U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 06-01-2014.

Wet · BWBR0033715

Wet basisregistratie personen

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 3 juli 2013 houdende nieuwe regels voor een basisregistratie personen (Wet basisregistratie personen)Wet basisregistratie personenWij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is ter bevordering van de doelmatige voorziening van persoonsgegevens, in het bijzonder bij de vervulling van overheidstaken, de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens te moderniseren, de regelgeving te vereenvoudigen en de mogelijkheid te verruimen om gegevens op te nemen over niet-ingezetenen ten aanzien van wie de Nederlandse overheid taken vervult en derhalve nieuwe regels te stellen ter zake van de basisregistratie personen, daarbij in aanmerking nemend dat uitvoering wordt gegeven aan richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281) en dat ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer uitvoering dient te worden gegeven aan artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Wassenaar3 juli 2013Willem-AlexanderDe Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,R.H.A.Plasterkde zesentwintigste juli 2013De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,F.Teeven

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Er is een basisregistratie personen. De basisregistratie bevat persoonsgegevens over de ingezetenen van Nederland. De basisregistratie bevat persoonsgegevens over niet-ingezetenen voor zover deze wet daarin voorziet.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke van de algemene gegevens, bedoeld in de artikelen 2.7 en 2.69, worden aangemerkt als authentieke gegevens.

Een ingeschrevene aan wie door een bestuursorgaan een gegeven wordt gevraagd, waarop artikel 1.7, eerste lid, van toepassing is, behoeft dat gegeven niet mede te delen, behoudens voor zover het gegeven naar het oordeel van het bestuursorgaan noodzakelijk is voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van betrokkene.

De artikelen 49 en 50 van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn van overeenkomstige toepassing.

De inschrijving in de basisregistratie geschiedt op grond van de geboorteakte, de aangifte van de betrokkene of ambtshalve.

Op grond van de geboorteakte, opgemaakt door een ambtenaar van de burgerlijke stand in Nederland, waarop als geboorteplaats een plaats in Nederland is vermeld, geschiedt de inschrijving van het kind dat niet reeds is ingeschreven en waarvan de moeder op de geboortedatum van het kind als ingezetene is ingeschreven. De inschrijving geschiedt door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de moeder als ingezetene is ingeschreven.

Op de persoonslijst van een persoon worden geen gegevens over zijn kind opgenomen indien het kind ten tijde van de inschrijving van de persoon reeds is overleden en het kind zelf geen ingeschrevene is.

Gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling worden ontleend aan mededelingen daarover van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aan het college van burgemeester en wethouders.

Bij de inschrijving van een vreemdeling op grond van artikel 2.4, worden gegevens inzake de geboortedatum en de nationaliteit die niet als zodanig kunnen worden opgenomen overeenkomstig de artikelen 2.8 en 2.15, ontleend aan een mededeling daarover van Onze Minister van Veiligheid en Justitie voor zover deze gegevens door hem zijn vastgesteld in het kader van de toelating van de betrokkene tot Nederland.

Bij de inschrijving op grond van artikel 2.3 worden de gegevens omtrent het adres ontleend aan de persoonslijst van de moeder. Als datum van inschrijving wordt de geboortedatum opgenomen.

De gegevens over het gebruik van de geslachtsnaam van de echtgenoot, de eerdere echtgenoot, de geregistreerde partner of de eerdere geregistreerde partner worden opgenomen op schriftelijk verzoek van de daartoe krachtens artikel 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek bevoegde ingeschrevene, dan wel op grond van een rechterlijke uitspraak als bedoeld in artikel 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Omtrent de beslissing dat een opgenomen algemeen gegeven onjuist is of, indien het een gegeven over de burgerlijke staat betreft, in strijd is met de Nederlandse openbare orde, omtrent een onderzoek naar die onjuistheid of strijdigheid, alsmede omtrent de omstandigheid dat de ingeschrevene geen ingezetene meer is, wordt een aantekening geplaatst bij de desbetreffende gegevens.

Onze Minister van Veiligheid en Justitie doet van de gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling die voor de bijhouding van de basisregistratie van belang zijn, mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente.

Bij algemene maatregel van bestuur worden gevallen bepaald waarin het college van burgemeester en wethouders aan een korpschef als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 een afschrift toezendt van een beslissing als bedoeld in artikel 2.60 om op grond van artikel 2.10, tweede lid, een gegeven betreffende een vreemdeling niet in de basisregistratie op te nemen.

De griffier van het betrokken gerecht zendt een afschrift van een in kracht van gewijsde gegane uitspraak als bedoeld in artikel 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek aan het college van burgemeester en wethouders van de bijhoudingsgemeente van de onbevoegd verklaarde.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan overheidsorganen verplichtingen worden opgelegd tot het doen van mededeling aan het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente inzake het van toepassing zijn van artikel 2.6.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan overheidsorganen verplichtingen worden opgelegd tot het verschaffen aan het college van burgemeester en wethouders van de gegevens, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onder a, onderdelen 10° en 11°.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop aan de verplichtingen bedoeld in deze paragraaf moet worden voldaan.

Als briefadresgever kan worden gekozen:

De ingezetene brengt alle feiten betreffende zijn burgerlijke staat en nationaliteit die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, zo spoedig mogelijk ter kennis aan het college van burgemeester en wethouders. Hij verstrekt aan het college, desgevraagd in persoon, de inlichtingen en overlegt de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Op verzoek van het college legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over.

De ingezetene verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders over feiten betreffende zijn burgerlijke staat en nationaliteit, desgevraagd in persoon, de inlichtingen en overlegt de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over.

Degene ten aanzien van wie het college van burgemeester en wethouders het redelijke vermoeden heeft dat hij in gebreke is met het doen van een aangifte als bedoeld in de artikelen 2.38 tot en met 2.43, verstrekt op verzoek van het college van burgemeester en wethouders, desgevraagd in persoon, binnen een door het college in het verzoek te noemen termijn, ter zake de inlichtingen en overlegt de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie.

De verplichtingen, vermeld in de artikelen 2.38, 2.39 en 2.43 tot en met 2.47, rusten op:

Het hoofd van een instelling of bedrijf waar personen verblijf plegen te houden, de instellingen, bedoeld in artikel 2.40 daaronder begrepen, verstrekt, indien de instelling of het bedrijf ter zake door het college van burgemeester en wethouders is aangewezen, op door het college te bepalen tijdstippen aan het college de door het college gevraagde inlichtingen over de personen die naar redelijke verwachting in de instelling of het bedrijf voor onbepaalde tijd verblijf zullen houden dan wel gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zullen overnachten.

De echtgenoot, de geregistreerde partner en andere nabestaanden tot en met de tweede graad van een ingezetene die in het buitenland is overleden, verstrekken op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene is ingeschreven, aan het college, voor zover mogelijk, de inlichtingen over dat overlijden en overleggen de geschriften die noodzakelijk zijn voor de bijhouding van de basisregistratie.

Het college van burgemeester en wethouders vermeldt op schriftelijk verzoek van de betrokkene kosteloos op zijn persoonslijst een aantekening omtrent beperking van de verstrekking van gegevens aan derden. Het college geeft binnen vier weken gevolg aan het verzoek en doet daarvan terstond schriftelijk mededeling aan de verzoeker, onder vermelding van de geldende regels ter zake. Indien het verzoek bij gelegenheid van een aangifte van verblijf en adres wordt gedaan, wordt aan dat verzoek bij die gelegenheid gevolg gegeven. Artikel 2.55, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om:

wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder een aangewezen bestuursorgaan: een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 2.65, voor zover het betreft de taken en gevallen waar de in dat artikel bedoelde aanwijzing betrekking op heeft.

Onze Minister houdt in Nederland voorzieningen in stand ten behoeve van de uitvoering van deze wet inzake:

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bestuursorganen worden aangewezen die bevoegd zijn om Onze Minister een verzoek te doen als bedoeld in artikel 2.68, eerste lid, of een opgave als bedoeld in artikel 2.70, derde lid, onderdeel a. Bij de maatregel wordt bepaald op welke taken van het bestuursorgaan de aanwijzing betrekking heeft. Daarbij kan tevens bepaald worden op welke gevallen de aanwijzing betrekking heeft.

De gegevens over de burgerlijke staat worden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 2.8 en 2.10.

De gegevens over de nationaliteit worden vastgesteld overeenkomstig de artikelen 2.14 en 2.15.

De gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling worden ontleend aan de gegevens die Onze Minister van Veiligheid en Justitie daarover tot zijn beschikking heeft.

Omtrent de vaststelling dat een opgenomen algemeen gegeven onjuist is of, indien het een gegeven over de burgerlijke staat betreft, in strijd is met de Nederlandse openbare orde, omtrent een onderzoek naar die onjuistheid of strijdigheid, alsmede omtrent de omstandigheid dat de ingeschrevene geen ingezetene is, wordt een aantekening geplaatst bij de desbetreffende gegevens.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de wijze waarop een verzoek als bedoeld in artikel 2.68 en een opgave als bedoeld in artikel 2.70, derde lid, worden gedaan en omtrent de informatie die daarbij wordt overgelegd.

Indien Onze Minister in verband met het opnemen van gegevens in de basisregistratie over een persoon aan de betrokkene verzoekt om een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht met het oog op de vaststelling van diens identiteit, is de betrokkene verplicht een dergelijk op hem betrekking hebbend document over te leggen.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een regeling worden getroffen omtrent de verstrekking van algemene en administratieve gegevens aan een verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in een basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen.

Indien op grond van de artikelen 2.55, derde lid, 3.5, derde lid, 3.6, derde lid, of 3.9, vijfde lid, een gewaarmerkt afschrift wordt verstrekt van gegevens ten aanzien van een vreemdeling op wiens persoonslijst geen actuele gegevens zijn opgenomen in verband met het verblijfsrecht, wordt hiervan mededeling gedaan op dat afschrift.

Een derde kan bij het verwerken van persoonsgegevens gebruik maken van het burgerservicenummer voor zover dit noodzakelijk is in verband met de juiste verstrekking van gegevens aan hem uit de basisregistratie.

Een beslissing op grond van deze afdeling omtrent het verstrekken van gegevens of het ter beschikking stellen van informatie wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

De verstrekking aan de betrokkene van hem betreffende gegevens geschiedt ingevolge artikel 2.55 of ingevolge artikel 2.81 in samenhang met artikel 2.55.

Een beslissing op een verzoek als bedoeld in deze afdeling wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Het college van burgemeester en wethouders wijst ambtenaren aan die zijn belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen van de burger ingevolge hoofdstuk 2, afdeling 1, paragraaf 5.

Onze Minister, of het in artikel 4.5, tweede lid, bedoelde college van burgemeester en wethouders, verstrekt op verzoek van het college dat een persoon inschrijft van wie in het persoonskaartenarchief een persoonskaart is opgenomen, de gegevens die zijn vermeld op de desbetreffende persoonskaart. Deze gegevens blijven berusten bij het college waaraan ze zijn verstrekt, waarbij artikel 4.4 van overeenkomstige toepassing is.

Een persoonslijst als bedoeld in artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geldt na de inwerkingtreding van deze wet als een persoonslijst als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel c, van deze wet.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het verwijderen en vernietigen van gegevens over een vreemde nationaliteit naast gegevens over het Nederlanderschap of het feit dat de betrokkene als Nederlander wordt behandeld. Daarbij kan worden afgeweken van de artikelen 2.7 en 2.69.

De verplichting, bedoeld in artikel 2.81, eerste lid, is niet van toepassing na een inschrijving als bedoeld in artikel 2.66, indien de inschrijving geschiedt op grond van een verzoek als bedoeld in artikel 2.68 en wordt gedaan ten aanzien van op het moment van inwerkingtreding van deze wet bij de aangewezen bestuursorganen bekende personen.

Het college van burgemeester en wethouders kan een bestuurlijke boete van ten hoogste 325 euro opleggen:

De termijn, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de Archiefwet 1995 vangt aan bij degene die op de dag van zijn overlijden ingezetene is, op die dag, en bij degene die na vertrek uit Nederland op de dag vallende honderd jaar na de geboorte niet ingezetene is, op die dag.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Deze wet wordt aangehaald als: Wet basisregistratie personen.