Op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 26 september 2011, nr. 5710806/11/6;
Gelet op artikel 8:41, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 27b, tweede lid, 27l, vijfde lid en 29a, vijfde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 22, zesde lid, van de Beroepswet, artikel 46, derde lid, van de Wet op de rechtsbijstand, artikel 24, zesde lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, artikel 7.67 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, en artikel 51, zesde lid, van de Wet op de Raad van State;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 12 oktober 2011, nr. W03.11.0403/II);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 4 november 2011, nr. 5714940/11/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage10 november 2011BeatrixDe Minister van Veiligheid en Justitie,I. W.Opstelten de achttiende november 2011De Minister van Veiligheid en Justitie,I. W.OpsteltenWijzigt de Algemene wet bestuursrecht, de Beroepswet, de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, de Wet op de rechtsbijstand, de Wet op de Raad van State, de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.
Indien de termijn voor een beroep, hoger beroep of beroep in cassatie is aangevangen vóór de inwerkingtreding van dit besluit, wordt het griffierecht geheven dat gold op de eerste dag van de beroepstermijn.
In afwijking van het eerste lid wordt voor een beroep wegens niet tijdig beslissen het griffierecht geheven dat geldt op de dag waarop het beroepschrift wordt ontvangen.
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.