Ministeriële regeling · BWBR0029887

Regeling lozen buiten inrichtingen

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 11 april 2011, nr. BJZ2011041742, houdende algemene regels voor lozen anders dan vanuit een inrichting (Regeling lozen buiten inrichtingen)Regeling lozen buiten inrichtingenDe Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op de artikelen 1.5, 3.6, zesde lid, 3.10, tweede en twaalfde lid, 3.13, tweede lid en 3.17, tweede lid van het Besluit lozen buiten inrichtingen en de artikelen 1.7 en 3.6a van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer;

Besluit:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag11 april 2011De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,J.J.Atsma

In deze regeling wordt verstaan onder besluit: Besluit lozen buiten inrichtingen.

Een zuiveringsvoorziening als bedoeld in artikel 3.6, zesde lid, van het besluit voldoet aan de artikelen 2.2 en 2.3.

Een zuiveringsvoorziening bestaat uit een septic tank:

Een zuiveringsvoorziening:

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Indien reinigingswerkzaamheden of conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd aan spoorbruggen, bevat de hulpconstructie in afwijking van de artikelen 2.9 tot en met 2.12 aan de bovenzijde geen hulpconstructie en aan de in- en uitrijrichting geen zijwand en lopen de zijwanden maximaal twee meter boven het te behandelen deel van het object door.

Indien reinigingswerkzaamheden of conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd aan vaste objecten die direct in contact staan met een oppervlaktewaterlichaam, omsluit de hulpconstructie in afwijking van de artikelen 2.9 tot en met 2.12 de ruimte waarin wordt gewerkt zoveel mogelijk.

Indien reinigingswerkzaamheden of conserveringswerkzaamheden worden uitgevoerd aan een vast object dat door het aanbrengen van een hulpconstructie beperkt stabiel wordt, omsluit de hulpconstructie in afwijking van de artikelen 2.9 tot en met 2.12 de ruimte waarin wordt gewerkt zoveel mogelijk.

Voor de toepassing van artikel 3.13, tweede lid van het besluit worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn met bodembedreigende stoffen:

Aan artikel 3.13, vierde lid, onder c, van het besluit wordt bij het opslaan van goederen in de buitenlucht in ieder geval voldaan indien:

Andere goederen, niet zijnde inerte goederen, die boven een oppervlaktewaterlichaam bovendeks aanwezig zijn, staan opgesteld:

Aan artikel 3.13, vierde lid, onder a en b, van het besluit wordt bij het opslaan van goederen in de buitenlucht behorend tot de stuifklasse S2 van bijlage 3 bij het Activiteitenbesluit milieubeheer in ieder geval voldaan indien de stoffen door besproeiing vochtig worden gehouden.

Aan artikel 3.13, vierde lid, onder a en b, van het besluit wordt bij het mengen van goederen behorend tot de stuifklasse S2 en S4 van bijlage 3 bij het Activiteitenbesluit milieubeheer in de buitenlucht in ieder geval voldaan indien bij het opbouwen en afgraven van een menghoop deze goederen worden bevochtigd.

Aan artikel 3.13, vierde lid 4, onder a en b, van het besluit wordt bij overslag van stuifgevoelige goederen in ieder geval voldaan indien:

Onverminderd artikel 2.22 wordt aan artikelen 3.13, vierde lid onder a en b, van het besluit bij het verladen van goederen behorend tot:

Onverminderd artikel 2.22 wordt aan artikel 3.13, vierde lid, onder a en b, van het besluit bij het laden en lossen van goederen behorend tot stuifklasse S1, S2 en S3 van bijlage 3 bij het Activiteitenbesluit milieubeheer met behulp van grijpers in ieder geval voldaan indien het laden en lossen plaatsvindt met deugdelijke en van de bovenkant afgesloten grijpers.

Onverminderd artikel 2.22 wordt aan artikel 3.13, vierde lid, onder a en b, van het besluit bij het beladen en lossen van lichters met goederen behorend tot de stuifklasse S1, S2, S3 en S4 van bijlage 3 bij het Activiteitenbesluit milieubeheer in ieder geval voldaan indien de lichterbelader is uitgerust met een stortkoker die nagenoeg tot op de bodem van het ruim of tot op het reeds gestorte materiaal reikt.

Als interventiewaarde als bedoeld in artikel 3.17, tweede lid, van het besluit gelden de waarden die met betrekking tot de in die tabel genoemde stoffen zijn opgenomen in tabel 2 van bijlage B, behorende bij de Regeling bodemkwaliteit.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Op een zuiveringsvoorziening zijn, op een voor de toezichthouder goed zichtbare plaats, de volgende gegevens aanwezig:

In afwijking van paragraaf 2.5 gelden er geen eisen aan een zuiveringsvoorziening als bedoeld in artikel 2.27 als uitsluitend urine wordt geloosd.

Het energierendement dat een gesloten bodemenergiesysteem behaalt bij de levering van warmte of koude aan een bouwwerk, wordt bepaald overeenkomstig de volgende formule:

waarbij wordt verstaan onder:

Qw: de door het bodemenergiesysteem aan het bouwwerk geleverde hoeveelheid warmte per jaar in MWh;

Qk: de door het bodemenergiesysteem aan het bouwwerk geleverde hoeveelheid koude per jaar in MWh;

E: de door het bodemenergiesysteem verbruikte hoeveelheid elektriciteit per jaar in MWh;

G: de door het bodemenergiesysteem verbruikte hoeveelheid gas per jaar in MWh.

Wijzigt de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit lozen buiten inrichtingen van 16 maart 2011 (Stb. 153) in werking treedt.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling lozen buiten inrichtingen.

Testen voor zuiveringsvoorzieningen

(bijlage als bedoeld in artikel 2.29 van de Regeling lozen buiten inrichtingen)