ZBO-regeling · BWBR0035710

Beoordelingskader Verdovende Middelen

Wijzigingen Officiële bron
Verdovende Middelen (005.00) Beoordelingskader – Versie 2.0Beoordelingskader Verdovende Middelen

Dit document treedt in werking met ingang van 1 november 2014.

College gerechtelijk deskundigen

In het op de Wet deskundige in strafzaken gebaseerde Besluit register deskundige in strafzaken (hierna: Brdis) heeft de wetgever het College gerechtelijk deskundigen (hierna: College) van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (hierna: NRGD) de taak gegeven om voor de registratie van aanvragers welomlijnde deskundigheidsgebieden te definiëren.

Het College omlijnt deskundigheidsgebieden met het doel duidelijkheid te verschaffen aan:

Binnen het deskundigheidsgebied Verdovende Middelen is een onderscheid te maken naar vier typen onderzoek:

Binnen deze vier typen onderzoek zijn verschillende vraagstellingen in twee fases relevant: de fase van het chemisch-fysisch onderzoek en de interpretatiefase. Bij alle typen onderzoek is van belang dat de deskundige in staat is op verantwoorde wijze monsters te nemen of bestaande bemonstering te analyseren. Ook dient bij alle typen onderzoek interpretatie plaats te vinden in de context van de relevante wetgeving, zoals de Opiumwet, de Europese verordeningen waarnaar wordt verwezen in de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en de Geneesmiddelenwet. De deskundige is zich bewust van zijn beperkingen hierin.

Het identificerend onderzoek is gericht op het vaststellen van:

Het kwantitatief onderzoek is gericht op het vaststellen van de concentratie en/of de hoeveelheid van de bovengenoemde middelen.

Hierbij zijn onder andere de volgende vraagstellingen relevant:

‘Zijn verdovende middelen of daaraan gerelateerde stoffen aantoonbaar, zo ja welke?’

‘Hoeveel van het middel is aanwezig?’

Ook het sporenonderzoek is gericht op het vaststellen van de aanwezigheid van de onder 2.1.1. genoemde middelen en stoffen. In dit geval betreft het onderzoek aan sporendragers (iets waarop een spoor aanwezig is of aanwezig kan zijn) of bemonsteringen die zijn verkregen van een verdachte sporendrager.

a. De fase van chemisch-fysisch onderzoek

Hierbij zijn onder andere de volgende vraagstellingen relevant:

‘Zijn sporen van verdovende middelen of daaraan gerelateerde stoffen aantoonbaar?’

‘Zo ja, waar zijn deze sporen op de sporendrager aantoonbaar?’

b. De fase van interpretatie

Op verzoek beschouwt de deskundige de waarschijnlijkheid van de resultaten van het chemisch-fysisch onderzoek in het kader van activiteitenscenario’s die kunnen hebben geleid tot de overdracht of verplaatsing van sporen van verdovende middelen.

Vergelijkend onderzoek wordt uitgevoerd ter beantwoording van de vraag of verschillende monsters, partijen drugs of drugsprecursoren dezelfde herkomst hebben, waarbij met herkomst wordt bedoeld: een op enig moment als eenheid bestaande hoeveelheid materiaal dat in verschillende delen is onderverdeeld. De mogelijke overeenkomstige herkomst wordt onderzocht door kenmerken zoals fysische eigenschappen en chemische samenstelling te vergelijken.

a. De fase van chemisch-fysisch onderzoek

Hierbij zijn onder andere de volgende vraagstellingen relevant:

‘Wat zijn de uiterlijke kenmerken en fysische eigenschappen van het onderzoeksmateriaal?’

‘Welke chemische componenten (bijvoorbeeld hoofdcomponent, versnijdingsmiddelen, bijproducten, oplosmiddelen) zijn aantoonbaar en wat zijn de (relatieve) concentraties?’

b. De fase van interpretatie

Hierbij zijn onder andere de volgende vraagstellingen relevant:

‘Bevatten de onderzochte monsters of daarin verwerkte materialen verdovende middelen die dezelfde herkomst hebben?’

‘Hebben de onderzochte monsters of daarin verwerkte materialen dezelfde herkomst als eerder onderzocht materiaal (database)?’

De deskundige doet in deze fase een uitspraak over de waarschijnlijkheid van de resultaten tegen het licht van verschillende hypothesen.

Het productieprocesonderzoek is gericht op het vaststellen van welk middel op welke wijze is geproduceerd en welke afvalmiddelen bij deze processen zijn ontstaan. Het onderzoek naar aan verdovende middelen gerelateerde productieprocessen vindt voornamelijk plaats aan onderzoeksmaterialen die zijn veiliggesteld op een plaats delict (PD). Door de verkregen resultaten te combineren met informatie over de op PD aangetroffen situatie en materialen kan een uitspraak worden gedaan over de mogelijke processen en geproduceerde middelen.

Voorbeelden van deze processen zijn:

‘Productie van synthetische drugs en precursoren’

‘Extractie/conversie laboratorium van cocaïne’

‘Productie van versnijdingsmiddelen bijvoorbeeld ten behoeve van heroïne’

‘Versnijden, (her)verpakken of het maken van farmaceutische vormen van verdovende middelen, zoals tabletten of poeders’

‘Hasjiesj/ hasjiesjolie productie’

‘Cultivering en productie van cannabisproducten’

a. De fase van chemisch-fysisch onderzoek

Hierbij zijn onder andere de volgende vraagstellingen relevant:

En ‘zo ja, in welke concentratie of welke hoeveelheid?’

b. De fase van interpretatie

Hierbij zijn onder andere de volgende vraagstellingen relevant:

‘Werd (ter plaatse) een middel als onder 2.1.4.a) vervaardigd1?’

‘Welke productiemethoden zijn gebruikt of hadden toegepast kunnen worden?’

‘Welke middelen (precursoren) en apparatuur zijn aanwezig om het middel te kunnen

produceren?’

‘Wat is de productiecapaciteit van de op locatie aangetroffen apparatuur?’

‘Wat is de opbrengstverwachting van verdovende middelen op basis van de aangetroffen apparatuur en middelen?’

‘Aan welk productieproces zijn gedumpte materialen te relateren?’ (bij illegale afvaldumping)

Het verdovende middelenonderzoek heeft betrekking op monsters waarvan de verwachting bestaat dat:

Het deskundigheidsgebied Verdovende Middelen is onder te verdelen in twee deelgebieden: Vergelijkend onderzoek en Productieproces onderzoek.

Voor beide deelgebieden geldt dat de deskundige in staat is om antwoord te geven op vraagstellingen op het gebied van identificerend, kwantitatief en sporenonderzoek in de fase van het chemisch-fysisch onderzoek (zie 2.1.1. onder a en 2.1.2 onder a).

Daarnaast is de deskundige die geregistreerd is voor Vergelijkend onderzoek in staat om vraagstellingen te beantwoorden op het gebied van vergelijkend onderzoek in zowel de interpretatiefase van het onderzoek (zie 2.1.3. onder b) als de fase van het chemisch-fysisch onderzoek (zie 2.1.3. onder a).

De deskundige die geregistreerd is voor Productieproces onderzoek is in staat om vraagstellingen te beantwoorden op het gebied van productieproces onderzoek in zowel de interpretatiefase van het onderzoek (zie 2.1.4. onder b) als de fase van het chemisch-fysisch onderzoek (zie 2.1.4. onder a).

De deskundige is zich bewust van de mogelijkheden en beperkingen van de beantwoording van de vraagstellingen in het kader van het sporenonderzoek in de interpretatiefase (zie 2.1.2 onder b).

De deskundige is zich ervan bewust dat het gebruik van standaardapparatuur en standaard werkwijzen niet automatisch leiden tot het herkennen en identificeren van nieuwe en tot voor kort onbekende stoffen óf laag gedoseerde stoffen.

Voor het deskundigheidsgebied 005.00 Verdovende Middelen kan een deskundige worden geregistreerd voor de volgende deelgebieden:

005.01 Vergelijkend onderzoek

005.02 Productieproces onderzoek

Een deskundige kan afhankelijk van zijn expertise voor een of voor beide deelgebieden worden geregistreerd.

De kwaliteitseisen, geformuleerd in het tweede lid van artikel 12 van het Brdis vormen de algemene criteria waarop de toetsing door het NRGD van forensisch deskundigen is gebaseerd. Het College formuleert voor elk deskundigheidsgebied op basis van de algemene criteria specifieke eisen.

Deel II geeft de registratie-eisen voor het deskundigheidsgebied Verdovende Middelen weer waaraan de deskundige moet voldoen die een aanvraag voor (her)inschrijving in het register indient.

De registratie-eisen verschillen per type aanvrager. Het NRGD onderscheidt twee typen aanvragers: de initiële aanvrager (A) en de heraanvrager (B). De initiële aanvrager is een rapporteur die nog niet eerder geregistreerd is geweest voor het deskundigheidsgebied waar de aanvraag op ziet. De heraanvrager is een deskundige die al is geregistreerd in het NRGD, al dan niet voor beperkte duur, voor het deskundigheidsgebied waar de aanvraag op ziet.

Deze twee typen aanvragers worden voorts als volgt onderverdeeld:

De algemene, ingevolge het tweede lid van artikel 12 van het Brdis aan de te (her)registreren deskundige te stellen eisen zijn in onderstaande tekst in cursief opgenomen met een verwijzing naar de onderdelen (a t/m i). Bij de algemene eis volgen, indien van toepassing, een of meer specifieke eisen. Wanneer geen specifieke eis is aangegeven, is de desbetreffende algemene eis op zich reeds afdoende bevonden.

Het tweede lid van artikel 12 van het Brdis luidt als volgt:

Een deskundige wordt op zijn aanvraag slechts als deskundige in strafzaken in het register ingeschreven wanneer hij naar het oordeel van het College:

Artikel 12(2) a. (...) beschikt over voldoende kennis van en ervaring binnen het eigen deskundigheidsgebied waarop de aanvraag betrekking heeft.

Een aanvrager dient

als algemene basis:

en als specifieke basis:

Voor het deeldeskundigheidsgebied Vergelijkend onderzoek

Voor het deeldeskundigheidsgebied Productieprocesonderzoek

En

Onderscheiden per type aanvrager:

Toelichting bij artikel 12 (2) a:

Collegial review

Onder collegial review verstaat het College het beoordelen van andermans werk in het kader van een continue kwaliteitsbewaking van iemands deskundigheid. Hierbij is geen sprake van een hiërarchische maar van een horizontale verhouding tussen ‘vakinhoudelijke’ collega’s. De reviewer ondertekent het rapport niet. De reviewer hoeft niet werkzaam te zijn bij dezelfde instantie.

Verzoek om uitzondering

Indien de aanvrager wil dat het College een uitzondering voor hem maakt omdat de aanvrager wegens omstandigheden nog niet (volledig) aan de eis van 12 (2) onder a van het Besluit voldoet, dient de aanvrager hiertoe bij het College een verzoek in te dienen. Het gemotiveerde verzoek moet als begeleidende brief bij de (her)aanvraag worden ingediend.

Artikel 12(2) b. (...) beschikt over voldoende kennis van en ervaring in het desbetreffende rechtsgebied en voldoende bekend is met de positie en de rol van de deskundige daarin.

In aanvulling op bovenstaande eisen dient een aanvrager zich bewust te zijn van de mogelijke effecten van de specifieke Nederlandse wetgeving op de conclusies van zijn onderzoek. Daartoe dient een aanvrager over praktische kennis te beschikken van de Opiumwet, de Europese verordeningen waarnaar wordt verwezen in de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en de Geneesmiddelenwet (artikelen 1, 18, 38 en 40).

Toelichting:

Voor (buitenlandse) deskundigen die overwegen een aanvraag voor inschrijving in het register in te dienen is artikel 19 Brdis van belang. Overeenkomstig het bepaalde in dit artikel is een registratie voor beperkte duur mogelijk indien de aanvrager niet voldoet aan de eisen genoemd in artikel 12, tweede lid, onder b.

Artikel 12(2) c. (...) in staat is de opdrachtgever inzicht te bieden in de vraag of en zo ja, in hoeverre de vraagstelling van de opdrachtgever voldoende helder en onderzoekbaar is om deze vanuit zijn specifieke deskundigheid te kunnen beantwoorden.

Een aanvrager dient:

Artikel 12(2) d. (...) in staat is op basis van de vraagstelling volgens de daarvoor geldende maatstaven een onderzoeksplan op te stellen en uit te voeren.

Een aanvrager dient:

Artikel 12(2) e. (...) in staat is onderzoeksmaterialen en -gegevens in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven te verzamelen, vast te leggen, te interpreteren en te beoordelen.

Een aanvrager dient:

Artikel 12(2) f. (...) in staat is om de geldende onderzoeksmethoden in een forensische context volgens de daarvoor geldende maatstaven toe te passen.

Een aanvrager dient:

Artikel 12(2) g. (...) in staat is zowel schriftelijk als mondeling over de opdracht en elk ander relevant aspect van zijn deskundigheid gemotiveerd, controleerbaar en in voor de opdrachtgever begrijpelijke bewoordingen te rapporteren.

Een aanvrager dient:

Artikel 12(2) h. (...) in staat is een opdracht te voltooien binnen de daarvoor gestelde of afgesproken termijn.

Artikel 12(2) i. (...) in staat is zijn werkzaamheden als deskundige onafhankelijk, onpartijdig, zorgvuldig, vakbekwaam en integer te verrichten.

Zie de op de website van het NRGD gepubliceerde Gedragscode NRGD die door het College gerechtelijk deskundigen is vastgesteld.

Om te beoordelen of een deskundige voldoet aan de eisen voor het deskundigheidsgebied Verdovende Middelen en in aanmerking komt voor registratie in het NRGD, schrijft het College de volgende toetsingsprocedure voor.

De toetsing geschiedt in beginsel op basis van informatie die de aanvrager heeft verstrekt:

Voor alle deskundigheidsgebieden geldt dat de beoordeling plaatsvindt op basis van schriftelijke stukken, waaronder in ieder geval zaaksrapporten en bewijsstukken, in beginsel aangevuld met een mondelinge toetsing. Van deze mondelinge toetsing wordt afgezien indien de deskundigheid van de aanvrager reeds duidelijk is gebleken uit de schriftelijke stukken.

Voor alle typen geldt dat de toetsing ook kan plaatsvinden op basis van nadere informatie zoals een onderzoek in open bronnen of andere gedetailleerde rapporten, indien dit noodzakelijk wordt geacht voor een adequate toetsing.

De toetsingswijzen voor de verschillende typen aanvragers zijn:

Dit document wordt aangehaald als: Beoordelingskader Verdovende Middelen.

‘Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines, deel I-VI (serie)’:

Aalberg, L. Andersson, K., Bertler, C. Borén, H. (2005). Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines I: Synthesis of standards and compilation of analytical data. Forensic Science International (149) 2-3, p. 219-229.

Aalberg, L., Andersson, K., Bertler, C., Cole, M.D. e.a. (2005). Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines II: Stability of impurities in organic solvents. Forensic Science International (149) 2-3, p. 231-241.

Andersson, K., Jalava, K., Lock, E., Finnon, Y. e.a.(2007). Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines III: Development of the gas chromatographic method. Forensic Science International, (169) 1, p. 50-63.

Andersson, K., Jalava, K., Lock, E. Huizer e.a. (2007). Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines IV: Optimisation of sample preparation. Forensic Science International (169) 1, p. 64-76.

Aalberg, L., Andersson, K., Dahlén, J., Lock, E. e.a. (2007) Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines V: Determination of the variability of the optimised method. Forensic Science International (169) 1 , p. 77-85.

Andersson, K., Lock, E., Jalava, K., Huizer H. e.a. (2007). Development of a harmonised method for the profiling of amphetamines VI: Evaluation of methods for comparison of amphetamine. Forensic Science International, (169) 1, p. 86-99.

Deursen, M.M. van, Lock, E.R.A., Poortman- van der Meer, A.J. (2006). Organic impurity profiling of 3,4-methylenedioxymethamphetamine (MDMA) tablets seized in the Netherlands. Science & Justice (46), p. 135 -152.

Donnell jr., C. R. (2003), Forensic Investigation of Clandestine Laboratories. Professional Business Solutions, USA: O'Fallon.

International Laboratory Accreditation Cooperation (ILAC) (2002). Guidelines for Forensic Science Laboratories. ILAC, Rhodes, Australia.

Moffat, A.C., Osselton, D. M. and Widdop, B., (2011). Clarke’s Analysis of Drugs and Poisons: in pharmaceuticals, body fluids, and postmortem material.

London: Pharmaceutical Press.

United Nations Division of Narcotic Drugs (1986). Recommended Methods for Testing Cocaine. New York: United Nations.

United Nations Division of Narcotic Drugs (1989). Recommended Methods for Testing Lysergide (LSD). New York; United Nations.

United Nation Office on Drugs and Crime (2005). Methods for Impurity Profiling of Heroin and Cocaine. New York: United Nations.

United Nation Office on Drugs and Crime (2006). Recommended Methods for the Identification and Analysis of Amphetamine, Methamphetamine and their Ring-Substituted Analogues in Seized Materials. New York: United Nations.

United Nation Office on Drugs and Crime (2009). Recommended methods for the identification and analysis of cannabis and cannabis products. New York: United Nations.

United Nations in cooperation with the Drugs Working Group of the European Network of Forensic Science Institutes (2009). Guidelines on Representative Drug Sampling. New York: United Nations.

United Nations International Drug Control Programme (1998). Recommended Methods for Testing Opium, Morphine and Heroin. New York: United Nations

United Nation Office on Drugs and Crime (2005). Methods for Impurity Profiling of Heroin and Cocaine. New York: United Nations.

United Nations Office for Drug Control and Crime Prevention (2001). Drug Characterization/Impurity Profiling: Background and Concepts. New York: United Nations.

United Nations Office for Drug Control and Crime Prevention (2013). Clandestine Manufacture of Substances under International Control. New York: United Nations.

Website:

http://www.unodc.org/unodc/en/scientists/publications.html