U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-07-2014.

Ministeriële regeling · BWBR0034213

Uitvoeringsregeling stralingsbescherming EZ

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Minister van Economische Zaken, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 oktober 2013, nr. WJZ/12066857, tot vaststelling van de uitvoeringsregeling voor stralingsbescherming van de Minister van Economische Zaken (Uitvoeringsregeling stralingsbescherming EZ)Uitvoeringsregeling stralingsbescherming EZDe Minister van Economische Zaken, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Gelet op Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren (PbEG 1996, L 159), Richtlijn 97/43/Euratom van de Raad van 30 juni 1997 betreffende de bescherming van personen tegen de gevaren van ioniserende straling in verband met medische blootstelling en tot intrekking van Richtlijn 84/466/Euratom (PbEG 1996, L 180), Richtlijn 90/641/Euratom van de Raad van 4 december 1990 inzake de praktische bescherming van externe werkers die gevaar lopen aan ioniserende straling te worden blootgesteld tijdens hun werk in een gecontroleerde zone (PbEG 1990, L 349) en Richtlijn 2003/122/Euratom van de Raad van 22 december 2003 inzake de controle op hoogactieve ingekapselde radioactieve bronnen en weesbronnen (PbEU 2003, L 346) en de artikelen 3, eerste en tweede lid, 7b, tweede lid, 7e, tweede en derde lid, 11, vierde lid, 12, eerste lid, 12a, tweede lid, 18, 19, 20d, derde lid, 25, vijfde tot en met achtste lid, 26, tweede lid, 28, onderdelen e en f, 29, derde lid, 37, achtste lid, 40, tweede lid, 43, eerste lid, 44, tweede lid, 107, vierde lid, 108, vierde lid, 109, 110, eerste en tweede lid, 120, derde lid, 120a, tweede lid, 121, vierde lid, en 132, eerste lid, van het Besluit stralingbescherming;

Besluiten:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage18 oktober 2013De Minister van Economische Zaken,H.G.J.KampDe Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,L.F.AsscherDe Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,E.I.Schippers

In deze regeling wordt verstaan onder:

De bepaling van de effectieve doses geschiedt op de wijze, vermeld in bijlage 1.4.

Bij de bepaling van de omgevingsdosisequivalenten, de equivalente en de effectieve doses, bedoeld in artikel 3, eerste lid van het besluit, wordt gebruik gemaakt van de rekenregels, opgenomen in de hoofdstukken 2, 3 en 4 van bijlage 1.5 en, in gevallen als aangegeven in paragraaf 5.1 van bijlage 1.5, in de hoofdstukken 5 en 6 van bijlage 1.5.

In afwijking van artikel 1.4 kunnen, indien de minister daarmee instemt, andere dan de in bijlage 1.5 voorgeschreven methoden, parameters of parametervoorwaarden worden toegepast, indien een situatie in belangrijke mate afwijkt van de aannames waarvan in 1.5 bijlage is uitgegaan.

De omgevingsdosisequivalenten, de equivalente en de effectieve doses, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het besluit worden getoetst aan de doses, genoemd in de artikelen 6, tweede lid, en 48 van het besluit, overeenkomstig de methoden die zijn aangegeven in de paragrafen 3.3, 4.3, 4.4 en de hoofdstukken 5, 6 en 7 van bijlage 1.5.

Het meldpunt, bedoeld in artikel 12a van het besluit, is de Inspectie Leefomgeving en Transport.

De artikelen 2.2 tot en met 2.4, 2.9, 5.8en 5.9 zijn van overeenkomstige toepassing op werkzaamheden.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Indien een stralingsbeschermingseenheid is voorgeschreven, beschikt de ondernemer over een interne regeling stralingshygiëne, waarin in ieder geval is vastgelegd:

De algemeen coördinerend deskundige in de stralingsbeschermingseenheid heeft tot taak:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Registratie, herregistratie of buitengewone registratie van een persoon in het register vindt plaats door de minister indien is voldaan aan de voorwaarden die krachtens dit hoofdstuk aan de registratie, herregistratie of buitengewone registratie worden gesteld.

Een diploma, bedoeld in de artikelen 3.3, eerste en tweede lid, 3.4, eerste lid, onderdeel a, 3.5, eerste lid, onderdeel a, 3.6, eerste lid, onderdeel b, en 3.7, eerste lid, onderdeel b, dient te zijn afgegeven gedurende een periode waarin de betreffende opleiding die het diploma, certificaat of ander getuigschrift heeft afgegeven, ingevolge artikel 7f of 132 van het besluit is erkend.

De datum, bedoeld in artikel 132, eerste lid, van het besluit is 1 januari 2014.

Degene die als algemeen coördinerend deskundige in het register is ingeschreven kan tevens als coördinerend deskundige functioneren.

Een opleiding tot algemeen coördinerend deskundige:

Een opleiding tot coördinerend deskundige:

Een opleiding op het gebied van stralingsbescherming is van niveau 4A indien:

Een opleiding op het gebied van stralingsbescherming is van niveau 4B indien:

Een opleiding op het gebied van stralingsbescherming is van niveau 5A indien:

Een opleiding op het gebied van stralingsbescherming is van niveau 5B indien:

Een opleiding beschikt over adequate procedures ten behoeve van de kwaliteitsborging indien:

Een opleiding beschikt over adequate procedures ten behoeve van de kwaliteitsborging indien:

Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op meldingsplichtige bronnen als bedoeld in artikel 21 van het besluit.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Een ondernemer zorgt ervoor dat, indien van toepassing, de door de gemelde en vergunde handelingen veroorzaakte bijdrage aan de effectieve dosis buiten de locatie is zo laag als redelijkerwijs mogelijk is, waarbij de multifunctionele individuele dosis in geen geval de waarde van 10 microsievert per kalenderjaar overschrijdt.

De ondernemer zorgt ervoor dat:

De ondernemer zorgt ervoor dat een ingekapselde bron ten behoeve van de afvoer als zodanig herkenbaar is opgeslagen in een bergplaats.

De ondernemer zorgt ervoor dat:

Deze paragraaf is van toepassing op aanwijsinstrumenten waaraan voor verlichtingsdoeleinden radioactieve stoffen zijn toegevoegd.

Het waarschuwingsteken voor ioniserende straling als bedoeld in artikel 28, onderdeel e, van het besluit, is afgebeeld in bijlage 5.1.

De ondernemer zorgt ervoor dat op een aanwijsinstrument waaraan H-3 in lichtcellen of Pm-147 in lichtgevende verf voor verlichtingsdoeleinden is toegevoegd, op een vanaf de buitenzijde van het instrument zichtbare plaats is aangebracht:

De ondernemer zorgt ervoor dat na herstel- of onderhoudswerkzaamheden aan een aanwijsinstrument waaraan radioactieve stoffen voor verlichtingsdoeleinden zijn toegevoegd:

Handelingen die een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben en waarvoor de verboden, bedoeld in de artikelen 23, 24 en 25, eerste lid, van het besluit niet gelden zijn vermeld in bijlage 5.3.

Handelingen met producten als bedoeld in artikel 24, onderdeel b, van het besluit, waarbij de aan deze producten toegevoegde radioactieve stoffen niet worden betrokken bij een sommatie als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van het besluit, zijn vermeld in bijlage 5.4 bij deze regeling.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Het verbod, bedoeld in artikel 29 van de wet, in samenhang met artikel 26, eerste lid, van het besluit, geldt niet voor:

Met betrekking tot de verwijdering van goedgekeurde melders zijn de paragrafen 2 tot en met 4 van de Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur van overeenkomstige toepassing.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Een vergunninghouder treft de beveiligingsmaatregelen die noodzakelijk zijn om categorie 1-, 2-, of 3-stoffen redelijkerwijs te beveiligen tegen diefstal of misbruik.

Wanneer categorie 1-, 2-, of 3-stoffen niet onder persoonlijk toezicht staan, zijn de beveiligingsmaatregelen van een vergunninghouder zodanig dat elektronische detectie van een poging tot diefstal of misbruik plaatsvindt en dat vanaf dat moment maatregelen werkzaam zijn die leiden tot:

De beveiligingsmaatregelen, bedoeld in de artikelen 6.2, 6.3 en 6.4 worden afgestemd op:

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

De lijst van werkzaamheden waarbij mogelijk de in bijlage 1.1, tabel 1 en 2, vermelde waarden worden overschreden, is vermeld in bijlage 7.1.

Werkzaamheden waarvoor een verplichting tot melding geldt overeenkomstig artikel 103, eerste lid, van het besluit, worden verricht met inachtneming van de in bijlage 7.3 opgenomen voorschriften.

In de gevallen waarin de effectieve doses voor leden van de bevolking ten gevolge van water- of luchtlozingen hoger kunnen zijn dan 10 µSv per kalenderjaar, geldt met het oog op de stralingsbescherming, in afwijking van artikel 108, tweede lid, van het besluit, het in het eerste lid van dat artikel gestelde verbod.

Het melden van werkzaamheden, en van beëindigen daarvan, wordt gedaan op een formulier waarvan het model is opgenomen in bijlage 7.5.

Een aanvraag om een vergunning voor werkzaamheden wordt ingediend op een formulier, waarvan het model is opgenomen in bijlage 7.7.

De inrichtingen voor het storten van gevaarlijke afvalstoffen zijn een instelling voor de ontvangst van radioactieve afvalstoffen van natuurlijke bronnen van ioniserende straling, waarin:

Het minimumbedrag waarvoor financiële zekerheid dient te worden gesteld, als bedoeld in artikel 20d, derde lid, van het besluit bedraagt € 120 per dm3, of gedeelte daarvan, af te voeren materiaal.

Wijzigt de Tijdelijke regeling erkenning opleidingen deskundigen radioactieve stoffen en toestellen.

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2014.

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling stralingsbescherming EZ.

Bij het toepassen van tabel 1 is het volgende van belang:

Bij het toepassen van tabel 2 is het volgende van belang:

1 OBT = inclusief organisch gebonden tritium.

2 Voor de activiteit van Kr-85 gelden twee verschillende waarden. De waarde 1E+10 in deze regel geldt uitsluitend bij sommatie van gebruiksartikelen zoals lampen en starters waaraan Kr-85 in kleine hoeveelheid, maximaal 1E+4 Bq, is toegevoegd en waarbij bij normaal gebruik een huiddosis van 50 mSv in een jaar niet kan worden overschreden.

(De waarde tussenhaakjes is de fractie die naar dat nuclide vervalt.)

De in de tabel hieronder genoemde radionucliden hebben dochters met halveringstijden van 10 dagen of minder, die voor 10% of meer bijdragen aan de dosis en die niet zijn meegenomen bij de annex 1 van richtlijn 96/29 en dus ook niet bij tabel 1.

Deze dochters zijn ook niet meegenomen bij de evenwichten als opgenomen in aanhangsel A bij tabel 1. Zij dienen derhalve bij dosisberekeningen in de sommatie meegenomen te worden. Voorts is de ratio tussen de moeder en dochter bij evenwicht gegeven.

In deze bijlage wordt de methode gegeven waarmee activiteiten en activiteitsconcentraties gewogen moeten worden gesommeerd en getoetst conform artikel 25, derde lid en vierde lid van het Besluit stralingsbescherming .

Deze sommatie met betrekking tot de totale activiteit op enig moment aanwezig binnen een locatie dient op de volgende wijze te geschieden:

waarin:

Ai is totale activiteit van radionuclide i, waarmee een handeling verricht wordt [Bq]

Av,i is de vrijstellings- of vrijgavewaarde voor de totale activiteit voor radionuclide i [Bq]. Voor de waarden Av dienen de tabellen 1 of 2 van bijlage 1.1 voor handelingen respectievelijk werkzaamheden gehanteerd te worden.

Met betrekking tot de activiteitsconcentratie, dienen de radioactieve stoffen die bij afzonderlijke handelingen respectievelijk werkzaamheden betrokken zijn afzonderlijk in samenhang met hun totale activiteit bezien te worden.

Indien zowel de activiteitsconcentratie als de totale activiteit van een van die stoffen boven de vrijstellings- of vrijgave waarde uitkomt is er vergunningplicht (of bij werkzaamheden soms meldingsplicht).

De sommatie met betrekking tot de activiteitsconcentraties van verschillende radionucliden in één radioactieve stof, dient op de volgende wijze te geschieden:

waarin:

Ci is activiteitsconcentratie van radionuclide i in een radioactieve stof [Bq/g].

Cv,i is de vrijstellings- of vrijgavewaarde voor de activiteitsconcentratie voor radionuclide i [Bq/g].

Voor de waarden van Cv dient tabel 1 van bijlage 1.1 voor handelingen respectievelijk werkzaamheden gehanteerd te worden.

De activiteitsconcentratie en daarmee ook de activiteit van vele natuurlijke radionucliden komen steeds in een vaste verhouding met die van andere radionucliden voor. Indien nu de berekende vrijstellingswaarde of vrijgavewaarde van een der radionucliden veel hoger is dan volgens deze vaste verhouding voor zou kunnen komen, is het niet nuttig om de activiteitsconcentratie van dat radionuclide vast te stellen of mee te nemen bij de sommatie.

Onze Ministers hebben daarom bepaald dat de totale activiteit, de activiteitsconcentratie of enige andere grootheid, bedoeld in artikel 25, zevende lid, van het Besluit stralingsbescherming, van de radionucliden Th-234, U-234, U-235, Ra-223, Ra-224, Th-227 en Pa-231 niet bij de sommatie, bedoeld in artikel 25, derde en vierde lid, van het Besluit stralingsbescherming behoeven te worden meegenomen en derhalve ook niet behoeven te worden bepaald.

Voor radionucliden die niet in de onderstaande tabel zijn opgenomen, geldt als activiteitsniveau een waarde van één honderdste van de corresponderende A1-waarde die wordt gegeven in de ‘IAEA Regulations for the safe transport of radioactive materials’1.

(a) In het activiteitsniveau zijn de bijdragen meegerekend van dochternucliden met een halveringstijd van minder dan tien dagen.

(b) Met inbegrip van neutronenbronnen met beryllium.

Gegevens voor de bepaling van de effectieve volgdosis (E(τ)) na uitwendige bestraling of inname van een radioactieve stof met behulp van de tabellen in bijlage 3 van richtlijn 96/29 en in bijlage 2 van de Mededelingen van de Commissie betreffende de toepassing van richtlijn 96/29, van 23 februari 1998. De effectieve dosis ten gevolge van externe bestraling wordt bepaald met behulp van ICRP-publicatie 74 en ICRU-publicatie 57.

Tenzij anders aangegeven gelden de voorschriften ten aanzien van doses voor de som van de doses tengevolge van de uitwendige blootstelling over een bepaalde periode en van de volgdoses voor 50 jaar (voor kinderen tot de leeftijd van 70 jaar) ten gevolge van inname tijdens diezelfde periode. De betreffende periode is de periode die is aangegeven in de artikelen 9 en 13 van de richtlijn 96/29 in verband met de dosislimieten.

Over het algemeen wordt de effectieve dosis E die een individu van de leeftijdsgroep g ontvangt overeenkomstig onderstaande formule berekend:

waarin: Eextern de effectieve dosis is ten gevolge van externe blootstelling;

In tabel 1 en 2 wordt aangegeven wat de effectieve volgdosis per via ingestie en inhalatie ingenomen activiteit (Bq) radionuclide is voor leden van de bevolking in verschillende leeftijdsklassen. Omdat in tabel 4 alleen gegevens voor volwassen werknemers worden gegeven, kan kolom ‘12–17a’ ook worden gebruikt voor het bepalen van de dosis voor leerlingen en studerenden van 16 en 17 jaar. Hierbij kan het nuttig zijn om in sommige situaties na te gaan of de voor de leden van de bevolking gehanteerde standaardparameters toepasselijk zijn voor de fysische en chemische vormen waarin de radionucliden op het werk voorkomen. De dochternucliden van radon (Rn-222) en thoron (Rn-220) blijven daarbij buiten beschouwing.

Wat betreft blootstelling van leden van de bevolking zijn in tabel 1 voor ingestie de waarden verwerkt die overeenkomen met de verschillende factoren f1 voor opname via de darmwand bij zuigelingen en ouderen. Wat betreft blootstelling van leden van de bevolking zijn in tabel 2 voor inhalatie de waarden verwerkt voor de verschillende soorten longretentie, met passende waarden f1 voor dat gedeelte van de inname dat wordt afgevoerd via het maag-darmkanaal. Indien informatie over deze waarden beschikbaar is, wordt de passende waarde gehanteerd; zo niet dan wordt de meest restrictieve waarde aangehouden. De longabsorptietypen hiervoor zijn gegeven in tabel 3.

In tabel 4 wordt aangegeven wat de effectieve volgdosis per via ingestie en inhalatie ingenomen Bq radionuclide is voor blootgestelde werknemers en voor leerlingen en studerenden van 18 jaar en ouder; de dochternucliden van radon en thoron blijven daarbij buiten beschouwing. In tabel 5 is die gegeven voor oplosbare of reactieve gassen en dampen en in tabel 6 voor edelgassen.

Wat beroepsblootstelling betreft zijn in tabel 4 de waarden voor ingestie verwerkt die overeenkomen met de verschillende factoren f1 voor opname via de darmwand alsmede de waarden voor inhalatie voor de verschillende soorten longretentie, met passende waarden f1 voor dat gedeelte van de inname dat wordt afgevoerd via het maag-darmkanaal.

In tabel 7 staan de factoren f1 voor opname via de darmwand per element en verbinding daarvan voor werknemers en leden van de bevolking bij opname via ingestie. In tabel 8 staan de longabsorptietypen en de factoren f1 voor opname via de darmwand per element en per verbinding daarvan voor blootgestelde werknemers, leerlingen en studerenden van 18 jaar en ouder en leden van de bevolking bij inname via inhalatie.

Voor leden van de bevolking dient bij de longabsorptietypen en de factoren f1 voor opname via de darmwand aan de hand van de beschikbare internationale richtsnoeren rekening te worden gehouden met de chemische vorm van het element. In het algemeen dient bij ontbreken van informatie over deze parameters de meest conservatieve waarde te worden gehanteerd.

Voor dochternucliden van radon (Rn-222) en thoron (Rn-220) gelden de volgende conventionele omrekeningsfactoren, effectieve dosis per eenheid potentiële blootstelling aan alfa-energie (Sv per Jhm-3):

Potentiële alfa-energie (van dochternucliden van radon en thoron) is de uiteindelijk afgegeven totale energie tijdens het verval van dochternucliden van radon en thoron in de gehele vervalcyclus tot, maar niet met inbegrip van 210Pb voor dochternucliden van 222Rn en tot stabiel 208Pb voor dochternucliden van 220Rn. De eenheid is J (joule). Voor blootstelling aan een gegeven concentratie gedurende een gegeven tijd is de eenheid Jhm-3.

Overgenomen uit bijlage III van richtlijn 96/29 en de Mededeling van de Commissie der EG, 23 februari 1998, PbEG 1998, C 133.

Tabel nummers:

De artikelen 1.4 tot en met 1.6 van de regeling en deze bijlage betreffen zowel handelingen als werkzaamheden met radioactieve stoffen2.

Voor handelingen, dat wil zeggen het bereiden, voorhanden hebben, toepassen en zich ontdoen van radioactieve stoffen of het gebruik van toestellen, is in veel gevallen een melding of een vergunning volgens de Kernenergiewet nodig3. Dat geldt ook voor werkzaamheden, dat wil zeggen het bereiden, voorhanden hebben, toepassen van of zich ontdoen van een natuurlijke bron voor zover die niet wordt of is bewerkt wegens zijn radioactieve eigenschappen.

Volgens artikel 2.5, eerste lid, onder h, van de regeling bevat elke melding van een handeling, onder andere, een verklaring dat de maximale effectieve dosis die een persoon per jaar buiten de locatie kan ontvangen ten gevolge van handelingen met die bron minder bedraagt dan 10 microsievert. Volgens artikel 2. 6, eerste lid, onder e, van de regeling bevat elke aanvraag om een vergunning voor een handeling, onder andere, de maximale totale effectieve dosis die een persoon in een kalenderjaar kan ontvangen op enig punt buiten de locatie waarop de vergunningaanvraag van toepassing is, zowel ten gevolge van lozingen als ten gevolge van externe straling. Het besluit stelt voorts in artikel 3 dat door de minister regels kunnen worden gesteld voor de bepaling van de doses4 en methoden kunnen worden aangewezen voor de wijze waarop de berekende doses worden getoetst. Deze bijlage bevat de hierboven bedoelde regels en methoden.

De volgende dosisniveaus worden gehanteerd:

een locatielimiet van 100 µSv in een jaar, waarboven geen vergunning wordt verleend, en

een Secundair Niveau (SN) van 1 µSv (voor lucht- en waterlozingen) en 10 µSv (voor externe straling) in een jaar waar beneden vanuit milieu-oogpunt nooit bezwaar bestaat tegen vergunningverlening, mits de handeling gerechtvaardigd is.

Het SN is een niveau waaronder de invulling van het ALARA-beginsel5vanuit de overheid geen prioriteit heeft en de verantwoordelijkheid voor het toepassen hiervan bij de vergunninghouder wordt gelegd. De vergunninghouder heeft de verplichting om het ALARA-beginsel in de praktijk door te voeren.

In deze bijlage wordt niet ingegaan op de toepassing van het ALARA beginsel en ook niet op de vraag of een handeling al dan niet gerechtvaardigd is.

Het doel van deze bijlage is regels te geven voor het uitvoeren van een dosisberekening. Hierbij wordt gebruik gemaakt van stroomschema’s. Tevens zijn beleidskeuzes aangegeven. Figuur 1.1 geeft in een stroomschema de werkwijze van deze bijlage in zijn geheel weer. De regels zijn alleen bedoeld voor reguliere emissies en lozingen ten gevolge van handelingen met radioactieve stoffen. Deze bijlage bestaat uit de volgende delen.

Deel I ‘Rekenregels’ (beschreven onder 2 t/m 4 van deze bijlage)

In eenvoudige gevallen (bijvoorbeeld voor radionuclidenlaboratoria en ingekapselde bronnen voor meet- en regeltechniek) zal volstaan kunnen worden met de vereenvoudigde rekenregels van Deel I. Het doel van Deel I is een antwoord te krijgen op de vraag of een handeling een stralingsdosis onder SN geeft. Het antwoord wordt op een globale, conservatieve wijze geschat met behulp van simpele rekenregels zonder een uitvoerige dosisberekening.

Deel II ‘Nadere Analyse’ (beschreven onder 5 t/m 7 van deze bijlage)

Voor meer complexe situaties en voor die emissiesoorten waarvoor volgens de rekenregels uit Deel I het SN wordt overschreden, moet een zogenoemde nadere analyse worden uitgevoerd waarbij Deel II van deze bijlage van toepassing is. In Deel II wordt met behulp van stroomschema’s en het aangeven van beleidskeuzes de methodiek van het uitvoeren van een nadere analyse beschreven, en worden de belangrijkste te beschouwen parameters en de bijbehorende parameterwaarden gegeven. In het algemeen zal bij de uitvoering van de nadere analyse meer ervaring en kennis van de achterliggende modellen nodig zijn dan bij toepassing van de rekenregels uit Deel I.

De rapporten ‘Dosisberekening voor de Omgeving bij Vergunningverlening Ioniserende Straling deel A: Lozingen in lucht en water’ DOVIS-A [DOA02] en ‘Dosisberekening voor de Omgeving bij Vergunningverlening Ioniserende Straling deel B: Externe straling’ DOVIS-B [DOB02] dienen te worden gehanteerd voor de uitvoering van een nadere analyse.

Tevens wordt in Deel II aangegeven hoe de uitkomsten van de Nadere Analyse, getoetst moeten worden aan dosislimiet en SN.

Figuur 1.1 Stroomschema van de Bijlage

Bronnen worden ingedeeld in:

Handeling met bronnen binnen een locatie6 kunnen drie verschillende soorten emissies tot gevolg hebben:

Toestellen geven uitsluitend externe straling. Hetzelfde geldt, bij normaal gebruik, voor ingekapselde bronnen. Open bronnen kunnen aanleiding geven tot externe straling, maar kunnen zich ook via lozingen in lucht en water verspreiden in de omgeving. De wegen waarlangs deze verspreidingen plaatsvinden, worden belastingpaden genoemd.

De daadwerkelijke blootstelling van personen ten gevolge van de emissies via de belastingpaden kan dan op verschillende manieren geschieden, blootstellingwegen genoemd. De drie belangrijkste zijn:

Figuur 1.2 Vereenvoudigd schema van bron tot doses via emissiesoorten, belastingpaden en blootstellingwegen

De rekenregels van Deel I zijn voor externe straling, lozingen in lucht en lozingen in water van toepassing indien, met betrekking tot de verschillende emissies uit de bron(nen), aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

Externe straling

Indien niet aan voorwaarde 1 of 2 wordt voldaan, wordt voor deze emissiesoort verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.

Lozing in lucht

Indien niet aan voorwaarde 3 wordt voldaan, wordt voor deze emissiesoort verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.

Lozing in water

Indien niet aan voorwaarde 4 of 5 wordt voldaan, wordt voor deze emissiesoort verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.

Voor iedere emissiesoort afzonderlijk worden, met behulp van de rekenregels en op grond van de toegepaste hoeveelheden radionucliden, de maximale (theoretisch mogelijk) emissies berekend (zie hiervoor onderdelen 3 en 4):

Voor iedere emissiesoort zijn toetsingsniveaus vastgesteld (H*SN, LSN en WSN) die worden geacht het SN te vertegenwoordigen (zie onderdelen 3.3.4, 4.3.4, 4.4.4).

Toetsing geschiedt voor iedere emissiesoort afzonderlijk:

Voor de emissiesoorten waarvoor het toetsingniveau wordt overschreden, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.

In deze rekenregels worden op basis van de mogelijke emissiesoorten twee stroomschema’s gehanteerd: één voor de categorie Ingekapselde Bronnen en Toestellen (onderdeel 3) en één voor de categorie Open Bronnen (onderdeel 4).

Dit hoofdstuk geeft rekenregels voor de externe straling vanuit toestellen en ingekapselde bronnen, maar dezelfde berekeningsmethodiek geldt ook voor de externe straling afkomstig van open bronnen.

Een toestel is een ioniserende straling uitzendend toestel als gedefinieerd in artikel 1 van de Kernenergiewet. Bedoeld wordt een toestel dat ioniserende straling kan uitzenden en geen radioactieve stof, splijtstof of erts bevat. Toestellen worden bijvoorbeeld veel aangetroffen in de medische sector (röntgentoestellen voor diagnostiek) en bij materiaalonderzoek.

Een ingekapseldebron wordt gevormd door radioactieve stoffen die zijn ingebed in of gehecht aan vast dragermateriaal of zijn omgeven door een omhulling van materiaal met dien verstande dat hetzij het dragermateriaal hetzij de omhulling voldoende weerstand bieden om onder normale gebruiksomstandigheden elke verspreiding van radioactieve stoffen te voorkomen.

In de praktijk betekent dit dat aan de standaard zoals beschreven in ISO 2919/2012 moet worden voldaan. Ingekapselde bronnen komen in grote verscheidenheid voor en worden voor veel doeleinden toegepast. In de industrie worden ze bijvoorbeeld gebruikt in apparaten voor meet- en regeldoeleinden en in de medische sector bij bestralingsapparatuur.

Bij toestellen en ingekapselde bronnen wordt uitgegaan van slechts één belastingspad, namelijk de externe straling die vrijkomt bij gebruik. Daarnaast wordt in dit onderdeel aangenomen (zie ook onderdeel 2.1) dat alleen sprake is van röntgenstraling en gammastraling en dat modelmatig gesproken kan worden van een puntbron (zie voetnoot 7 in onderdeel 2.1) waarvoor de kwadratenwet van toepassing is.

In figuur 3.1 is het stroomschema gegeven voor de berekening, volgens de rekenregels beschreven in dit hoofdstuk, van de dosis voor dit belastingpad.

De volgende stukken van dit onderdeel vormen de toelichting bij elk van de stappen van het stroomschema.

In het vervolg wordt onder ‘stralingsbron’ verstaan dat wat straling uitzendt, te weten:

een toestel, of

een ingekapselde bron, al dan niet in de vorm van een apparaat, of

een open bron

Figuur 3.1 Stroomschema voor berekening doses t.g.v. externe straling zowel uit Toestellen en Ingekapselde bronnen, als uit Open bronnen

Afstand

Indien de afmetingen van de stralingsbron groot zijn ten opzichte van de afstand tot het punt waar de dosis wordt berekend, kan de kwadratenwet niet worden toegepast. De voorwaarde luidt [DOB02]:

De puntbronbenadering (kwadratenwet) is alleen toepasbaar indien de afstand tussen stralingsbron en het punt waarvoor de dosis berekend wordt of is (het dosispunt) groter is dan 5 maal de grootste afmeting van het stralende oppervlak aan de kant van het dosispunt

Voor kortere afstanden wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.

Bundels door diafragma’s

Door de aanwezigheid van afscherming of diafragma’s rondom de stralingsbron(nen) is er in de praktijk geen sprake van een isotrope ruimteverdeling van de straling, d.w.z. er is sprake van een bundel. Indien de openingshoek van de bundel klein is, is er sprake van een evenwijdige bundel in het midden waarvan het dosistempo vrijwel constant blijft (afgezien van verzwakking door verstrooiing in lucht) en waarvoor de kwadratenwet niet kan worden toegepast. De voorwaarde luidt [DOB02]:

In het centrum van een stralingsbundel is de kwadratenwet alleen toepasbaar indien de bundel divergerend is, d.w.z. indien de ruimtehoek (openingshoek) waarbinnen de fotonen vrijkomen minstens 10° is.

In het geval van een kleinere ruimtehoek, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.

Bundels uit (röntgen)toestellen

Bij gebruik van (röntgen)toestellen wordt een bundel van fotonen (primaire bundel) geproduceerd. Indien de openingshoek waarbinnen de fotonen van de primaire bundel vrijkomen klein is, is er sprake van een evenwijdige bundel, in het midden waarvan het dosistempo vrijwel constant blijft (afgezien van verzwakking door verstrooiing in lucht) en waarvoor de kwadratenwet niet kan worden toegepast. De voorwaarde luidt [DOB02]:

In het centrum van een primaire stralingsbundel is de kwadratenwet alleen toepasbaar indien de bundel divergerend is, d.w.z. indien de ruimtehoek (openingshoek) waarbinnen de fotonen vrijkomen minstens 10° is.

Indien sprake is van een kleinere ruimtehoek, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.

Na verzwakking en verstrooiing van de primaire bundel door een voorwerp (een wand of een patiënt) ontstaat er een verstrooide bundel. Indien de invallende bundel divergerend is, zal ook voor de verstrooide bundel, vanaf enige afstand van dat voorwerp8 de kwadratenwet van toepassing zijn. De voorwaarde luidt [DOB02]:

In een verstrooide stralingsbundel is de kwadratenwet alleen van toepassing indien de invallende bundel divergerend is en indien het dosistempo berekend wordt voor afstanden groter dan 1 meter achter het door de invallende bundel getroffen voorwerp.

Indien sprake is van kortere afstanden of van dosisbepaling in een andere richtingen dan achter het voorwerp, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.

Voor de berekening van de effectieve dosis ten gevolge van externe straling Eext(de externe blootstellingdosis) wordt bij deze rekenregels in eerste benadering gebruik gemaakt van het omgevingsdosisequivalent H*(10) [μSv/h].

In onderdeel 3.3.3 wordt H*(10) aan de terreingrens berekend, uitgaande van het omgevingsdosisequivalenttempo op een punt (dosispunt) gelegen op r meter afstand van de bron. Hiervoor zijn vaak fabrieksgegevens of metingen beschikbaar. Indien deze niet voorhanden zijn, kan worden berekend volgens de methodiek aangegeven in onderdeel 3.3.2.

Ingekapselde bronnen en open bronnen

Het omgevingsdosisequivalenttempo in een punt (dosispunt) gelegen op afstand r [m] van een ingekapselde bron of een zekere hoeveelheid radioactieve stof kan worden berekend met onderstaande formule:

waarin:

= omgevingsdosisequivalenttempo op afstand r van de stralingsbron [µSv/h]

A = activiteit van de bron van het beschouwde radionuclide [MBq]

h = bronconstante voor het beschouwde radionuclide bij niet afgeschermde bron op basis van het omgevingsdosistempo (zie Aanhangsel A) [µSv.m2/(MBq.h)]

r = afstand tussen bron en dosispunt [m]

O = transmissiefactor voor het beschouwde radionuclide van vaste of niet eenvoudig verplaatsbare afscherming tussen bron en dosispunt

Toestellen

Het omgevingsdosisequivalenttempo

rond toestellen wordt bepaald aan de hand van fabrieksgegevens, of aan de hand van metingen.

Bij toestellen wordt in het algemeen de primaire bundel geproduceerd door beschieting van een trefplaat. Voor de bepaling van de afstand r [m] tussen stralingsbron en dosispunt dient dan, als conservatieve benadering, te worden aangenomen dat de stralingsbron zich bevindt op de plaats van de trefplaat.

Zoals in onderdeel 3.3.1 reeds is aangegeven, wordt bij de berekening van de externe blootstellingsdosis uitgegaan van het omgevingsdosisequivalent hetgeen in beginsel een overschatting geeft. In de volgende paragrafen wordt de (geringe) overschatting verwaarloosd en wordt het omgevingsdosisequivalent H*(10) berekend.

De waarde van het jaarlijkse omgevingsdosisequivalent aan de terreingrens gesommeerd over alle betrokken nucliden (of stralingssoorten in het geval van toestellen) wordt H*max genoemd.

Indien de gemeten, berekende of door de fabriek opgegeven waarde van het omgevingsdosisequivalenttempo op een dosispunt op r[m] afstand van een stralingsbron gelijk is aan

en aan de terreingrens de kwadratenwet van toepassing is, dan kan H*max worden berekend volgens onderstaande formule:

waarin:

H*max = omgevingsdosisequivalent in een jaar aan de terreingrens ten gevolge van

de stralingsbron [µSv]

= omgevingsdosisequivalenttempo op het dosispunt r ten gevolge

van het beschouwde radionuclide of stralingssoort [µSv/h]

r = afstand tussen stralingsbron en dosispunt [m]

l = afstand tussen stralingsbron en terreingrens [m]

F = transmissiefactor voor het beschouwde radionuclide of stralingssoort van niet eenvoudig verplaatsbare afscherming tussen dosispunt en terreingrens

T = aantal uren in een jaar dat de stralingsbron in gebruik is [h]

Indien verschillende waarden voor het omgevingsdosisequivalenttempo in verschillende richtingen zijn bepaald, moet de waarde van H*max berekend worden op basis van die richting die het hoogste omgevingsdosisequivalent aan de terreingrens geeft, met inachtneming van het bij deze richting behorend aantal gebruiksuren per stralingsbron in een jaar.

Indien de stralingsbron op verschillende plaatsen binnen de locatie wordt gebruikt, dan wordt de waarde van H*max berekend op basis van die plaatsen die, in vergelijking met de andere, het hoogste omgevingsdosisequivalenttempo aan de terreingrens geeft, uitgaande van het aantal gebruiksuren op die plaatsen.

Meer dan één stralingsbron

Indien meer dan één stralingsbron binnen een locatie aanwezig is, wordt voor het te beschouwen punt aan de terreingrens het omgevingsdosisequivalent voor iedere bron afzonderlijk berekend en vervolgens wordt de totale H*maxverkregen door de bijdragen te sommeren.

De bronnen die ruw geschat minder dan 1 µSv in een jaar aan enig punt van de terreingrens veroorzaken, behoeven bij deze sommatie niet te worden meegenomen.

Voor externe straling wordt uitgegaan van een toetsingsniveau dat overeenkomt met een jaarlijkse omgevingsdosisequivalent binnenshuis gelijk aan het SN (10 µSv). Om rekening te houden met de afscherming bij verblijf binnenshuis, wordt bij directe straling vanuit een (punt)bron, een verzwakking van het omgevingsdosisequivalent buitenshuis met een factor 4 (zie onderdeel 6.5.2) aangenomen.

Het toetsingsniveau voor externe straling buitenshuis is gelijk aan:

De berekende waarde voor H*max dient te worden getoetst aan het afgeleide toetsingsniveau H*SN.

Indien:

wordt de externe straling uit de locatie geacht een externe blootstellingdosis kleiner dan het SN te veroorzaken.

Indien aan deze voorwaarde niet wordt voldaan, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.

Elke radioactieve stof wordt beschouwd als open bron indien onder normale gebruiksomstandigheden het vrijkomen van radioactiviteit niet kan worden uitgesloten. Daarom moet hierbij rekening worden gehouden met de mogelijkheid van blootstelling van omwonenden als gevolg van in de lucht of in het water verspreide radionucliden. Daarnaast kan er sprake zijn van externe straling zoals het geval is bij toestellen en ingekapselde bronnen.

Voorbeeld van toepassingen van open bronnen is het gebruik van radioactief materiaal in radionuclidenlaboratoria, nucleaire geneeskunde en wetenschappelijk onderzoek.

In figuur 4.1 is het stroomschema gegeven voor de berekening volgens de rekenregels van de dosis voor de drie soorten emissies te weten:

De volgende delen van dit onderdeel vormen de toelichting bij elk van de stappen van het stroomschema.

Figuur 4.1 Stroomschema voor Open Bronnen

Bij de berekening volgens de rekenregels van het maximale (theoretisch mogelijke) omgevingsdosisequivalent (H*max) wordt er van uit gegaan dat de open bronnen te beschouwen zijn als puntbronnen, waarvoor de kwadratenwet kan worden toegepast.

De berekening geschiedt op analoge wijze als voor toestellen en ingekapselde bronnen. Voor de wijze waarop deze berekeningen worden uitgevoerd, wordt verwezen naar hoofdstuk 3.

Voor de bepaling en de beoordeling van lozingen in lucht worden de volgende stappen doorlopen:

berekening van het radiotoxiciteitsequivalent voor inhalatie van de geloosde radionucliden (onderdeel 4.3.1);

berekening van de (gecorrigeerde) maximale jaarlijkse lozingen (onderdelen 4.3.2 en 4.3.3);

bepaling van het toetsingsniveau (onderdeel 4.3.4);

toetsing van de lozingen daaraan (onderdeel 4.3.5).

Eén radiotoxiciteitsequivalent voor inhalatie (Reinh [Bq]) is de activiteit die bij inhalatie een effectieve volgdosis van 1 Sv tot gevolg heeft voor een volwassen referentiepersoon. Voor ieder radionuclide i kan het Reinh,i worden berekend volgens

waarin:

Reinh, i = radiotoxiciteitsequivalent voor inhalatie van radionuclide i [Bq]

einh, i = dosiscoëfficiënt voor inhalatie van radionuclide i door volwassenen [Sv/Bq]9.

Voor een selectie van relevante radionucliden worden de berekende waarden van Reinh in Aanhangsel A gegeven.

Op basis van de hoeveelheid radioactiviteit dat in één jaar wordt gebruikt, de soort handeling(en) en de mogelijkheid tot verspreiding, kan voor ieder radionuclide de maximaal theoretisch mogelijke hoeveelheid activiteit (AL,i [Bq]) worden berekend die in een jaar in de lucht kan worden geloosd. Bij de berekening van AL,i wordt gesommeerd over de verschillende handelingen met het betreffende radionuclide en wordt, door middel van de correctiefactor CRL,i, rekening gehouden met de mogelijke cumulatie in het milieu van langlevende radionucliden.

De volgende formule is van toepassing:

waarin:

AL,i = maximale (theoretisch mogelijke) lozing van radionuclide i in een jaar in lucht, gecorrigeerd voor cumulatie in het milieu [Bq]

Ainkoop,i = hoeveelheid van radionuclide i dat in één jaar wordt gekocht voor een bepaalde handeling [Bq]

pi = parameter voor verspreidingskans van radionuclide i bij de beschouwde handeling, zie tabel 4.1.

si = effectiviteitsparameter voor het filtersysteem voor radionuclide i, zie tabel 4.2.

CRL,i = correctiefactor voor lozingen in lucht voor de fysische halveringstijd van radionuclide i, zie tabel 4.3.

Verspreidingsparameter p

De kans dat en de mate waarin een radionuclide zich in lucht verspreidt, bv in de zuurkast of laboratoriumruimte en vervolgens naar buiten komt, is afhankelijk van de eigenschappen van de stof of verbinding en van de handeling die ermee worden verricht. De waarden voor de verspreidingsparameter p zijn afgeleid van deze verspreidingskans. In tabel 4.1 zijn de waarden gegeven die in formule 4.2 gebruikt dienen te worden voor een aantal vaak voorkomende handelingen. Indien de handelingen waarvoor vergunning wordt aangevraagd aanmerkelijk daarvan afwijken, dient een toepasselijke keuze te worden gemaakt uit de in tabel 4.1 vermelde waarden.

Effectiviteitsparameter filtersysteem s

De eventuele aanwezigheid van een filter in het lozingskanaal, kan grote invloed hebben op de geloosde hoeveelheid radioactiviteit. Afhankelijk van de effectiviteit van een dergelijk filter voor het beschouwde radionuclide, dienen in formule 4.2 de in tabel 4.2 vermelde waarden te worden gebruikt. Voor de bepaling van de effectiviteit van het filter kunnen hetzij fabrieksgegevens worden gebruikt, hetzij metingen worden uitgevoerd. Indien de effectiviteit van het filter niet bekend is, dient men uit te gaan van een ineffectief filter (s= 0).

Correctiefactor CRL

Gezien de korte tijdsperiode tussen lozing en inhalatie, wordt bij lozingen in lucht voor het blootstellingspad inhalatie fysisch verval niet nadrukkelijk verdisconteerd. Om rekening te houden met de cumulatie in het milieu, wordt een correctiefactor (CRL) gebruikt afhankelijk van de fysische halveringstijd van het betrokken radionuclide. Hiermee wordt de lozing van langlevende nucliden zwaarder gerekend dan de lozing van kort levende. In tabel 4.3 worden de waarden van CRL gegeven die in formule 4.2 gebruikt dienen te worden.

De verhouding tussen AL,i en Reinh,i geeft, voor iedere radionuclide, het maximale (theoretisch mogelijke) aantal radiotoxiciteitsequivalenten van dat nuclide dat in een jaar in lucht wordt geloosd.

De maximale (theoretisch mogelijke) emissie in lucht vanuit een locatie (Lmax), uitgedrukt in aantal radiotoxiciteitsequivalenten, wordt verkregen na sommatie over alle radionucliden volgens

waarin:

Lmax = maximale jaarlijkse emissie in lucht vanuit een locatie (uitgedrukt in aantal Reinh), gesommeerd over alle geloosde nucliden

AL,i = maximale (theoretisch mogelijke) lozing van een bepaald radionuclide in een jaar in lucht [Bq] (zie formule 4.2)

Reinh, i = radiotoxiciteitsequivalent van radionuclide i voor inhalatie [Bq]

De geloosde hoeveelheid radioactiviteit zal zich in de lucht verspreiden en dus in (sterk) verminderde concentratie de terreingrens bereiken. Op basis van een conservatieve benadering resulteert dit in een tenminste miljoenvoudige verdunning, afhankelijk van de afstand tussen lozingspunt en terreingrens.

Het afgeleide toetsingsniveau (LSN) wordt gedefinieerd als de lozing, uitgedrukt in aantal Reinh, die een inhallatiedosis aan de terreingrens ter grootte van het SN (1 µSv) veroorzaakt. In tabel 4.4 worden, voor verschillende afstanden van het lozingspunt tot de terreingrens, de afgeleide toetsingsniveaus gegeven.

De met behulp van formule 4.3 verkregen waarde voor Lmax dient te worden getoetst aan de afgeleide toetsingniveaus LSN.

Er zijn twee situaties mogelijk. De eerste is die waarbij er sprake is van één (effectief) lozingspunt. De tweede situatie is die waarbij er sprake is van een aantal lozingspunten die op verschillende afstanden van het te beschouwen punt van de terreingrens zijn gelegen.

In deze twee situaties dient als volgt te worden gehandeld:

Indien wordt voldaan aan bovenstaande vergelijking wordt de totale lozing uit de locatie geacht een dosis kleiner dan of gelijk aan het SN te veroorzaken.

Indien niet wordt voldaan aan bovenstaande vergelijking wordt voor de lozing in lucht verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.

Voor de bepaling en de beoordeling van lozingen in water worden de volgende stappen doorlopen: berekening van het radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie van de geloosde radionucliden (onderdeel 4.4.1);

berekening van de maximale jaarlijkse lozingen (onderdelen 4.4.2 en 4.4.3);

vaststelling van het toetsingsniveau (onderdeel 4.4.4);

toetsing van de lozingen daaraan (onderdeel 4.4.5).

Eén radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie (Reing [Bq]) is de hoeveelheid activiteit die bij ingestie een effectieve volgdosis van 1 Sv tot gevolg heeft voor een volwassen referentiepersoon. Voor iedere radionuclide i kan Reing worden berekend volgens

waarin:

Reing,i = radiotoxiciteitsequivalent voor ingestie van radionuclide i [Bq]

eing,i = dosiscoëfficiënt voor ingestie van radionuclide i door volwassenen [Sv/Bq]10.

Voor een selectie van relevante radionucliden worden de berekende waarden van Reingin Aanhangsel A gegeven.

Op basis van de hoeveelheid radioactiviteit die in één jaar wordt gebruikt, de wijze van verwerking en de mogelijkheid tot lozing in water, kan voor ieder radionuclide de maximaal theoretisch mogelijke hoeveelheid activiteit (AW,i [Bq]) worden berekend die in een jaar in water kan worden geloosd. Bij de berekening van AW,iwordt gesommeerd over de verschillende handelingen van het betreffende radionuclide en wordt, door middel van de correctiefactor CRW,i, rekening gehouden met de mogelijke cumulatie in het milieu van langlevende radionucliden.

De volgende formule is van toepassing:

waarin:

AW,i = maximale (theoretisch mogelijke) lozing van radionuclide i in een jaar in water, gecorrigeerd voor cumulatie in het milieu [Bq]

Ainkoop,i = hoeveelheid van radionuclide i dat in één jaar wordt gekocht voor een bepaalde handeling [Bq]

Zi = correctiefactor voor uitscheiding van patiënten, zie tabel 4.5

Vi = correctiefactor voor kans op lozing op het riool, zie tabel 4.6

Wi = correctiefactor voor uitscheiding van proefdieren, zie tabel 4.7

si = effectiviteitsparameter voor het filter- of tanksysteem voor radionuclide i, zie tabel 4.8

CRW,i = correctiefactor voor lozingen in water voor de fysische halveringstijd van radionuclide i, zie tabel 4.9.

De parameterwaarden voor Z, V en W zijn afhankelijk van de chemische of metabole eigenschappen van de betrokken stoffen en van de handeling waarvoor deze worden gebruikt.

Voor de bepaling van de waarden kunnen hetzij resultaten uit (eerder uitgevoerd) onderzoek worden gebruikt, hetzij metingen worden verricht. Bij gebrek aan gegevens of indien de correctiefactor niet van toepassing is, dient te worden uitgegaan van een waarde van 1.

Correctiefactor voor uitscheiding van patiënten Z

Bij het toedienen van radiopharmaca aan patiënten vervalt een (groot) deel van de activiteit in het lichaam, maar ook zullen radionucliden na kortere of langere tijd via excreta worden uitgescheiden en geloosd op het riool. Om rekening te houden met de effectieve uitscheiding wordt een radiopharmacon- en toepassingafhankelijk correctiefactor Z (tabel 4.5) gehanteerd die aangeeft welk deel van de toegediende activiteit nog tijdens het verblijf binnen de locatie (meestal het ziekenhuis) wordt uitgescheiden en geloosd op het riool.

In tabel 4.5 zijn de waarden gegeven die in formule 4.7 gebruikt dienen te worden voor de verschillende soorten van uitscheidingsgedrag van de radiopharmaca.

Correctiefactor voor kans op lozing op het riool V

Sommige radionucliden bevinden zich in een dusdanige vorm dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze niet via de waterafvoer in het riool zullen geraken (bijvoorbeeld vaste, niet oplosbare stoffen of gassen); andere stoffen zullen makkelijk(er) oplosbaar en dus wegspoelbaar zijn. Daarom is er ook een correctiefactor V (tabel 4.6) die in formule 4.7 gebruikt dient te worden en die de kans aangeeft op lozing van het beschouwde radionuclide op het riool.

Correctiefactor voor uitscheiding van proefdieren W

Bij het toedienen aan proefdieren worden de uitwerpselen deels opvangen (vast afval) en niet op het riool geloosd; deels zullen de uitwerpselen worden weggespoeld. Hiervoor geldt een correctiefactor W (tabel 4.7) die in formule 4.7 gebruikt dient te worden en die aangeeft welk deel van de toegediende activiteit op het riool van de locatie wordt geloosd

Effectiviteitsparameter filter- of tanksysteem s

De eventuele aanwezigheid van een waterzuiveringsfilter in het lozingskanaal of van een (verval)tank waarin de geloosde radionucliden enige tijd verblijven alvorens zij op het riool geloosd worden, kan grote invloed hebben op de geloosde hoeveelheid radioactiviteit. Afhankelijk van de effectiviteit van een dergelijk filter- of tanksysteem voor het beschouwde radionuclide, dienen de in tabel 4.8 vermelde waarden in formule 4.7 te worden gebruikt. Voor de bepaling van de effectiviteit van de filter- of tanksysteem kunnen hetzij fabrieksgegevens worden gebruikt, hetzij metingen worden uitgevoerd. Indien de effectiviteit van het systeem niet bekend is, dient men uit te gaan van een ineffectief systeem (s=0).

Tabel 4.8 Waarde van de effectiviteitsparameter s van het filter- of tanksysteem voor het beschouwde radionuclide.

Correctiefactor CRW

Om rekening te houden met het radioactief verval en de cumulatie in het milieu wordt een correctiefactor (CRW) gebruikt afhankelijk van de fysische halveringstijd van het betrokken radionuclide (zie tabel 4.9). Hiermee wordt de lozing van langlevende nucliden zwaarder gerekend dan de lozing van kort levende. In tabel 4.9 worden de waarden van CRWi gegeven die gebruik dienen te worden.

De verhouding tussen AW, i en Reing, i geeft, voor ieder radionuclide, het maximale (theoretisch mogelijk) aantal radiotoxiciteitsequivalenten dat in een jaar in water wordt geloosd.

De maximale (theoretisch mogelijk) emissie in water vanuit een locatie (Wmax), uitgedrukt in aantal radiotoxiciteitsequivalenten wordt verkregen na sommatie over alle radionucliden volgens:

waarin:

Wmax = maximale jaarlijkse emissie in water, vanuit een locatie (uitgedrukt in aantal Reing) gesommeerd over alle geloosde nucliden

AW. i = maximale (theoretisch mogelijke) lozing van radionuclide i in een jaar in water [Bq]

Reing, i = radiotoxiciteitsequivalent van radionuclide i voor ingestie [Bq]

De op het riool geloosde radioactiviteit zal niet direct de bevolking bereiken, maar pas na (langdurig) verblijf en verspreiding in het milieu. Op basis van een conservatieve benadering resulteert dit in een verdunning met tenminste een factor 108.

Het afgeleide toetsingsniveau (WSN) wordt gedefinieerd als de lozing, uitgedrukt in Reing, die, volgens deze benadering, een ingestiedosis ter grootte van het SN (1 µSv) veroorzaakt.

Aangezien de ingestiedosis die het gevolg is van een lozing in water homogeen verdeeld wordt verondersteld over een groot gebied, is WSN niet afhankelijk van de afstand tussen lozingspunt en terreingrens (dit in tegenstelling met hetgeen van toepassing is voor lozingen in lucht en LSN).

De waarde van het afgeleide toetsingsniveau voor lozingen in water (WSN), uitgedrukt in Reing, is gelijk aan:

De met behulp van formule 4.8 verkregen waarde voor Wmax dient te worden getoetst aan het afgeleide toetsingniveau WSN.

Aangenomen wordt dat een locatie vanuit alle lozingspunten op hetzelfde riool loost, waardoor voor lozingen in water niet nodig is een deelberekening per lozingspunt uit te voeren (dit in tegenstelling met hetgeen van toepassing is voor lozingen in lucht).

Indien

wordt de lozing geacht een dosis kleiner dan of gelijk aan het SN te veroorzaken.

Indien dat niet het geval is, wordt verwezen naar Deel II, Nadere Analyse.

Zoals al in onderdeel 1 is aangegeven, dient in die gevallen waarin de rekenregels uit Deel I niet toereikend zijn, een nadere analyse te worden uitgevoerd. Dat is het geval indien:

De uitvoering van deze nadere analyse vindt plaats zoals weergegeven in het stroomschema in figuur 5.1.

In het algemeen zal bij de uitvoering meer ervaring en kennis van de achterliggende modellen nodig zijn dan bij de toepassing van de rekenregels uit Deel I. De rapporten ‘Dosisberekening voor de Omgeving bij Vergunningverlening Ioniserende Straling (DOVIS) deel A: Lozingen in lucht en water’ DOVIS-A [DOA02] en ‘Dosisberekening voor de Omgeving bij Vergunningverlening Ioniserende Straling (DOVIS) deel B: Externe straling’ DOVIS-B [DOB02] dienen te worden gehanteerd voor de uitvoering van een nadere analyse.

De methodologie voor de nadere analyse gaat uit van een aantal aannames, bijvoorbeeld omtrent de deeltjesgrootte-verdeling van de geïnhaleerde radionucliden of de transferfactoren (zie daarvoor [DOA02] en [DOB02]). Indien in de beschouwde situatie afwijkende aannames worden gebruikt, dient dit bij de vergunningaanvraag gemotiveerd te worden.

Voor iedere emissiesoort waarvoor de rekenregels uit Deel I niet toepasbaar zijn, dient een Nadere Analyse te worden uitgevoerd om de dosis in de omgeving te berekenen.

Bepaling emissie

De omvang van iedere emissiesoort (dus de omvang van de lozing of de omgevingsdosis-equivalent) waarvoor een nadere analyse wordt uitgevoerd, kan op twee manieren worden bepaald:

Aantal radionucliden

Indien het aantal radionucliden en hun eventuele dochters zeer groot is, kan de nadere analyse worden beperkt tot een representatieve selectie uit die (dochter)nucliden. De keuze daarvoor dient te zijn onderbouwd (bv. door middel van onderzoek).

Externe straling

Alle relevante stralingssoorten en energieën dienen in de nadere analyse te worden betrokken; in de praktijk zal voor milieuaspecten voornamelijk sprake zijn van gamma- en röntgenstraling.

Reguliere en incidentele lozingen

Bij de berekeningen worden zowel reguliere emissies als potentiële emissies meegenomen. Deze laatste zijn onbedoelde en ongewilde gebeurtenissen, waarvan echter te voorzien is dat deze toch een of meer keren in een jaar voorkomen en waarmee bij de vergunningverlening dan ook rekening wordt gehouden.

Figuur 5.1 Stroomschema voor de berekeningsmethodiek bij ‘Nadere Analyses’

Continue vs gepulste lozing

Indien sprake is van een gepulste of anderszins niet-continue emissie (bijvoorbeeld lozingen in water na tijdelijke opslag in tanks ter controle van de geloosde activiteit) moet, indien niet aannemelijk kan worden gemaakt dat de gevolgen significant zullen afwijken van een continue emissie, van een continue emissie worden uitgegaan11. Als jaarlijkse emissie wordt de som genomen van alle pulslozingen in een jaar.

Filterinstallaties en vervaltanks

Voor de bepaling van de lozingsomvang mag rekening worden gehouden met in gebruik zijnde installaties die gericht zijn op zuivering van emissies, bijvoorbeeld met filtersystemen in een riolering of schoorsteen of met vervaltanks.

Zuiveringslib, baggerspecie

Indien een materiaal (zoals bijvoorbeeld zuiveringslib of baggerspecie) ten gevolge van lozingen al dan niet onbedoeld een verhoogde radioactiviteit krijgt, worden de doses die daar het gevolg van zijn, toegerekend aan de lozende bron.

Uitgaande van de hiervoor berekende emissies wordt de besmetting van alle relevante milieucompartimenten en van daarin voorkomende voedselproducten (vis, vee, landbouw) bepaald, alsmede de daardoor in het milieu veroorzaakte stralingsniveaus.

Voor de berekeningen ten behoeve van luchtlozingen en waterlozingen wordt verwezen naar DOVIS-A [DOA02]. Hierin wordt de berekening van verspreiding en depositie van radioactieve stoffen in het milieu besproken alsmede de berekening van de doses die het gevolg daarvan zijn.

Voor de berekeningen ten behoeve van externe straling wordt verwezen naar DOVIS-B [DOB02]. Hierin wordt de berekening van de externe stralingsdosis besproken van een (afgeschermde) bron besproken.

Bij een Nadere Analyse van een bepaalde emissiesoort dienen in principe alle mogelijke belastingpaden te worden beschouwd. Echter, afhankelijk van de omstandigheden, zullen sommige belastingpaden een belangrijkere rol spelen dan andere en zal het dus meestal mogelijk zijn een aantal belastingpaden te verwaarlozen.

DOVIS-A geeft voor lucht- en waterlozingen aan welke paden wel en niet relevant zijn en welke modellen, parameters en parameterwaarden bij de Nadere Analyse gebruikt moeten worden. Vergelijkbare gegevens met betrekking tot externe straling zijn te vinden in DOVIS-B [DOB02].

Bij jarenlang lozen zal de besmetting in het milieu, onder andere door verspreiding, afzetting, cumulatie, verval en ingroei van dochternucliden, veranderen in de tijd.

De besmetting in het milieu dient steeds te worden berekend voor de situatie die na 25 jaar continu lozen wordt bereikt, ook indien er dan nog geen evenwicht is bereikt. Indien van tevoren vaststaat dat een bron een kortere tijd aanwezig is, mag die kortere periode worden gehanteerd.

Uitgaande van de berekende besmetting van milieu en voedselproducten, wordt de effectieve dosis berekend voor de referentie personen.

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de berekeningswijze van deze dosis en op een aantal begrippen die daarbij een rol spelen. In onderdeel 6.2 wordt ingegaan op de vraag welke blootstellingswegen bij de berekening in beschouwing genomen dienen te worden; in onderdeel 6.3 wordt de referentiegroep gedefinieerd, d.w.z. het gedrag wordt gedefinieerd van de personen voor wie de dosis dient te worden berekend; in onderdeel 6.4 worden de dosismodellen besproken en tenslotte in onderdeel 6.5 wordt aangegeven hoe de multifunctionele individuele dosis (MID) en de actuele individuele dosis (AID) berekend moeten worden.

De te gebruiken parameterwaarden (zoals de dosiscoëfficiënten) worden gegeven in bijlage 1.4 van deze regeling.

De belangrijkste manieren waarop blootstelling van de mens kan plaatsvinden zijn: via externe blootstelling, inhalatie, submersie en ingestie. Een verdere onderverdeling is mogelijk naar belastingpad zoals hieronder aangegeven.

Externe blootstelling

Bij het berekenen van de externe blootstellingdosis dient, voor zover relevant, rekening te worden gehouden met de volgende belastingpaden:

Inhalatie

Bij het berekenen van de inhalatiedosis die het gevolg is van het inademen van radioactieve stoffen in lucht, dient rekening te worden gehouden met

én, voor zover een relevante dosisbijdrage verwacht mag worden, met

Submersie

Bij verblijf in besmette lucht dient, voor zover relevant, ook rekening te worden gehouden met de mogelijkheid van opname van radioactieve stoffen via de huid en door submersie. Submersie is in het bijzonder relevant indien de in lucht aanwezige radionucliden edelgassen zijn.

Ingestie

Bij het berekenen van de ingestiedosis die het gevolg is van de opname in het lichaam van radionucliden via drank en voedsel, dient rekening te worden gehouden met de besmetting van:

Rekening dient te worden gehouden met besmetting van gewassen als gevolg van:

De referentiepersoon is de (hypothetische) persoon waarvoor de dosis voor een bepaalde emissiesoort en belastingpad wordt berekend. Voor de referentiepersoon worden aannames gemaakt met betrekking tot gedrag (referentiegedrag) en fysiologische parameters. Het referentiegedrag is het gedrag dat, gegeven een bepaalde besmetting in het milieu, tot de referentie blootstelling leidt. Het begrip gedrag houdt alle levensgewoontes in: wonen, werken, eten, etc. Bij de bepaling van het referentiegedrag worden conservatieve, doch realistische, aannames gedaan. Omdat ‘extreem’ gedrag of gedrag van een enkeling niet wordt beschouwd, wordt vaak de term referentiepersoon vervangen door referentiegroep.

Voor verschillende emissiesoorten en belastingpaden zullen doorgaans verschillende referentiegroepen worden beschouwd.

Een kritieke groep behoort altijd bij een bepaalde bron of locatie. Het is de referentiegroep die de hoogste individuele dosis ontvangt als gevolg van alle beschouwde emissiesoorten tezamen.

Externe blootstelling

Voor de berekening van de externe blootstellingsdosis op een bepaalde locatie, wordt uitgegaan van referentiepersonen die op de betreffende locatie wonen en die zich 24 uur per dag gedurende hun hele leven in of nabij de woning bevinden en waarbij die woning een zekere mate van afscherming biedt.

De kritieke groep met betrekking tot externe blootstelling zal dus bestaan uit referentiepersonen die wonen op de plaats waar het omgevingsdosistempo ten gevolge van de beschouwde bron of locatie het hoogste is. Dat zullen in het algemeen referentiepersonen zijn die aan de terreingrens wonen.

Inhalatie

Voor de berekening van de inhalatiedosis op een bepaalde locatie, wordt uitgegaan van referentiepersonen die op de betreffende locatie wonen en die zich 24 uur per dag gedurende hun hele leven in of nabij de woning bevinden. De luchtconcentratie binnenshuis wordt verondersteld dezelfde te zijn als de berekende luchtconcentratie buiten de woning.

Voorts wordt uitgegaan van een jaarlijkse inhalatie van 8.300 m3 lucht, overeenkomend met het ademdebiet van een volwassen man die rustige werkzaamheden verricht.

De kritieke groep met betrekking tot inhalatie, zal dus bestaan uit referentie personen die wonen op de plaats waar de luchtconcentratie ten gevolge van de beschouwde bron of locatie het hoogste is. Dit zullen in het algemeen referentiepersonen zijn aan of vlakbij de terreingrens wonen.

Submersie

Voor de berekening van de submersiedosis op een bepaalde locatie, wordt, net als bij inhalatie, uitgegaan van referentiepersonen die op de betreffende locatie wonen en die zich 24 uur per dag gedurende hun hele leven in of nabij de woning bevinden. De luchtconcentratie binnenshuis wordt verondersteld dezelfde te zijn als de berekende luchtconcentratie buiten de woning.

De kritieke groep met betrekking tot submersie, zal dus bestaan uit referentie personen die wonen op de plaats waar de luchtconcentratie ten gevolge van de beschouwde bron of locatie het hoogste is. Deze groep zal dezelfde zijn als voor inhalatie en zal in het algemeen bestaan uit referentiepersonen zijn aan of vlakbij de terreingrens wonen.

Ingestie

Voor de berekening van de ingestiedosis op een bepaalde locatie, wordt uitgegaan van referentiepersonen die een deel van hun voedsel uit eigen volks- of moestuin eten, welke gelegen is op de betreffende locatie, en de rest van hun voedsel elders inkopen.

Voor de voedingsmiddelen die gekocht worden, wordt een zekere mate van menging van meer of minder besmette producten aangenomen. Hiervan uitgaande wordt voor de betreffende voedselproducten de gemiddelde radioactiviteitsconcentratie berekend in een gebied van 30 km rond de bron (voedselgebied). Voor de herkomst van het voedselpakket zijn de volgende aannames van toepassing:

Voorts wordt uitgegaan van de gemiddelde jaarlijkse consumptie van voedingsmiddelen van een volwassen man (zie tabel 6.1).

Omdat de ingestiedosis slechts ten dele plaatsgebonden is, kan in het algemeen niet met zekerheid worden gezegd uit welke personen de kritieke groep voor ingestie bestaat. Veelal zal deze echter bestaan uit die personen die een moestuin hebben dáár, waar de depositie radioactieve stoffen op planten (interceptie) het hoogste is, of waar de concentratie radioactieve stoffen in de bodem het hoogste is. Met betrekking tot ingestie van vis zal echter de gemiddelde Nederlandse bevolking zijn.

Voor iedere blootstellingsweg wordt, uitgaande van de radioactiviteit en/of de straling aanwezig in het milieu, de bijdrage berekend aan de jaarlijkse individuele effectieve dosis (ID). Deze is de dosis die een individu kan ontvangen door onbeschermd 24 uur per dag aan de bron te worden blootgesteld. In de volgende onderdelen (6.4.2. t/m 6.4.5) wordt kort aangegeven hoe de externe blootstellingdosis IDext, de inhalatiedosis IDinh, de submersiedosis IDsub en de ingestiedosis IDing dienen te worden berekend. Deze dienen vervolgens als basis voor de berekening van MID en AID (zie onderdelen 6.5.2 en 6.5.3.).

Voor een uitgebreide beschrijving van de berekeningsmethodiek voor de externe blootstellingdosis wordt verwezen naar DOVIS-B [DOB02].

De externe blootstellingdosis IDext wordt berekend uitgaande van het dosistempo. In het algemeen geldt:

waarin:

IDext = externe blootstellingdosis in een jaar [Sv/a]

= effectief dosistempo [Sv/h]

text = duur van de blootstelling in een jaar [h/a]

Voor de berekening van IDext wordt uitgegaan van onafgebroken verblijf ter plaatse en geen bescherming door kleren, woning etc. (zie hiervoor de berekening van de MIDext, onderdeel 6.5.2). De duur van de blootstelling text is gelijk aan het aantal uren per jaar dat de bron aanwezig is en het effectieve dosistempo

veroorzaakt.

Het effectieve dosistempo is afhankelijk van de uitgezonden energie en, o.a., van de brongeometrie, de afstand van de bron en eventueel aanwezige afscherming. Voor de berekening van het dosistempo zijn, voor de verschillende belastingspaden (puntbron, bodembesmetting, etc.), conversiecoëfficiënten berekend en getabelleerd (zie [DOB02]).

Voor een uitgebreide beschrijving van de berekeningsmethodiek voor de inhalatiedosis wordt verwezen naar DOVIS-A [DOA02].

Uitgaande van de berekende concentratie van radionucliden in de lucht (volgens DOVIS-A) kan de jaarlijkse effectieve inhalatiedosis IDnh ten gevolge van een continue lozing worden berekend volgens onderstaande formule:

waarin:

IDinh = effectieve inhalatiedosis in een jaar [Sv/a]

CL = concentratie in lucht [Bq/m3], van het beschouwde radionuclide berekend volgens DOVIS-A

Iinh = jaarlijks ademdebiet van een volwassen man die lichte arbeid verricht [m3/a]

einh = dosiscoëfficiënt voor inhalatie [Sv/Bq] van het beschouwde radionuclide door volwassenen (zie Aanhangsel A, tabel A.1)

In Aanhangsel A, tabel A.1 zijn de dosiscoëfficiënten einh [Sv/Bq] uit [BS01] opgenomen voor een aantal (veel voorkomende) radionucliden.

In het geval dat de hierboven genoemde en getabelleerde einh niet toegepast kunnen worden, dient de dosisberekening te worden uitgevoerd overeenkomstig de aanbevelingen zoals aangegeven in Aanhangsel A, tabel A.1.

Resuspensie en coastal spraying

Voor de blootstelling ten gevolge van resuspensie en coastal spraying, voor zover relevant, wordt verwezen naar DOVIS-A.

De aanwezigheid van radionucliden in de lucht kan ook een submersiedosis tot gevolg hebben, in het bijzonder in het geval dat er sprake is van edelgassen. Uitgaande van de berekende concentratie van radionucliden in de lucht (volgens DOVIS-A) kan de jaarlijkse effectieve submersiedosis IDsub ten gevolge van een continue lozing worden berekend volgens onderstaande formule:

waarin:

IDsub = effectieve submersiedosis in een jaar [Sv/a]

CL = concentratie in lucht [Bq/m3] van het beschouwde radionuclide berekend volgens DOVIS-A [DOA02]

tsub = duur van de blootstelling in een jaar [h/a]

esub = dosiscoëfficiënt voor submersie [(Sv/h)/(Bq/m3)] van het beschouwde radionuclide (zie Aanhangsel A, tabel A.1)

In Aanhangsel A, tabel A.1 zijn de dosiscoëfficiënten esub [Sv/Bq] uit [BS01] opgenomen voor een aantal (veel voorkomende) edelgassen.

Voor de berekening van Esub wordt uitgegaan van onafgebroken verblijf ter plaatse (tsub = 8.760 uren in een jaar).

Voor een uitgebreide beschrijving van de berekeningsmethodiek voor de ingestiedosis wordt verwezen naar DOVIS-A [DOA02].

Uitgaande van de berekende concentratie van radionucliden in de verschillende voedselproducten (volgens DOVIS-A) kan de jaarlijkse effectieve ingestiedosis IDing ten gevolge van consumptie van voedsel worden berekend aan de hand van de volgende formule:

waarin:

IDing = effectieve ingestiedosis in een jaar ten gevolgen van consumptie van voedsel [Sv/a]

Cv = concentratie van het beschouwde radionuclide in het beschouwde voedselproduct [Bq/kg] of [Bq/L] berekend volgens DOVIS-A [DOA02]

Iing = jaarlijkse consumptie van het beschouwde voedselproduct (tabel 6.1) [kg/a] of [l/a]

eing = dosiscoëfficiënt voor ingestie [Sv/Bq] van het beschouwde radionuclide door volwassenen (zie Aanhangsel A, tabel A.1)

In Aanhangsel A, tabel A.1 zijn de dosiscoëfficiënten eing [Sv/Bq] uit [BS01] opgenomen voor een aantal (veel voorkomende) radionucliden.

In het geval dat de hierboven genoemde en getabelleerde eing niet toegepast kunnen worden, dient de dosisberekening te worden uitgevoerd overeenkomstig de aanbevelingen zoals aangegeven in Aanhangsel A, tabel A.1.

Onder multifunctionele individuele dosis (MID) wordt de dosis verstaan die het gevolg is van het gebruik van een gebied buiten de locatie op zodanige wijze dat dit tot de hoogst mogelijke dosis aanleiding geeft. De MID staat los van het feitelijk gebruik van dat gebied op enig moment en houdt rekening met het mogelijke (toekomstige) gebruik. Het gaat dus om de dosis voor een kritieke groep die weliswaar momenteel mogelijk zelfs niet bestaat, maar waarvan het bestaan in de toekomst niet uitgesloten geacht kan worden. In het algemeen leidt het gebruik van een gebied voor normale bewoning tot die hoogst mogelijke dosis. MID wordt dan ook op basis daarvan berekend (zie onderdeel 6.5.2).

Voor de berekening van de actuele individuele dosis (AID) wordt voor sommige dosisbijdragen het huidige feitelijk gebruik van het gebied wel beschouwd (zie onderdeel 6.5.3). Uitgangspunt daarbij blijft dat alle functies van het milieu voor de toekomst mogelijk dienen te blijven en dus dat er geen te hoge (langdurige) besmetting in het milieu plaatsvindt. Met andere woorden, het feitelijke gebruik van de omgeving (het feitelijk bestaan van de kritieke groep) speelt alleen voor díe belastingpaden een rol, die geen blootstelling meer geven zodra de bron geen emissies meer veroorzaakt.

Voor de berekening van MID en AID wordt uitgegaan van de berekende individuele dosisbijdragen (ID) voor de verschillende blootstellingwegen en belastingpaden (zie onderdeel 6.4). Voor zowel MID als AID bestaat de berekening uit een som van (gecorrigeerde) individuele dosisbijdragen. Voor AID worden echter andere of additionele correctiefactoren toegepast dan voor MID.

Zoals in onderdeel 7 nader is uitgewerkt, voor de toetsing aan het Secundair Niveau wordt MID berekend voor iedere emissiesoort afzonderlijk. Voor de toetsing aan de locatielimiet wordt de totale AID beschouwd.

MID geeft de dosis weer voor deze (potentiële) bewoners van de omgeving van een bron en is samengesteld uit bijdragen van de verschillende blootstellingwegen waarvan doorgaans de belangrijkste zijn: externe blootstellingdosis (MIDext), inhalatiedosis (MIDinh), ingestiedosis (MIDing). In het geval van edelgassen kan ook de submersiedosis (MIDsub) een rol spelen.

Multifunctionele externe blootstellingdosis en afschermingfactoren

Bij de berekening van de externe blootstellingdosis voor potentiële bewoners van een gebied wordt continue blootstelling verondersteld en afscherming door de woning zelf (zie onderdeel 6.3).

De waarde die voor onafgeschermd verblijf in de buitenlucht geldt (IDext, zie onderdeel 6.4.2), wordt vermenigvuldigd met een factor die rekening houdt met de afscherming die door de woning zelf wordt geboden. Op basis van een globale schatting van de afscherming door een standaardwoning voor gammastraling van verschillende energieën en van verschillende soorten bronnen is de waarde van de afschermingfactor gesteld op 0,25:

waarin:

MIDext = jaarlijkse externe blootstellingdosis bij bewoning, of multifunctionele externe blootstellingdosis [Sv/a]

IDext = jaarlijkse externe blootstellingdosis voor onafgeschermd verblijf [Sv/a] (zie formule 6.1)

De kritieke groep voor de berekening van MIDext is de groep die woont op de locatie waar het effectieve dosistempo het hoogst is.

Multifunctionele inhalatiedosis

Zoals aangegeven in onderdeel 6.3, wordt, bij de berekening van de inhalatiedosis voor de referentiegroep continue verblijf verondersteld, en wordt geen rekening gehouden met extra afscherming door de woning (de concentratie binnenshuis is gelijk aan die buitenshuis). De multifunctionele inhalatiedosis is gelijk aan de inhalatiedosis IDinh (zie onderdeel 6.4.3, formule 6.2):

De kritieke groep voor de berekening van MIDinh is de groep die woont op de locatie waar de luchtconcentratie het hoogst is.

Multifunctionele submersiedosis

Op vergelijkbare manier wordt de multifunctionele submersiedosis MIDsub gelijkgesteld aan de submersiedosis IDsub (zie onderdeel 6.4.4, formule 6.3):

De kritieke groep voor de berekening van MIDsub is de groep die woont op de locatie waar de luchtconcentratie het hoogst is.

Multifunctionele ingestiedosis

Bij de berekening van de multifunctionele ingestiedosis wordt het eetgedrag van de referentiegroep zoals aangegeven in onderdeel 6.3 aangenomen. In het bijzonder geldt het volgende:

Bij de berekening van de concentratie radionucliden in de verschillende producten (Cv) en dus ook de betreffende dosisbijdragen MIDing (zie formule 6.4) wordt rekening gehouden met de hierboven aangegeven middeling over zogenaamde voedselgebieden (zie onderdeel 6.4):

De kritieke groep voor de berekening van MIDing is de groep die een moestuin heeft op de locatie waar de depositie radioactieve stoffen op planten (interceptie) het hoogste is, of waar de concentratie radioactieve stoffen in de bodem het hoogst is. In het geval van besmetting van vis door lozingen in water kan de kritieke groep de Nederlandse bevolking zijn.

Optelling doses van verschillende belastingpaden

Voor de berekening van de MID voor de kritieke groep behorende bij de beschouwde bron of locatie moeten de individuele dosisbijdragen verbonden aan de verschillende emissiesoorten, de verschillende belastingpaden en verschillende blootstellingwegen worden opgeteld indien zij dezelfde referentiepersonen (kunnen) treffen. De groep waarvoor de aldus berekende totale dosis het hoogste is, is de kritieke groep. Bij de optelling mogen de bijdragen die ruw geschat minder dan 0,1 µSv in een jaar bedragen, worden weggelaten.

De kritieke groep voor de berekening van MID voor één emissiesoort (de groep waarvoor de berekende MID het hoogste is) kan niet bij voorbaat gedefinieerd worden. Voor lozingen in lucht, zal de kritieke groep veelal bestaan uit personen die wonen op de locatie waar de luchtconcentratie het hoogst is en die tevens gebruik maken van een moestuin vlakbij de woning. Dit gebruik dient te allen tijde mogelijk te zijn.

Samenvattend:

Voor iedere emissiesoort waarvoor een Nadere Analyse wordt uitgevoerd, vindt de berekening van de multifunctionele individuele dosis (MID) plaats via de volgende stappen:

Voor toetsing aan het SN wordt voor iedere emissiesoort afzonderlijk de maximale waarde van MID vastgesteld (de dosis voor de kritieke groep).

De berekening van de actuele dosis AID is alleen nodig voor de emissiesoorten waarvoor MID het Secundair Niveau overschrijdt.

Indien er sprake is van bewoning of, gezien het bestemmingsplan, bewoning mogelijk is, is AID gelijk aan MID. Indien er geen sprake is van bewoning (en deze volgens het bestemmingsplan ook niet mogelijk is), dan worden bij de berekening van AID andere of additionele correctiefactoren toegepast ten opzichte van MID. AID zal in dit geval kleiner zijn dan MID.

De berekening van AID geschiedt analoog aan die van MID, waarbij echter voor die individuele dosisbijdragen die niet het gevolg zijn van blijvende besmetting van het milieu, rekening wordt gehouden met het feitelijke huidige gebruik van de omgeving. Hiervoor komen de dosisbijdragen in aanmerking die het gevolg zijn van besmetting in de lucht (zoals inhalatie) of van de aanwezigheid van een stralende vaste bron. Voor deze bijdragen wordt verondersteld dat zij niet meer bestaan indien de bron geen emissies meer veroorzaakt.

Voor de dosisbijdragen die wel het gevolg zijn van een blijvende besmetting van het milieu (bijvoorbeeld van besmetting van de grond) wordt de berekening uitgevoerd zoals voor de multifunctionele dosis MID. Deze bijdragen blijven immers bestaan ook nadat de bron geen emissies meer veroorzaakt.

In de praktijk kunnen alleen de volgende locatiegebonden dosisbijdragen worden gecorrigeerd om rekening te houden met het feitelijke huidige gebruik van de locatie:

Actuele Blootstelling Correctiefactoren (ABC-factoren)

De hierboven genoemde doses zijn direct evenredig aan de blootstellingduur. Als er ter plaatse niet gewoond wordt, zal de feitelijke blootstellingduur korter zijn dan bij bewoning. Om daarmee rekening te houden wordt een correctiefactor toegepast, de Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC factor) genoemd.

In tabel 6.2 worden de ABC factoren gegeven voor verschillende bestemmingen. Voor iedere beschouwde situatie dient de aangegeven waarde te worden gebruikt. Indien het feitelijk gebruik niet onder de in tabel 6.2 genoemde categorieën valt, dient een toepasselijke keuze te worden gemaakt uit de in de tabel vermelde waarden.

Optelling dosisbijdragen van verschillende belastingspaden

Voor de berekening van AID voor één emissiesoort moeten de relevante gecorrigeerde en ongecorrigeerde individuele dosisbijdragen verbonden aan de verschillende belastingpaden en blootstellingwegen worden opgeteld indien zij dezelfde referentiepersonen (kunnen) treffen

Bij de optelling mogen de bijdragen die ruw geschat minder dan 0,1 µSv ten gevolge van lozingen en 1 µSv ten gevolge van externe straling in een jaar bedragen, worden weggelaten. In tabel 6.3 wordt voor iedere dosisbijdrage aangegeven welke correctie toegepast moet worden om de actuele dosis AID te berekenen.

Samenvattend:

De berekening van de actuele individuele dosis (AID) voor één emissiesoort vindt plaats via de volgende stappen:

Voor de onderbouwing van het redelijkerwijs criterium voor de beschouwde emissiesoort (zie onderdeel 7.2.1) wordt de maximale berekende waarde van AID vastgesteld. Voor toetsing aan de locatielimiet wordt vervolgens de totale AID berekend (zie onderdeel 7.2.2).

Opgemerkt zij dat bij optelling van gecorrigeerde en ongecorrigeerde dosisbijdragen de berekende AID geen werkelijke ontvangen dosis is. De berekende waarde geeft een overschatting van de thans ontvangen dosis (indien geen sprake is van bewoning), en tevens geeft ze een conservatieve indicatie van de toekomstige ‘onvermijdelijke’ dosis als gevolg van blijvende besmetting van radionucliden in het milieu.

*) Indien de bron in het algemeen niet gedurende 24 uur per dag in bedrijf is, moet daarvoor eventueel gecorrigeerd worden; indien de bron een bepaalde blootstelling per jaar geeft, maar alleen gedurende werktijden, kan geen correctie voor (werk)verblijftijd worden gehanteerd

0) Onder aanname dat de normaal geldende vervoersbepalingen blijven gelden

1) Een bemanning van een boot zal bij langs varen nooit langer dan in totaal 3,6 dagen per jaar ter hoogte van een bron verblijven

Bij aanleggen bij een terrein geldt het schip als onderdeel van het terrein en gelden dus de arbeidsnormen voor dat terrein, behalve indien het een woonboot betreft

2) De verblijftijden bij één bron zullen doorgaans niet meer dan 12 dagen per jaar zijn (1/30e jaar)

3) In jachthavens etc vertoeft men in het algemeen niet meer dan in totaal ca 1 maand per jaar. In volkstuinen verblijft men in het algemeen alleen overdag

4) Op kampeerterreinen verblijven velen gedurende de gehele zomerperiode

5) Zeilen, zwemmen, vissen en zonnen zal bij dagrecreatie niet langer dan 8 uur per dag gedurende 30 dagen per jaar plaatsvinden precies bij een bepaalde bron of inrichting

6) Een persoon zal bij normaal gebruik niet langer dan in totaal circa 15 minuten per dag op een parkeerterrein vertoeven

7) Zelfs op een snelweg waar regelmatig files staan – bijvoorbeeld voor de Coentunnel – zal een passant gemiddeld over een jaar nooit meer dan 15 minuten per dag precies voor die ene bron of inrichting staan. Dit geldt ook voor doorgaande (stads)wegen

8) Op een stoep bij een woongebied kan iemand zich theoretisch gedurende enige tijd per dag bevinden – spelende kinderen bijvoorbeeld. Deze kunnen in principe het hele jaar door buiten spelen, niet alleen op dagen met aangenaam weer, wat in het algemeen wel geldt voor recreatiegebieden

9) Een boer zal zich nooit de gehele werktijd vlak bij de terreingrens bevinden, maar zich ophouden in het gehele gebied. Bovendien werkt hij gemiddeld maar 8 uur per dag buiten

10) De huidige werktijd is nog maar circa 1.800 uur, dat wil zeggen 1/5 van een jaar

11) Indien het werk doorgaans binnen plaatsvindt, moeten in dit geval zowel de ABC-factor als de afschermingfactor (zie § 6.5.2) gehanteerd worden

a) zie tab 6.2;

b) factor (=0,25) om rekening te houden met de afscherming geboden door een standaard woning tegen gammastraling; zie ook formule 6.6;

c) voor deze paden is de bijdrage aan AID gelijk aan de individuele dosisbijdrage (zie § 6.4);

d) bij werk binnenshuis wordt zowel de ABC factor als de afschermingfactor door het gebouw toegepast;

De toetsing aan het Secundair Niveau wordt gedaan per iedere emissiesoort afzonderlijk. Hiervoor wordt de berekende multifunctionele individuele dosis (MID) vergeleken met de bij de betreffende emissiesoort horende SN.

Als voor een emissiesoort de volgens Deel II berekende MID lager ligt dan SN, dus als:

dan is er sprake van een emissiesoort die geringe risico’s voor de omgeving met zich meebrengt.

Voor de betreffende emissiesoort zal in de vergunningaanvraag de berekende waarde van MID worden opgenomen.

Als voor een emissiesoort de volgens Deel II berekende MID hoger ligt dan SN, dus als:

dan is er sprake van een emissiesoort die zodanige gevolgen voor de omgeving met zich meebrengt dat van de zijde van de overheid nadere gegevens worden gevraagd. Naast MID dient voor de betreffende emissiesoort ook AID te worden berekend.

Voor de betreffende emissiesoort zullen in de vergunningaanvraag zowel de berekende MID als de berekende AID worden opgenomen.

De toetsing aan de locatielimiet wordt gedaan voor alle emissiesoorten tezamen. Hiervoor wordt de totale AID berekend, dat wil zeggen de actuele dosis van alle relevante emissiesoorten samen. Voor de berekening van de totale AID worden de verschillende dosisbijdragen opgeteld die dezelfde groep mensen (kunnen) treffen.

De berekende waarde van de totale AID wordt vergeleken met de locatielimiet van 100 μSv.

Voor de berekening van de radiotoxiciteitsequivalenten (zie onderdeel 3) en van de effectieve dosis (zie onderdeel 6) worden de radionuclidespecifieke dosiscoëfficiënten c.q. bronconstanten gebruikt uit de volgende referenties:

voor de externe blootstellingdosis ten gevolge van. puntbron:

bronconstante h uit [Kev96]

voor de inhalatiedosis:

dosiscoëfficiënten einh uit tabel 2 en tabel 5, bijlage 1.4 van deze regeling

voor de submersiedosis:

dosiscoëfficiënten esub uit tabel 6, bijlage 1.4 van deze regeling

voor de ingestiedosis:

dosiscoëfficiënten eing uit tabel 1, bijlage 1.4 van deze regeling

In tabel A.1 worden de waarden van hierboven genoemde parameters gegeven voor een selectie (veel voorkomende) radionucliden. Ontbrekende waarden kunnen worden gevonden in hierboven genoemde publicaties.

In tabel A.2 worden voor dezelfde radionucliden de berekende waarden van Reinh, Reing, gegeven

*) Longabsorptieklassen F(ast), M(oderate) en S(low)

**) Inclusief dochters

Indien om een of andere, te onderbouwen, reden de waarden uit tabel A.1 of de in A.1 genoemde referenties niet gebruikt kunnen worden, dient men een berekening uit te voeren uitgaande van de in genoemde referenties aangegeven methodiek. In het bijzonder dient rekening te worden gehouden met het volgende:

Voor fysiologische gegevens dient ICRP-23 [IC75] te worden gebruikt, behalve voor het long- en botmodel, waarvoor ICRP-66 [IC93] en ICRP-70 [IC95] moeten worden gebruikt.

1 In geval fabrikant van de bronnen buiten de Gemeenschap is gevestigd, kan in de plaats daarvan de naam en het adres van de importeur/leverancier worden vermeld.

2 Indien beschikbaar.

1 In geval fabrikant van de bronnen buiten de Gemeenschap is gevestigd, kan in de plaats daarvan de naam en het adres van de importeur/leverancier worden vermeld.

2 Indien beschikbaar.

Om te voldoen aan de kerncompetenties om buitengewoon ingeschreven als algemeen coördinerend deskundige dient deze persoon aan te tonen over de volgende kerncompetenties te beschikken:

In deze context gaat het erom dat de algemeen coördinerend deskundige:

Daarvoor is het nodig dat de algemeen coördinerend deskundige:

In deze context gaat het erom dat de algemeen coördinerend deskundige:

Daarvoor is het nodig dat de algemeen coördinerend deskundige:

In deze context gaat het erom dat de algemeen coördinerend deskundige:

Daarvoor is het nodig dat de algemeen coördinerend deskundige:

In deze context gaat het erom dat de coördinerend deskundige:

Daarvoor is het nodig dat de coördinerend deskundige:

In deze context gaat het erom dat de coördinerend deskundige:

Daarvoor is het nodig dat de coördinerend deskundige:

In deze context gaat het erom dat de coördinerend deskundige:

Daarvoor is het nodig dat de coördinerend deskundige:

Verklaring van het cijfer en de notatie in de tweede kolom in de tabel van de onderdelen A tot en met D van deze bijlage:

De eindtermen zijn voorzien van de aanduidingen K = kennis (knowledge); V = vaardigheden (skills) en C = competenties (competences). Deze drie categorieën zijn in de genoemde volgorde hiërarchisch ondergeschikt: een hogere categorie-aanduiding impliceert dat ook aan de voorgaande moet zijn voldaan (K < V < C).

De procedures onder doorlichting zullen doorgaans worden uitgevoerd in daartoe geschikte ruimtes (bewaakte of gecontroleerde zones), zoals operatiekamers, katheterisatiekamers of angioruimtes. Vaak – maar niet altijd en overal, afhankelijk van de lokale afspraken – wordt de doorlichting uitgevoerd of ondersteund door een MBB’er, een verpleegkundige of een OK-assistent. Gedurende de procedure is de aanwezige medisch specialist (de opdrachtgever conform de Wet BIG) verantwoordelijk voor (optimalisatie van) zowel de dosis die de patiënt ontvangt als die van de in de onderzoeks- of behandelruimte aanwezige medewerkers.

In deze context gaat het erom dat de medisch specialist1:

Daarvoor is het nodig dat de medisch specialist3:

In het algemeen zal het werken volgens gebruikelijke protocollen (Good Medical Practice) leiden tot geoptimaliseerde patiëntendoses en relatief lage doses voor de medewerkers, met andere woorden: dosisreductie voor de patiënt is meestal congruent met een lagere dosis voor de arts en de omloopmedewerker. Desondanks moet er – zeker bij een hoog werkaanbod en bij bepaalde procedures – extra aandacht worden gegeven aan beschermende maatregelen voor de medewerkers. De dosislimieten voor de medisch specialist en de medewerkers mogen niet worden overschreden.

In deze context gaat het erom dat de medisch specialist:

Daarvoor is het nodig dat de medisch specialist:

Aangezien de medisch specialist verantwoordelijk is voor de toegediende stralingsdosis aan de patiënt, moet hij de risico’s hiervan kennen en kunnen uitleggen. Omdat een deel van de kennis een beperkte houdbaarheid heeft, is het van belang dat de medisch specialist de funderende principes uit de stralingshygiëne en aanverwante vakgebieden begrijpt, zodat hij in staat is zijn kennis bij te houden.

In deze context gaat het erom dat de medisch specialist:

Daarvoor is het nodig dat de medisch specialist:

Gebruikte aanduiding voor niveau van kennis en vaardigheid: L = laag, een globaal bekend zijn met principes. M = middel, voldoende kennis van onderwerp om toe te kunnen passen in praktijk. H = hoog, gedetailleerde kennis en begrip, voldoende om anderen te kunnen instrueren.

In de initiële opleiding is vaardigheid verkregen in de praktische uitvoering van genoemde onderwerpen, inclusief interpretatie van het normale beeld en beelden van afwijkingen (pathologie). Voor nascholing kan de praktische vaardigheid aanwezig verondersteld worden en kan worden volstaan met updating/refreshment.

Het waarschuwingsteken dat wordt aangebracht op aanwijsinstrumenten waaraan voor verlichtingsdoeleinden radionucliden zijn toegevoegd, is een waarschuwingsbord dat een zodanige afmeting heeft dat het met het blote oog herkenbaar is. Het betreft de volgende figuur:

Figuur 1: Model van het waarschuwingsteken waaraan voor verlichtingsdoeleinden radionucliden zijn toegevoegd.

De achtergrond is geel en de lijnen en de figuur zijn zwart.

Dit waarschuwingsteken dient voorts zodanig geplaatst te zijn dat het vanaf de buitenzijde van het aanwijsinstrument waarneembaar is zonder dat het instrument daarvoor eerst geopend of uit elkaar gehaald behoeft te worden.

Controle van de constructie na de vervaardiging van aanwijsinstrumenten die voor verlichtingsdoeleinden radioactieve stoffen bevatten.

I

De tests kunnen worden uitgevoerd op onderdelen van de aanwijsinstrumenten. Ze worden echter zo mogelijk met het gehele aanwijsinstrument verricht.

II

Tests worden verricht op prototypen van elke partij aanwijsinstrumenten met het doel te bepalen of de samenstelling van de radioactieve verf, het gebruikte materiaal en de gebruikte fabricage-methode zodanig zijn dat de onderdelen van het aanwijsinstrument en het gehele aanwijsinstrument voldoen aan de voorgeschreven normen. Prototype-tests worden uitgevoerd op een geschikt monster. De test omvat:

III

Gedurende de vervaardiging van aanwijsinstrumenten, waarvan de prototypen zijn getest als beschreven onder II, wordt gecontroleerd of de aanwijsinstrumenten en onderdelen daarvan overeenkomen met die welke als prototype zijn getest. Deze controle omvat in ieder geval een volledig visueel onderzoek van elk aanwijsinstrument op barsten of schilferen van de radioactieve stoffen bevattende verf, onvolkomenheden in het doorzichtige deel van het omhulsel van het aanwijsinstrument en de aanwezigheid van waarschuwings- en merktekens, indien deze zijn vereist.

Voor de in het schema met ‘✦’ aangegeven handelingen en werkzaamheden met de daarbij vermelde producten (gebruiksartikelen), welke een beperkt risico van blootstelling van mensen tot gevolg hebben, gelden de verboden bedoeld in de artikelen 23, 24 en 25, eerste lid van het Besluit stralingsbescherming niet, voor zover het aantal op enig moment van het jaar aanwezige artikelen het aangegeven aantal niet overschrijdt.

Van de in het schema met ‘✦’ aangegeven handelingen en werkzaamheden met de daarbij vermelde producten (gebruiksartikelen) worden de daarbij vermelde daaraan toegevoegde radionucliden niet betrokken bij een sommatie als bedoeld in artikel 25, vierde lid, van het Besluitstralingsbescherming voor zover het aantal op enig moment van het jaar aanwezige artikelen het aangegeven aantal niet overschrijdt.

¹ Vrijstelling op basis van artikel 5.11.

Goedgekeurde melders zijn:

De aanduiding, bedoeld in artikel 5.12, eerste lid, onder c, en tweede lid, onder a, dient overeenkomstig de hieronder voorgeschreven tekst en afbeelding te zijn. De afbeelding dient minimaal een diameter van 1 cm te hebben. De tekst moet op een afstand van 0,5 meter goed leesbaar zijn.

Afbeelding:

Tekst:

Deze rookmelder bevat een zeer kleine hoeveelheid radioactief materiaal, die niet gevaarlijk is voor de gebruiker, indien de rookmelder wordt geïnstalleerd, bediend en onderhouden zoals staat geschreven in de gebruiksaanwijzing.

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Voor de toepassing van deze tabel wordt de indeling in een categorie slechts bepaald met behulp van de A/D waarde indien:

In de situatie, bedoeld onder b, wordt de totale activiteit van de radioactieve stoffen bij de categorie-indeling beschouwd als één geheel. Hiertoe wordt de A/D-waarde bepaald volgens de formule:

Waarbij:

Natuurlijke materialen zullen vaak radionucliden uit dezelfde vervalketen (moeder- en dochternucliden) M+ of Msec (verder aan te geven met M+) bevatten. In dat geval zijn er drie situaties mogelijk:

Voor de sommatie en weging van de activiteiten of activiteitsconcentraties ten behoeve van de toetsing aan de vrijstellings- of vrijgavewaarden in bijlage 1.1 van deze regeling, wordt in elk van deze situaties de daarbij aangegeven methode toegepast.

De vrijstellings- of vrijgavewaarde van de vervalketen M+ (het moedernuclide inclusief de dochternucliden) wordt genomen. De dochternucliden worden verder niet beschouwd, maar worden (indirect) bij de sommatie meegenomen.

Er moet een keuze gemaakt worden uit de volgende drie methoden:

Er moet een keuze gemaakt worden uit de volgende twee methoden:

Er moet een keuze gemaakt worden uit de volgende drie methoden:

Ten behoeve van toetsingen als bedoeld onder 1A van deze bijlage, worden de activiteiten en activiteitsconcentraties van de hieronder onder a tot en met d vermelde (natuurlijke) radionucliden niet bij de sommatie meegenomen en worden daarom ten behoeve van deze toetsing niet bepaald.

de radionucliden die niet in tabel 2 bij bijlage 1.1 zijn opgenomen.

Bij de bepaling van de dosis ten gevolge van ingestie, inhalatie of externe straling worden in principe alle aanwezige radionucliden (en hun dosiscoëfficiënten) meegenomen. Echter, deze bepaling kan ook met behulp van zogenoemde key- of triggerradionucliden uitgevoerd worden.

Voor leden van de bevolking kunnen de doses in eerste instantie conservatief doch realistisch worden geschat.

Met betrekking tot de externe stralingsdosis kan, naarmate de afstand tussen de bron en de locatiegrens groter is, een grovere, doch realistisch conservatieve, schatting plaatsvinden. Indien de externe stralingsdosis met deze grove schatting uitkomt op minder dan 10 µSv omgevingsdosisequivalent [H*(10)] in een kalenderjaar is een nadere berekening niet nodig. Deze 10 µSv is het secundaire niveau voor externe straling (SN-ext). De H*(10) is weliswaar niet geheel gelijk aan de effectieve dosis [E] ten gevolge van 24 uur verblijf, maar kan hieraan gelijk geacht worden. Opgegeven kan worden: E < 10 µSv in een kalenderjaar of E << 10 µSv in een kalenderjaar. Uiteraard kan indien voorhanden en gewenst ook een meer precieze uitkomst opgegeven worden.

Indien een grove, doch realistisch conservatieve, schatting van de inhalatie- of ingestiedosis uitkomt op E < 1 µSv in een kalenderjaar (SN-inh/ing), is nadere precisering daarvan ook niet nodig.

Indien de uitkomsten van de hierboven bedoelde grove schattingen hoger zijn dan de hiervoor vermelde waarden, worden de doses meer precies berekend; zie daarvoor onder punt 3 van deze bijlage.

In de gevallen waarin de uitkomsten van de dosisschattingen bedoeld onder 2 hoger zijn dan 1 µSv E en 10 µSv H*(10) voor ingestie- of inhalatiedosis respectievelijk externe stralingsdosis, worden deze doses berekend volgens de methode beschreven in de rapporten Dosisberekening in de Omgeving bij Vergunningverlening Ioniserende Straling: DOVIS, deel A, Lozingen in lucht en water respectievelijk DOVIS, deel B, externe straling.2[113]

Voorschriften voor de meetmethode:

¹ Inclusief de doses ten gevolge van opslag in verband met vervoer en andere activiteiten ten behoeve van vervoer binnen de locatie, zoals laden en lossen

¹ Inclusief de doses ten gevolge van opslag in verband met vervoer en andere activiteiten ten behoeve van vervoer binnen de locatie, zoals laden en lossen