Wijzigingen Officiële bron
Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 november 2025, nr. BZ2521269 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030)Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030De Minister van Buitenlandse Zaken,

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 8.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Buitenlandse Zaken,D.M. vanWeel

Voor subsidieverlening op grond van het artikel 8.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op subsidiëring van maatschappelijke initiatieven die in het kader van het trans-Atlantisch slavernijverleden in Suriname ondersteuning verdienen, gelden voor de periode vanaf inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat het besluit van toepassing blijft op aanvragen die voor die datum zijn ingediend en subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit wordt aangehaald als: Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030.

Op 19 december 2022 bood toenmalig Minister-President Rutte namens de Nederlandse regering excuses aan voor het handelen van de Nederlandse staat in het verleden met betrekking tot het slavernijverleden: postuum aan alle tot slaaf gemaakten die wereldwijd onder dat handelen hebben geleden, aan hun dochters en zonen, en aan al hun nazaten tot in het hier en nu.

Op dezelfde dag reageerde het kabinet3 op het rapport ‘Ketenen van het verleden’4 van de Dialooggroep Slavernijverleden. De Dialooggroep adviseerde onder andere om het bewustzijn over de trans-Atlantische slavernij te vergroten en het slavernijverleden beter zichtbaar te maken. Het kabinet concludeerde dat erkenning van en excuses voor dit verleden de basis vormen voor maatschappelijk herstel.

Het kabinet heeft voor het omgaan met het slavernijverleden drie doelen opgesteld:

Het kabinet heeft hiervoor € 200 miljoen beschikbaar gesteld. Hiervan is € 100 miljoen bestemd voor subsidies voor maatschappelijke initiatieven die zich richten op het trans-Atlantisch slavernijverleden in het Koninkrijk der Nederlanden en Suriname.5 Dit bedrag is gelijk verdeeld over Europees Nederland, het Caribisch deel van het Koninkrijk en Suriname.6

Voor elk van de drie gebieden is een eigen subsidie-instrument ontwikkeld, om recht te doen aan de specifieke behoeften van de verschillende gebieden. De instrumenten voor Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.7

Dit Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030 (hierna: subsidieprogramma) betreft de subsidiëring van maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden in Suriname en valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: minister).

De minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.

In dit subsidieprogramma wordt verstaan onder:

Dit subsidieprogramma stimuleert activiteiten die plaatsvinden in Suriname ten behoeve van de nazaten van tot slaaf gemaakten, Marron en Inheemse bevolking, met als doel:

Subsidies in het kader van dit subsidieprogramma zijn bedoeld voor maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en grassroots organisaties, die zelfstandig of in een samenwerkingsverband een aanvraag kunnen indienen.

Bij een zelfstandige aanvraag moet de aanvrager statutair gevestigd zijn in Suriname.

Bij een samenwerkingsverband moet de penvoerder, die namens het samenwerkingsverband de aanvraag indient, statutair gevestigd zijn in Suriname. Alle andere partners in het samenwerkingsverband moeten statutair gevestigd zijn in Suriname, het Caribisch deel van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba) of Europees Nederland. Als de aanvraag wordt gehonoreerd is de penvoerder jegens de minister verantwoordelijk voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en de naleving van de subsidieverplichtingen. De penvoerder en zijn partners zijn jegens elkaar verantwoordelijk voor de nakoming van de door hen gemaakte contractuele afspraken.

Voor een subsidie voor een project gericht op financiering van activiteiten van natuurlijke personen kunnen alleen maatschappelijke organisaties in aanmerking komen (zie paragraaf 7).

In het kader van dit subsidieprogramma kan subsidie worden verstrekt voor één van de volgende projectsoorten:

Elk project moet bijdragen aan het doel zoals omschreven in paragraaf 4.1.

In ieder geval wordt geen subsidie verleend voor:

Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de te verlenen subsidie gelden de volgende uitgangspunten:

De subsidiabele kosten per projectsoort worden beschreven in de paragrafen 5, 6 en 7.

Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:

Aanvragen moeten worden ingediend binnen het aanvraagtijdvak dat geldt voor de betreffende projectsoort. Voor elk aanvraagtijdvak geldt dat aanvragen die worden ingediend na de sluitingsdatum niet in behandeling worden genomen.

Aanvragen moeten worden ingediend met een aanvraagformulier dat beschikbaar wordt gesteld op de RVO-website. De vereiste bijlagen worden bij de aanvraag gevoegd.

De aanvrager is volledig verantwoordelijk voor het tijdig en compleet indienen van een aanvraag. Aanvragen dienen volledig en zonder voorbehoud te worden ingediend. De aanvraag moet rechtsgeldig zijn ondertekend door de daartoe bevoegde persoon namens de aanvrager, met vermelding van diens naam en functie. In het geval van een samenwerkingsverband moet de aanvraag ondertekend zijn door de penvoerder en alle partners met vermelding van ieders naam en functie.

Het verwijzen naar andere onderdelen of bijlagen is bij de subsidieaanvraag alleen toegestaan als dit expliciet is vermeld in het aanvraagformulier. Onvolledig ingevulde onderdelen of bijlagen kunnen leiden tot afwijzing van de aanvraag. Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen.

Mocht een aanvraag incompleet worden ingediend, dan kan de aanvrager de gelegenheid krijgen om het verzuim te herstellen en daarmee de aanvraag compleet te maken, conform artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Als de aanvrager niet of niet afdoende binnen de gegeven termijn het verzuim herstelt, wordt de aanvraag definitief niet in behandeling genomen. In geval van verzuimherstel, geldt als moment van ontvangst van de aanvraag de datum waarop de aanvulling is ontvangen.

Verzuimherstel moet plaatsvinden binnen het aanvraagtijdvak waarin de oorspronkelijke aanvraag is ingediend. Blijkt pas kort voor of na het verstrijken van een aanvraagtijdvak dat er sprake is van verzuim, dan is er geen gelegenheid meer om een mogelijkheid tot herstel van verzuim te bieden en wordt de aanvraag beoordeeld zoals deze binnen het aanvraagtijdvak is ingediend.

De aanvraag moet in het Nederlands worden opgesteld. Bijlagen in een andere taal moeten vergezeld zijn van een Nederlandse vertaling. Extra informatie, zoals illustratieve presentaties/brochures/boeken of USB-sticks, wordt niet meegenomen in de beoordeling van een aanvraag.

De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van dit subsidieprogramma. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de criteria die in dit subsidieprogramma zijn neergelegd.

Binnen 13 weken na ontvangst van een aanvraag neemt RVO een besluit over de aanvraag. De aanvrager ontvangt een subsidieverleningsbeschikking of een afwijzingsbeschikking.

De beoordelingsprocedure en verdeelmethode wordt per projectsoort beschreven in de paragrafen 5, 6 en 7.

Voor de projectsoort gericht op de financiering van activiteiten van natuurlijke personen door een maatschappelijke organisatie onder paragraaf 7 geldt een éénmalige tenderprocedure.

De activiteiten in een project gericht op capaciteitsversterking moeten bijdragen aan het doel zoals omschreven in paragraaf 4.1.

Dit omvat in ieder geval de volgende activiteiten:

Een project gericht op capaciteitsversterking heeft een looptijd van maximaal één jaar en moet binnen drie maanden na subsidieverlening starten.

De subsidie voor een project gericht op capaciteitsversterking bedraagt per aanvraag tussen de € 5.000 en € 25.000.

Een aanvrager kan in één indieningstijdvak voor niet meer dan twee subsidies in aanmerking komen voor activiteiten gericht op capaciteitsversterking (deze paragraaf) en/of maatschappelijke activiteiten (paragraaf 6) onder dit subsidieprogramma.

Subsidiabele kosten zijn de volgende door de subsidieontvanger(s) zelf te maken kosten:

Samenwerkingsverband

In geval van een samenwerkingsverband kunnen kosten van partners in het Caribisch deel van het Koninkrijk of Europees Nederland als subsidiabele kosten worden opgevoerd voor zover deze kosten:

Dit betekent in ieder geval dat reis- en verblijfkosten van partners buiten Suriname uitsluitend subsidiabel zijn voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteiten in Suriname en doelmatig zijn begroot. Dit houdt in dat vliegreizen slechts subsidiabel zijn op basis van economy class en reis- en verblijfkosten van partners maximaal 8% bedragen van de totale subsidiabele kosten.

De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door RVO beschikbaar gesteld aanvraagformulier op de RVO-website. De aanvraag bevat naast het aanvraagformulier ook alle daarin genoemde bijlagen.

De aanvraag bevat in ieder geval:

Aanvragen voor een project gericht op capaciteitsversterking worden beoordeeld op volgorde van ontvangst. Vanaf het moment dat aannemelijk is dat de beschikbare middelen op basis van de beoordeling van eerder binnengekomen aanvragen zullen worden uitgeput, wordt de behandeling van later binnengekomen aanvragen aangehouden. Als blijkt dat eerdere aanvragen worden afgewezen, zullen de latere aanvragen in behandeling worden genomen, op volgorde van ontvangst.

Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie moet de aanvraag voldoen aan de in de paragrafen 4 en 5 opgenomen vereisten. Als aan één of meer van de vereisten niet wordt voldaan, wordt de aanvraag afgewezen.

De activiteiten in een project gericht op maatschappelijke activiteiten moeten bijdragen aan het doel zoals omschreven in paragraaf 4.1.

Dit omvat in ieder geval de volgende activiteiten:

Een project gericht op maatschappelijke activiteiten heeft een looptijd van maximaal twee jaar en moet binnen drie maanden na subsidieverlening starten.

Er zijn twee soorten subsidie voor een project gericht op maatschappelijke activiteiten:

Kleine subsidies: Het subsidiebedrag is tussen € 5.000 en € 25.000.

Grote subsidies: Het subsidiebedrag is tussen € 25.000 en € 500.000.

Een aanvrager kan in één indieningstijdvak voor niet meer dan twee subsidies in aanmerking komen voor activiteiten gericht op capaciteitsversterking (paragraaf 5) en/of maatschappelijke activiteiten (deze paragraaf) onder dit subsidieprogramma.

Subsidiabele kosten zijn de volgende door de subsidieontvanger(s) zelf te maken kosten:

Samenwerkingsverband

In geval van een samenwerkingsverband kunnen kosten van partners in het Caribisch deel van het Koninkrijk of Europees Nederland als subsidiabele kosten worden opgevoerd voor zover deze kosten:

Dit betekent in ieder geval dat reis- en verblijfkosten van partners buiten Suriname uitsluitend subsidiabel zijn voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteiten in Suriname en doelmatig zijn begroot. Vliegreizen zijn slechts subsidiabel op basis van economy class. Reis- en verblijfkosten bij projecten waarvan de omvang van subsidie tussen € 5.000 en

€ 25.000 bedraagt, bedragen maximaal 8% van de totale subsidiabele kosten. Bij projecten waarvan de omvang van subsidie tussen € 25.000 en € 500.000 bedraagt, bedragen reis- en verblijfkosten maximaal 8% van de totale subsidiabele kosten, tenzij in de aanvraag toereikend wordt gemotiveerd waarom een hoger percentage noodzakelijk en proportioneel is.

De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door RVO beschikbaar gesteld aanvraagformulier op de RVO-website. De aanvraag bevat naast het aanvraagformulier ook alle daarin genoemde bijlagen.

De aanvraag bevat in ieder geval:

Aanvragen voor een project gericht op maatschappelijke activiteiten worden beoordeeld op volgorde van ontvangst. Vanaf het moment dat aannemelijk is dat de beschikbare middelen op basis van de beoordeling van eerder binnengekomen aanvragen zullen worden uitgeput, wordt de behandeling van later binnengekomen aanvragen aangehouden. Als blijkt dat eerdere aanvragen worden afgewezen, zullen de latere aanvragen in behandeling worden genomen, op volgorde van ontvangst.

Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie moet de aanvraag voldoen aan de in de paragrafen 4 en 6 opgenomen vereisten. Als aan één of meer van de vereisten niet wordt voldaan, wordt de aanvraag afgewezen.

Natuurlijke personen kunnen niet in aanmerking komen voor een subsidie van de minister. Er kan wel subsidie verleend worden aan een maatschappelijke organisatie die daardoor in staat wordt gesteld activiteiten van natuurlijke personen in Suriname, die bijdragen aan het doel zoals omschreven in paragraaf 4.1, financieel te steunen.

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie voor een project gericht op de financiële ondersteuning van activiteiten van natuurlijke personen, bevat het project in ieder geval de volgende, door een maatschappelijke organisatie uit te voeren, activiteiten:

De aanvrager waarborgt dat de subsidie alleen wordt aangewend voor financiële ondersteuning van activiteiten van natuurlijke personen woonachtig in Suriname; het kan daarbij onder andere, maar niet uitsluitend, gaan om:

De aanvrager verstrekt financiële ondersteuning aan natuurlijke personen. Het is aan de aanvrager om, met inachtneming van dit subsidieprogramma, criteria op te stellen en te hanteren voor de selectie, en een passende vorm te vinden voor de relaties die hij aangaat met de door hem geselecteerde natuurlijke personen.

In de subsidieverleningsbeschikking zullen verplichtingen worden opgenomen die waarborgen dat de subsidieontvanger de besteding van de subsidiemiddelen naar behoren zal verantwoorden jegens de minister. Dit houdt in dat alle kosten die in verband met de financiële ondersteuning worden gemaakt, moeten worden gedocumenteerd en verantwoord. Kosten in verband met financiële ondersteuning die niet kunnen worden geverifieerd, komen niet in aanmerking. Ten einde deze verantwoordelijkheid voor de besteding van de subsidiemiddelen jegens de minister waar te maken, is het van belang dat de subsidieontvanger borgt dat de ontvanger van de financiële ondersteuning hem daartoe in staat stelt.

Een project gericht op de financiële ondersteuning van activiteiten van natuurlijke personen door een maatschappelijke organisatie heeft een looptijd van maximaal vier jaar en moet binnen drie maanden na subsidieverlening starten.

De subsidie voor een project gericht op de financiële ondersteuning van activiteiten van natuurlijke personen bedraagt maximaal € 1.500.000.

Van dit bedrag mag een beperkt gedeelte worden aangewend voor de uitvoeringskosten van de maatschappelijke organisatie. Onder uitvoeringskosten worden verstaan de kosten die de maatschappelijke organisatie maakt voor de uitvoering van het project, waaronder kosten voor publicatie en promotie van de financieringsmogelijkheid/financieringsoproep, beoordeling van verzoeken, communicatie met verzoekers, financieel beheer, monitoring, administratie en verantwoording. Het kan hierbij gaan om zowel personeelskosten als aan derden verschuldigde kosten zoals omschreven in paragraaf 7.4.

Subsidiabele kosten zijn de volgende door de subsidieontvanger zelf te maken kosten:

De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door RVO beschikbaar gesteld aanvraagformulier op de RVO-website. De aanvraag bevat naast het aanvraagformulier ook alle daarin genoemde bijlagen.

De aanvraag bevat in ieder geval:

De verdeling van de beschikbare middelen voor een project gericht op de financiële ondersteuning van activiteiten van natuurlijke personen vindt plaats via een tender, dat wil zeggen aan de hand van een rangschikking op basis van kwaliteit van de tijdig ingediende aanvragen. Na sluiting van de indieningsperiode worden alle tijdig ontvangen aanvragen in behandeling genomen; de beoordeling wordt voor elke aanvraag gedaan op basis van de informatie die voor sluiting van de aanvraagtermijn is ontvangen.

Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie moet allereerst aan de in paragrafen 4 en 7.6.1 opgenomen vereisten worden voldaan; wordt aan een of meer vereisten niet voldaan, dan wordt de aanvraag afgewezen.

De aanvragen die aan deze vereisten voldoen worden inhoudelijk beoordeeld op kwaliteit aan de hand van de criteria in paragraaf 7.6.2. Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie moet een aanvraag tenminste van voldoende kwaliteit zijn. De uitkomst van de beoordeling leidt tot een rangorde van de aanvragen op basis van kwaliteit. Aanvragen die niet van ten minste voldoende kwaliteit zijn, worden niet meegenomen in deze rangschikking.

Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie moet aan alle volgende vereisten worden voldaan:

De aanvragen die aan alle hiervoor in de paragrafen 4 en 7.6.1 genoemde vereisten voldoen, worden beoordeeld op basis van de volgende kwalitatieve beoordelingscriteria. De beoordelingscriteria waar de meeste punten voor kunnen worden gehaald staan als eerste opgesomd. Het precieze aantal punten dat per beoordelingscriterium kan worden toegekend wordt bekendgemaakt bij het aanvraagformulier. Alle aanvragen die kwalitatief beoordeeld zijn worden vervolgens gerangschikt op basis van kwaliteit van de aanvraag. Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie dient een aanvraag ten minste van voldoende kwaliteit te zijn: het aanvraagformulier zal inzicht verschaffen in het minimaal benodigde puntenaantal.

De kwalitatieve beoordelingscriteria zijn:

Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het bepaalde in dit subsidieprogramma of als

de beschikbare subsidiemiddelen ontoereikend zijn.

Aan de subsidieverlening worden verplichtingen verbonden, die worden opgenomen in de subsidieverleningsbeschikking. Deze verplichtingen hebben onder andere betrekking op een meldingsplicht ten aanzien van feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de subsidie, zoals het niet (geheel of tijdig) kunnen uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten. Ook verplichtingen ten aanzien van de vaststelling, zoals het aanleveren van rapportages en verantwoording, worden opgenomen in de subsidieverleningsbeschikking.

RVO zal een steekproefsgewijze controle uitvoeren op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid.

Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de subsidieaanvrager te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 4% bedraagt.