige) energieprojecten in zwang zijn, zoals nieuwe energiecentrales, windparken en CO2-afvang en opslag.

Het is wenselijk van de verschillende praktijkervaringen te leren: wat werkt, wat niet of minder? Welke actoren moeten betrokken zijn? Wat zijn kritische succesfactoren? Wat zijn do’s en dont’s, welke contra-indicaties gelden? Stakeholderprocessen zijn doorgaans arbeidsintensief voorafgaande aan de uitvoering van een project, maar de inspanningen verdienen zich terug tijdens de uitvoering, is het basisidee. Is dat te kwalificeren, of zo mogelijk zelfs te kwantificeren?

In het programma GAS worden enkele uiteenlopende benaderingswijzen met elkaar vergeleken. Het kan gaan om gasprojecten sec, of vergelijking tussen gasprojecten en andere grote projecten. Als dat laatste het geval is, is samenwerking met STEM mogelijk, en kan wellicht in dat programma cofinanciering worden gevonden.

Eveneens geldt hier dat wanneer stakeholderprocessen gerelateerd aan gas worden vergeleken met stakeholderprocessen rond andere energiethema’s, een voorstel in die richting mogelijk door én TKI Gas/MD én STEM kan worden gefinancierd.

De invalshoek voor deze sub-programmalijn is vooral procesmatig: wat voor benaderingswijzen werken, welke minder? Hoe was of is het proces opgezet? Hoe verliep of het traject en waarom?

Deze maatschappelijke onderhandelingsprocessen kunnen zowel ex post als ex ante worden geanalyseerd.

Stakeholderprocessen stuiten op belangrijke institutionele factoren, die in een stakeholderproces kunnen worden bijgesteld, en kunnen leiden tot nieuwe institutionele arrangementen of voorstellen daartoe. Daaronder valt te verstaan het geheel van formele en informele overeenkomsten over organisaties, procedures, (beleids)regels en governance2.

Gaat het ad 3. primair om de processen, hier ad 4. staan de uitkomsten van dergelijke processen centraal, alsmede de (institutionele) barrières en versnellers die de uitkomsten bepalen.

De vraag is welke ‘wetmatigheden’ hier zijn te ontdekken. Wat zijn (ex post) effectieve arrangementen gebleken? Aan welke karakteristieken en criteria voldoen ze? In dit verband wordt dikwijls gesproken over ‘win-win-oplossingen’: is win-win te kwalificeren, of beter nog te kwantificeren? Hoe is de verdeling van lusten en lasten over de actoren?

Kan op grond van zo’n analyse ook ex ante worden aangegeven aan welke criteria in nieuwe situaties arrangementen zouden moeten voldoen om effectief en aanvaardbaar te zijn?

Kernvraag is in welke mate maatschappelijke onderhandelingsprocessen en de uitkomsten daarvan vertrouwen (trust) genereren. Kan dat? Wanneer ontstaat vertrouwen, wanneer niet? Wat is de invloed van de procesopzet, wat is de invloed van het resultaat, in hoeverre is juist het samenspel proces en resultaat van belang?

In het programma GAS kunnen verschillende casus met elkaar worden vergeleken. Tevens is te onderzoeken hoe het gevolgde proces (sub-hoofdlijn 3) van invloed is op de onderhandelde uitkomsten. Het is mogelijk de vraagstelling geheel toe te spitsen op gas, of om eventueel vergelijkingen te maken met energie-arrangementen als dat meerwaarde kan bieden.

The aim of the programme line Wafer Based Silicon PV Technologies in the TKI Solar Energy is to develop and implement (Dutch) technology for the near and further future of PV manufacturing and application. The programme line is successful when more Dutch technology, equipment or materials, is implemented worldwide than before the programme was started. Automatically this will lead to more (green) jobs and tax revenue for the Dutch state. Main deliverables from this Programme Line are technology packages for new products that contain patent protected technology in the form of concepts and processes, and related equipment and materials that can be delivered by Dutch companies.

The Programme Line now needs to focus on taking the next step of development towards industrial implementation. Main goals are to enhance efficiency of solar cells and panels, to reduce costs by implementing new technologies and to show manufacturability. Focus will be on interconnects and cell/module designs. Finally, future cell and module concepts incorporating nanotechnology as being developed in programmes outside the TKI Solar Energy need to be added to this Programme Line.

This tender focuses in particular on the following three themes:

De doelstelling van de zonne-energie sector voor 2020 is een opgesteld vermogen van minimaal 4 GWp, bij opwekkosten van 0,10-0,15 €/kWh. Dit komt overeen met een bijdrage van 3% aan het totale elektriciteitsgebruik in 2020 en een bijdrage van 10% aan de doelstelling voor duurzame elektriciteit. Deze snelle groei wordt enerzijds mogelijk gemaakt doordat zonnestroom op consumentenniveau kan concurreren met conventionele opgewekte stroom en anderzijds doordat geschikte producten en diensten beschikbaar komen om deze klantgroep te bedienen. Na 2020 kunnen de kosten verder dalen tot ongeveer 0,05 €/kWh, zodat PV in de periode van 2020 tot 2030 ook zal kunnen concurreren in andere, professionele markten. Het potentieel voor PV wordt geschat op minimaal 90 GWp, zodat de doelstelling voor 2020 moet worden gezien als een eerste stap naar grootschalig gebruik, waarbij PV ook in Nederland een substantieel deel van het totale elektriciteitsgebruik concurrerend kan opwekken.

Grootschalige toepassing van PV in een dichtbevolkt land als Nederland is echter alleen mogelijk wanneer de systemen worden geïntegreerd in de gebouwde omgeving en de infrastructuur (meervoudig ruimtegebruik. Dit is de kern van het gezamenlijk programma van de TKI’s Solar en EnerGO: integratie, waarbij drastische prijsdaling hand in hand moet gaan met esthetische kwaliteit, duurzaamheid, veiligheid, gebruikersgemak en uiteraard een hoge energieopbrengst.

Naast fysieke integratie is een tweede voorwaarde voor grootschalig gebruik van PV, de integratie in het elektriciteitsnet. Bij een toenemende penetratiegraad van PV worden het toepassen van intelligente elektronica, afstemming van vraag en aanbod en/of opslag technisch noodzakelijk en vanuit economisch oogpunt aantrekkelijk. Dit geldt zowel op gebouwniveau als op gebiedsniveau.

Naast fysieke integratie is een tweede voorwaarde voor grootschalig gebruik van PV, de integratie in het elektriciteitsnet. Bij een toenemende penetratiegraad van PV worden het toepassen van intelligente elektronica, afstemming van vraag en aanbod en/of opslag technisch noodzakelijk en vanuit economisch oogpunt ook aantrekkelijk.

Toepassing van PV in de gebouwde omgeving vraagt anders geoptimaliseerde elektronica dan grote ideale grondgebonden systemen. Partiële beschaduwing, vervuiling, en de wens om systemen in fases uit te kunnen breiden, geven aanleiding tot andere typologieën voor het elektrisch PV systeem.

De waarde van elektriciteit varieert over de tijd en over de dag. Bij een hoge penetratiegraad van PV is de elektriciteitsopwekking midden op een zonnige dag groot, zodat de waarde dan daalt. In Duitsland heeft dit al geleid tot een herwaardering van lokale opslagsystemen in combinatie met een lokaal energie management systeem.

Functionaliteit op het gebied van balanceren van vraag en opwekking zal in waarde toenemen. Dit is een onderwerp waarin we samenwerken met de TKI Smart grids. De structuur van de smart grid zelf ligt daarbij in het domein van TKI Smart Grids, het ‘smart grid ready’ maken van PV systemen ligt op het domein van dit gezamenlijke programma van TKI Solar en EnerGO.

Nederland heeft een sterke positie op de zogenaamde Module Level Power Management systemen en Nederlandse bedrijven ontwikkelen waardevolle kennis op het gebied van lokale elektrische energiemanagement systemen. Bovendien liggen er goede kansen op het gebied van dienstenontwikkeling (potentieel mapping, forecasting, etc) en het opbouwen van een infrastructuur van databases.

De meerwaarde van succesvolle BIPV producten zit in de multifunctionaliteit: behalve stroomopwekking minstens één extra functionaliteit, zoals esthetische integratie of bouwkundige functionaliteit. Dit gegeven heeft onmiddellijk invloed op de waardebepaling van BIPV producten, zodra het BIPV product een ander bouwproduct vervangt. Vrijheid van vorm, formaat en uiterlijk is bij dit soort producten van belang. De ontwikkelde producten moeten eenvoudig zijn te installeren en integreren in multifunctionele bouwelementen die alle functionaliteiten bevatten.

Er ontwikkelt zich een duidelijke markt voor producten, die flexibiliteit in de toepassing combineren met betrouwbaarheid, levensduur, geen of nauwelijks onderhoud, installatiegemak (ook voor renovatiemarkt) en lage kosten. Een bijzondere rol is hier weggelegd voor producten op basis van dunne film PV technologie. Deze technologie heeft als unieke waarde propositie: laag gewicht (voor daken met weinig draagvermogen) en vormvrijheid (voor gebogen constructies, zoals overkappingen). Vooral in utiliteitsbouw is het dakoppervlak relatief klein en bieden gevels een interessante optie voor opwekking van zonnestroom. In deze tender wordt daarom specifiek gezocht naar geveloplossingen. Uiteraard binnen de randvoorwaarde van het anticiperen op de geschetste kostprijs daling.

Prefab Solar Roofs, waarin zowel photovoltaïsche elementen als zonthermische elementen vooraf geïntegreerd kunnen worden, vormen een aantrekkelijke optie voor renovatie van woningen. Het is daarbij belangrijk dat de oplossing een aantoonbaar voordeel heeft op kosten en/of kwaliteit ten opzichte van de huidige stand der techniek. Deze tender zoekt specifiek naar dergelijke modulair opgebouwde daksystemen die naast elektriciteitsopwekking ook op de vraag afgestemde thermische energie levert (bv tapwaterverwarming, ruimteverwarming of bron/bodem regeneratie). Een benadering waarbij het prefab dak 'off-site' wordt geassembleerd en als geprefabriceerde constructie op de bouwplaats wordt aangeleverd, sluit goed aan bij de kosten- en kwaliteitsbewaking en ook de logistiek van een renovatieproject.

In een energieneutrale gebouwde omgeving, is een hogere toepassing- en dekkingsgraad van zonne-energie nodig door het jaar heen. Multifunctionele bouwelementen voor bestaande bouw hebben een beperkte ruimte. Miniaturisatie en integratie in het thermische gebouwsysteem kan zowel dekkingsgraad als economische waarde vergroten. Koeling met zonne-energie en opslag vergroten de bijdrage over de seizoenen en de 'intraday' economische waarde over dag/nacht.

Als op hetzelfde oppervlak zowel zonnestroom als zonnewarmte geoogst wordt, spreekt men van PVT Systemen. Voor de totale energieoogst per m2 kan dit optimaal zijn. Het oogsten van de warmte gaat gepaard met koelen van de PV, hetgeen de opbrengst van de PV ten goede komt. Solar co-generation systemen, voor productie van elektriciteit, warmte en koeling kunnen een overall systeem efficiëntie van 80% halen.

Vanuit deze tender willen we een project faciliteren waarin het optimale ontwerp en het optimale toepassingsgebied van PVT systemen onderzocht worden. Ook streven we naar geoptimaliseerde systeemintegratie van zonthermische systemen met seizoensgebruik en opslag van warmte.

Voor een grootschalige uitrol van PV in Nederland is het opportuun om het multifunctioneel gebruik van oppervlak in de bebouwde omgeving uit te breiden naar gebied, met 'Infrastructure Integrated PV', I2PV (wegen, dijken, geluidschermen, viaducten, parkeervoorzieningen e.a.). Dit bedient tevens de markt voor groene mobiliteitsdiensten. Hierbij moet de primaire functie van het infrastructurele element natuurlijk behouden blijven. Daarnaast liggen er uitdagingen qua (elektrische) lay-out van het systeem, veiligheid, levensduur, storingsgevoeligheid en rendement op investering. In deze tender wordt gezocht naar projectideeën die deze doelstellingen kunnen realiseren.

In de glastuinbouw bestaat een aanzienlijk deel van de variabele bedrijfskosten uit energiekosten. Daarnaast wil men – afhankelijk van het precieze gewas – bij voorkeur drie variabelen onafhankelijk van elkaar kunnen beheersen: het lichtniveau, de temperatuur in de kas en de CO2 concentratie.

Zonlicht is de drijvende kracht. Vooral bij groenteteelt geldt hoe meer licht hoe beter. Daarbij is typisch een combinatie van blauw en rood licht voldoende voor optimale groei. Optimaal lichtniveau en schaduwtolerantie hangen af van het specifieke gewas. Om oververhitting te voorkomen worden echter ramen witgekalkt of geopend met verlies van de optimale CO2 concentratie. Spectraal selectieve PV is een theoretisch ideale oplossing, waarbij het groene en NIR licht voor elektriciteitsopwekking wordt gebruikt, en het rode en blauwe licht wordt doorgelaten voor gewasgroei.

De uitdagingen op dit thema zijn:

EnerGO bevat vijf programmalijnen die in deze bijlage verder zijn toegespitst op de tender van 2013.

Voor de programmalijnen Duurzame compacte conversie technologie en Compacte opslag is de ambitie om meerjarige samenwerkingsverbanden te vormen voor gezamenlijke ontwikkeling door bedrijven en kennisinstituten, startend in 2014. Projecten binnen deze lijnen kunnen aangeven hoe zij in de visie van het consortium een opmaat kunnen vormen tot een meerjarig samenwerkingsverband van bedrijven en onderzoeksorganisaties. In samenwerkingsverbanden werken bedrijven samen met onderzoeksorganisaties aan preconcurrentiële ontwikkeling, waardoor ook elkaar concurrerende bedrijven in één consortium elkaar versterken en kosten delen.

Alle programmalijnen richten zich op bestaande bouw, omdat daar de impact (zie beoordelingscriteria) het grootst is.

De volgende paragrafen beschrijven de inhoud van de programmalijnen. Onderstaande tabel biedt een beknopt overzicht. Het overzicht en de paragrafen geven de focus aan voor deze tender binnen de programmalijnen, waarvan we verwachten dat met name deze goed voldoen aan de criteria. Het is mogelijk projecten van beperkte omvang in te dienen die op een andere baanbrekende wijze bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen, zoals die zijn beschreven in de aanscherping van het programma van TKI EnerGO in 2013 en hoog scoren op de beoordelingscriteria:

De projecten dienen bij te dragen aan het (versneld) bereiken van de energiebesparingsdoelstellingen voor de gebouwde omgeving:

Deze tender richt zich bij het realiseren van deze doelstellingen op de bestaande gebouwde omgeving.

De tenderregeling stimuleert doorbraken gericht op deze energiedoelen in combinatie met het creëren van additionele economische activiteit en groei van werkgelegenheid.

Ontwikkelingen zijn niet alleen gericht op componenten, maar ook op uiteindelijk totale producten en diensten. Integrale projecten zijn mogelijk, een project kan bijdragen aan meer dan één programmalijn. De programmalijnen Regeling energieprestatie en control, Multifunctionele gebouwdelen en Energieopwekking, -distributie en opslag op gebiedsniveau richten zich ook specifiek op integratie op systeem, gebouw en gebiedsniveau.

Duurzame compacte conversietechnologie

Vervanging van installaties in de bestaande bouw en los daarvan ook comfortverhoging met lokale verwarming/koeling, leiden tot de vraag om miniaturisatie (betere inpassing) van apparaten voor verwarmen en koelen met een zeer hoge efficiency. Warmtepompen met een 2 maal zo hoge COP als de huidige stand der techniek, zijn op laboratoriumschaal beschikbaar. Een kleine, efficiënte warmtepomp kan buitenlucht of een laag temperatuur thermisch-net als bron benutten, waarmee ook eenvoudige renovatie en integratie mogelijk is in bijvoorbeeld de gebouwelementen van programmalijn ‘Multifunctionele bouwdelen’. De randvoorwaarden zijn daarbij:

Miniaturisatie

Verhoging efficiëntie

Stil

Inpasbaarheid in systemen en bouwelementen

Economisch te produceren en t.z.t. geschikt voor massa fabricage

Producten en delen van producten waar het onderzoek binnen deze programmalijn zich op richt:

Hybride systemen (bijv. warmtepompen met geïntegreerde opslag)

Nieuwe materialen en koude middelen (bijv. composieten, nano fluids)

Nieuwe en verkleinde componenten (bijv. warmtewisselaars van andere materialen of andere geometrie)

Warmtepompen met deels nieuwe principes (bijv. torsion compressor, twee fasen expander)

Warmtepomp op basis van totaal nieuwe principes (bijv. magnetocalorisch)

Compacte (thermische) opslag

De wisselende beschikbaarheid van duurzame bronnen maken opslag voor energieneutraliteit onmisbaar. Zowel om inefficiënte piekproductie te voorkomen, voor dag/nacht, als voor paar dagen en seizoenoverbrugging. Ook binnen de internationale agenda’s (Technology Platforms en IEA implementing agreements) geldt dit onderwerp als een van de hoogste prioriteiten.

Deze tender richt zich op compacte thermische opslag. Ook hier is miniaturisatie voor bestaande bouw essentieel en voor andere toepassingen een competitief voordeel. Thermochemische opslagsystemen zijn hier een voorbeeld van. Systemen met een factor 6-8 kleiner opslag volume zijn op laboratoriumschaal werkbaar. Via een thermochemisch proces (sorptie en desorptie) wordt de energie opgeslagen. Thermochemische opslag is ‘tijdsonafhankelijk’: zolang de terug gaande reactie niet plaatsvindt, blijft de energie opgeslagen. In tegenstelling tot een regulier watervat dat na verloop van tijd afkoelt, is thermochemische opslag dus ook inzetbaar voor seizoensopslag.

Thermochemische opslag kan worden gekoppeld aan warmtepompen in een totaal product.

Het is toepasbaar in loze ruimtes, maar ook ontwikkeling van compacte opslag geïntegreerd in bouwdelen (gevel, dak, vloeren, muren) is mogelijk.

Er moeten echter nog belangrijke doorbraken bereikt worden:

Stabieler basis materiaal; hoge warmte-opslag capaciteit, snelle opname en -afgifte

Ontwikkeling van effectieve reactoren

Miniaturisatie voor kostenbesparing, optimaal ruimte gebruik en integratie

Producten en delen van producten waar de projecten binnen deze programmalijn zich op richten:

Materialen en reactoren voor compacte opslag

Thermo chemische opslagsystemen

Door op gebouwniveau systemen van aanbod, vraag en opslag optimaal te ontwerpen wordt ongewenste piekbelasting van netten voorkomen en kan de waarde van de opgewekte energie worden gemaximaliseerd. Thermische opslag speelt behalve in het thermische systeem ook een rol in het elektrische systeem (i.r.t. smart grids en PV). In combinatie met bijvoorbeeld warmtepompen kan het pieken opvangen. Zo is opslag van elektriciteit in meteen een gewenste functie, warmte of koude, mogelijk: Power to heat/cold.

Het optimaal regelen van de inzet van de opslag wordt besproken in programmalijn ‘Regeling energieprestatie en control’.

Regeling energieprestatie en control

Energie besparen krijgt een verdere impuls indien we energie alleen dan en daar inzetten waar het waarde levert. Energiesystemen zodanig regelen en beheersen dat verliezen door onnodig en ongewenst verwarmen, koelen en verlichten wordt voorkomen vereist, mede gezien de grote variëteit aan gebouwen en mensen daarin, werkelijk zelflerende systemen. De business case voor deze energiebesparende systemen wordt vergroot doordat ze ook zorgen voor gezond en comfortabel leef- en werkklimaat, beperking van onderhoudskosten en verhoging van de productiviteit.

De energietransitie verschuift kosten van gebruik (brandstof, stroom) naar investering. En van gebruiker naar eigenaar. Om deze investeringen te realiseren ontstaan nieuwe business modellen. Energiebedrijven en installatiebureaus ontmoeten elkaar in service concepten. Om de verschuiving van gebruik naar investeringen en services succesvol te krijgen zijn prestatiegaranties een essentieel onderdeel van deze programmalijn.

Regelsystemen met continue commissioning leveren dat. Lerende systemen zorgen voor continue optimalisatie van energie bij veranderend gebruik.

Om de potentie te benutten zijn innovaties voorzien voor:

Via sensor en sensornetwerk technologie energie/gebouwbeheersystemen voeden met informatie ook uit andere systemen over (toekomstige) omstandigheden

Combineren van real-time performance monitoring met (PV) energie aanbod voorspellingen (met meteorologische data) en demand side management

Slimme ict en algoritmes voor laag energiegebruik bij gelijktijdig individueel comfort van mensen met verschillende behoeften

Van regeling met een groot gebouwenergiesysteem naar regeling met lokale actuatoren (link met programmalijnen ‘Multifunctionele bouwdelen’ en ‘Duurzame compacte conversietechnologie’)

Regelingen die de waarde van gegenereerde energie (mn zon PV) maximaliseert en energie inkoop kosten minimaliseert (slim regelen van gebruik, opwekking, conversie en opslag), in interface met smart grids

Producten en delen van producten waar de projecten binnen deze programmalijn zich op richten:

Slimme regelsystemen

Prestatiegarantie systemen, continue commissioning

Interfaces en integratie met smart grids voor optimalisatie services

Service producten, ESCO 3.0 met prestatiegarantie, demand side management

Voor Zon-gerelateerde onderdelen (incl services voor prosumenten) hiervan kunnen projecten worden ingediend in het gezamenlijke programma met TKI Solar Energy, zoals beschreven in paragraaf 2.4.12 in de Regeling en bijbehorende bijlage, onderdeel S1: Elektronische systemen en regelsystemen voor PV in de gebouwde omgeving.

Deze programmalijn heeft interfaces met smart grids. Projecten die voornamelijk het accent op het optimaliseren van het net hebben, passen niet binnen het programma van TKI EnerGO maar mogelijk wel bij TKI Switch2SmartGrids.

Multifunctionele Bouwdelen

In 2011 was 63% van de gebouwen ouder dan 30 jaar. Van de gebouwen in 2050 zal ook het merendeel er nu in 2013 al zijn. Slimme energierenovatie is cruciaal om de bestaande gebouwde omgeving energieneutraal te maken. Om deze markt te creëren en versnellen moeten eigenaren deze renovatie willen aanschaffen. Dat vraagt bouwdelen die de functies energiebesparing, energieopslag en energieopwekking integreren en met de volgende eigenschappen:

Esthetisch, architectonisch aantrekkelijk

Economisch verantwoord, zichzelf tijdig terugverdienen in vastgoedwaarde en/of energiebesparing en energieopbrengst

Simpel en effectief op nieuwe ketensamenwerking en industrieel bouwen

Gebruiksvriendelijk

Toevoegen van extra voordelen, zoals lokaal comfort (per ruimte)

Toepasbaarheid in verschillende typen gebouwen enerzijds en schaalvoordelen in aantallen anderzijds vraagt om geïndustrialiseerd maatwerk (‘mass production for 1’). Daarmee zijn ook export mogelijkheden groter.

Hetzelfde geldt voor eenvoudige montage en vervanging. Dat kan moeizame procesveranderingen in de bouwkolom voorkomen en ook toepasbaarheid buiten Nederland vergemakkelijken.

Dit kan door zo goed mogelijke integratie van o.a. de functies van isolatie, duurzame opwekking, thermische opslag en ventilatie in de gebouwschil, vooral in daken en gevels. Dat vraagt slim ontwerpen en industrieel verbouwen. Ook vraagt het miniaturisatie van componenten. Die nieuwe componenten daarvoor worden ontwikkeld in programmalijnen ‘Duurzame compacte conversietechnologie’ en ‘Compacte opslag’ en in het gezamenlijke programma met TKI Solar Energy (zie 2.4.12). In deze programmalijn gaat het om de fysieke integratie, om gebouwdelen (gevel- resp. dak elementen) en integratiesystemen voor energetische renovatie:

Gebouwschil functies integreren: integratie van (bouw)fysische functies (constructief, buitenhouden ongewenst klimaat, geluid) met installatie/klimaat functies (verwarmen, koelen en ventileren en ook licht) en duurzame opwekkingsfuncties

Integratie van multifunctionele en adaptieve afwerkingen, coatings en componenten

Snel te monteren en vervangen, ook op onderdelen

Gestandaardiseerd maatwerk (‘mass customization’), flexibel in maatvoering, kleur en vorm

Naast integratie van reguliere functies voor gebouwen kan ook gedacht worden aan andere extra functionaliteiten te integreren om de verkoopbaarheid van de producten en daarmee de impact te vergroten. Een mogelijk voorbeeld daarvan is de reeds ontwikkelde combinatie met beeldscherm in ramen.

Producten en delen van producten waar de projecten binnen deze programmalijn zich op richten:

Multifunctionele bouwelementen (bijv. gevelelementen, dakelementen)

Multifunctionele afwerkingen en coatings

Montage en vervang systemen voor (onderdelen in) multifunctionele bouwdelen

Adaptieve en energie producerende ramen

De ontwikkelde producten moeten eenvoudig zijn te installeren en integreren in multifunctionele bouwelementen die alle functionaliteiten bevatten.

De ontwikkeling moet vanzelfsprekend de energieprestatie van het gebouw significant verbeteren gericht op renovatie naar energieneutrale bestaande bouw. Producten kunnen toepasbaar zijn voor nieuwbouw. Maar in verband met de impact op economie en energie, is de focus op oplossingen die geschikt zijn voor bestaande bouw.

Zon-gerelateerde onderdelen worden ontwikkeld in het gezamenlijke programma met TKI Solar, zie daarvoor de gezamenlijke tender (zie 2.4.12).

In de gebouwschildelen zitten ook elementen die niet in deze programmalijn worden ontwikkeld:

Ultradunne isolatiematerialen.

Biobased materiaalgebruik

Componenten voor conversie en opslag (uit programmalijnen 1 en 2)

Koppelingen met regel- en control systeem (uit programmalijn 3)

Energieopwekking, distributie en opslag op gebiedsniveau

Op gebouwniveau en installatieniveau optimaliseren we opwekking en gebruik zoveel mogelijk. Een tijdsonafhankelijke energieneutrale gebouwde omgeving vereist echter ook maatregelen op gebiedsniveau die lokaal potentieel efficiënter benutten dan gebouwniveau alleen.

Zonne-energie geïntegreerd op met name infrastructuur (infrastructure integrated PV, I2PV- zie daarvoor gezamenlijke programma van TKI Solar en TKI-EnerGO in 2.4.12) biedt extra potentieel en draagt ook bij aan het voorzien in energiegebruik bij die infrastructuur zelf. Om ruimte efficiënt te gebruiken, wordt PV ook hier geïntegreerd in de fysieke constructies.

Lokaal potentieel van (duurzame) opwekking zit in thermische reststromen en opwekking; oppervlaktewater; ondergrond; warmtepompen, geothermie; infrastructuren; biomateriaal; lokale windturbines; zonnevelden; riool/waterzuivering. Daarnaast is er op gebiedsniveau veel potentieel voor thermische opslag (WKO). Het gebruik daarvan wordt intensiever en vraagt om betere oplossingen om onderlinge verstoring te voorkomen.

Verandering in lokale opwekking en vraag, maakt aanpassing van lokale energienetten nodig. Zodat investeringen nu, straks werkelijk energieneutrale oplossingen mogelijk maken en niet juist onmogelijk.

Behalve met reguliere netten, kunnen gebruikers in een gebied met elkaar worden verbonden via ondergrondse opslag. Met gezamenlijk gebruik van ondergrondse opslag kunnen de energievraag en opwekking op gebiedsniveau worden vereffend, waarmee een gebied in warmte en koude zelfvoorzienend wordt: thermisch autarkisch. Daar waar effectief, kan worden gestreefd naar collectieve systemen. Daarnaast zal opslag op hogere (‘midden’) temperaturen in de ondergrond (30-60 gr) nieuwe mogelijkheden ontsluiten voor collectieve buffering en gebruik.

Vereiste ontwikkelingen zijn:

Benutting, koppeling en opslag van lokaal potentieel via opslag op gebiedsniveau

Ontwikkeling ondergrondse opslag op midden temperatuur niveau’s

Combinaties van energiewinning met andere functies, met name bodemsanering, waterwinning en waterzuivering. Zodat vervuiling niet onbedoeld verspreidt en kosten worden gedeeld.

Ontwerpen van lokale energie systemen, optimalisatie afwegingen (incl opschaalbaarheid en financierbaarheid) over noodzaak en uitvoering van warmte- of gasnetten en elektriciteitsnetten voor verdere verduurzaming en een energieneutrale toekomst. En hoe daar bij vervangingsmomenten op in te spelen.

Het gaat in deze programmalijn om cruciale innovaties bovenop bestaande ervaringen.

Producten en delen van producten waar de projecten binnen deze programmalijn zich op richten:

Tools voor lokaal energievoorzieningssysteem ontwerp (hardware) op basis van modellering aanbod en vraag energiestromen, opslag en distributienetwerk

Opslag ondergronds op hogere temperaturen dan nu toegestaan

Smart heat/cold grid via opslag

Zon-gerelateerde onderdelen in deze programmalijn worden ontwikkeld in het gezamenlijke programma met TKI Solar, zie daarvoor de gezamenlijke tender (2.4.12)

In 2012 zijn al projecten gehonoreerd voor tools voor afweging van energiesystemen op gebiedsniveau en voor innovatie in financiering en sociale implementatie. Deze tender van 2013 richt zich met name op projecten voor smart heat/cold via opslag in bijvoorbeeld de ondergrond en innovaties bij toepassing van andere temperaturen, dieptes en integratie van systemen. Innovatieve oplossingen voor omschakeling van bestaande gebieden met reguliere gasinfrastructuur naar energieneutrale systemen kunnen ook worden ingediend, waarbij oplossing wordt gevonden voor enerzijds leveringszekerheid, afschrijving en onderhoud van het resterende bestaande en anderzijds een doorbraak in versnelling van deze transitie.

Bijlage, behorend bij Subparagraaf 2.4.14 Dunne Film PV (DFP) van de Subsidieregeling energie en innovatie

The aim of the program line Thin Film PV Technologies in the TKI Solar Energy is to develop and implement (Dutch) technology for the near and further future of Thin Film PV manufacturing and application. The programme line is successful when more Dutch technology, equipment or materials, is implemented worldwide than before the programme was started. Automatically this will lead to more (green) jobs and tax revenue for the Dutch state. Main deliverables from this Programme Line are technology packages that contain patent protected technology in the form of processes, related equipment and materials that can preferably be delivered by Dutch companies.

The Programme Line focuses on development towards industrial implementation. Main goals are to enhance efficiency of panels, to reduce costs by implementing new technologies and to show manufacturability. Finally, future material and deposition concepts including nanotechnology as being developed in programmes outside the TKI Solar Energy need to be combined with this Program Line. Technology overlap between the Program Lines within the TKI Solar Energy should be strengthened.

This tender focuses in particular on the following three themes:

Higher output CIGS/CZTS modules by improved front junctions and layers: aim is to increase the effective electrical power output of a given CIGS or CZTS absorber material by novel or improved front side junctions and layers. Participating industrial and university partners need to assess all processes for large scale production on these parts of the cell stack. All processes need to be integrated in a single process flow, and processing needs to be done on an industrially relevant scale. Target should be stable, and homogeneously deposited materials at the front side of the absorber leading to an anticipated relative module efficiency improvement of at least 10 percent with concepts that can be commercialized by making use of equipment from the participating project partners. The developed processes need to be assessed for cost-of-ownership, life time aspects, industrial feasibility and marketability.

High throughput CIGS production: towards highly efficient cost-effective CIGS module production. Target should be a stable process chain with at least 20 percent shorter process time and decrease of critical material consumption cost or energy cost by a factor of 2. This should be realised with a material stack layout concept and/or improved material utilisation that can be commercialized by making use of equipment from the participating project partners. For improved process stability also at higher throughput, fast in-line measurement capability of module functionality, synchronized to the PV production process will be necessary. More specifically, in-line optical tools for IV measurement under 1 sun conditions are required (not only for CIGS/CZTS, but also for TF-Si and OPV). For R2R compatible measurements, the measurement time should not take more than 1 s; for S2S tact times of <10s are required. Time domain related device properties (e.g. capacitive related time delays of nx100 ms) should be addressed. Also energy usage of the lighting system should be minimized. Participating industrial and university partners need to assess all processes and/or in-line measurement for large scale production on pre-pilot scale. All processes need to be integrated in a single process flow, processing needs to be done on an industrially relevant scale. New materials types, deposition and control technology concepts should preferably have the potential to be developed towards roll to roll production. The developed processes need to be assessed for cost-of-ownership, industrial feasibility and marketability.

High-end CIGS/CZTS based PV products: a development project on PV modules for high-end applications. The aim is to work on highly efficient and cost effective thin film CIGS or CZTS PV concepts together with industry to facilitate product development towards building integration. New device architectures as well as advanced equipment and processes should be employed to enable the required high-quality manufacturing and low costs. The project should cover the whole process chain from materials towards end-product.

De technische voorzieningen, bedoeld in artikel 3.1.1, definitie duurzame warmtemaatregel, zijn:

Voor kleine zonneboilers wordt de subsidie gebaseerd op de opbrengsttesten van de norm NEN-EN 12976 (Thermische zonne-energiesystemen en componenten: fabrieksmatig geproduceerde systemen). De Nederlandse testcondities zijn vastgelegd in de Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 7976 (in Annex A) en met deze praktijkrichtlijn kunnen de testresultaten worden omgerekend naar Nederlandse standaardomstandigheden. Deze NPR kan ook gebruikt worden om de opbrengst te bepalen van zonneboilers die zijn afgeleid van een getest systeem, maar een afwijkende collectoroppervlakte en/of vatinhoud hebben. De warmtapwatervraag waarbij de opbrengst bepaald moet worden is volgens deze regeling 110 liter per dag.

Als collectoroppervlakte geldt de apertuur oppervlakte, volgens NEN-EN 12975.

Hoogbouw zonneboilersystemen, die opgebouwd zijn uit meerdere zonneboilers, waarbij de collectoren zijn gekoppeld als een groot collectorveld, worden beschouwd als een aantal kleine zonneboilers met elk een collectoroppervlak dat een evenredig deel is van het grote collectorveld. De energetische opbrengst van zo’n hoogbouwsysteem is gelijk aan de som van de energetische opbrengsten, bepaald conform NPR 7976, van de individuele (kleine zonneboiler-)systemen waaruit het hoogbouwsysteem is opgebouwd.

Bij kleine zonneboilers, die naast warm tapwater ook een bijdrage leveren aan de ruimteverwarming, worden deze systemen getest met de ruimteverwarmingsfunctie uitgeschakeld.

Om de conformiteit met de NEN 5128:2004 te handhaven, worden ook opbrengsten geaccepteerd die bepaald zijn met de NPR 7976 voor een opwarmtraject van 10 °C (koud water) naar 60 °C (warm water).

De opbrengst in GJ wordt op één decimaal nauwkeurig afgerond.

Voor grote zonneboilers is er nog geen geaccepteerde internationale methode voor het bepalen van de systeemopbrengst. Voor deze zonneboilers wordt de opbrengst voor de subsidie bepaald op basis van de prestaties van de collectoren, conform NEN-EN 12975.

De opbrengst (GJ) = A * η * Gj

Met A: de collectoroppervlakte volgens de apertuur (in m2); η: het rendement en Gj : de jaarlijkse instraling op de collector in Nederland, die voor deze regeling op 4 GJ/m2 is gesteld.

Het rendement wordt bepaald met collectorcurve volgens NEN-EN-12975.

Het rendement η = η0 – a1T* – a2 G (T*)2

Met η0, a1, en a2 de coëfficienten die uit de test volgen, volgens Annex D van NEN-EN 12975.

T* de gereduceerde temperatuur, die voor deze regeling op 0,078 K.m2/W gesteld is.

G: de instraling, die voor deze regeling en volgens de norm op 1000 W/m2 genomen wordt. Maximaal wordt per woning 12,0 GJ in aanmerking genomen.

De opbrengst in GJ wordt op één decimaal nauwkeurig afgerond.

De subsidie voor de warmtepomp, niet zijnde een lucht/waterwarmtepomp, wordt bepaald op basis van het thermisch vermogen geleverd door de condensor van de warmtepomp in kWth op basis van de normen en testcondities, genoemd in artikel 2.1.

De COP en het thermisch vermogen, kWth, worden op één decimaal nauwkeurig afgerond.

Vervallen

1 De datum weergeven als dd-mm-jjjj.

2 Het gaat om de totale projectkosten van alle deelnemers (zie ook de modelbegroting op www.senternovem.nl/eos).

3 Steun (in materiële zin) voor dit project die is verleend door andere bestuursorganen of de Europese Commissie telt mee voor het maximum subsidiepercentage (zie ook de handleiding op www.senternovem.nl/eos).

4 Voor de begrippen penvoerder, deelnemers, uitbestedingsrelatie en samenwerkingsverband, zie de begrippenlijst in de handleiding.

1 Ten behoeve van de controle op het landbouwondernemerschap kunnen de vermelde gegevens aan de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit doorgestuurd worden.

Ondergetekende verklaart dat hij/zij bekend is met de voorwaarden en procedures van de regeling waarbij subsidie wordt aangevraagd. Indien het project gezamenlijk met andere deelnemers wordt uitgevoerd en subsidie wordt toegekend, verklaart ondergetekende dat een samenwerkingsovereenkomst en/of uitbestedingsovereenkomst zal worden afgesloten.

Aldus naar waarheid ingevuld:

1 De ondertekening dient gedaan te worden door een daartoe bevoegd persoon. Indien ondertekend wordt door een intermediair moet een origineel ondertekende machtiging bijgevoegd worden.

2 Het formulier moet origineel worden ondertekend: dus niet de handtekening gescand of gekopieerd aanleveren.

Ondergetekende machtigt hierbij [naam penvoerder] om een subsidieaanvraag voor het project [projecttitel] in te dienen bij SenterNovem en de verdere correspondentie hierover te voeren.

Verder verklaart ondergetekende dat, indien subsidie wordt toegekend, dat een samenwerkingsovereenkomst en/of uitbestedingsovereenkomst zal worden afgesloten.

Aldus naar waarheid ingevuld:

1 De ondertekening dient te gedaan te worden door een daartoe bevoegd persoon. Indien ondertekend wordt door een intermediair moet een origineel ondertekende machtiging bijgevoegd worden.

2 Het formulier moet origineel worden ondertekend: dus niet de handtekening gescand of gekopieerd aanleveren.

Voor de uitvoering van het haalbaarheidsonderzoek warmtereductie zijn kwaliteitseisen geformuleerd. Aan de volgende eisen dient te worden voldaan.

De projectgroep die het haalbaarheidsonderzoek warmtereductie uitvoert dient relevante deskundigheid te bezitten op het gebied van:

De projectgroep dient te zijn samengesteld uit een combinatie van interne én externe deskundigen. Tenminste één externe adviseur (advies/ing.bureau/kennisinstelling) met een duidelijke complementaire deskundigheid, dient deel uit te maken van de projectgroep.

De volgende bedrijfsinformatie vormt de basis voor het haalbaarheidsonderzoek en dient voor zover niet aanwezig in de beginfase van de studie te worden verzameld en aan de deelnemers in de projectgroep ter beschikking worden gesteld:

De volgende fasen dienen gedurende het project minimaal te worden doorlopen:

Vervallen

Vervallen

De doelstellingen van het innovatiecontract smart grids zijn vertaald in een viertal programmalijnen met daarbinnen de onderwerpen voor smart-grids-projecten die kunnen bijdragen aan het realiseren van de beoogde doelen.

Er zal altijd een spanningsveld zijn tussen slimme, kleinschalige implementaties en de noodzakelijke randvoorwaarden voor grootschalige toepassing van slimme energienetwerken. In het innovatiecontract smart grids wil het TKI Switch2SmartGrids nu geen bindende voorschriften geven voor het gebruik van frameworks en (interoperabiliteits)standaarden. Maar er wordt wel verwacht dat er in de projectvoorstellen rekening wordt gehouden met nationale en internationale ontwikkelingen op het gebied van frameworks en standaarden en dat duidelijke afwijkingen van deze ontwikkelingen worden benoemd en beargumenteerd.

De programmalijnen zijn:

Diensten en producten (B2C, B2B en C2B), met de volgende onderwerpen: intelligente apparatuur en grid-instrumentatie, energiemanagement (balanceren van het energieaanbod, decentrale opwek en ‘vraagsturing’) en opslag. De focus ligt op energiemanagement inclusief storage, als product of dienst ten behoeve van consumenten, bedrijven en netbeheerders om enerzijds de toenemende decentrale opwek en anderzijds de mogelijkheden op het gebied van inzicht en besparing te faciliteren.

Virtuele infrastructuur met de onderwerpen: open generiek energie framework ten behoeve van product- en dienstontwikkeling; ICT architecturen ten behoeve van demand en supply side management, data management en asset management, interoperabiliteit, beveiliging (security by design), privacy en resilience. De focus ligt op nationale en internationale standaardisering van protocollen en interfaces. Het TKI Switch2SmartGrids hecht veel waarde aan de aansluiting van de projectvoorstellen op de ICT roadmap die voor alle topsectoren is opgesteld.

Fysieke infrastructuur, onderverdeeld in: toenemende flexibiliteit, nieuwe componenten, beveiliging/betrouwbaarheid (‘security’), oplaadpunten voor elektrisch rijden, (fysieke) energieopslag en smart gas grids. Voor deze tender ligt de focus op: standaardisatie, energieconversie en netintegratietechnologieën voor optimale inzet van energiebronnen op diverse spanningniveaus, DC grids en DC interfaces, asset management van de Smart Grid infrastructuur en sensoring waaronder de ontwikkeling van nieuwe meetmethodologieën. Voor 2013 legt het TKI Switch2SmartGrids ten opzichte van 2012 naar verhouding meer nadruk op de programmalijnen ‘diensten en producten’, ‘virtuele infrastructuur’ en ‘institutionele en sociale innovatie’ dan op de programmalijn ‘fysieke infrastructuur’. Projectvoorstellen voor onderzoek, ontwikkeling en/of demonstraties op het gebied van de programmalijn ‘fysieke infrastructuur’ moeten daarom samengaan met minstens één focus onderwerp uit één of meer van de drie andere programmalijnen: ‘diensten en producten’, ‘virtuele infrastructuur’ en/of ‘institutionele en sociale innovatie’. Het TKI SwitchSmartGrids daagt indieners van projectvoorstellen uit om voor de programmalijn ‘fysieke infrastructuur’ een hogere bijdrage vanuit de private sector en de netbeheerders te halen.

Institutionele en sociale innovatie. Deze spelen in samenhang met de technologische vernieuwingen een hoofdrol. Centraal staat het openbreken van bestaande structuren op weg naar een energie diensten economie: veranderende rollen, nieuwe markt- en business modellen, keuze voor de eindgebruiker om een actieve rol in de energievoorziening in te nemen en dit alles met bijbehorende aanpassing van wet- en regelgeving. De focus ligt op onderzoek naar optimaal gebruik van flexibiliteit in het systeem rekening houdend met belangen van bestaande en nieuwe stakeholders, naar de veranderende rol van de netbeheerders en de opkomst van nieuwe rollen, naar de ontwikkeling van diensten en business modellen gericht op en in samenwerking met specifieke eindgebruikersdoelgroepen en naar de eindgebruiker als nieuwe stakeholder.

AANVRAAGFORMULIER

Naam van de regeling:

Zonnepanelen particulieren 2012

Met dit formulier kunnen particulieren subsidie aanvragen voor zonnepanelen.

Gegevens eigenaar van de zonnepanelen (u kunt huurder zijn van de woning of eigenaar-bewoner)

Burgerservicenummer :

Achternaam: Tussenvoegsel:

Voorletters: Geslacht: M / V

Straat:

Huisnummer: Toevoeging:

Postcode: Plaats:

Land:

Telefoon:

E-mailadres:

IBAN-nummer:

(International Bank Account Number (IBAN) en Bank Identifier Code (BIC). U kunt met uw huidige rekeningnummer de juiste BIC-code en het juiste IBAN-nummer opvragen via www.ibanbicservice.nl )

BIC-code:

(International Bank Account Number (IBAN) en Bank Identifier Code (BIC). U kunt met uw huidige rekeningnummer de juiste BIC-code en het juiste IBAN-nummer opvragen via www.ibanbicservice.nl )

Bijlagen:

Ter onderbouwing moet u de volgende stukken meesturen:

Ondertekening

Als dit formulier wordt ondertekend door een ander dan de aanvrager, dan moet een machtiging bijgevoegd worden. Een voorbeeld van een machtiging kunt u downloaden op www.agentschapnl.nl/zonnepanelen.

Aldus naar waarheid ingevuld,

Naam ondertekenaar:

Plaats:

Datum:

Handtekening:

¹ http://ec.europa.eu/eurostat/ramon/nomenclatures/index.cfm?TargetUrl=LST_CLS_DLD&StrNom=NACE_1_1&StrLanguageCode=EN&StrLayoutCode=HIERARCHIC

Bij bijlage 1 van Besluit 2011/278/EU is vastgesteld dat bij bepaalde productieprocessen brandstof en elektriciteit uitwisselbaar zijn. Bij deze producten is het niet passend om een benchmark in MWh/ton geproduceerd product vast te stellen. In plaats daarvan moeten de specifieke broeikasgasemissiecurven voor de directe emissies als uitgangspunt worden genomen. Voor deze processen zijn de productbenchmarks vastgesteld op basis van de som van de directe emissies (energie en procesemissies) en de indirecte emissies die door het gebruik van het uitwisselbare aandeel elektriciteit zijn ontstaan.

In deze gevallen moet de factor ‘E’ in de formule voor de berekening van de hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3A.4, eerste lid, onderdeel a, worden vervangen door de volgende term, die een bij Besluit 2011/278/EU vastgestelde productbenchmark omvormt tot een efficiëntiebenchmark voor elektriciteitsverbruik op basis van een gemiddelde Europese emissie-intensiteitsfactor van 0,465 tCO2/MWh:

Bestaande productbenchmark uit bijlage 1 van Besluit 2011/278/EU (in tCO2/t)

x het aandeel relevante indirecte emissies tijdens de referentieperiode* (%) / 0,465 (tCO2/MWh).

Overeenkomstig artikel 14 van Besluit 2011/278/EU.