Ministeriële regeling · BWBR0043557
Regeling Woningbouwimpuls 2020
Gelet op de artikelen 2, vierde lid, 3, eerste lid, 4, vijfde lid, 5, derde lid, 6, derde lid, 7, zesde lid, en artikel 10, derde lid, van het Besluit Woningbouwimpuls 2020;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,K.H.OllongrenIn deze regeling wordt verstaan onder:
- a.
aantoonbare financiële tekort: aantoonbare financiële tekort als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het besluit;
- b.
besluit:Besluit Woningbouwimpuls 2020;
- c.
commissie: Toetsingscommissie Woningbouwimpuls als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het besluit;
- d.
functioneel woningmarktgebied: een gebied dat zich van andere functionele woningmarktgebieden onderscheid in de mate waarin sprake is van een daadwerkelijk regionaal woningtekort, gelet op feitelijke verhuisstromen, zoals ingedeeld door ABF Research in haar Inventarisatie Plancapaciteit van november 2020;
- e.
uitkering: specifieke uitkering als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit;
- f.
uitkeringsbeschikking: beschikking als bedoeld in artikel 4, derde lid, van het besluit.
Een project wordt overeenkomstig artikel 2, eerste lid, onder c, van het besluit binnen afzienbare tijd opgestart, indien de eerste bouwwerkzaamheden binnen het project uiterlijk binnen drie jaren na de datum van de uitkeringsbeschikking aanvangen en de overige bouwwerkzaamheden uiterlijk binnen tien jaren na die datum aanvangen.
Een financiële bijdrage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder e, van het besluit, is substantieel als deze ten minste 50% van het aantoonbare financiële tekort van het project bedraagt.
Het aandeel betaalbare woningen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, van het besluit, is substantieel als het ten minste 50% van de door het project toegevoegde woningen betreft.
Het aantal woningen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, van het besluit, is substantieel als dit:
- a.
ten minste 500 woningen betreft, indien de aanvragende gemeente uit meer dan 50.000 inwoners bestaat op grond van de laatstelijk door het CBS vastgestelde definitieve cijfers bevolkingsaantallen per gemeente op het moment dat een aanvraagtijdvak wordt bekendgemaakt op grond van artikel 4, eerste lid, van het besluit; of
- b.
ten minste 200 woningen betreft, indien de aanvragende gemeente uit ten hoogste 50.000 inwoners bestaat op grond van de laatstelijk door het CBS vastgestelde definitieve cijfers bevolkingsaantallen per gemeente op het moment dat een aanvraagtijdvak wordt bekendgemaakt op grond van artikel 4, eerste lid, van het besluit.
In totaal is ten hoogste € 2.250.000.000 beschikbaar voor specifieke uitkeringen.
Een omschrijving van een project als bedoeld in artikel 4, derde lid, onder a, van het besluit, bestaat in ieder geval uit:
- a.
een toelichting op de geografische afbakening van het project;
- b.
een toelichting op het project, waaronder in ieder geval een toelichting op de noodzaak, toerekenbaarheid en proportionaliteit van de activiteiten van de gemeente ten behoeve van de te realiseren woningen;
- c.
een kwantitatief overzicht van de te realiseren woningen; en
- d.
een toelichting op de kwaliteit van de te bouwen woningen en van de leefomgeving.
Een haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 4, derde lid, onder b, van het besluit, bevat:
- a.
een begroting en prognose van publieke kosten en opbrengsten, waarmee het aantoonbare financiële tekort wordt onderbouwd;
- b.
een toelichting op de kosten en opbrengsten zoals opgenomen in de begroting en prognose;
- c.
een overzicht van de stand van zaken van het project op het moment waarop de aanvraag is ingediend, waarin wordt ingegaan op de fasering van de woningbouw, de organisatie van het project en de zekerheid van een tijdige realisatie;
- d.
een toelichting op de noodzaak van een bijdrage en het regionaal belang van het project.
Een aanvraag wordt ingediend via een formulier dat beschikbaar wordt gesteld op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
In een aanvraagtijdvak kan een gemeente ten hoogste drie aanvragen indienen.
De uitkeringsbeschikking vermeldt in elk geval:
- a.
aan welke activiteiten voor het versnellen of realiseren van de bouw van woningen met de uitkering wordt bijgedragen;
- b.
het bedrag van de uitkering;
- c.
de wijze van verantwoording over de besteding van de uitkering;
- d.
de periode waarvoor de uitkering wordt verleend; en
- e.
de wijze waarop kan worden aangetoond dat de activiteiten binnen het project zijn verricht.
De Minister betaalt in het geval van een toekennende uitkeringsbeschikking, de uitkering in één keer uit. De Minister verleent daarbij een voorschot van 100%.
Aan een uitkering kunnen in de uitkeringsbeschikking nadere verplichtingen worden verbonden.
De scores en de weging van de criteria, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder 1° tot en met 4°, van het besluit, worden bepaald conform bijlage I. De totaalscore van een aanvraag is het gewogen gemiddelde van de scores op die criteria.
Indien meerdere aanvragen gelijk scoren bij de weging op grond van artikel 5, tweede lid, van het besluit, en de toekenning van uitkeringen zou leiden tot overschrijding van het krachtens artikel 3, tweede of derde lid, van het besluit, vastgestelde bedrag, worden die aanvragen onderling gerangschikt op grond van de behaalde score bij het criterium effectiviteit.
Indien na toepassing van het eerste lid nog steeds meerdere aanvragen gelijk scoren worden die aanvragen onderling gerangschikt op grond van de hoogte van de gevraagde bijdrage per woning, waarbij de aanvraag met de laagste bijdrage per woning het hoogst eindigt.
Indien een aanvraag niet volledig kan worden toegekend in verband met de overschrijding van het krachtens artikel 3, tweede of derde lid, van het besluit, vastgestelde bedrag, kan de minister besluiten om de aanvraag toch toe te wijzen en het restant van de uitkering ten laste te brengen van het uitkeringsplafond van het eerstvolgende aanvraagtijdvak. De minister kan, in afwijking van artikel 4, vijfde lid, voor een geval als bedoeld in de eerste volzin besluiten om de uitkering in twee keer uit te betalen.
Een project scoort onvoldoende als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b, van het besluit, indien:
- a.
het project gemiddeld lager dan een 5,5 scoort; of
- b.
de score op een van de criteria, genoemd in artikel 5, tweede lid, onder 1°, 2° of 3°, van het besluit, lager is dan een 5,5.
Bij de beoordeling, bedoeld in artikel 6, tweede lid, onder a, van het besluit worden de volgende regio’s onderscheiden:
- a.
Noord: de provincies Drenthe, Friesland en Groningen;
- b.
Oost: de provincies Gelderland en Overijssel;
- c.
Noordwest: de provincies Flevoland, Noord-Holland en Utrecht;
- d.
Zuidwest: de provincies Zeeland en Zuid-Holland; en
- e.
Zuid: de provincies Noord-Brabant en Limburg.
Op grond van de woningbouwopgave van de regio’s, genoemd in het tweede lid, wordt beoordeeld of sprake is van een onevenwichtige spreiding van de beschikbare middelen over die regio’s. De woningbouwopgave wordt bepaald op basis van de door de Minister in het kader van de in de meest actuele staat van de woningmarkt gepubliceerde cijfers over het tekort aan woningen.
De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste drie en ten hoogste vier leden.
De leden worden door de minister benoemd voor de duur van vier jaar of tot uiterlijk zoveel eerder dat het uitkeringsplafond, genoemd in artikel 3, is uitgeput.
De voorzitter en de andere leden hebben zitting op persoonlijke titel en oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.
De voorzitter en de leden worden op eigen aanvraag ontslagen. Zij kunnen voorts worden geschorst en ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of op andere zwaarwegende gronden.
De commissie wordt ondersteund door een secretariaat.
In het secretariaat wordt voorzien door de minister.
Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de voorzitter van de commissie.
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit woningbouwimpuls 2020 in werking treedt. Indien aan het besluit terugwerkende kracht wordt verleend, werkt deze regeling terug tot het tijdstip waarop het besluit terugwerkt.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Woningbouwimpuls 2020.
De totaalscore van een aanvraag wordt als volgt bepaald: elk hoofdcriterium krijgt een deelscore op een schaal van 1 tot 10. De totaalscore van een aanvraag is: deelscore noodzaak*0,25 + deelscore effectiviteit*0,25 + deelscore efficiëntie*0,25 + deelscore urgentie*0,25.
- 1.
Noodzakelijkheid uitkering
In dit criterium wordt de noodzaak van de gevraagde uitkering gewogen. In de weging wordt naar drie subcriteria gekeken:
- •
Realiteitsgehalte financieel tekort; er is sprake van een realistisch financieel tekort, deze is voldoende onderbouwd en is kwalitatief en financieel geoptimaliseerd binnen de randvoorwaarden van het project. Ook zijn de opgevoerde activiteiten toerekenbaar aan, en de kosten proportioneel voor het project.
- •
Gevolgen niet verlenen uitkering; de ernst van de gevolgen voor het project als de uitkering niet wordt toegekend. De gevolgen van het niet toekennen van een uitkering kunnen zijn dat het project geheel of gedeeltelijk niet doorgaat. Daarbij wordt gekeken naar de gevolgen voor het aantal woningen en het aandeel betaalbare woningen dat zonder uitkering niet of later gerealiseerd kan worden.
- •
Regionaal belang; de realisatie van het project is in lijn met de regionale en provinciale afspraken.
- •
- 2.
Effectiviteit project
Op basis van dit criterium wordt gewogen in welke mate een project voldoet aan de doelen van de woningbouwimpuls. In de weging wordt naar drie subcriteria gekeken:
- •
Kwantiteit en kwaliteit van het betaalbare woningbouwprogramma; het absolute aantal en relatieve aandeel betaalbare woningen binnen het project, de instrumenten die zijn ingezet om de woningen langjarig betaalbaar te houden en de doelgroepen voor wie de woningen bestemd zijn.
- •
Hardheid van de plannen; status van het proces en de nog door te lopen planologische procedures rond het project, de mate van zekerheid dat het project bij een positief besluit doorgaat, op tijd start en voldoende snel wordt gerealiseerd.
- •
Kwaliteit van de leefomgeving; ruimtelijke kwaliteit van het project, zoals adequate mix van functies (wonen, werken, voorzieningen), het mobiliteitsprofiel en een adequaat en toekomstbestendig ruimtelijk ontwerp van het plan, bijvoorbeeld op het gebied van klimaatadaptatie en de energietransitie.
- •
- 3.
Efficiëntie project
Op basis van dit hoofdcriterium wordt gewogen in welke mate er sprake is van een gerichte en optimale inzet van financiële middelen. In de weging wordt naar twee subcriteria gekeken:
- •
Proportionaliteit van de gevraagde uitkering; de gevraagde uitkering is in verhouding met het aantal woningen. Hierbij wordt onder andere gekeken naar de gemiddelde bijdrage per te realiseren woning, de verhouding tussen de gevraagde uitkering en substantiële bijdragen van de betrokken partijen en de investeringskosten gerelateerd aan het project die niet toerekenbaar zijn.
- •
Indirecte effecten; de investeringen binnen het project dragen bij aan een netto woningtoevoeging voor andere woningbouwprojecten.
- •
- 4.
Urgentie
Dit hoofdcriterium onderscheidt zich van de andere drie hoofdcriteria omdat de score op dit criterium vaststaat en niet afzonderlijk beoordeeld hoeft te worden door de commissie. De score wordt wel meegenomen bij het bepalen van de totaalscore door de toetsingscommissie.
Het hoofdcriterium urgentie betreft de relatieve omvang van de woningbouwopgave in het functioneel woningmarktgebied waar de aanvragende gemeente is gelegen. De relatieve woningbouwopgave wordt bepaald op basis van de nieuwbouwopgave als aandeel van de bestaande voorraad. Gemeenten krijgen een score tussen de 2 en 8 punten voor de opgave. In artikel 7, derde lid, is beschreven hoe de woningbouwopgave wordt bepaald.
Gemeenten met een woondeal krijgen 2 extra punten.
Criteria ter beoordeling door de Toetsingscommissie | Aanvullend criterium | |||
1. Noodzaak bijdrage | 2. Effectiviteit project | 3. Efficiëntie project | 4. Urgentie | |
Weging deelscore % | 25% | 25% | 25% | 25% |
Subcriterium 1 | Realiteitsgehalte tekort | Kwantiteit en kwaliteit van het betaalbare woningbouwprogramma | Proportionaliteit van de gevraagde bijdrage | Omvang woningbouwopgave |
Indicatoren | 1. Onderbouwing kosten activiteiten en omvang financieel tekort. 2. Aantonen dat alle mogelijkheden tot verhaal zijn uitgeput. 3. De mate waarin het project kwalitatief en financieel is geoptimaliseerd binnen de randvoorwaarden. | 1. Het aantal betaalbare woningen uitgedrukt als % van het totale woningbouwprogramma. 2. Maatregelen die getroffen zijn om de betaalbare woningen voor langere termijn betaalbaar te houden. 3. Doelgroepen die met het woningbouwprogramma bediend worden. | 1. Gevraagde bijdrage per woning 2. Gevraagde bijdrage per betaalbare woning 3. Gevraagde bijdrage als % van het financiële tekort. 4. Het financieel tekort als % van de investeringskosten gerelateerd aan project die niet toerekenbaar zijn, zowel de kosten die wel toerekenbaar zijn, als de kosten die niet toerekenbaar zijn. | 1. De relatieve omvang van de regionale woningbouwopgave |
Subcriterium 2 | Gevolg niet verlenen bijdrage | Hardheid: zekerheid tijdig realiseren van woningen | Indirecte effecten | Woondeals |
Indicatoren | 1. Omvang woningproductie bij geen bijdrage als % van productie bij wel bijdrage. 2. Het aandeel betaalbare woningen bij geen bijdrage als % van het aandeel betaalbare woningen bij wel bijdrage. 3. Vertraging in start bouw in maanden bij geen bijdrage. | 1. Planologische status project. 2. Stand van zaken rond consultatie, selectie en/of overeenkomsten met (markt)partijen. 3. Moment van start bouw. 4. De continuïteit van de bouwstroom 5. Aantonen van voldoende garanties voor het tijdig realiseren van het project waarvoor bijdrage gevraagd wordt. | 1. Onderbouwing indien opgevoerde activiteiten direct bijdragen aan het realiseren van woningen buiten het project. | 1. De gemeente heeft wel/geen woondeal. |
Subcriterium 3 | Regionaal belang | Kwaliteit van de leefomgeving | Niet van toepassing | Niet van toepassing |
Indicatoren | 1. Onderbouwing dat regionale en provinciale afstemming heeft plaatsgevonden over het project. | 1. De doorvertaling van brede opgaven naar lokaal niveau en de kwaliteit van de 2. ruimtelijke uitwerking 3. (zoals klimaatadaptatie en energietransitie). 4. Het mobiliteitsprofiel 5. 6. Kwantitatieve opzet van het stedenbouwkundig plan (o.a. het aandeel categorieën bebouwing in % van de gerealiseerde m2 gbo en de eisen aan het oppervlak van de woning). |