Ministeriële regeling · BWBR0023085

Regeling bodemkwaliteit

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van 13 december 2007, nr. DJZ2007124397, houdende regels voor de uitvoering van de kwaliteit van de bodemRegeling bodemkwaliteitDe Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op artikel 11.2, zesde lid, van de Wet milieubeheer en de artikelen 1, 9, tweede lid, 11, vierde lid, 17, eerste en tweede lid, 26, eerste en tweede lid, 28, eerste, tweede en vierde lid, 30, eerste lid, 31, tweede lid, 32, vierde lid, 34, eerste en vierde lid, 37, tweede lid, 38, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 39, 40, eerste lid, 41, 42, vijfde en zesde lid, 46, tweede lid, 47, 55, tweede en derde lid, 57, eerste lid, 58, eerste lid, 59, eerste lid, 60, eerste lid, 63, eerste, tweede en derde lid, en 64, eerste en tweede lid van het Besluit bodemkwaliteit;

Besluiten:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage13 december 2007De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, J.M.CramerDe Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, J.C.Huizinga-Heringa

Als handelingen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van het besluit worden aangewezen de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h, i en l, voorzover deze handelingen in het tweede lid van laatstgenoemd artikel zijn aangemerkt als werkzaamheid.

Als website, bedoeld in artikel 9 van het besluit wordt aangewezen: http://www.bodemplus.nl.

Het formulier, bedoeld in de artikelen 10, 12, tweede lid, 19 en 20 van het besluit is verkrijgbaar bij Bodem+.

Voor een werkzaamheid is als normdocument aangewezen het document dat bij de categorie waartoe de werkzaamheid behoort in bijlage C is vermeld of een of meer onderdelen van zodanig document waarin de werkzaamheid wordt beschreven.

Een bouwstof, met uitzondering van de bouwstoffen genoemd in bijlage F, paragraaf 3, geldt als duurzaam vormvast indien deze in een diffusieproef volgens NEN 7375 gedurende 64 dagen minder massaverlies vertoont dan:

Een erkende kwaliteitsverklaring bevat de volgende gegevens:

Een producent geeft niet meer dan één type milieuhygiënische verklaring af per product.

De melding, bedoeld in artikel 32, eerste en tweede lid, van het besluitwordt gedaan door middel van het daartoe bestemde formulier dat verkrijgbaar is bij Bodem+.

Indien controlewerkzaamheden aantonen dat een toepassing van een IBC-bouwstof niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen of negatieve effecten heeft, worden terstond maatregelen getroffen. Hiervoor wordt een plan van aanpak opgesteld, dat wordt aangeboden aan Onze Minister.

De artikelen 3.9.1. tot en met 3.9.9. zijn niet van toepassing op het toepassen van IBC-bouwstoffen binnen een stortplaats waarop het Stortbesluit bodembescherming van toepassing is.

De verklaring behorende bij de ontheffing, bedoeld in artikel 31, eerste lid van het besluit, waaruit blijkt dat ten minste dezelfde mate van bescherming van de bodem wordt geboden als is beoogd met de betrokken eis, stellen Onze Ministers vrij beschikbaar via de website van Bodem+.

De ontheffing kan worden verleend onder de voorwaarde dat deze alleen geldt onder bepaalde omstandigheden of voor bepaalde bouwstoffen.

De kwaliteit van mijnsteen die afkomstig is uit een herkomstgebied als bedoeld in artikel 3.11.1, eerste lid, en wordt toegepast in een toepassingsgebied als bedoeld in het tweede lid van dat artikel wordt vastgesteld door middel van een milieuhygiënische verklaring als bedoeld in artikel 4.3.3 of 4.3.4, tweede lid.

Voor het verkrijgen van een erkende kwaliteitsverklaring voor grond of baggerspecie is paragraaf 3.6 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor bouwstof, grond of baggerspecie moet worden gelezen. Hierbij wordt volgens paragraaf 4.2 vastgesteld of, in afwijking van artikel 3.6.1, tweede lid, sprake is van overschrijding van de in de tabellen 1 en 2 van bijlage B opgenomen waarden en de partijkeuring is uitgevoerd volgens artikel 4.3.3, eerste tot en met vierde en zesde lid.

Voor het afgeven van een fabrikant-eigenverklaring voor grond of baggerspecie door een producent is paragraaf 3.5 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor bouwstof grond of baggerspecie moet worden gelezen. Hierbij wordt volgens paragraaf 4.2 vastgesteld of, in afwijking van artikel 3.5.1, eerste lid, sprake is van overschrijding van een achtergrondwaarde als bedoeld in tabel 1 of 2 van bijlage B en de partijkeuring uitgevoerd volgens artikel 4.3.3, eerste tot en met vierde en zesde lid.

Het model-meldingsformulier, bedoeld in artikel 42, zesde lid, van het besluit, is verkrijgbaar bij Bodem+.

De bodemfuncties worden als volgt ingedeeld:

Een kaart van de actuele kwaliteit van de bodem als bedoeld in artikel 47, onder a, van het besluit wordt opgesteld met inachtneming van de richtlijnen, bedoeld in bijlage D, onderdeel II, en de eisen, gesteld in bijlage M.

Het bevoegd gezag stelt voor toepassingen als bedoeld in artikel 35, onder g, van het besluit, voorzover het toepassingen betreft in de Waddenzee, de Zeeuwse Delta of de Noordzee voor tributyltin geen lokale maximale waarde vast boven de maximale waarde voor tributyltin voor verspreiden van baggerspecie in een zout oppervlaktewaterlichaam, zoals opgenomen in tabel 2 van bijlage B.

De maximale waarden voor de bodemfunctieklassen wonen en industrie zijn opgenomen in tabel 1 van bijlage B.

Een kaart van de actuele kwaliteit van de bodem als bedoeld in artikel 57, tweede lid, van het besluit, wordt opgesteld met inachtneming van de richtlijnen, bedoeld in bijlage D, onder II, en voldoet aan de eisen, gesteld in bijlage M.

Bij het uitoefenen van toezicht op de naleving van de vereisten voor het afgeven van een fabrikant-eigen verklaringen voor grond of baggerspecie is artikel 3.8.3 van overeenkomstige toepassing.

Bij toepassing van tarragrond gelden de achtergrondwaarden alsmede de maximale waarden voor de kwaliteitsklasse wonen en industrie niet voor de stoffen cresolen (som), fenol, tolueen en minerale olie, indien de aanwezigheid van die stoffen in de tarragrond een gevolg is van natuurlijke processen.

Wijzigt de Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit.

Wijzigt de Regeling melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen.

Wijzigt de Regeling stortplaatsen voor baggerspecie op land.

Wijzigt de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006.

Wijzigt de Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen 2007.

Vervallen

Vervallen

Tot 1 juli 2016 kan een milieuhygiënische verklaring als bedoeld in artikel 4.3.5., vierde lid, zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2016, worden afgegeven op grond van een kaart die is vastgesteld voor 1 januari 2016, waarbij toepassing is gegeven aan onderdeel 5. Vaststellen bodemkwaliteitszones, onder 3, van bijlage M, zoals dat luidde vóór 1 januari 2016.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bodemkwaliteit.

1 In afwijking van de in tabel 1 opgenomen maximale emissiewaarden geldt bij toepassing van bouwstoffen in grote oppervlaktewaterlichamen als bedoeld in bijlage O bij deze regeling een maximale waarde voor vanadium van 460 mg/m2 (vormgegeven) en 4,6 mg/kg droge stof (niet-vormgegeven), en voor chloride van 1070 mg/kg droge stof (niet-vormgegeven).

2 In afwijking van de in tabel 1 opgenomen maximale emissiewaarden, gelden bij de toepassing van bouwstoffen op plaatsen waar een direct contact (mogelijk) is met zeewater of brak water met van nature een chloride-gehalte van meer dan 5.000 mg/l: a) geen maximale emissiewaarden voor chloride en bromide, en b) de in de tabel opgenomen maximale emissiewaarden voor fluoride en sulfaat vermenigvuldigd met een factor 4.

1 deze maximale samenstellingswaarden gelden niet voor bitumenproducten*1. In afwijking van de tabel gelden voor polymeerbeton de volgende maximale samenstellingswaarden: xylenen (som) 20 mg/kg d.s. en ethylbenzeen 20 mg/kg d.s.

2 voor vormzand geldt een maximale waarde van 3,75 mg/kg droge stof.

3 deze maximale samenstellingswaarden gelden niet voor voor bitumenproducten*1, asfaltproducten*2 en granulaten*3.

4. voor bitumenproducten*1 en asfaltproducten*2 geldt een maximale samenstellingswaarde van 75 mg/kg d.s. voor PAK’s (som).

5 deze maximale samenstellingswaarde geldt niet voor rubberproducten*1, toegepast op of onder kunstgrasvelden, bitumenproducten*2 en asfaltproducten*3. Voor granulaten*4 en vormzand geldt een maximale waarde van 1.000 mg/kg droge stof.

6 Gewogen norm (concentratie serpentijn asbest + 10 x concentratie amfibool asbest). Deze eis bedraagt 0 mg/kg d.s. indien niet is voldaan aan artikel 2, onder b, van het Productenbesluit Asbest.

7 de definitie van de somparameters wordt gegeven in bijlage N.

*1 onder bitumenproducten wordt verstaan: bitumen dakbedekkings- en afdichtingsmaterialen, vormgegeven bouwstoffen met een bitumen coating, en secundair bitumengranulaat dat zodanig is toegepast dat in de eindtoepassing een functionele constructie van samenhangend bitumengranulaat ontstaat.

*2 onder asfaltproducten wordt verstaan: asfalt, asfaltbeton, asfaltgranulaat en civieltechnisch functionele mengsels met asfaltgranulaat.

*3 onder granulaten wordt verstaan: menggranulaat, hydraulisch menggranulaat, betongranulaat, metselwerkgranulaat brekerzeefzand en recyclingbrekerzand.

Opmerkingen:

Verklaring symbolen in tabel 1:

1 Voor de definitie van somparameters wordt verwezen naar bijlage N van deze regeling. De definitie van sommige somparameters is verschillend voor de landbodem en de waterbodem. Achter de somparameter wordt vermeld welke van de twee definities gehanteerd moet worden.

2 De msPAF wordt berekend voor de met x aangeduide stoffen. Indien geen waarde wordt ingevuld (bijvoorbeeld omdat de stof niet gemeten wordt) wordt gerekend met 0,7 * bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid). De baggerspe-cie voldoet aan de maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie op het aangrenzende perceel indien:

Voor gemeten stoffen die geen deel uitmaken van de msPAF-berekening geldt de achtergrondwaarde (met uitzondering van somparameters waarbij de individuele parameters onderdeel uitmaken van de msPAF-berekening; deze uitzondering geldt niet voor dioxine (som TEQ) waarvan PCB118 onderdeel uitmaakt). Minerale olie maakt geen deel uit van de msPAF-berekening. In plaats van de Achtergrondwaarde geldt voor deze stof de waarde, die vermeld is in de kolom ‘Maximale waarden voor verspreiden van baggerspecie over aangrenzend perceel’. Voor toetsing aan de Achtergrondwaarden worden de toetsingsregels van de Achtergrondwaarden toegepast.

Uit artikel 36 van het Besluit vloeit voort dat naast de msPAF toetsing ook een toets moet plaatsvinden aan de Interventiewaarden bodem. Voor metalen waarvoor geen Interventiewaarden bodem zijn vastgesteld, dienen de Maximale waarden bodemfunctieklasse industrie te worden gehanteerd.

3 Voor het toepassen van zeezand geldt de norm 200 mg/kg ds. Bij het toepassen van zeezand op plaatsen waar een direct contact is of mogelijk is met brak water of zeewater met van nature een chloride-gehalte van meer dan 5000 mg/l, geldt voor chloride geen maximale waarde.

4 Bij gehalten die de Achtergrondwaarde overschrijden moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van uitdamping. Wanneer uitdamping naar binnenlucht zou kunnen optreden, moet bij overschrijding van de Achtergrondwaarde worden gemeten in de bodemlucht en moet worden getoetst aan de TCL (Toxicologisch Toelaatbare Concentratie in Lucht).

5 Het gehalte cyanide-complex is gelijk aan het gehalte cyanide-totaal minus het gehalte cyanide-vrij, bepaald conform NEN-EN-ISO 14403-1:2012, NEN-EN-ISO 14403-2:2012 en NEN-EN-ISO 17380:2013. Indien geen cyanide-vrij wordt verwacht, mag het gehalte cyanide-complex gelijk worden gesteld aan het gehalte cyanide-totaal (en hoeft dus alleen het gehalte cyanide-totaal te worden gemeten).

6 De Achtergrondwaarde van deze somparameter gaat uit van de aanwezigheid van meerdere van de 16 componenten, die tot deze somparameter worden gerekend (zie bijlage N). De hoogte van de Achtergrondwaarde is gebaseerd op de som van de bepalingsgrenzen vermenigvuldigd met 0,7. Sommige componenten zijn tevens individueel genormeerd. Binnen de somparameter mag de Achtergrondwaarde van de individueel genormeerde componenten niet worden overschreden. Hetzelfde geldt voor de Maximale waarde wonen en de Maximale waarde industrie. Voor de componenten, die niet individueel zijn genormeerd, geldt per component een maximum gehalte van 0,45 mg/kg ds, zowel voor de Achtergrondwaarde als de Maximale waarden wonen en industrie.

7De maximale waarden bodemfunctieklasse wonen en industrie van deze stoffen zijn gelijk aan de interventiewaarden bodemsanering en zijn gelijk of kleiner dan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid). Indien de stof wordt aangetoond moeten de risico’s nader worden onderzocht. Bij het aantreffen van vinylchloride of 1,1-dichlooretheen moet tevens het grondwater worden onderzocht.

8 De eenheid voor organotinverbindingen is mg Sn/kg ds, met uitzondering van de normwaarden met voetnoot 9.

9 De eenheid van de Maximale Waarde Industrie voor organotinverbindingen (som) is organotin in mg/kg ds.

10 Gewogen norm (concentratie serpentijn asbest + 10 x concentratie amfibool asbest). Deze eis bedraagt 0 mg/kg d.s. indien niet is voldaan aan artikel 2, onder b, van het Productenbesluit Asbest.

11 Het is onzeker of de Achtergrondwaarden en Maximale waarden wonen voor de ftalaten meetbaar zijn. Toekomstige ervaringen moeten uitwijzen of sprake is van een knelpunt.

12 Minerale olie heeft betrekking op de som van de (al dan niet) vertakte alkanen. Indien er enigerlei vorm van verontreiniging met minerale olie wordt aangetoond in grond/baggerspecie, dan dient naast het gehalte aan minerale olie ook het gehalte aan aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald te worden.

13 Voor het toepassen van baggerspecie in grootschalige toepassingen geldt voor minerale olie een maximale waarde van 2.000 mg/kg ds.

* Achtergrondwaarde is gebaseerd op de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid), omdat onvoldoende data beschikbaar zijn om een betrouwbare P95 af te leiden.

Opmerkingen:

Verklaring symbolen in tabel 2:

1 Voor de definitie van somparameters wordt verwezen naar bijlage N van deze regeling. De definitie van sommige somparameters is verschillend voor de landbodem en de waterbodem. Achter de somparameter wordt vermeld welke van de twee definities gehanteerd moet worden.

2 De Maximale waarden verspreiden baggerspecie in een zoet oppervlaktewaterlichaam zijn gebaseerd op een bepaald Herverontreinigingsniveau (HVN). Voor de stoffen waarvoor geen HVN is afgeleid gelden de Achtergrondwaarden en de toetsingsregels voor de Achtergrondwaarden.

3 in een oppervlaktewaterlichaam wordt geen grond toegepast die niet afkomstig is van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam en die de Maximale waarden voor de functieklasse industrie overschrijdt.

4 Bij de toetsing aan de maximale waarden voor verspreiden in zout oppervlaktewaterlichaam wordt geen bodemtype correctie toegepast.

5 Voor het toepassen van zeezand geldt de norm 200 mg/kg ds. Bij het toepassen van zeezand op plaatsen waar een direct contact is of mogelijk is met brak water of zeewater met van nature een chloride-gehalte van meer dan 5000 mg/l, geldt voor chloride geen maximale waarde.

6 Bij gehalten die de Achtergrondwaarde overschrijden moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van uitdamping. Wanneer uitdamping naar binnenlucht zou kunnen optreden, moet bij overschrijding van de Achtergrondwaarde worden gemeten in de bodemlucht en moet worden getoetst aan de TCL (Toxicologisch Toelaatbare Concentratie in Lucht).

7 De Achtergrondwaarde van deze somparameter gaat uit van de aanwezigheid van meerdere van de 16 componenten, die tot deze somparameter worden gerekend (zie bijlage N). De hoogte van de Achtergrondwaarde is gebaseerd op de som van de bepalingsgrenzen vermenigvuldigd met 0,7. Sommige componenten zijn tevens individueel genormeerd. Binnen de somparameter mag de Achtergrondwaarde van de individueel genormeerde componenten niet worden overschreden. Hetzelfde geldt voor de Maximale waarde wonen en de Maximale waarde industrie. Voor de componenten, die niet individueel zijn genormeerd, geldt per component een maximum gehalte van 0,45 mg/kg ds, zowel voor de Achtergrondwaarde als de Maximale waarden wonen en industrie.

8 De interventiewaarden voor bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam van deze stoffen zijn gelijk of kleiner dan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid). Indien de stof wordt aangetoond moeten de risico’s nader worden onderzocht. Bij het aantreffen van vinylchloride of 1,1-dichlooretheen moet tevens het grondwater worden onderzocht.

9 De Interventiewaarde waterbodem is gelijk (gesteld) aan de bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid).

10 De Achtergrondwaarde van deze somparameter gaat uit van de aanwezigheid van meerdere componenten, die tot deze somparameter worden gerekend (zie bijlage N). De hoogte van de Achtergrondwaarde is gebaseerd op de som van de Achtergrondwaarden van de afzonderlijke isomeergroepen vermenigvuldigd met 0,7. Binnen de somparameter mag de Achtergrondwaarde van de afzonderlijke isomeergroepen niet worden overschreden.

11 De eenheid voor organotinverbindingen is mg Sn/kg ds, met uitzondering van de normwaarden met voetnoot 12.

12 De eenheid voor de Maximale waarde bodemfunctieklasse industrie, Interventiewaarde waterbodem en Maximale waarde kwaliteitsklasse B voor organotinverbindingen (som) is organotin in mg/kg ds.

13 Normwaarde Tributyltin van 0,25 mg Sn/kg ds geldt verspreiden van baggerspecie in de Waddenzee en de Zeeuwse Delta.

14 Normwaarde Tributyltin van 0,115 mg Sn/kg ds geldt voor verspreiden van baggerspecie in de Noordzee langs de Noordzeekust.

15 Gewogen norm (concentratie serpentijn asbest + 10 x concentratie amfibool asbest). Deze eis bedraagt 0 mg/kg d.s. indien niet is voldaan aan artikel 2, onder b, van het Productenbesluit Asbest.

16 Minerale olie heeft betrekking op de som van de (al dan niet) vertakte alkanen. Indien er enigerlei vorm van verontreiniging met minerale olie wordt aangetoond in grond/baggerspecie, dan dient naast het gehalte aan minerale olie ook het gehalte aan aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald te worden.

17 De normen voor barium zijn ingetrokken. Gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager was dan het gehalte dat van nature in de bodem voorkomt. Indien er sprake is van verhoogde bariumgehalten ten opzichte van de natuurlijke achtergrond als gevolg van een antropogene bron, kan dit gehalte door het bevoegd gezag worden beoordeeld op basis van de voormalige interventiewaarde voor barium van 625 mg/kg d.s. Deze voormalige interventiewaarde is op dezelfde manier onderbouwd als de interventiewaarden voor de meeste andere metalen.

* Achtergrondwaarde is gebaseerd op de (intralaboratorium reproduceerbaarheid) bepalingsgrens, omdat onvoldoende metingen boven de bepalingsgrens beschikbaar zijn om een betrouwbare P95 af te leiden.

@ Betreft normwaarde voor een niet prioritaire stof op grond van de KRW.

$ Herverontreinigingsniveau (HVN) is lager dan Achtergrondwaarde, daarom is de Maximale waarde voor verspreiden in een oppervlaktewaterlichaam dat zoet water bevat/Maximale waarde kwaliteitsklasse A gelijk getrokken aan de Achtergrondwaarde.

Indien in de tabel voor een categorie van werkzaamheden een normdocument of een onderdeel van een normdocument in de derde kolom, onderscheidenlijk vierde kolom, cursief is weergegeven, geschiedt de aanwijzing van dat normdocument of onderdeel daarvan uitsluitend ten behoeve van de toepassing van de artikelen 9 en 15 van het Besluit bodemkwaliteit.

Indien in de tabel voor een categorie van werkzaamheden een normdocument of een onderdeel van een normdocument in de derde kolom, onderscheidenlijk vierde kolom, dikgedrukt is weergegeven, geschiedt de aanwijzing van dat normdocument of onderdeel daarvan uitsluitend ten behoeve van de toepassing van artikel 18 van het besluit (de wijze van uitvoering van een werkzaamheid). De aanwijzing heeft dan betrekking op essentiële eisen.

Noot

Onder een werkzaamheid als bedoeld in categorie 9 (monsterneming bij partijkeuringen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i) en categorie 12 (veldwerk, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder l) wordt niet verstaan het assisteren van een medewerker van een persoon of instelling die voor die werkzaamheid is erkend, bij het verrichten van handelingen ten behoeve van een werkzaamheid als in de aanhef bedoeld, een zodanige werkzaamheid waarvoor die medewerker op de erkenning is vermeld, voor zover:

Van de normdocumenten waarnaar in deze regeling wordt verwezen, worden de volgende uitgaven bedoeld:

De berekening van de massa’s van aluminium (Al), calcium (Ca) en silicium (Si) vindt plaats overeenkomstig de volgende methode:

Om het gehalte Al, Ca en Si te bepalen wordt een calibratiecurve opgesteld. Deze is gebaseerd op de absorptiewaarden van de standaardoplossingen (‘Standards’) zoals beschreven in de ASTM-norm D 3682-13 (§ 9.1, § 10.1 en § 12.1). De calibratiecurve voldoet bij voldoende lage concentraties aan de wet van Lambert-Beer en vormt dan een rechte lijn. Wanneer blijkt dat dit niet het geval is, worden de standaardoplossingen verdund.

De absorpties van de blanco (‘blank’) en het te onderzoeken monster (‘sample solution’), gemaakt als in § 9.3, § 10.3 en § 12.3 van de ASTM-norm D 3682-13, worden gemeten. De calibratiecurve wordt gebruikt om de concentratie in de blanco (cb in ppm) en het monster (cm in ppm) te bepalen. Deze twee concentraties worden van elkaar afgetrokken, wat de concentratie in het gemeten monster oplevert:

c'm (ppm) = cm (ppm) – cb (ppm)

Indien bij de metingen blijkt dat het te onderzoeken monster buiten het meetbereik ligt, wordt het te onderzoeken monster verder verdund (verdunningsfactor f) met de blanco-oplossing. Informatie over het uitvoeren van analyses met behulp van atomaire absorptiespectrometrie kan worden verkregen uit NPR 6416 en NPR 6417.

Voor de berekening van het percentage Al, Ca en Si in het onderzochte materiaal (resp. %Al, %Ca en %Si) worden de volgende formules ingevuld:

waarin:

Van elk mengmonster wordt het percentage aluminium, silicium, en calcium bepaald. Hiervan wordt vervolgens het gemiddelde bepaald. Aan dit gemiddelde wordt getoetst of de totaalgehalten silicium, aluminium en calcium samen meer of minder dan 10% (m/m) is van het te onderzoeken materiaal.

Voor de berekening van het volume wordt als formule gehanteerd:

V = 1000 * (M1 – M2) / ρ

waarbij:

V = volume van het element cm3

M1 = de massa van het vochtige proefstuk, in g

M2 = de schijnbare massa onder water van het element bedoeld in hoofdstuk 8 van NEN-EN 13383-2, in g

ρ = de dichtheid van water bij de beproevingstemperatuur van het waterbad, in g/cm3

Een bouwstof wordt op grond van de resultaten van een bepaling van de korrelverdeling door middel van een zeefproef aangemerkt als bouwstof met een volume per kleinste eenheid van ten minste 50 cm3, indien het korrelverdelingsdiagram van een monster van die bouwstof, vastgesteld door zeving volgens de gegeven normdocumenten voldoet aan onderstaande waarden:

In onderstaande lijst zijn combinaties van toepassingen en bouwstoffen opgenomen die niet als duurzaam vormvast worden beschouwd.

I

Vervallen.

II

Vervallen.

Interventiewaarden en normwaarden in de tabellen 1 en 2 van bijlage B en lokale maximale waarden zijn bodemtype-afhankelijk en gebaseerd op een standaardbodem met een lutum percentage van 25 % en een organische stof percentage van 10 %. Alleen de maximale waarden voor verspreiden in zoute oppervlaktewaterlichamen in tabel 2 van bijlage B en de emissiewaarden in de tabellen 1 en 2 van bijlage B zijn niet-bodemtype-afhankelijk.

Bij de beoordeling van de kwaliteit van de bodem, bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam of toe te passen grond of baggerspecie op of in de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam worden de gemeten gehalten middels een bodemtypecorrectie omgerekend naar standaardbodem. Bij de beoordeling aan de maximale waarde verspreiden in zoute oppervlaktewaterlichamen wordt geen bodemtypecorrectie toegepast. Toetsing vindt dan plaats met de werkelijk gemeten gehalten.

De omrekening naar standaardbodem vindt plaats op basis van individuele meetwaarden, alvorens andere berekeningen (bepalen gemiddelden of P95) worden uitgevoerd. Bij het standaardiseren wordt gebruik gemaakt van de gemeten percentages organische stof en lutum. De gestandaardiseerde waarden worden, met inachtneming van de toetsingsregels, getoetst aan de normwaarden voor toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater, zoals die zijn opgenomen in de tabellen 1 en 2 van bijlage. Hierbij is het percentage aan organisch stof bepaald volgens NEN 5754. Hierbij is het percentage lutum het gewichtspercentage minerale bestanddelen met een diameter kleiner dan 2 µm betrokken op het drooggewicht.

De omrekening van gemeten gehalten in bodem, bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waterbodem, grond of baggerspecie naar een standaardbodem verloopt via de onderstaande formule:

Hierin is:

G standaard Gestandaardiseerd gehalte

G gemeten Gemeten gehalte

A,B,C Stofafhankelijke constanten voor metalen (zie tabel 3)

% lutum Percentage lutum: het gewichtspercentage minerale bestanddelen met een diameter kleiner dan 2 µm betrokken op het totale drooggewicht van de bodem, oever grond of baggerspecie. Voor thermisch gereinigde grond en baggerspecie geldt de volgende uitzondering: indien het lutumpercentage lager is dan 10%, wordt bij de omrekening van de gemeten gehalten aan barium met een lutumpercentage van 10% gerekend.

% organische stof Gemeten percentage organisch stof betrokken op het drooggewicht. Het percentage organisch stof kan voor zoute baggerspecie ook berekend worden uit het percentage organisch koolstof x 1,724. Voor het percentage organisch stof is een minimum en maximumwaarde gedefinieerd. Voor het percentage lutum is een minimumwaarde gedefinieerd. (zie tabel 4).

1 Voor antimoon, molybdeen en thallium wordt geen bodemtypecorrectie gehanteerd.

De berekening van de meersoorten Potentieel Aangetast Fractie (msPAF) als aparte normwaarde bij het beoordelen van de kwaliteit van baggerspecie die conform artikel 35, onderdeel f, van het Besluit bodemkwaliteit wordt verspreid op het aangrenzend perceel heeft een aparte vorm van standaardisatie. De minimum en maximumwaarden zoals opgenomen in tabel 4 worden niet gehanteerd bij het berekenen van de msPAF, met uitzondering van de minimumwaarde voor de organische parameters genoemd in deze tabel.

De normwaarden die zijn opgenomen in deze regeling of die zijn opgenomen in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en waarnaar in deze regeling wordt verwezen, kunnen lager zijn dan met de huidige technieken betrouwbaar (routinematig) kan worden gemeten.

A: grond, grondwater baggerspecie, bodem of bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam

De door het laboratorium aangeleverde gehalten zijn gemeten conform de afgestemde meetmethoden in AS3000 dan wel AP04.

Bij een resultaat < dan de rapportagegrenzen, genoemd in tabel 1 van deze bijlage, mag de beoordelaar ervan uit gaan dat de kwaliteit van de grond, grondwater, baggerspecie, bodem, bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam voldoet aan de van toepassing zijnde normwaarden.

Indien de op het analysecertificaat weergegeven < rapportagegrens hoger ligt dan de in tabel 1 vermelde rapportagegrenzen dan dient de desbetreffende < rapportagegrens te worden vermenigvuldigd met 0,7. De zo verkregen waarde wordt getoetst aan de van toepassing zijnde waarden.

Indien het laboratorium een gemeten gehalte rapporteert (zonder < teken), wordt dit gehalte aan de van toepassing zijnde waarde getoetst, ook als dit gehalte lager is dan de vereiste rapportagegrens. Indien geen rapportagegrens is opgenomen in tabel 1 dient het gemeten gehalte (met < teken) vermenigvuldigd te worden met 0,7.

Bij het berekenen van een somwaarde, het rekenkundig gemiddelde en een percentielwaarde worden voor de individuele componenten de gemeten gehalten < rapportagegrens vermenigvuldigd met 0,7. Indien er voor een of meer individuele componenten een of meer gemeten gehalten (zonder < teken) zijn of geen rapportagegrens in tabel 1 is opgenomen, dan dient de berekende waarde te worden getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarde. Deze regel geldt ook als gemeten gehalten lager zijn dan de vereiste rapportagegrens.

Indien alle individuele waarden als onderdeel van deze berekende waarde < minimale rapportagegrens uit tabel 1 zijn, mag de beoordelaar ervan uit gaan dat de kwaliteit voldoet aan de van toepassing zijnde normwaarden.

Deze regel geldt niet voor de berekening van de msPAF metalen en msPAF organische stoffen.

Voor grondwater heeft de onderzoeker de vrijheid onderbouwd te concluderen dat het betreffende monster niet in die mate is verontreinigd als het toetsingsresultaat aangeeft. Dit geldt bijvoorbeeld als bij een meting van PAK’s in het grondwater alleen voor naftaleen in een licht verhoogde concentratie is aangetoond en de overige PAK’s een waarde < rapportagegrens hebben. Voor die overige PAK’s worden dan relatief hoge gehalten berekend (door de vermenigvuldiging met 0,7), waarvan kan worden onderbouwd dat die gehalten niet in het grondwater aanwezig zullen zijn gezien de immobiliteit van de betreffende stoffen.

B: Bouwstoffen

Voor toetsen aan de emissie en samenstellingwaarden gelden dezelfde regels als onder A.

Voor de rapportage-eisen wordt verwezen naar de hiervoor geldende AP04 documenten. Bij enkele type bouwstoffen kan het voorkomen dat door bepaalde toevoegingen in de bouwstof, bij de analyse van die bouwstoffen de rapportage-eisen voor de samenstellingswaarden niet gehaald kunnen worden. Deze verstoring van het analyseresultaat wordt ook wel aangeduid als een matrixstoring. Door het laboratorium wordt aangegeven wat de oorzaak is van de matrixstoring en of deze matrixstoring middels een extra of andere voorbewerking of middels andere meetmethode kan worden voorkomen. Is dit niet het geval en de matrixstoring leidt tot een overschrijding van de maximale samenstellingswaarden van bijlage A van de regeling, heeft de onderzoeker de vrijheid om onderbouwd aan te tonen dat de bouwstof bij toepassing ter invulling van de zorgplicht niet tot nadelige gevolgen voor het milieu leidt.

De k-waarde wordt gedefinieerd als:

k = (log (maximale waarde) – y) / sy

Hierin is:

1 Voor het afgeven van een fabrikant-eigenverklaring voor grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 4.3.7 is de maximale waarde voor grond of baggerspecie altijd gelijk aan de in de tabellen 1 en 2 in bijlage B opgenomen achtergrondwaarden.

In de onderstaande tabel zijn voor de verschillende klassen de minimaal benodigde k-waarden gegeven en de daarbij behorende minimale frequenties van de productiecontrole. Hierbij geeft N het aantal waarnemingen waarover de k-waarde is berekend.

1 Voor toetsing onder steekproefregime bij verificatiekeuring wordt ten minste een mengmonsters genomen overeenkomstig de BRL voor de desbetreffende bouwstof.

2 Voor toetsing onder partijkeuringsregime bij verificatiekeuring worden, onder de voorwaarde dat ten minste twee te analyseren mengmonsters worden samengesteld en geanalyseerd, voor bouwstoffen ten minste 12 grepen per partij genomen en voor grond en baggerspecie ten minste 100 grepen per partij. Van een niet-vormgegeven bouwstof worden, in het geval dat één te analyseren mengmonster wordt samengesteld, ten minste 32 grepen genomen. Van een vormgegeven bouwstof worden, in het geval dat één te analyseren mengmonster wordt samengesteld, ten minste 12 grepen genomen. De wijze van monsterneming onder steekproefregime en partijkeuringsregime is vastgelegd in de beoordelingsrichtlijn van de desbetreffende bouwstof.

De monsterneming onder steekproefregime en partijkeuringsregime vindt plaats overeenkomstig het normdocument dat voor de desbetreffende bouwstof is aangewezen in categorie 2 in bijlage C.

In de onderstaande tabel zijn voor de verschillende bepalingen en klassen de y-waarden (gamma) gegeven en de daarbij behorende minimale frequenties van de productiecontrole. Hierbij geeft N het aantal waarnemingen waarvoor de y-waarde geldt.

In de onderstaande tabel zijn voor de verschillende klassen de voorwaarden gegeven van de verdelingsvrije toets en de daarbij behorende minimale frequenties van de productiecontrole.

Vervallen

Ten behoeve van het generieke toetsingskader legt de gemeente de bodemfunctieklassen vast op een kaart (Besluit bodemkwaliteit, artikel 55, derde lid). Deze kaart geeft de ligging aan van:

Uitgangspunt van de wijze van indeling is dat de bodemfunctieklasse die wordt toegekend aan een gebied overeenkomt met de gevoeligste bodemfunctie(klasse) binnen het betreffende gebied. De gevoeligheid van de bodemfunctieklassen en bodemfuncties ten opzichte van elkaar is weergegeven in onderstaande tabel.

De richtlijnen voor het opstellen van de kaarten met de indeling in bodemfunctieklassen zijn in deze bijlage beschreven. Daarbij is onderscheid gemaakt in twee situaties:

Uitgangspunt voor het opstellen van de kaart met bodemfunctieklassen zijn de bodemkwaliteitszones zoals die zijn vastgesteld in de bodemkwaliteitskaart volgens de eisen in bijlage D en M van deze regeling.

Voor de bodemkwaliteitszones die in de bodemkwaliteitskaart zijn onderscheiden, is de wijze van indeling in de bodemfunctieklassen ‘wonen’ of ‘industrie’ afhankelijk van de mate van variatie en versnippering van de bodemfunctieklassen en bodemfuncties.

Voor de indeling van bodemkwaliteitszones in de bodemfunctiekaart zijn twee opties:

Indien de bovengenoemde twee opties leiden tot een ongewenste situatie ten aanzien van de hergebruiksmogelijkheden voor grond en baggerspecie, kan het bevoegd gezag overwegen om het gebiedsspecifieke toetsingskader voor de algemene toepassing te benutten.

Indien er geen bodemkwaliteitskaart is, worden de bodemfunctieklassen direct afgeleid van het actuele bodemgebruik, de bodemfuncties zoals die zijn vastgesteld in het bestemmingsplan, een ontwerp-bestemmingsplan of een voorbereidingsbesluit op grond van de Wet ruimtelijke ordening.

Bij de indeling in bodemfunctieklassen geldt als uitgangspunt dat de bodemfunctieklasse die wordt toegekend aan een gebied overeen komt met de gevoeligste bodemfunctie(klasse) binnen het betreffende gebied.

Voor de bepaling van de emissie uit slechtdoorlatende materialen wordt de volgende formule gehanteerd:

In de tabel van deze bijlage zijn de aantoonbaarheidsgrenzen en bepalingsgrenzen weergegeven, die zijn gebaseerd op de resultaten van het project AW2000. Tevens zijn de gehanteerde analysemethoden vermeld. Niet opgenomen zijn de gegevens voor de niet (direct) genormeerde stoffen (niet genormeerde stoffen en stoffen die alleen voorkomen in een somparameter).

De bepalingsgrenzen in AW2000 zijn vastgesteld met behulp van experimenten die werden uitgevoerd onder herbaalbaarheid condities, conform de eisen van AP04. Inmiddels is NEN 7777 gepubliceerd, waarin de voorkeur wordt gegeven aan reproduceerbaarheid condities (binnen hetzelfde laboratorium) als bepalingsgrens en als kwaliteitscriterium voor de uitvoering van laboratoriumanalyses.

Het vaststellen van de bepalingsgrens en het kwaliteitniveau is in het kader van de normstelling op achtergrondniveau van belang. Reden hiervoor is dat in het onderzoek van AW2000 van sommige genormeerde stoffen onvoldoende waarnemingen boven de bepalingsgrens zijn aangetroffen voor het vaststellen van een betrouwbare P95. Voor die stoffen is de bepalingsgrens onder intralaboratorium reproduceerbaarheid condities gekozen als basis voor de normwaarde. Hiermee is de normwaarde feitelijk bepaald door de gehanteerde analysemethode, immers een andere methode heeft in principe ook een andere bepalingsgrens. Met een asterisk* is aangegeven voor welke stoffen de normwaarde is gebaseerd op de bepalingsgrens.

Als in de toekomst betere genormeerde methoden voor routinematige analyses beschikbaar komen, dan kan worden overwogen de normwaarde bij te stellen. De geldende bepalingsgrenzen en te hanteren analysemethoden voor routinematig onderzoek zijn vastgelegd in het protocol AS3000.

# Deze stoffen zijn niet gemeten in AW2000. De bepalingsgrenzen zijn gebaseerd op informatie van laboratoria.

1 De bepalingsgrens (intralaboratorium reproduceerbaarheid) is gelijk of hoger dan de Interventiewaarde van deze stof. De normwaarden in bijlage B zijn afgekapt op het niveau van de Interventiewaarde.

2 In AW2000 konden ftalaten door onontkoombare contaminatieproblemen niet op achtergrondniveau worden bepaald. De vermelde bepalingsgrenzen zijn afkomstig uit een latere publicatie. Zie onderstaande toelichting bij Huismethode D.

3 De bepalingsgrenzen voor acrylonitril en formaldehyde zijn gelijk aan of hoger dan de waarden voor deze stoffen. De Achtergrondwaarden en Maximale waarden in bijlage B zijn begrensd op het niveau van de indicatieve interventiewaarde.

Een aantal componenten zijn geanalyseerd conform huismethoden van het uitvoerend laboratorium van het AW2000-onderzoek. De methoden zijn hieronder kort omschreven:

Componenten:

pyridine

Monochlooranilines: 2-chlooraniline, 3-chlooraniline, 4-chlooraniline

Dichlooranilines: 2,6-dichlooraniline, 2,4+2,5-dichlooraniline (als som), 2,3-dichlooraniline, 3,5-dichlooraniline, 3,4-dichlooraniline

Trichlooranilines: 2,4,6-trichlooraniline, 2,4,5-trichlooraniline, 2,3,4-trichlooraniline, 3,4,5-trichlooraniline

tetrachlooraniline

pentachlooraniline

dodecylbenzeen

Extractie en analysemethode:

De methode die is gehanteerd voor de bepaling van bovengenoemde verbindingen is gebaseerd op EPA 8131. Uitgangspunt is een schudextractie van het grondmonster (50 g) met 125 ml van een mengsel van dichloormethaan en aceton (1:1 v/v) gedurende 15 min. Het extract is na drogen met natriumsulfaat geanalyseerd op een gaschromatograaf met massaspectrometrische detectie.

De enige afwijking ten opzichte van EPA 8131 is dat voor AW2000 een directe injectie van het aceton/dichloormethaan extract is gedaan. Bij EPA 8131 wordt het extract eerste overgebracht naar tolueen. Dit is tegenwoordig niet meer nodig omdat het aceton/dichloormethaan extract zonder problemen kan worden geanalyseerd. Door de extracten niet over te dampen naar tolueen worden verliezen door verdamping vermeden, waardoor de terugvinding van de vluchtige verbindingen (m.n. pyridine en de monochlooranilines) hoger is.

Componenten:

tributyltin (TBT)

trifenyltin (TFT)

Extractie en analysemethode:

De analysemethode is gebaseerd op de RIKZ methode A 645. Het grondmonster (ca. 1,0 gram cryogeen vermalen monster) is geëxtraheerd door de grond gedurende 5 minuten te roeren met een mengsel van methanol (15 ml), azijnzuur (1,5 ml) en hexaan (7 ml). Tevens is er in-situ geëthyleerd met natriumtetraethylboraat. Het verkregen extract is gezuiverd door het extract over een aluminiumoxide kolom te elueren. Het eluaat is vervolgens geconcentreerd waarna kwantificering op een gaschromatograaf met massaspectrometrische detectie plaatsvindt.

De resultaten zijn uitgedrukt op basis van mg Sn/kg ds per tinverbinding.

Voor de AW2000 monsters heeft de analyse plaatsgevonden volgens de RIKZ A645 methode met de volgende opmerkingen:

Componenten:

carbaryl

carbofuran

Extractie en analysemethode:

De extractie en analyse is uitgevoerd volgens EPA 8270D en EPA 3545 (Accelerated Solvent Extraction (ASE)).

Van het monster is 15 gram ingewogen en vermengd met Isolute. Isolute is een droogmiddel wat in ASE wordt toegepast. Dit mengsel is kwantitatief overgebracht in een ASE-buis en bij hoge temperatuur (100 °C) en druk (1500–2000 psi) geëxtraheerd met dichloormethaan. Het extract is teruggewogen en verdeeld over een 10 ml en een 2 ml vial. De 10 ml vial is bewaard in de vriezer en kan worden gebruikt voor mogelijke heranalyses, de 2 ml vial is voor de analyse gebruikt. De componenten zijn bepaald met een gaschromatograaf met massaspectrometrische detectie.

Componenten:

dimethylftalaat, diethylftalaat, dibutylftalaat, dutylbenzylftalaat, bis(ethylhexyl)ftalaat, di-isobutylftalaat

Extractie en analysemethode:

Het cryogeen vermalen monster (25 g) wordt geëxtraheerd (15 min) met 50 ml aceton. Vervolgens wordt 50 ml petroleumether aan het mengsel toegevoegd en opnieuw geschud (15 min). Het extract wordt gewassen met 100 ml demiwater. De organische fase (petroleumether) wordt gedroogd met 10 g natriumsulfaat en vervolgens onder stikstof geconcentreerd tot 1 ml. Het verkregen extract wordt geanalyseerd op een gaschromatograaf met massaspectrometrische detectie.

Vanwege onontkoombare contaminatieproblemen konden in AW2000 de ftalaten niet op achtergrondniveau worden vastgesteld. De aantoonbaarheidsgrenzen voor de ftalaten zijn afkomstig uit: Jong de V., M.A.E. van de Berg, S.D.S. Poelloe, W. Broer. Juli 2004. AW2000 Eindrapport. Alcontrol Laboratories.

Componenten:

Oplosmiddelen

methanol, 2-propanol, acrylonitril, methylethylketon, ethylacetaat, 1-butanol, butylaceaat, cyclohexanon

Glycolen:

ethyleenglycol, diethyleenglycol

Extractie en analysemethode:

De extractie en analyse worden uitgevoerd conform EPA 1667. Hierbij is de extractie in viervoud op deelmonsters van 50 gram uitgevoerd. De verkregen extracten zijn samengevoegd en gezamenlijk voorbewerkt. Vervolgens zijn de extracten gefiltreerd om eventuele zwevende deeltjes te verwijderen.

De analyse is uitgevoerd met behulp van een gaschromatograaf met een FID-detector. De analyse van de oplosmiddelen en de glycolen zijn afzonderlijk uitgevoerd aangezien voor deze twee groepen verbindingen andere instellingen voor het analyse-instrument nodig zijn.

1. Algemene randvoorwaarden

1. Locaties waarvan bekend is of verwacht wordt dat ze verontreinigd zijn als gevolg van een puntbron, zijn geen onderdeel van de kaart van de actuele kwaliteit van de bodem. Deze locaties worden van de kaart uitgesloten, door in de bodemkwaliteitskaart een kaartlaag op te nemen waarin alle locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging en alle bekende verontreinigde locaties worden weergegeven.

2. In de kaart van de actuele bodemkwaliteit wordt ten minste de bodemkwaliteit van de toplaag van 0 tot 0,5 meter beneden maaiveld of oppervlaktewaterniveau vastgelegd.

3. In de kaart van de actuele bodemkwaliteit worden ten minste de stoffen opgenomen als bedoeld in artikel 4.5.1, eerste lid, van de Regeling bodemkwaliteit.

4. In afwijking van het derde, is voor kaarten van de actuele kwaliteit van de bodem voor rijkswateren artikel 4.5.1, tweede lid van de regeling van toepassing. Voorzover een stoffenpakket voor de rijkswateren is vastgesteld, worden ten minste de stoffen van het stoffenpakket voor de rijkswateren opgenomen in kaarten van de actuele bodemkwaliteit van de rijkwateren.

5. De kaart van de actuele bodemkwaliteit wordt voorzien van een toelichting, waarin wordt omschreven hoe de kaart tot stand is gekomen, en de inhoudelijke en beleidsmatige keuzes die daarbij zijn gemaakt.

2. Aanvullende randvoorwaarden voor kaarten van de actuele kwaliteit van de bodem onder oppervlaktewater

1. Een kaart van de actuele kwaliteit van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam kan worden opgesteld voor gebieden waarvan het aannemelijk is dat de ruimtelijke indeling in bodemkwaliteitszones niet verandert binnen de geldigheidsduur van een bodemkwaliteitskaart.

2. Bodemverwachtingenkaarten kunnen worden gebruikt om te voldoen aan de in artikel 47, onder a, van het besluit genoemde eisen ter onderbouwing van de lokale maximale waarden.

3. Bodemverwachtingenkaarten kunnen niet gebruikt worden als basis voor een milieuhygiënische verklaring van de toe te passen baggerspecie of van de bodem waarop de grond of baggerspecie wordt toegepast.

3. Indelen beheersgebied in deelgebieden

1. Het beheersgebied wordt ingedeeld in deelgebieden die uniform zijn ten aanzien van de volgende kenmerken:

2. In aanvulling op het bepaalde onder 1, wordt bij het opstellen van een kaart van de actuele kwaliteit van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam rekening gehouden met de volgende aspecten:

3. Indien in een gebied andere kenmerken dan genoemd in het bepaalde onder 1 van invloed kunnen zijn op de actuele bodemkwaliteit, worden deze kenmerken ook betrokken bij de indeling van het beheersgebied in deelgebieden als bedoeld in het bepaalde onder 1.

4. In afwijking van onderdeel 1, onder 1 is het voor de stof PCB’s (som 7) toegestaan het beheersgebied in te delen in deelgebieden die uniform zijn ten aanzien van het organisch stofgehalte.

5. In afwijking van onderdeel 1, onder 1, is het voor de stoffen molybdeen en kobalt toegestaan het beheersgebied niet of slechts gedeeltelijk in te delen in deelgebieden, indien wordt aangetoond dat de desbetreffende stof niet klassebepalend is.

4. Voorbewerken gegevens actuele bodemkwaliteit per deelgebied

1. Bodemkwaliteitsgegevens van locaties waarvan bekend is of verwacht wordt dat ze verontreinigd zijn door een puntbron, worden niet meegenomen bij het in beeld brengen van de actuele bodemkwaliteit.

2. Uitbijters worden buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van de actuele bodemkwaliteit. Van een uitbijter is sprake als de hoge of lage meetwaarde kan worden toegeschreven aan een fout in het onderzoek of een administratieve fout.

3. De meetwaarden onder de bepalingsgrens worden opgenomen als de waarde van de bepalingsgrens vermenigvuldigd met een factor 0,7.

4. De monsterdiepte moet liggen binnen het dieptetraject waarvoor de bodemkwaliteitskaart wordt opgesteld.

5. Indien de bodemkwaliteitskaart wordt vastgesteld bij een besluit als bedoeld in artikel 45 van het besluit, kan het bevoegd gezag gemotiveerd een kleinere dikte van de toplaag vastleggen.

6. Indien naast de toplaag, ook een bodemkwaliteitskaart wordt opgesteld voor diepere bodemlagen, wordt voor de toplaag en de diepere laag/lagen ieder een aparte kaart opgesteld. De differentiatie in bodemlagen onder de toplaag moet plaatsvinden op basis van de lokale bodemopbouw.

7. Gegevens zijn voldoende recent indien de gegevens niet ouder zijn dan 5 jaar. Indien de gegevens ouder zijn dan 5 jaar wordt getoetst (bijvoorbeeld via de vergelijking met recentere gegevens) of de gegevens nog actueel zijn.

8. De ruimtelijke coördinaten van de monsterpunten waarvan de bodemkwaliteitsgegevens afkomstig zijn, zijn bekend.

9. Alle bewerkingen aan het bestand met gegevens over de actuele bodemkwaliteit dienen te worden gedocumenteerd, zodat te allen tijde de totstandkoming van de bodemkwaliteitskaart is te reproduceren.

5. Vaststellen bodemkwaliteitzones

1. Voor de bodem en de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam kan een deelgebied als bodemkwaliteitszone worden vastgesteld indien per onderscheiden bodemlaag voldaan wordt aan de volgende eisen:

2. Indien niet aan de eisen in het eerste lid wordt voldaan, worden aanvullende meetgegevens verzameld en/of worden deelgebieden opgedeeld. Ingeval het standaardpakket uit NEN 5740 wordt aangepast en daarbij stoffen worden toegevoegd dan geldt het volgende. Gerekend vanaf de datum van ingang van de wijziging van NEN5740 waarin het standaardpakket is aangepast behoeft gedurende een periode van drie jaar voor de stoffen die zijn toegevoegd aan het standaardpakket niet te worden voldaan aan het minimumcriterium van 20 waarnemingen. Voor deze aanvullende stoffen wordt zolang niet wordt voldaan aan het minimumcriterium van 20 waarnemingen stap 7 (karakteriseren van de bodemkwaliteit per te onderscheiden zone) overgeslagen. In stap 8 (resultaten weergeven in bodemkwaliteitskaart) worden deze stoffen zolang niet wordt voldaan aan het minimumcriterium niet opgenomen in de ontgravingskaart. In stap 8 wordt voor deze stoffen in de toepassingskaart de generieke toepassingsies gehanteerd zoals die geldt voor de functie die de bodem heeft.

3. Het bepaalde onder 1 en 2 is niet van toepassing op bodemverwachtingenkaarten.

6. Aanvullend bodemonderzoek

1. Indien aanvullend bodemonderzoek wordt uitgevoerd om te komen tot voldoende gegevens, gelden hiervoor de volgende eisen:

7. Beschrijven actuele bodemkwaliteit

1. Voor alle onderscheiden bodemkwaliteitszones wordt per bodemlaag de actuele kwaliteit van de bodem op basis van gemeten gehalten beschreven aan de hand van:

8. Digitale bodemkwaliteitskaarten

Stoffen worden niet alleen individueel genormeerd. Sommige stoffen maken (ook) onderdeel uit van een somparameter. Voor het gebruik van somparameters moet eenduidig zijn vastgelegd welke stoffen onderdeel uitmaken van de somparameter. Onder de definitie wordt in dit verband verstaan de aanwijzing van individuele stoffen die moeten worden gemeten, om de somparameter te kwantificeren. Bij de definitie van de somparameters is rekening gehouden met de meetbaarheid van de individuele stoffen, die binnen een somparameter worden gerekend.

Als aanvullende toetsingregel geldt, dat niet genormeerde stoffen die qua aard zouden kunnen vallen onder een genormeerde somparameter maar dat nu niet doen, individueel de normwaarde voor de somparameter niet mogen overschrijden.

Lijst met grote oppervlaktewaterlichamen per waterkwaliteitsbeheerder. Voor zover niet expliciet aangegeven, worden onder deze oppervlaktewaterlichamen eveneens de aanliggende zijkanalen en de aanliggende havens met de toeleidende kanalen verstaan.

Hoogheemraadschap Amstel Gooi en Vecht: Abcoudermeer; Ankerveenseplas; Bijleveld; Breukeleveense plassen; Bullewijk, Waver; Gaasp; Gaasperplas; Gein; Grachten en boezemwateren Amsterdam; Grote Heijcop; Heinoomsvaart, Geer, Kerkvaart en Danne; Heulsloot; Holendrecht en Angstel (Abcoude-Loenersloot); Karnemelksloot; Kromme Mijdrecht en Grecht; Loenderveenseplas; Maarsseveense plassen; Muidertrekvaart; Naarder Vestinggrachten; Naardertrekvaart; Nieuwe Wetering; Nieuwkoopse Plassen; Oude Waver; Oudekerkerplas; Ringvaart Waterschap Groot-Mijdrecht en Geuzensloot; ’s-Gravelandse Vaart, Drecht en Loosdrechtse Plassen; Sloterplas; Smalweesp; Spiegelplas; Vecht; Vinkeveense plassen; Weespertrekvaart; Wijde Blik; Winkel;

Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden: Bijleveld; Caspergauwse Wetering; De Grote Heycop; Dubbele Wiericke; Energiehaven; Enkele Wiericke; Galecopper Wetering; Haarrijn; Haarrijnse plas; Hakswetering; Hollandse IJssel; Kerkland Wetering; Kernhaven; Kockengen; Kromme Mijdrecht en Grecht; Kromme Rijn; Kruisvaart; Lansing; Leidsche Rijn; Maalvliet de Keulevaart; Maalvliet de Koekkoek; Maalvliet de Pleyt; Maalvliet voor gemaal Bijleveld; Maalvliet gemaal de Tol (Machine wetering de Tol); Meije; Merwedekanaal (benoorden de Lek); Mesonhaven; Molenvliet Kortrijk West; Natuurgebied Willeskop; Nedereindse plas bij Nieuwegein; Oude Rijn; Oude Vaartsche Rijn; Plas bij Weijpoort; Plas Laagraven; Plas Strijkviertel; Plas Vechten; Plassen Ingenieur Enschede weg (ten noord oosten van Kamerik); Plassen ten noorden van Heeswijk; Protonhaven; Singelgracht; Singels in Overvecht Utrecht; Slotgracht Zeist; Standard Fasel; Uraniumkanaal met aanliggende havens; Vaartsche Rijn en Oude Gracht; Vecht; Vechtsluis: verbinding met het Amsterdam-Rijnkanaal; Veilinghaven; Veilingplas Utrecht; Vijvers camping Berekuil Utrecht; Vijvers stedelijk gebied Houten, Maarsenbroek; Vijvers stedelijk gebied Woerden, Utrecht, Nieuwegein; Vlist; Watergangen oude militaire forten; Watergangen rond kasteel Haarzuilen; Ziende, Ziendevaart en Nieuwkoopse Plassen; Zilveren schaats Utrecht;

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier: Alkmaardermeer; Amstelmeerkanaal; Balgzandkanaal; Banscheidingsloot; Beemsterringvaart; Beemsteruitwatering; Bergervaart; Blekersloot; Boezemwateren ten zuiden van Schardam; Brouwersloot; Buiten Krommenie; Buitenhaven Schardam; Buitenhaven van Enkhuizen; Buitenlinie Gracht; Buitenwaterloop Aagtdorperpolder; Buitenwaterloop Castricummer polder en polder De Zien; Buitenwaterloop gemaal De Kampen; Buitenwaterloop gemaal De Leyen; Buitenwaterloop Groeterpolder; Buitenwaterloop van de Groot Limmerpolder; Buitenwaterloop van de Kostverlorenpolder; Buitenwaterloop van de Philistijnse Polder; De Kolk; de Rijd; De Weel; Den Oeversche Vaart; Geul door de Zuiderhaven van Den Oever; Egalementsloot; Egmondervaart; Fortgracht fort Dirksz. Admiraal; Fortgracht fort Erfprins; Fortgracht fort Westoever; Gat van de Meer bij Akkersloot; Geul naar en havens van de Haukes; Gouwzee en haven van Monnickendam; Groetkanaal; Groote Sloot; Haven melkfabriek te Lutjewinkel; Haven van Avenhorn; Haven van Schagen; Haven van Uitgeest; Haven westoever en Spoorweghaven te Den Helder; Havens van Den Helder; Helders Kanaal; Hoevervaart; Hondsbosschevaart en Hargervaart; Hoogovenkanaal en Hoogovenhaven; Houtvaart; Industriehaven; Johan van Hasseltkanaal (oost); Kanaal Alkmaar (Omval) – Kolhorn; Kanaal Rustenburger – Opmeer; Keelgracht of Fortgracht fort Oostoever; Kennemeruitwatering; Knollendammervaart; Koopvaardersbinnenhaven; Maritieme Binnenhaven en Afsluitingskanaal; Krabbendammervaart; Kromme Gouw; Langereis; Maritieme Binnenhaven; Markervaart en Kogerpolderkanaal; Molensloot of Oudevaart; Molenwater; Nieuwlandersingel; Noordhollandsch Kanaal; Ooster Egalementsloot; Oosterhaven en Verlengde Oosterhaven; Oosterveersloot; Oudburgervaart; Oude Haven van Enkhuizen; Parallelsloot zandwinplas Dirkshorn; Purmerringvaarten; Recreatieplas Geestmeramb.; Ringvaart van de Woudmeer; Ringvaart van de Bergermeer; Ringvaart van de Berkmeer; Ringvaart van de Engewormer; Ringvaart van de Schagerwaard; Ringvaart van de Heerhugowaard (oostelijk gedeelte); Ringvaart van de Koogpolder; Ringvaart Wijde Wormer; Scarpetten (Groot en Klein); Scheidingsvliet; Scheisloot bij Opmeer; Schermerboezem; Schermerringvaart; Slootvaart; Spoorweghaven en Buyshaven te Enkhuizen; Spoorweghaven te Den Helder; Stadsgrachten ‘De Schooten’; Stadswateren Nieuw Den Helder; Stierop; Stinkevuil of Purmer Ee; ’t Vaartje; ’t Zwet; Trekvaart van Het Schouw naar Monnickendam; Uitwatering van de Broekermolen; Uitwateringskanaal Geestmerambacht; Ursemmervaart; Van Ewijcksvaart en Boezem van de Zijpe; Veersloot bij Dirkshorn; Veersloot of Schermersloot; Verbindingssloot Noordhollands Kanaal; Vuile Graft; Waardkanaal; Waterloop van de Zuurvenspolder; Werkhaven Spaansen; Wester Egalementsloot; Wester Langereis; Wester Langereis, inclusief Verlaat; Westerveersloot; Wieringerwerfvaart; Wijzend; Zaan, Tap- of Tochtsloot; Zandwinplas Dirkshorn; Zeddegat; Zijkanaal D en Nauernasche Vaart; Zijkanaal E (Noordzeekanaal); Zuiderhaven te Oudeschild; Zwaaihaven;

Hoogheemraadschap van Delfland: Berkelsche Zweth; Binckhorsthaven; Boonervliet; Bree- of Lichtvoetswatering; Delftsche Vliet of Haagsche Vaart; Dulder; Gaag; Geerwegsgracht; Groeneveldsche- of Monsterwatering; Haagsche Vliet en havens; Haven Gist- en Spiritusfabriek te Delft; Havengebied Delfshaven te Rotterdam; Havens te Scheveningen; Insteekhavens bij Delfshavensche Schie; Kansjesmolensloot; Kerstanje; Kickert of Hoornsche Vaart; Laakhaven; Laakkanaal; Lange Haven, Buitenhaven; Nieuwehaven, Westerhaven (Schiedam); Lee- of Lierwatering; Leewater; Look; Lots- of Harnaschwatering; Middelwatering; Nieuwe Haven te Delft; Nieuwe Haven te Schiedam; Nieuwe Water; Noorderkanaal; Noordvest en Vellevest; Noordvliet; Oostgaag; Oranjekanaal; Pijnackersche Vaart; Polderwatering; Rijswijksche Havens; Ringvaart van de Zuidplaspolder; Rotterdamsche Schie; Schie en havens te Schiedam; Schie-Schie kanaal; Singelwateren van Den Haag; Tweemolentjesvaart; Valkenbosvaart; Verlengde Strijp; Verversings- of Afvoerkanaal; Vlaardingervaart; Voorboezem poldergemaal van Bieslandse Bovenpo; Voorboezem poldergemaal van Lage Broekpolder; Wateringschevest; Westgaag of Spartelvaart; Westvest; Zijde; Zuidgaag; Zweth en Kromme Zweth; Zwethkanaal; Amstel-Gouwevaart (Amstel en Aarkanaal);

Hoogheemraadschap van Rijnland: Drecht; Galgewater te Leiden; Gouwe, Gouwekanaal en voorhaven Julianasluis; Grote Sloot via ’t Joppe; Haarlemmer Trekvaart (Leiden – Warmonder Leede); Havenkanaal van Lisse; Heemsteedsch Kanaal en Haven van Heemstede; Hillegom, haven betoncentrale; Hillegommerbeek; Industriehaven te Haarlem; Laeck, Spriet, Warmonderleede en Oegstgeesterkanaal; Leidsche Vaart; Leidse Trekvliet of Leidsche Vliet te Leiden; Mooie Nel en Liede; Noordwijksche Vaart of Maandagsche Watering; Oude Rijn; Rijnhaven te Alphen aan den Rijn; Ringvaart Haarlemmermeerpolder (noordelijk deel); Sassenheimervaart; Trekvaart Haarlem naar Leiden; Vaarweg Gouwe-Mallegatsluis; Vaarweg Noordzeekanaal-Spaarne-Kagerplassen; Vaarweg van het Afgesloten IJ naar de Oude Rijn; Vaarweg van het Rijn-Schiekanaal naar Katwijk; Vaarweg Oude-Wetering, Leiden, Delft naar Rotterdam; Wassenaarse- of Zijlwatering; Wijde Aa en Does; Zevenhuizervaart; Ziende, Ziendevaart en Nieuwkoopse Plassen; Zijp en Achtergat, Sting en Zuidzijdervaart;

Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard: Hennipsloot; Noorderkanaal; Ringvaart van de Zuidplaspolder; Rotte; Vaart Bleiswijk;

Rijkswaterstaat IJsselmeergebied: Drontermeer; Eemmeer; Gooimeer; IJsselmeer; Ketelmeer; Markermeer; Veluwemeer; Zwartewater;

Rijkswaterstaat Limburg: Afgesneden Maas en havengebied te Roermond; Afleidingskanaal; Asseltse plassen; Bovenmaas (Eijsden-Ternaaien); Bovenmaas (Ternaaien-Borgharen); Gerelingsplas; Grensmaas (Borgharen-Ohé en Laak); Het Smalbroek; Isabellgriend (I en II); Jachthaven Wanssum; Julianakanaal; Kanaal van Sint Andries; Kanaal Wessem-Nederweert; Kolenhaven, Maascentrale te Buggenum; Lateraalkanaal; Leuken Bergerheide; Maas en aanliggende havens; Maasarm Asselt; Maasarm Beesel; Maasarm Roermond; Maaswaalkanaal; Noordervaart; Ontgrinding Kessel; Oolerveld; Osen; Oude haven van Venlo; Panheel (fase A en B); Plassenmaas (Ohé en Laak-Wessem); Pol (De Slaag); Polderveld en Tesken; Rijkelse Bemden; St. Antoniusplas; Toeleidingskanaal sluis Belfeld; Toeleidingskanaal sluis Linne; Toeleidingskanaal sluis Roermond; Toeleidingskanaal sluis Sambeek; Verbindingskanaal; Voedingskanaal; W.S.C. Midden Limburg; Zuid-Willemsvaart;

Rijkswaterstaat Noord-Brabant: Donge en Noordergat; Industriehaven Weststad;

Rijkswaterstaat Noord-Holland: 1e Rijksbinnenhaven, Binnenkanaal en Staalhaven; 2e Rijksbinnenhaven te Velsen-Noord; 3e Rijksbinnenhaven te Velsen-Noord; Aanloop havens van IJmuiden en Noordzeekanaal; Adenhaven; Alkmaardermeer; Amerikahaven met aanliggende havens; Amstel-Gouwevaart (Amstel en Aarkanaal); Amsterdam-Rijnkanaal; Australiehaven; Aziehaven; Beringhaven; Binnenspuikanaal; Bosporushaven; Broekerhaven; Buitenspuikanaal; Cacaohaven; Coenhaven met aanliggende havens; Cornelis Douweskanaal-West; Dirk Metselaarhaven; Entrepothaven; Ertshaven; Gat van de Stier; Haringhaven; Haven van Volendam;

Hoogovenkanaal en Hoogovenhaven: Hornhaven; Houtveemkanaal; IJ-Haven; IJmeer; Isaac Baarthaven; Jan van Riebeeckhaven met aanliggende havens; Johan van Hasseltkanaal-west; Karel Reynierszhaven; Mainhaven; Markermeer; Marsdiep; Mercuriushaven met aanliggende havens; Minervahaven; Moezelhaven; Muidertrekvaart; Neptunushaven; Nieuwe Houthaven; Nieuwe Vaart te Amsterdam; Noordhollandsch Kanaal; Noordzee; Noordzeekanaal, Het IJ en Buiten IJ; Oude Zeehaven; Papaverkanaal; Petroleumhaven te Amsterdam; Smalweesp; Sonthaven; Spaarne en Ringvaart Haarlemmermeer; Spoorwegbassin te Amsterdam; Suezhaven; Usselincxhaven; Vaart van Edam naar Purmerend; Vaarwater beoosten de Javaruggen; Vecht; Vissershaven en Haringhaven; Vlothaven;

Waddenzee: Weespertrekvaart; Westhaven met aanliggende havens; Wim Thomassenhaven; Zaan, Tap- of Tochtsloot, Markervaart; Zijkanaal A en de haven van Beverwijk (De Pijp); Zijkanaal D en Nauernasche Vaart; Zijkanaal E (Noordzeekanaal); Zijkanaal I; Zijkanaal K of Zijkanaal naar Nieuwendam; Zoutkeetsgracht en Westerdok; Zuiderbuitenkanaal; Zuidersluis en Kleine Sluis met toeleidingskanalen; Zwaaihaven;

Rijkswaterstaat Noord-Nederland: De Eemshaven; Haven Ameland; Haven Den Helder; Haven Den Oever; Haven Harlingen; Haven Lauwersoog; Haven Schiermonnikoog; Haven Terschelling; Haven Texel; Haven van Delfzijl; Haven van Nieuwstatenzijl; Haven van Termunterzijl; Haven Vlieland; Waddenzee;

Rijkswaterstaat Noordzee: Dollard; Eems; Noordzee; Waddenzee; Westerschelde;

Rijkswaterstaat Oost-Nederland: 2e Industriehaven te Almelo; Amsterdam-Rijnkanaal; Apeldoornsch Kanaal te Hattem; Boven-Merwede, Beneden Merwede en Noord; Boven-Rijn en Waal; De Beer; Haven te Doesburg; Haven te Gameren; Gemeentehaven van Tiel; Haven te Haaften; Haatlandhaven; Handelshaven te Enschede; Haven van Malburgen; Haven te Hengelo; IJssel; Haven te IJzendoorn; Industriehaven te Genemuiden; Industriehaven te Zaltbommel; Industriehaven te Zutphen; Kanaal van Sint Andries (alleen voorhaven Waalzijde); Kanaal Zutphen-Enschede van de Twenthekanalen; Kattendiep; Katwolderhaven; Keteldiep; Haven te Lobith; Maas-Waalkanaal (alleen Waalzijde); Nieuwe Haven te Arnhem (= Malburgerhaven); Nieuwe Industriehaven te Enschede; Oude Rivierarm bij De Steeg; Pannerdensch Kanaal, Neder-Rijn en Lek; Petroleumhaven te Hengelo (Overijssel); Pgem, haven van de (havens centrale Harculo); Rijkshaven Doesburg; Rijnhaven van Wageningen; Rosandepolder; Scaniahaven; Storkhaven te Hengelo (Overijssel); Stuwkanaal Amerongen; Stuwkanaal Driel; Haven te Tiel; Voorhaven Prins Bernhardsluis; Voorsterhaven; Waalhaven te Nijmegen; Haven te Wijk bij Duurstede; Haven te Zaltbommel; Zijkanaal naar Almelo van de Twenthekanalen; Zwolsche Diep; Zwolle-IJsselkanaal, Zwarte Water;

Rijkswaterstaat Utrecht: Amsterdam-Rijnkanaal en bijbehorende zijwateren; Gekanaliseerde Hollandse IJssel provincie Zuid-Holland; Lekkanaal;

Rijkswaterstaat Zeeland: Bathse Spuikanaal; Grevelingenmeer; Kanaal door Zuid-Beveland; Kanaal Sluis-Brugge; Kanaal van Gent naar Terneuzen; Oosterschelde; Schelde-Rijnverbinding; Veerse Meer; Volkerak Zoommeer; Westerschelde;

Rijkswaterstaat Zuid-Holland: Afgedamde Maas; Amer; Beneden Merwede; Bergsche Maas; Boven Merwede; Brabantsche Biesbosch; Calandkanaal en Beerkanaal; Dordtsche Kil; Dordtse Biesbosch; Haringvliet; Hartelkanaal; Hollandsch Diep; Hollandse IJssel; Kuststrook ten noorden van Noorderdam; Kuststrook van de Maasvlakte; Lek; Nieuwe Maas; Nieuwe Merwede; Nieuwe Waterweg; Noord; Oude Maas; Sliedrechtse Biesbosch; Spui; Wantij; Zuid-Hollandse Voordelta;

Waterschap Aa en Maas: Aa benedenstrooms Veghel tot Den Bosch; Aa door stedelijk gebied Veghel; Aa van Gemert tot Veghel; Dieze; Drongelens Kanaal; Eindhovens Kanaal; Verbindingskanaal in het Bossche Veld; Gekanaliseerde Dieze, Zuid-Willemsvaart; Haven Noord of Burgemeester van Veldhuizenhaven; Hertogswetering, Grave tot Ossermeer; Hoefgraaf; Industriehaven te Helmond; Industriehavens ’s-Hertogenbosch; Koningsvliet; Kraaijenbergse Plassen; Ossermeer tot Gewande; Oude Zuid-Willemsvaart; Rietveldenhaven; Stads-Aa; Stadsdommel; Teeffelensche Wetering; Traverse door Helmond;

Waterschap Brabantse Delta: Balrouwsche Vaart; Bansloot noord; Belcrumhaven; Boven Mark; Callooysche Gat; Donge en Noordergat; Haven van Bergen op Zoom of Theodorushaven; Haven van Oudenbosch; Haven van Sprang-Capelle of Capelse Haven; Haven van Waalwijk; Kerkvaart naar Waspik of Kerkvaartschehaven; Krouwelaar; Laaksche Vaart; Leusche Haven; Mark en Dintel; Markkanaal; Mark-Vlietkanaal en havens van Roosendaal; Molenkreek complex; Oude Maasje; Roode Vaart of Zevenbergsche Haven; Roode Weel complex; Havens te Roosendaal (Borchwerf); Roosendaalsche- en Steenbergsche Vliet; Singels Breda Oost; Smalle Beek; Steenbergsche Haven; Tonnekreek complex; Vluchthaven te Dinteloord;

Waterschap De Dommel: Afwateringskanaal Dommel; Beatrixkanaal; Dommel; Eindhovens Kanaal; Essche Stroom; Tongelreep (buiten VHR31 tot snelweg A2); Wilhelminakanaal (Aa en Maas tot Brabantse Delta);

Waterschap Groot Salland: Ganzendiep, Goot en Scheepvaartgat; Kattendiep en Ramsgeul; Overijsselskanaal; Soestwetering; Stadsgrachten en havens te Zwolle; Velt en Vecht, kanalen; Ramsdiep en Schokkerhaven; Zwolle-IJsselkanaal, Zwarte Water, Zwolsche Diep;

Waterschap Hollandse Delta: Haven van Brielle; Bernisse; Kanaal door Voorne; Zuiderdiep; Devel; Waaltje; Binnenmaas en Boezemvliet; Haven van Strijen; Jachthaven Zwartewaal; Havens van Middelharnis; Koopvaardijhaven te Hellevoetsluis; Scheepvaart-/Voedingskanaal en Brielse Meer; Haven te Spijkenisse;

Waterschap Hunze en Aa’s: Bourtangerkanaal; Damsterdiep; Deense Haven; Drentsche Diep en Zuidlaardermeer naar Zuidlaren; Eemskanaal; Eendrachtskanaal en Hoendiep; Eextahaven; Farmsumerhaven; Finse Haven; Handelshaven te Delfzijl; Havenkanaal en haven van Assen; Hoornse Diep; Industriehaven te Veendam; Mond van de Dollard, Groote Gat en Buiten A; Noord-Willemskanaal; Oosterhornhaven; Oude Eemskanaal; Oude Winschoterdiep te Groningen; Paapsand-Sud, Zeehavenkanaal en havens van Delfzijl; Reest en Wieden Oost, regionale kanalen; Reitdiep en Lauwersmeer; Rensel (oostelijk deel); Ruitenbroekkanaal; Schildmeer en Groeve (zuidelijk deel); Slochterdiep, Afwateringskanaal van Duurswold; Termunterzijldiep; Toeleidingskanaal Oosterhornhaven; Vaarweg Veendam-Stadskanaal-Ter Apel; Vaarwegen in de stad Groningen; Van Starkenborghkanaal; Veendiep, B.L.Tijdenskanaal en Ruiten Aa Kanaal; Verbindingskanaal en Oude Winschoterdiep; Vissershaven te Termunterzijl; Haven te Waterhuizen; Westerwoldsche Aa, Pekel-Aa en Pekelerhoofddiep; Winschoterdiep, Rensel en havens te Winschoten; Zweedse Haven;

Waterschap Noorderzijlvest: Aduarderdiep; Bocht van Watum; Boterdiep; Damsterdiep; Eendrachtskanaal; Gave; Groeve-Noord; Hoendiep; Hoendiep; Hoornse Diep; Hoornse Vaart; Hunsingokanaal; Kommerzijlsterriet; Kommerzijlsterrijte; Koningsdiep; Kromme Rakken; Langs- of Wolddiep; Lauwersmeer; Leekster Hoofddiep; Leekstermeer; Mensingeweersterloopdiep; Munnikesloot; Munnikezijlriet (spuikanaal); Nieuwe Kanaal; Niezijlsterdiep; Noord-Willemskanaal; Rodenervaart; Van Starkenborghkanaal; Warffumermaar; Winsumerdiep;

Waterschap Peel en Maasvallei: Helenavaart; Industriehaven te Venlo; Julianakanaal, Bergsche Maas en Amer; Maasplassen Heel; Neerbeek; Niers;

Waterschap Reest en Wieden: Buitenhaven te Meppel; Drentsche Hoofdvaart; Haven van Vollenhove; Hoogeveensche Vaart, Verlengde Hoogeveensche Vaart; Industriehaven te Hoogeveen; Industriepark Steenwijk; Linde naar de Ossenzijlersloot; Mallegat; Meppelerdiep; Haven te Steenwijk; Zijtak en havens te Meppel;

Waterschap Regge en Dinkel: 2e Industriehaven te Almelo; Bedrijvenpark N-W Twenthe; Coevorden-Vechtkanaal; Kanaal Almelo-De Haandrik (Overijsselsch Kanaal); Omleidingskanaal Dinkel; Petroleumhaven te Hengelo (Overijssel); Stadsregge, kanalen; Stadsregge, riviertje; Storkhaven te Hengelo (Overijssel); Velt en Vecht, kanalen; Zijkanaal naar Almelo van de Twenthekanalen;

Waterschap Rijn en IJssel: Aastrang; Berkel; Bielheimerbeek; Bolksbeek; Bovenslinge; Didamse Wetering; Groenlose Slinge; Keizersbeek; Oude IJssel; Oude Rijn; Schipbeek; Stroomkanaal Hackfort; Veengoot van samenkomst Heeckerenbeek en Veegoot; Wijde Wetering;

Waterschap Rivierenland: Linge (mond Kanaal van Steenenhoek tot Boven Merwede); Merwede kanaal; Haven te Vianen;

Waterschap Roer en Overmaas: Hambeek; Roer;

Waterschap Vallei en Eem: Arkervaart en haven van Nijkerk; Eem en havens van Amersfoort; Valleikanaal;

Waterschap Velt en Vecht: Binnengracht (westelijk deel); Bladderswijk (Oranjekanaal) en Bargermeerkanaal; Coevorden-Vechtkanaal; Kanaal Almelo-De Haandrik (Overijsselsch Kanaal); Reest en Wieden Oost, regionale kanalen; Velt en Vecht, kanalen; Verbindingskanaal en Buitengracht te Coevorden;

Waterschap Veluwe: De Grote Wetering; De Oude IJssel bij Zutphen; De Veluwse Wetering; De Waa in Hattem; Haven Harderwijk; Havenkanaal Elburg; Het Apeldoorns kanaal; Noordermerkkanaal; Stadsgracht Elburg; Toegangsgeul en Lorentzhaven te Harderwijk; Toevoerkanaal en Uitvliet (bij Terwolde); Uitvliet Gelderse gracht; Uitvliet Polder Hattem;

Waterschap Zeeuwse Eilanden: Haven I te Goes; Haven II te Goes;

Haven van Goes: Havens van Middelburg; Het Schenge; Kanaal door Walcheren;

Nieuwe Haven te Goes:Tweede Binnenhaven; Zijkanaal naar Arnemuiden of Kanaal door de Oude Arne; Zijtak naar Nieuwland;

Waterschap Zeeuws-Vlaanderen: Massagoedhaven; Noorderkanaalhaven; Toeleidingskanaal Oostsluis/Oostbuitenhaven; Zevenaarhaven; Zijkanaal A naar Terneuzen; Zijkanaal B (Kanaal van Gent naar Terneuzen); Zijkanaal C naar de Axelsche Sassing; Zijkanaal D (Kanaal van Gent naar Terneuzen); Zijkanaal E (Kanaal van Gent naar Terneuzen); Zijkanaal F (Kanaal van Gent naar Terneuzen); Zijkanaal G (Kanaal van Gent naar Terneuzen); Zijkanaal H (Kanaal van Gent naar Terneuzen);

Waterschap Zuiderzeeland: Creilervaart; Enservaart; Espelervaart; Hoge Dwars Vaart; Hoge Vaart; Kadoelermeer/kanaal; Kampersluisvaart; Kuindervaart; Lage Dwars Vaart; Lage Vaart; Larservaart; Leemvaart; Lemstervaart; Marknesservaart; Nagelervaart; Oostervaart; Ruttensevaart; Sluisvaart; Swiftervaart; Urkervaart; Vollenhoverkanaal; Zuidervaart; Zwolsevaart;

Wetterskip Fryslan: 1e Industriehaven; 2e Industriehaven; Afvoerkanaal; Akkrumerrak; Bakhuizervaart; Bergumermeer; Biggemar; Blauwhuisteropvaart; Blijaervaart; Boksleat; Boksumer Zool; Bolswardertrekvaart; Bolswardervaart; Bonkesloot; Bosksleat; Brandeburevaart; Brandemeer; Broere Sloot; Buitendijksche Hoofdvaart; Burmaniasloot; Cornjumervaart; De Baai; De Bliken; De Boarn; De Drait; De Ee; De Geeuw; De Greuns; De Grote Potten; De Haven; De Lauwers; De Lits; De Luts; De Potmarge; De Rijd; De Swadde; De Tijnje; De Zwemmer; De Zwette; Diepe Dolte; Diepsloot; Dijgracht; Dijkvaart; Doezumertocht; Dokkumer Ee; Dokkumerdiep; Dokkumergrootdiep; Dolte; Drachtstervaart; Drogge Dolte; Dwarsmeer; Dwarsried; Exmorravaartje; Fammegat; Fammensrakken; Fluessen; Foudgumervaart; Franekervaart; Gaastmeer; Geeuw; Goengahustersleat; Gooyumervaart; Graft; Greft; Grietmansrak; Groote Brekken; Groote Gaastmeer; Groote Wielen; Groote Zijlroede; Grote Sluis; Haan’s Krite; Haiemer Dolte; Haklandshop; Hallumertrekvaart; Harlingervaart; Hartwerdervaart; Haven; Heafeart; Heegermeer; Heegervar; Heerengracht; Heerensloot; Heerenwegstervaart; Heidenschapstervaart; Heloma of Jonkersvaart; Hennaarderopvaart; Henshuister Deel; Het Diep; Het Diepe Gat; Het Ges; Het Hop; Het Nieuwe Kanaal; Het Ouddeel; Het Oudhof; Het Var; Het Vliet; Hofmeer; Hollegracht; Holwerdervaart; Horsae; Horseweg; Houkesloot; Houtvaart; Idskenhuistervaart; Idzegaster Poel; Indijk; It Swin; Jaanvaart; Jachthavenkanaal; Janssleat; Jelsumervaart; Jelsumervaart; Jeltesloot; Johan Friso kanaal; Jongebuurstersleat; Jorwerdervaart; Joustervaart; Jutrijpervaart; Kalkhaven; Keizersgracht; Kerksloot; Kipsloot; Kleine Zijlroede; Koevordermeer; Kollumerkanaal; Koningsdiep; Koude Maag; Koudumervaart; Kromme Grou; Kromme Ie; Kromme Knjilles; Kromme Sleat; Kroonduikersvaart; Kruiswater; Kuikhornstervaart; Langdeel; Lange Sloot; Langstaarte Poel; Langweerderwielen; Leijenpoel; Leijensloot; Lemsterrijn; Lijkvaart; Linde; Lollumervaart; Louwe Poel; Lutkewierumer-opvaart; Mantgumervaart; Marssumervaart; Meinesleat; Melkvaart; Moddergat; Modderige Bol; Molendraai; Morra; Murk; Nauwe Galle; Nauwe Geeuw; Nauwe Greuns; Nauwe Larts; Nauwe Wijmerts; Neare Golle; Nieuwe Diep; Nieuwe Drait; Nieuwe Dwarskanaal; Nieuwe Heerenveense kanaal; Nieuwe kanaal; Nieuwe Vaart; Nieuwe Zwemmer; Nije Sansleat; Nijegaastervaart; Nijhuizemervaart; Nonnegat; Noordbroekstervaart of S; Noorder Ee; Noordergracht; Noordwoldervaart; Oosterbrugsloot; Oosterse Hei; Oosterwierumeroudvaart; Opeindervaart; Oud Dokkumerdiep; Ouddiep; Oude Drait; Oude Geeuw; Oude Harlingervaart; Oude Meer; Oude Ried; Oude Vaart; Oude weg; Oudegaasterbrekken; Peanster Ie; Pier Cristiaansloot; Pikmeer; Pingjumervaart; Piter Jehannes gat; Polsleat; Potmarge; Prinsengracht; Prinsenwijk; Prinses Margrietkanaal; Rien Sluis; Rijperkerkstervaart; Rijstervaart; Rjochte Grou; Rogsloot; Rozengracht; Sansleat; Scharsterrijn; Scheensloot; Schipsloot; Schoterlandse Compagnonsvaart; Sexbierumervaart; Singel; Sitebuorster Ie; Slachtegat; Smalle Eesterzanding; Sminkevaart; Sneekermeer, Zoutepoel; St. Jacobsvaart; Steggerdavaart; Stienservaart; Stroobossertrekvaart; Stroomkanaal; Terhernster Djip; Terhernster Mar; Terkaplesterpoelen; Tersoalster Zijlroede; Tienesloot; Tietjerkstervaart; Tjeukemeer; Tjonger of Kuinder; Trekvaart; Tsjaerderfeart; Twizelerfeart; Tzummarumervaart; Ulekrite; Vaart van St. Nicolaasga; Valomstervaart; Van Harinxmakanaal, Lange Meer; van Panhuijskanaal; Vlakke Brekken; Vliet; Wartenster Wiid; Weidumervaart; Welle; Welsrijpervaart; Wergeasterfeart; Westerdijksvaart; Westerse Hei; Wielhals; Wijddraai; Wijde Ee; Wijde Sloot; Wijde Wijmerts; Wijmerts; Wijtgaardstervaart; Wirdumervaart; Witakkersvaart; Witmarsumervaart; Workumertrekvaart; Woudmansdiep; Woudsenderrakken; Woudvaart; Wynservaart; Zandmeer; Zandrak; Zandvaart; Zijldiep; Zijlroede; Zijlsterrijd; Zijltjessloot; Zoolsloot; Zuidensstervaart; Zuider Ee; Zwettehaven;

Herkomstgebieden waaruit toe te passen mijnsteen afkomstig is:

Toepassingsgebieden voor mijnsteen zijn gearceerd weergegeven als ‘mijnsteengebieden’ op de volgende kaarten: