U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 07-09-2013.

Regeling · BWBR0001950

Algemeen Rijksambtenarenreglement

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 12 juni 1931, tot vaststelling van het Algemeen Rijksambtenarenreglement Algemeen RijksambtenarenreglementWij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie van 20 Februari 1931, n°. 974, 2de Afdeeling A;

Gelet op de artikelen 125, eerste lid en 133, eerste lid, van de Ambtenarenwet 1929;

Den Raad van State gehoord (advies van 31 Maart 1931, n°. 22);

Gezien het nader rapport van Onzen Minister voornoemd van 9 Juni 1931, n°. 918, 2 A;

Hebben goedgevonden en verstaan:

vast te stellen de navolgende bepalingen.

Onze Ministers, hoofden van departementen van algemeen bestuur, zijn, ieder voor zooveel hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk, met de inhoudsopgave, in het Staatsblad geplaatst zal worden en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State en de Algemeene Rekenkamer.

Het Loo den 12den Juni 1931 WILHELMINA. De Minister van Justitie, J. DONNER. den negen en twintigsten Juni 1931. De Minister van Justitie, J. DONNER.

Ambtenaar in de zin van dit besluit is degene, die door het Rijk is aangesteld om in burgerlijke openbare dienst werkzaam te zijn.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van de werving en selectie van ambtenaren.

De aanstelling in vaste dienst geschiedt in algemene dienst van het rijk.

Bij wijziging van een tijdelijk in een vast dienstverband dan wel in geval van wijziging van tewerkstelling in een andere niet-vertrouwensfunctie wordt geen verklaring omtrent het gedrag verlangd of, indien het een functie betreft die bijzondere eisen stelt aan de integriteit of verantwoordelijkheid van de betrokkene, wordt niet verzocht om justitiële gegevens, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag door gewijzigde omstandigheden betreffende de functie of de tewerkstelling een verklaring omtrent het gedrag dan wel een onderzoek, bedoeld in artikel 9, zevende lid, nodig is.

Vervallen

Vervallen

Voor zover deze gegevens op hem betrekking hebben en niet reeds in de akte van aanstelling zijn vermeld, worden aan de ambtenaar zo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld:

Vervallen

Vervallen

De ambtenaar ontvangt over den tijd, gedurende welken hij in strijd met zijne verplichtingen opzettelijk nalaat zijn dienst te verrichten, geen bezoldiging.

De beloning van de ambtenaar, die is aangesteld voor enkele diensten, niet vallende binnen de taak van het betrokken dienstvak, wordt bepaald op een voor elk geval of voor elke te verrichten dienst, afzonderlijk vast te stellen bedrag.

Indien de ambtenaar, als militair in werkelijke dienst zijnde, overlijdt, wordt de uitkering, bedoeld in artikel 102, verminderd met het bedrag van de overeenkomstige uitkering, welke uit hoofde van de militaire dienst ter zake van dit overlijden wordt gedaan.

Op de ambtenaar, die in tijdelijke dienst is aangesteld, zijn de bepalingen, vervat in de artikelen 17 tot en met 20b, slechts van toepassing tot en met de dag, waarop de burgerlijke betrekking zou zijn beëindigd, indien hij daaraan niet door de militaire dienst zou zijn onttrokken.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van het spaarloon, bedoeld in artikel 32 van de Wet op de Loonbelasting 1964.

De ambtenaar heeft het recht om, op zijn verzoek, in deeltijd te gaan werken, tenzij hieruit bezwaren voor de dienst voortvloeien.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van individuele keuzemogelijkheden in het arbeidsvoorwaardenpakket.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17 dan wel artikel 18a van het BBRA 1984 is - met betrekking tot de vaststelling van dat bezoldigingsdeel tijdens vakantie - artikel 17, derde lid, respectievelijk vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

Vervallen

Onze Minister is bevoegd nadere en zonodig afwijkende regels vast te stellen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Onverminderd het bepaalde in de hoofdstukken III en VI, geniet verlof:

Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt buitengewoon verlof met behoud van volle bezoldiging verleend:

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Voor de toepassing van deze paragraaf is - ingeval de ambtenaar in het genot is van een toelage als bedoeld in artikel 17, dan wel artikel 18a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 - met betrekking tot de vaststelling van dit bezoldigingsdeel, het derde, respectievelijk vierde lid van artikel 17 van overeenkomstige toepassing.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels ten aanzien van levensloopverlof.

In dit hoofdstuk en in hoofdstuk X wordt verstaan onder:

Indien de bepalingen in dit hoofdstuk worden toegepast op de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de Raad van State en het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, dient voor Onze Minister telkens respectievelijk te worden gelezen het college van de Algemene Rekenkamer, de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der Koningin, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de vice-president van de Raad van State of de voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

De kosten, verbonden aan het onderzoek, bedoeld in artikel 36b, eerste lid, respectievelijk, het hernieuwd onderzoek bedoeld in het artikel 36b, derde lid, komen voor rekening van Onze Minister. Eventuele reis- en verblijfkosten van de ambtenaar worden hem vergoed volgens de geldende regels ter zake van dienstreizen.

De artikelen 37, vierde lid, 37a, tweede tot en met vijfde lid, 38, 38a en 69, tweede lid, zijn niet van toepassing op de ambtenaar en de gewezen ambtenaar die geen deelnemer zijn in de zin van het Pensioenreglement.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Indien de bepalingen in dit hoofdstuk worden toegepast op de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de Raad van State, dient voor Onze Minister telkens te worden gelezen het college van de Algemene Rekenkamer, de Voorziter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der Koningin, de Kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman, de voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten of de vice-president van de Raad van State.

De ambtenaar die is aangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd en de ambtenaar aangesteld in vaste dienst, wier functie in verband met een reorganisatie is opgeheven, worden aangewezen als te herplaatsen ambtenaar, hierna te noemen: herplaatsingskandidaat.

De ambtenaar wordt omtrent zijn aanwijzing als herplaatsingskandidaat zo spoedig mogelijk geïnformeerd.

Onze Minister kan de naar zijn oordeel meest geschikte herplaatsingskandidaat, voor wie de functie als passend wordt aangemerkt, herplaatsen in die functie.

Vervallen

Onze Minister kan de herplaatsingskandidaat een premie in het vooruitzicht stellen ter grootte van maximaal drie maandsalarissen indien aan hem binnen 18 maanden nadat hij is aangewezen als herplaatsingskandidaat op zijn aanvraag eervol ontslag wordt verleend.

Onze Minister kan de artikelen 49j, tweede lid, 49k, 49n en 49p toepassen op de ambtenaar wiens functie binnen afzienbare tijd wordt opgeheven of die als overtollig zal worden aangemerkt.

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, wordt verstaan onder:

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Van een passende functie is sprake indien de VWNW-kandidaat naar het oordeel van het bevoegd gezag beschikt over de kennis en kunde die noodzakelijk worden geacht om de functie naar behoren te kunnen uitoefenen, dan wel indien de VWNW-kandidaat naar het oordeel van het bevoegd gezag binnen redelijke termijn om-, her- of bijgeschoold kan worden, en deze functie hem in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten, redelijkerwijs kan worden opgedragen.

Artikel 100a is van overeenkomstige toepassing op de VWNW-kandidaten met een aanstelling in vaste dienst.

In afwijking van artikel 12ba, tweede lid, en het bepaalde krachtens artikel 12bb van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 heeft de VWNW-kandidaat, die als gevolg van een wijziging van de plaats van tewerkstelling wordt verplaatst, gedurende twee jaar na verplaatsing recht op volledige vergoeding van de door het bevoegd gezag redelijk geachte pensionkosten.

Het bevoegd gezag draagt er zorg voor dat de VWNW-kandidaat desgewenst na plaatsing in een functie binnen de sector Rijk minimaal 20% van zijn werktijd flexibel kan werken indien het aanvaarden van die functie hierdoor wordt bevorderd, tenzij de aard van de werkzaamheden zich daartegen verzet. De flexibiliteit heeft betrekking op de werktijden en de plaats waar gewerkt wordt.

Indien het bevoegd gezag binnen zes maanden na plaatsing in een functie binnen de sector Rijk besluit dat de VWNW-kandidaat is geplaatst in een functie die niet passend is, heeft betrokkene vanaf de dag dat hem dit besluit hem ter kennis is gebracht, aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met dien verstande dat de perioden van het begeleidingstraject die voor de plaatsing in de nieuwe functie zijn doorlopen, in mindering worden gebracht op de periode van het nieuwe begeleidingstraject.

De verplichte VWNW-kandidaat heeft bij de vervulling van vacatures binnen de sector Rijk een voorrangspositie op andere ambtenaren, voor zover die geen voorrangspositie hebben.

De artikelen 96 en 96a zijn niet van toepassing op de VWNW-kandidaat.

Het bevoegd gezag kan de aanspraak op het begeleidingstraject en de voorzieningen, bedoeld in paragraaf 3 en 4 van dit hoofdstuk toekennen aan andere ambtenaren voor zover daarmee de plaatsing van een VWNW-kandidaat wordt gerealiseerd of hiermee een bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een taakstelling.

De artikelen 49jj, eerste tot en met het zevende lid, 49kk, eerste lid, en artikel 49ll zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar van wie de plaats van tewerkstelling wijzigt vanwege een wijziging van de locatie van zijn organisatie.

Het bevoegd gezag kan afwijken van de bepalingen in dit hoofdstuk voor zover toepassing gelet op het belang dat deze bepalingen beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor de ambtenaar.

Ter zake van niet-naleving van bepalingen, welke redelijkerwijs niet kunnen worden geacht den ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordeelen onthouden of nadeelen toegebracht.

Vervallen

Indien de ambtenaar verhinderd is zijn dienst te verrichten, is hij verplicht daarvan, onder opgave van redenen, zoo tijdig mogelijk mededeeling te doen, ten einde vertraging of hinder in den dienst zooveel doenlijk te voorkomen.

Vervallen

Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen nadere regels worden gesteld om ambtenaren die werkzaam zijn in een substantieel bezwarende functie als bedoeld in artikel 97, eerste lid, te stimuleren na verloop van tijd de overstap te maken naar een niet substantieel bezwarende functie.

Vervallen

De ambtenaar is verplicht de dienstkleding en de onderscheidingstekenen te dragen, voor zover dit door Onze Minister voorgeschreven is.

Vervallen

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan regels stellen ten aanzien van telewerken. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:

Verplichting tot zekerheidsstelling wordt den ambtenaar niet opgelegd.

Vervallen

Vervallen

Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft en hiervan aan het hoofd van dienst heeft kennis gegeven, behoort gelegenheid te worden gegeven haar kind te zoogen.

Het is den ambtenaar verboden gedurende den werktijd alcoholhoudende dranken te gebruiken, bij zich te hebben of in de dienstlokalen te bewaren.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De ambtenaar kan niet gestraft worden wegens overtreding van artikel 125a, eerste lid, van de Ambtenarenwet, dan nadat daarover advies is ingewonnen van de Adviescommissie grondrechten en functie-uitoefening ambtenaren.

De ambtenaar dient van de ontvangst van een besluit inzake strafoplegging te doen blijken door onverwijlde terugzending van een door hem ondertekend en gedateerd ontvangstbewijs.

De straf, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd, zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging onmiddellijke tenuitvoerlegging is bevolen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

De ambtenaar is van rechtswege in zijn ambt geschorst, wanneer hij krachtens wettelijke maatregel van zijn vrijheid is beroofd, tenzij de vrijheidsbeneming het gevolg is van een maatregel, anders dan op grond van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, genomen in het belang van de volksgezondheid.

Ontslag wordt gegeven door het gezag dat bevoegd is tot aanstelling in het desbetreffende ambt. De voordracht voor het ontslag van de ambtenaar, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, geschiedt door Onze minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het ontslag van de ambtenaar, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder b of c, vindt plaats in overeenstemming met Onze minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Aan de ambtenaar die een benoeming tot minister of staatssecretaris aanvaardt wordt, met ingang van de dag van het aanvaarden van deze betrekking, eervol ontslag verleend.

Vervallen

Indien aan de ambtenaar gedurende de tijd, dat hij recht heeft op wachtgeld, daaronder mede begrepen herplaatsingswachtgeld, een uitkering krachtens de Uitkeringsregeling 1966 of een suppletie op grond van de Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk , een voor hem passend geachte betrekking is aangeboden en die betrekking binnen een periode van uiterlijk één jaar, nadat hij haar is gaan vervullen, niet passend voor hem blijkt te zijn, kan hem binnen die periode op zijn aanvraag eervol ontslag uit die betrekking worden verleend, welk ontslag ten aanzien van zijn aanspraken op een wachtgeld of uitkering als evenbedoeld, wordt geacht niet door eigen toedoen te zijn verleend.

Vervallen

Vervallen

Na het overlijden van de gewezen ambtenaar, die op de dag van zijn overlijden op grond van de artikelen 38 en 46 in het genot was van doorbetaling van zijn laatstelijk genoten bezoldiging, wordt aan de in artikel 102 bedoelde personen en met overeenkomstige toepassing van dat artikel een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging welke de gewezen ambtenaar op de dag van zijn overlijden genoot, berekend over een tijdvak van drie maanden. Op deze uitkering wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering op grond van de artikelen 35 en 36 van de ZW, artikel 74 van de WIA, de artikelen 6 en 11 van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk of naar aard en strekking daarmee overeenkomende uitkeringen die voortvloeien uit dezelfde dienstbetrekking. Alleen uitkeringen die voortvloeien uit de dienstbetrekking bij Onze Minister worden in mindering gebracht.

Indien door de ambtenaar voor het gebruik der ambts- of dienstwoning een vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden deze over de tijd, gedurende welke zij het gebruik dier woning behouden.

De centrales van verenigingen van ambtenaren, die van de in artikel 106, eerste lid, vermelde bevoegdheid hebben gebruik gemaakt, doen aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties mededeling van haar statuten en huishoudelijke reglementen en van de daarin aangebrachte wijzigingen, zomede van de statuten en van de daarin aangebrachte wijzigingen van de bij haar aangesloten verenigingen van ambtenaren.

Zij stellen Onze genoemde Minister voorts jaarlijks in kennis van het totale ledental van de bij elk der centrales aangesloten verenigingen.

Een wijziging van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, betrekking hebbende op een ambt dat is vermeld in bijlage A van dat besluit, behoort niet tot de in artikel 105 bedoelde aangelegenheden.

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verleent zijn bemiddeling om aan de Sectorcommissie een lokaliteit in een Rijksgebouw ter beschikking te stellen, indien deze Sectorcommissie daartoe een verzoek doet ten behoeve van een door haar te houden vergadering.

Voor de toepassing van het bepaalde in de artikelen 110d en volgende wordt verstaan onder:

De artikelen 110d tot en met 110h zijn slechts van toepassing op geschillen inzake aangelegenheden als bedoeld in artikel 105 voorzover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd, betreffen.

Indien de voorzitter dan wel een of meer van de centrales, in het overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet tot een uitkomst zal leiden die de instemming van alle deelnemers aan dat overleg zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen 3 dagen nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het overleg.

Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het geschil voortgezet.

De uitspraak van de Advies- en Arbitragecommissie heeft bindende kracht.

Indien over een aangelegenheid in afwijking van het standpunt van de Sectorcommissie wordt beslist, brengt Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de redenen dier afwijking zo spoedig mogelijk ter kennis van de Sectorcommissie.

Van het in de vergaderingen van het overleg en de werkgroepen behandelde maakt de secretaris notulen. Bovendien wordt een verslag opgemaakt, bevattende een beknopte samenvatting van het verhandelde, voor zover dat voor openbaarmaking geschikt kan worden geacht.

Na overleg met de Sectorcommissie onderscheidenlijk de door deze in de betrokken werkgroep aangewezen leden, kan de voorzitter ten aanzien van het in vorenbedoelde vergaderingen verhandelde, geheimhouding opleggen. De plicht tot geheimhouding geldt niet, indien en voor zover de leden van de Sectorcommissie dan wel de door haar in de betrokken werkgroep aangewezen leden in bespreking treden met de door hen vertegenwoordigde centrales of de daarbij aangesloten verenigingen.

Vervallen

In geval van een geschil omtrent een voorgenomen besluit tot invoering of wijziging van regels met rechten of verplichtingen van individuele ambtenaren waarover overleg met de centrales moet worden gevoerd, zijn de artikelen 110b en 110d tot en met 110k van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de Advies- en Arbitragecommissie, genoemd in artikel 110g, voor de behandeling van het geschil wordt uitgebreid met twee bijzondere leden die worden benoemd door Onze Minister. Van deze leden wordt één lid benoemd op voordracht van de tot het overleg toegelaten centrales. Niet benoembaar tot bijzonder lid zijn:

Onze Minister kan geheimhouding opleggen ten aanzien van hetgeen in het overleg is behandeld. De plicht tot geheimhouding geldt niet voor zover degenen die namens de centrales aan het overleg deelnemen in bespreking treden met de door hen vertegenwoordigde centrales of de daarbij aangesloten verenigingen.

Onze Minister draagt er zorg voor dat de ambtenaar, die in het overleg optreedt of heeft opgetreden namens een centrale, en de ambtenaar, die lid is geweest van een bijzondere commissie, niet uit dien hoofde worden benadeeld in hun positie als ambtenaar.

De artikelen 113 tot en met 117 zijn van overeenkomstige toepassing op de Raad van State, de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman en het secretariaat van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, met dien verstande dat voor Onze Minister telkens wordt gelezen respectievelijk de vice-president van de Raad van State, het college van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman en de voorzitter van de commissie van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Met uitzondering van de ambtenaar die is aangesteld als lid van de topmanagementgroep als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, wordt de ambtenaar die voorafgaand aan 1 maart 2007 op grond van dit besluit bij Koninklijk Besluit is aangesteld, aangemerkt als te zijn aangesteld op grond van artikel 7, eerste lid.

De ambtenaar en de gewezen ambtenaar worden geacht een aanvraag te hebben ingediend als bedoeld in artikel 38a indien de eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens een dienstongeval of een beroepsziekte is gelegen in de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 november 2005.

Artikel 69, tweede lid, is niet van toepassing op beroepsincidenten die zich hebben voorgedaan vóór 1 december 2005.

In afwijking van artikel 97, tweede lid, wordt aan de ambtenaar die is geboren voor 1950 eervol ontslag verleend op de eerste dag van de maand volgende op die waarin hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt.

Op personen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit in het genot zijn van een wachtgeld, toegekend krachtens het Koninklijk besluit van 24 Juli 1869 (Staatsblad n°. 142), zooals dat besluit laatstelijk is gewijzigd, blijven de bepalingen van dat besluit van toepassing.

Voor zover voor ambtenaren bij een dienstvak nadere regels ter uitwerking of aanvulling van de bepalingen van dit besluit worden vereist, worden die regels door Ons, of in overeenstemming met Ons door Onze Minister, vastgesteld.

De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de termijnen in dit besluit gesteld met uitzondering van die, genoemd in de artikelen 10, tweede en derde lid, artikel 36b, derde en vierde lid, alsmede in hoofdstuk XI.

Van de bevoegdheid tot het stellen van regels met een sterk technisch karakter krachtens dit besluit, anders dan krachtens de artikelen 4a, 9 en 10, kunnen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Financiën en Onze Minister mandaat verlenen.

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 September 1931.

Dit besluit kan worden aangehaald als "Algemeen Rijksambtenarenreglement".