Wijzigingen Officiële bron
Besluit van de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 13 juni 2013, nr. DDE-315/2013, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidieverlening op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van de TransitiefaciliteitBesluit vaststelling beleidsregels en subsidieplafond Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Transitiefaciliteit)De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

Gelet op de artikelen 6, 7 en 10 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op de artikelen 7.1, 7.2, en 10.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,namens deze:Plv. Directeur-Generaal Internationale SamenwerkingA.C.C.Rebergen

Voor subsidieverlening op grond van de artikelen 7.1, 7.2 en 10.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van de Transitiefaciliteit gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels. Jaarlijks wordt een subsidieplafond vastgesteld. Voor 2013 bedraagt het subsidieplafond € 2.000.000,–, waarvan ten minste 80% is bestemd voor de prioriteitssectoren als vermeld in bijlage B bij de bijlage bij dit besluit.

De verdeling van het subsidieplafond vindt plaats aan de hand van een beoordeling van aanvragen in volgorde van binnenkomst.

Aanvragen kunnen worden ingediend met het in de bijlage bij dit besluit opgenomen aanvraagformulier.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2017, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

De Transitiefaciliteit heeft een tweeledig doel: enerzijds de verbetering van het ondernemingsklimaat in het transitieland en anderzijds het vergroten van de omvang van de (duurzame) handel, investeringen en diensten door Nederlandse bedrijven met het transitieland. Beide doelstellingen moeten elkaar versterken en in samenhang worden bezien.

Uitgangspunt van een gekozen interventie is een positieve bijdrage aan de Nederlandse bedrijfsactiviteiten in het transitieland. Een subsidieproject onder deze subsidiebeleidsregels sluit bij voorkeur aan op een bestaande of lopende interventie.

De onderhavige beleidsregels zijn een instrument om deze tweeledige doelstelling van de Transitiefaciliteit mede te bewerkstellingen, dat wil zeggen voor zover het subsidieverstrekking met ODA-middelen betreft. Voor de non-ODA-middelen bestaat de mogelijkheid van subsidie onder de Subsidieregeling internationaal excelleren. Activiteiten die onder die regeling of een andere wettelijke grondslag voor subsidie door de minister van Buitenlandse Zaken of de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in aanmerking kunnen komen, komen niet voor subsidie onder deze beleidsregels in aanmerking. De nadruk in deze beleidsregels ligt derhalve op projecten die een bijdrage leveren aan de verbetering van het ondernemingsklimaat in het transitieland, waarbij het aannemelijk moet zijn dat uit een subsidieproject een positieve bijdrage aan de Nederlandse bedrijfsactiviteiten in het transitieland voortvloeit of een bestaande of lopende interventie op dat punt versterkt.

Daarbij worden in de eerste plaats projecten ondersteund die zijn gericht op kennisoverdracht en -uitwisseling, capaciteitsversterking en human resources development binnen de prioriteitssectoren die per transitieland zijn vastgesteld. In bijzondere gevallen kunnen ook projecten in andere sectoren worden ondersteund, namelijk indien de toegevoegde waarde zodanig is dat ondersteuning als bijzonder waardevol wordt beoordeeld. Uitgangspunt van beleid is dat minimaal 80% van het subsidiebudget wordt ingezet voor de prioriteitssectoren. Naast het verstrekken van subsidie kunnen voor een interventie zo nodig aanpalende instrumenten worden ingezet, zoals government-to-government projecten, Holland Branding of andere niet-subsidie instrumenten. De ondersteuning door middel van subsidie op grond van deze beleidsregels richt zich echter niet op activiteiten die kunnen worden gefinancierd door andere reeds bestaande instrumenten of programma’s van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

De landen die als transitieland worden aangemerkt staanvermeld in bijlage A bij deze beleidsregels. Indien daartoe aanleiding bestaat, kunnen nieuwe landen aan deze lijst worden toegevoegd. Landen waarvoor de transitie op enig moment als voltooid kan worden beschouwd, zullen van deze bijlage worden verwijderd.

De prioriteitssectoren van de verschillende transitielanden worden vermeld in bijlage B bij deze beleidsregels.

Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie uit de Transitiefaciliteit dient een project een samenhangend geheel van activiteiten te vormen dat een significante bijdrage levert aan de doelstelling van de beleidsregels zoals hiervoor beschreven. Het leveren van een significante bijdrage betekent niet dat het project van grote omvang moet zijn. Ook kleinere projecten kunnen door aard en inhoud een significante bijdrage leveren.

Een project sluit bij voorkeur aan op reeds ontwikkelde of lopende interventies en dient aannemelijk te maken dat het leidt tot positieve effecten voor het Nederlandse bedrijfsleven en het lokale ondernemingsklimaat. Voorbeelden van mogelijke projecten zijn trainingen, capaciteitsopbouw, ontwikkeling of versterking van curricula of het gezamenlijk opzetten van een onderzoeksprogramma voor opbouw van praktische kennis en wetenschappelijke samenwerking.

De te verwachten positieve effecten op het lokale ondernemingsklimaat en de te verwachten positieve effecten voor het Nederlandse bedrijfsleven worden in de aanvraag zo concreet mogelijk aannemelijk gemaakt, waarbij reële toekomstperspectieven worden geschetst.

De in een subsidieproject te besteden uren die voor subsidie in aanmerking komen en de eventueel benodigde apparatuur (hardware) dienen in redelijke verhouding tot elkaar te staan. Doorgaans zal een project in overwegende mate projectactiviteiten voor te besteden uren bevatten. De eventuele apparatuur dient, indien dat naar het oordeel van de EVD opportuun is, te worden overgedragen aan een partij uit het transitieland, dan wel te worden ingebracht in een gezamenlijke eigendomsstructuur (joint venture) met een partij uit het transitieland.

Het verdient de voorkeur dat de subsidie wordt aangevraagd ten behoeve van een samenwerkingsverband dat dient te bestaan uit ten minste twee Nederlandse partijen, waarvan bij voorkeur ten minste één onderneming. De subsidie wordt aangevraagd door één van de deelnemers in het samenwerkingsverband, de penvoerder, die rechtspersoonlijkheid heeft. Daarnaast levert ten minste één partij uit het transitieland een aantoonbare bijdrage aan de uitvoering van het project. De partij uit het transitieland kan deel uitmaken van het subsidie ontvangende samenwerkingsverband, maar dat is niet verplicht. Deze partij kan ook een zelfstandige bijdrage aan de uitvoering van het project leveren door middel van inzet van financiële middelen of in kind (inzet van personeel, gebouwen, apparatuur e.d.).

Indien de aanvrager aannemelijk maakt dat een samenwerkingsverband niet opportuun is, kan de subsidie worden aangevraagd door één Nederlandse partij met rechtspersoonlijkheid. Wel dient ook in dat geval een partij uit het transitieland een aantoonbare bijdrage aan de uitvoering van het project te leveren.

Indien subsidie wordt verleend ten behoeve van activiteiten verricht in een samenwerkingsverband van twee of meer partijen, kan de subsidie uitsluitend worden verleend aan een van de deelnemers in het samenwerkingsverband, de penvoerder. Op deze penvoerder rusten als subsidieontvanger alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, onverschillig welk van de deelnemers in het samenwerkingsverband feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden. Voor zover de subsidie mede strekt tot bekostiging van andere deelnemers in het samenwerkingsverband dan de penvoerder, blijkt dat uit de subsidieaanvraag. De aanvraag verschaft inzicht in ieders aandeel in de uitvoering van de activiteiten en de daarmee gemoeide kosten. In de beschikking tot subsidieverlening zal worden bepaald dat de penvoerder een deel van de middelen ter beschikking moet stellen aan de andere deelnemers in het samenwerkingsverband. Dat maakt die deelnemers in economische zin tot subsidieontvangers – ook al zijn ze dat in de relatie tot de Minister niet – en niet tot ‘onderaannemers’. De kosten van de andere deelnemers van het samenwerkingsverband zullen voor de bepaling van de subsidie op dezelfde financiële grondslagen in aanmerking worden genomen als de kosten van de penvoerder. Dat betekent dat de interne kosten van zowel de penvoerder als de andere deelnemers in het samenwerkingsverband zonder winstopslag in aanmerking worden genomen.

De minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft de uitvoering van deze beleidsregels opgedragen aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, divisie NL EVD Internationaal (verder: EVD), baten-lastendienst van het ministerie van Economische Zaken. De EVD zal deze beleidsregels uitvoeren namens de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op grond van een aan Rijksdienst voor Ondernemend Nederland verleend mandaat.

Subsidie die aan een Nederlandse onderneming wordt verstrekt kan staatssteun vormen in de zin van artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Dit zal bij elke aanvraag worden getoetst. In het bevestigende geval zullen subsidies die voldoen aan Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (Algemene groepsvrijstellingsverordening; verder: Agvv) (PBEU 2008, L 214/3) op die grond kunnen worden verstrekt. Deze beleidsregels voldoen derhalve aan de uit de Agvv voortvloeiende voorwaarden.

De steuncategorieën van de Agvv die, binnen de doelstelling en de voorwaarden van deze subsidiebeleidssregels, voor subsidie in aanmerking komen zijn:

Indien de subsidie niet voldoet aan de uit de Agvv voortvloeiende voorwaarden, zal de subsidie moeten voldoen aan Verordening (EG) Nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (de-minimisverordening) (PBEU 2006, L 379/5) wil deze worden goedgekeurd. Met de uitvoering van deze beleidsregels wordt derhalve tevens voldaan aan de in de de-minimisverordening opgenomen vereisten. Indien de subsidie die staatssteun vormt niet onder de Agvv of de de-minimisverordening kan worden gebracht, zal de subsidie worden afgewezen.

De Nederlandse overheid hecht veel belang aan IMVO en verwacht dat projecten op dit gebied een voorbeeldfunctie hebben. In paragraaf 9 ‘Beoordelingscriteria’ zijn onder ‘Impact’ daarom een aantal toetsingscriteria omtrent IMVO opgenomen.

Met het oog op een beperking van de administratieve lasten hebben potentiële subsidieaanvragers de verplichting om voorafgaande aan het indienen van een aanvraag aan de EVD een (niet bindend) advies te vragen (Quick Scan) met betrekking tot de mogelijkheden om voor subsidieverstrekking in het kader van deze beleidsregels in aanmerking te komen. Op deze wijze kan worden voorkomen dat niet passende aanvragen worden uitgewerkt en ingediend of kunnen voorgenomen aanvragen worden bijgestuurd. Het gegeven advies is geheel vrijblijvend, kan geen in rechte te honoreren verwachtingen wekken en is geen besluit gericht op rechtsgevolg. Mocht de aanvrager ondanks een negatief advies toch een aanvraag willen indienen dan bestaat daartoe geen enkele belemmering. Indien voorafgaand aan een aanvraag geen Quick Scan is ingediend, wordt de aanvraag afgewezen.

Via de website kan toegang worden verkregen tot een Quick Scan formulier: www.agentschapnl.nl/transitiefaciliteit. Het ingevulde formulier kan per e-mail worden verzonden naar transitiefaciliteit@agentschapnl.nl. Na ontvangst van het formulier zal een EVD projectadviseur zo spoedig mogelijk contact opnemen om de resultaten van de Quick Scan te bespreken en hierover te adviseren.

Voor de administratieve lasten die voor de aanvrager met het aanvragen van de subsidie en vaststellen van de subsidie gepaard gaan, geldt het navolgende.

In de fase voorafgaand aan de indiening van een aanvraag heeft de aanvrager te maken met het bekend raken met het onderhavige subsidieprogramma, de procedure van aanvragen, inclusief Quick Scan, het opzetten en uitwerken van een eventueel samenwerkingsverband en het aanvraagformulier. Voor het doen van een aanvraag moet de aanvrager een projectplan, een financiële begroting en een aanvraagformulier volledig invullen.

Vervolgens is er een beheerfase. Deze fase begint wanneer de aanvrager een beschikking tot subsidieverlening hebben ontvangen. Op dat moment ontvangen aanvragers ook ambtshalve een voorschot. Hieraan zijn voor de aanvrager geen administratieve lasten verbonden. Ten behoeve van kennisoverdracht en het waarborgen van de voortgang van het project wordt per 12 maanden om een voortgangsrapportage gevraagd.

Bij de afronding van het project moet de aanvrager een eindrapport van het project opstellen en een verzoek om vaststelling van de subsidie indienen. Dit gebeurt door middel van een vaststellingsformulier. Voor projecten met deelnemers die een subsidie van meer dan € 125.000,– zullen ontvangen, is een controleverklaring van een accountant vereist.

Bij de bepaling van de administratieve lasten is ook rekening gehouden met voorkomende bezwaar-en beroepsprocedures. Deze procedure wordt gevolgd indien de aanvrager het oneens is met de beslissingen van bijvoorbeeld de vaststelling van de definitieve subsidie.

Op basis van het kostenmodel is een berekening gemaakt van de administratieve lasten voor de aanvrager die voortvloeien uit dit subsidieprogramma. Uit deze berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totale beschikbare subsidiebudget ca. 4,9% bedraagt.

Voor een goed begrip van de in deze beleidsregels gebruikte terminologie gelden de volgende begripsbepalingen:

In deze paragraaf is een omschrijving van de projectkosten opgenomen die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de omvang van de subsidie. Voor kosten die in redelijkheid niet als noodzakelijk kunnen worden beschouwd, wordt geen subsidie verleend. Conform artikel 4:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 14 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken blijven deze kosten bij de subsidieverstrekking buiten beschouwing.

Voor de begroting van de projectkosten dient de project budget calculation tool gebruikt te worden, te vinden op www.agentschapnl.nl/transitiefaciliteit. In geval van een samenwerkingsverband worden de subsidiabele projectkosten van de penvoerder en de andere deelnemers in het samenwerkingsverband op dezelfde financiële grondslagen in aanmerking genomen. Dit betekent dat de interne kosten van zowel de penvoerder als de andere deelnemers in het samenwerkingsverband zonder winstopslag in aanmerking worden genomen. Overigens worden kosten van eventuele lokale partijen in het samenwerkingsverband naar lokale maatstaven in aanmerking genomen.

De subsidiabele kosten betreffen uitsluitend:

Een Quick Scan formulier en een aanvraagformulier zijn verkrijgbaar bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, NL EVD Internationaal, Transitiefaciliteit, Postbus 93144, 2509 AC Den Haag of kan worden gedownload via de website: www.agentschapnl.nl/transitiefaciliteit. In het aanvraagformulier wordt vermeld welke bescheiden met het formulier moeten worden meegezonden. Op basis van het complete aanvraagformulier (inclusief bescheiden) wordt de aanvraag beoordeeld. Daarom dient het in detail uitgewerkt te zijn. Dit komt onder meer tot uitdrukking in een heldere projectdoelstelling, een omschrijving van de verwachte knelpunten en risico’s, de voorgestelde aanpak, de fasering van het project, de expertise van de deelnemers en de uiteindelijke perspectieven van het project. Bij het projectvoorstel hoort een begroting, waarbij gebruik dient te worden gemaakt van de project budget calculation tool, te downloaden via www.agentschapnl.nl/transitiefaciliteit.

Er wordt geen subsidie verstrekt indien de aanvrager of in geval van een samenwerkingsverband één of meer deelnemers in het samenwerkingsverband:

De mogelijkheid van subsidie uit hoofde van deze beleidsregels is bedoeld als complementair. Subsidie wordt niet verleend voor activiteiten die op grond van de Subsidieregeling internationaal excelleren of een andere wettelijke grondslag voor subsidie door de minister van Buitenlandse Zaken of de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in aanmerking kunnen komen. Dit wordt beoordeeld op basis van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.

Aanvragen die volledig zijn en niet reeds zijn afgewezen, worden inhoudelijk beoordeeld op grond van onderstaande criteria. Indien een aanvraag op een of meer van onderstaande onderdelen als onvoldoende wordt beoordeeld, wordt de aanvraag afgewezen.

Wanneer uit de risicoanalyse blijkt dat met het goedkeuren van het project risico's bestaan die gemitigeerd dienen te worden, zullen afspraken met de EVD worden gemaakt over de te nemen maatregelen. De risico’s worden ingedeeld in hoog, middel en laag. Bij een laag risico zijn er geen aanvullende maatregelen nodig.

Indien noodzakelijk voor de beoordeling kan de EVD zelfstandig contact opnemen met de aanvrager en/of de andere deelnemers aan het samenwerkingsverband en hen vragen om een nadere toelichting of een bezoek brengen aan de betrokken partijen in het transitieland. Wanneer de EVD op informatie stuit die afwijkt van hetgeen in de aanvraag is gesteld, dan zal de EVD de aanvrager in de gelegenheid stellen zijn zienswijze hierop kenbaar te maken.

Binnen dertien weken na ontvangst van de subsidieaanvraag zal de EVD een beslissen op de aanvraag nemen. Indien de EVD om aanvullende informatie verzoekt, wordt deze termijn opgeschort.

Colombia

Vietnam

Zuid-Afrika

De prioriteitssectoren van de transitielanden zijn: