Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 7 oktober 2010, nr. 5670875/10/6;
Gelet op artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 27b, tweede lid, 27l, vijfde lid en 29a, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 22, zesde lid, van de Beroepswet, artikel 24, zesde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, artikel 7.67 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en artikel 50, zesde lid, van de Wet op de Raad van State;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 oktober 2010, nr. W03.10.0490/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 5 november 2010, nr. 5673365/10/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage12 november 2010BeatrixDe Minister van Veiligheid en Justitie,I. W.Opstelten de negentiende november 2010De Minister van Veiligheid en Justitie,I. W.OpsteltenWijzigt de Algemene wet bestuursrecht, de Beroepswet, de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, de Wet op de Raad van State, de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Indien de termijn voor een beroep, hoger beroep of beroep in cassatie is aangevangen vóór de inwerkingtreding van dit besluit, wordt het griffierecht geheven dat gold op de eerste dag van de beroepstermijn.
In afwijking van het eerste lid wordt voor een beroep wegens niet tijdig beslissen het griffierecht geheven dat geldt op de dag waarop het beroepschrift wordt ontvangen.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2011.