U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 07-03-2002.
Wijzigingen Officiële bron
Wet van 20 december 1984, houdende nieuwe bepalingen met betrekking tot gemeenschappelijke regelingen Wet gemeenschappelijke regelingenWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is, nieuwe bepalingen vast te stellen met betrekking tot gemeenschappelijke regelingen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage 20 december 1984 Beatrix De Minister van Binnenlandse Zaken, Rietkerk De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, Van Amelsvoort De Minister van Verkeer en Waterstaat, N. Smit-Kroes de zevenentwintigste december 1984 De Minister van Justitie a.i., Rietkerk

Een besluit als bedoeld in artikel 2 strekt de gemeentebesturen voor het treffen van een regeling waarbij toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 8, tot richtlijn. Onder het treffen van een regeling wordt in dit artikel mede verstaan het wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een regeling. Een besluit, waarbij wordt afgeweken van een besluit als bedoeld in artikel 2 wordt met redenen omkleed.

In de regeling kan een termijn worden aangegeven gedurende welke een of meer van de deelnemers is of zijn vrijgesteld van uit deze regeling voortvloeiende rechten en verplichtingen.

Op de samenstelling van het gemeenschappelijk orgaan, bedoeld in artikel 8, tweede lid, is artikel 13 van overeenkomstige toepassing.

De regeling houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop door het bestuur van het openbaar lichaam of door het gemeenschappelijk orgaan aan de raden van de deelnemende gemeenten de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen worden verstrekt.

Artikel 16 is van overeenkomstige toepassing op regelingen die uitsluitend getroffen zijn door colleges van burgemeester en wethouders.

Indien de deelnemende gemeenten in meer dan één provincie zijn gelegen, doch niet in een of niet alle in eenzelfde provinciegrensoverschrijdend samenwerkingsgebied als bedoeld in artikel 2, tweede lid, worden de bevoegdheden van gedeputeerde staten met betrekking tot het openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan uitgeoefend door gedeputeerde staten van de provincie, waarin de plaats van vestiging is gelegen. Gedeputeerde staten plegen hierbij overleg met gedeputeerde staten van elke andere provincie waarin deelnemende gemeenten zijn gelegen. Besluiten die aan gedeputeerde staten dienen te worden meegedeeld, worden tevens meegedeeld aan gedeputeerde staten van elke andere betrokken provincie.

Bij de regeling kunnen beperkingen worden aangebracht in de bevoegdheden die het openbaar lichaam van rechtswege bezit om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen.

Een verordening van het openbaar lichaam tot heffing van een belasting regelt, voor welke colleges of ambtenaren de bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet, zullen gelden.

Een regeling waarbij gebruik is gemaakt van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 8 en waaraan in verschillende provincies gelegen gemeenten deelnemen die niet in een of niet alle in eenzelfde provinciegrensoverschrijdend samenwerkingsgebied als bedoeld in artikel 2 zijn gelegen, behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie, waarin de plaats van vestiging is gelegen, de andere betrokken colleges van gedeputeerde staten gehoord. Het bepaalde in artikel 36, tweede tot en met vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.

Vervallen

Bij de regeling kunnen beperkingen worden aangebracht in de bevoegdheden die het openbaar lichaam van rechtswege bezit om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen.

Een verordening van het openbaar lichaam tot heffing van een belasting regelt, voor welke colleges of ambtenaren de bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk XV van de Provinciewet, zullen gelden.

Vervallen

Bij de regeling kunnen beperkingen worden aangebracht in de bevoegdheden die het openbaar lichaam van rechtswege bezit om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen.

Een verordening van het openbaar lichaam tot heffing van een belasting regelt voor welke colleges of ambtenaren de bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk XVIII van de Waterschapswet, zullen gelden.

Een regeling behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten indien gebruik is gemaakt van een bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 50 juncto 8, danwel indien één der voor de deelnemende waterschappen geldende reglementen dat voorschrijft.

Een regeling waaraan in verschillende provincies gelegen waterschappen deelnemen die niet in een of niet alle in eenzelfde provinciegrensoverschrijdend samenwerkingsgebied als bedoeld in artikel 2 zijn gelegen, behoeft, indien gebruik is gemaakt van een bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 50 juncto 8, de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie, waarin de plaats van vestiging is gelegen, de andere betrokken colleges van gedeputeerde staten gehoord.

De in artikel 50i bedoelde goedkeuring treedt in de plaats van de goedkeuring door gedeputeerde staten, bedoeld in artikel 50h.

Vervallen

Bij de regeling kunnen beperkingen worden aangebracht in de bevoegdheden die het openbaar lichaam van rechtswege bezit om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen.

Een verordening van het openbaar lichaam tot heffing van een belasting regelt, voor welke colleges of ambtenaren de bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet en die bedoeld in hoofdstuk XV van de Provinciewet, zullen gelden.

Vervallen

De artikelen 2, tweede tot en met vierde lid, 6 en 8 tot en met 29 zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat bij de toepassing van artikel 16, zesde lid, voor de woorden "artikel 25 van de Gemeentewet" wordt gelezen: het bepaalde voor het orgaan dat het lid heeft aangewezen.

Bij de regeling kunnen beperkingen worden aangebracht in de bevoegdheden die het openbaar lichaam van rechtswege bezit om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen.

Een verordening van het openbaar lichaam tot heffing van een belasting regelt, voor welke colleges of ambtenaren de bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet, zullen gelden.

Een regeling waarbij gebruik is gemaakt van een der bevoegdheden bedoeld in de artikelen 62 juncto 8 en waaraan in verschillende provincies gelegen gemeenten of waterschappen deelnemen die niet in een of niet alle in eenzelfde provinciegrensoverschrijdend samenwerkingsgebied als bedoeld in artikel 2 zijn gelegen, behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie, waarin de plaats van vestiging is gelegen, de andere betrokken colleges van gedeputeerde staten gehoord. Het bepaalde in artikel 69, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

De in artikel 70 bedoelde goedkeuring treedt in de plaats van de goedkeuring door gedeputeerde staten, bedoeld in artikel 69, eerste lid.

Vervallen

Bij de regeling kunnen beperkingen worden aangebracht in de bevoegdheden die het openbaar lichaam van rechtswege bezit om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen.

Een verordening van het openbaar lichaam tot heffing van een belasting regelt, voor welke colleges of ambtenaren de bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet en die bedoeld in hoofdstuk XV van de Provinciewet, zullen gelden.

Vervallen

Vervallen

Bij de regeling kunnen beperkingen worden aangebracht in de bevoegdheden die het openbaar lichaam van rechtswege bezit om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen.

Een verordening van het openbaar lichaam tot heffing van een belasting regelt, voor welke colleges of ambtenaren de bevoegdheden, bedoeld in hoofdstuk XV van de Provinciewet, zullen gelden.

Vervallen

Aan een regeling als bedoeld in de hoofdstukken I tot en met VII kunnen, indien zij daartoe overigens bevoegd zijn, tevens deelnemen:

Het bepaalde in de hoofdstukken I tot en met VII is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, wanneer het een regeling betreft met deelnemers bedoeld in de artikelen 93, onderdeel b en 94, eerste lid, de genoemde hoofdstukken ten aanzien van deze deelnemers zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing zijn.

De raad en het college van burgemeester en wethouders van een gemeente, provinciale staten en gedeputeerde staten van een provincie, onderscheidenlijk het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur van een waterschap kunnen, ieder voorzover zij voor de eigen gemeente, de eigen provincie, onderscheidenlijk het eigen waterschap bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling treffen ter behartiging van bepaalde belangen van die gemeente, die provincie, onderscheidenlijk dat waterschap met - indien deze daartoe overigens bevoegd zijn - de besturen van:

Van overeenkomstige toepassing is hoofdstuk I, met uitzondering van de artikelen 2, eerste lid, 3 tot en met 7 en 36, tweede en derde lid, indien een gemeente de regeling aangaat, hoofdstuk II, indien een provincie de regeling aangaat, of hoofdstuk III, indien een waterschap de regeling aangaat. Wanneer het een regeling betreft met deelnemers bedoeld in de artikelen 96, onderdeel b en 97, eerste lid, zijn de genoemde hoofdstukken ten aanzien van deze deelnemers zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Vervallen

Vervallen

De commissaris van de Koning treedt voor de toepassing van de artikelen 99 tot en met 103 in de plaats van gedeputeerde staten, indien het betreft een regeling uitsluitend tussen burgemeesters.

De aanwijzing, bedoeld in artikel 99, eerste lid, kan ook betreffen de deelneming van gemeenten aan een regeling als bedoeld in hoofdstuk V en hoofdstuk VIII, voor zover daaraan geen provincies deelnemen. De artikelen 99, derde tot en met vijfde lid, en 100 tot en met 103 zijn van overeenkomstige toepassing.

Voor de toepassing van de artikelen 103b en 103c wordt onder oplegging van een regeling begrepen de oplegging van een toetreding tot en een uittreding uit een bestaande regeling.

Voor zover in dit hoofdstuk niet anders is bepaald, is bij de oplegging van een regeling het bepaalde in hoofdstuk I, dan wel IV, V, VI of VIII van toepassing.

Indien het bestuur van een openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 103g, derde lid, gevolg geeft aan de aanwijzing oefenen gedeputeerde staten de desbetreffende bevoegdheid of taak uit namens het bestuur van dat openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan en ten laste van dat openbaar lichaam of dat gemeenschappelijk orgaan. Gedeputeerde staten kunnen zonodig de bevoegdheid of taak op gelijke wijze doen uitoefenen.

De commissaris van de Koning treedt voor de toepassing van de artikelen 103g tot en met 103j in de plaats van gedeputeerde staten, indien het betreft een regeling uitsluitend tussen burgemeesters.

De aanwijzing, bedoeld in artikel 103g, eerste lid, en de uitoefening, bedoeld in artikel 103h, kunnen betrekking hebben op een regeling als bedoeld in hoofdstuk I, dan wel een regeling als bedoeld in hoofdstuk V en hoofdstuk VIII, voor zover daaraan geen provincies deelnemen, dan wel een regeling als bedoeld in hoofdstuk IX, voor zover daaraan een gemeente deelneemt.

Tegen een aanwijzing als bedoeld in de artikelen 103g, eerste lid, en 103j, vierde lid, kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Over alle aangelegenheden die de uitvoering van deze wet betreffen en van algemeen belang zijn voor de rechtstoestand van ambtenaren die overgaan in dienst van een ander openbaar lichaam of rechtspersoon, wordt door het betrokken bevoegd gezag overleg gevoerd met de centrales van overheidspersoneel. Het overleg betreft mede het ter zake van de overgang te voeren personeelsbeleid.

De ambtenaar wiens dienstverband is geregeld in een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en die door een beslissing als bedoeld in het vijfde lid van artikel 108 rechtstreeks in zijn belang is getroffen kan daartegen beroep instellen. Op dat beroep is Titel II van de Ambtenarenwet 1929 van overeenkomstige toepassing.

Een twistgeding als uitvloeisel van een ingesteld beroep als bedoeld in de artikelen 108, vijfde lid of 109, dat op de datum van ontbinding van het rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam nog niet door een in kracht van gewijsde gedane uitspraak is geëindigd, wordt voortgezet door of tegen het bestuur van het lichaam of de rechtspersoon in welker dienst de ambtenaar is overgegaan. In een zodanig twistgeding zijn de deelnemers aan de opgeheven regeling partij van rechtswege.

De ambtenaar, die op grond van het in artikel 114 bepaalde is ontslagen, heeft ten laste van Hoofdstuk VII van de rijksbegroting aanspraak op wachtgeld of uitkering, overeenkomstig het bepaalde in artikel 116.

Indien een ambtenaar die op grond van het in artikel 114 bepaalde is ontslagen uit hoofde van ziekte aanspraak heeft op doorbetaling van zijn laatstgenoten bezoldiging, komt deze bezoldiging ten laste van Hoofdstuk VII van de rijksbegroting.

Ten aanzien van de in de artikelen 114 en 117 bedoelde ambtenaar komt voor de duur van de in die artikelen bedoelde aanspraak het aandeel van het openbaar lichaam in de bijdrage voor de interprovinciale of intercommunale ziektekostenregeling ten laste van Hoofdstuk VII van de rijksbegroting.

Indien binnen de daarvoor gestelde termijn de in artikel 107 bedoelde besluiten tot ontbinding of tot wijziging van de regeling niet zijn genomen, kan dit geschieden door het gezag dat ingevolge deze wet tot goedkeuring van de regeling bevoegd is of bij koninklijk besluit, indien het een regeling betreft die geen goedkeuring behoeft.

De algemeen verbindende voorschriften welke zijn uitgevaardigd krachtens de artikelen 4, 19, 26 of 34 van de Wet van 1 april 1950, Stb. K 120 vervallen van rechtswege door de opheffing van de regeling, doch in ieder geval vijf jaren nadat deze wet in werking is getreden.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Binnen 5 jaar na het in werking treden van deze wet wordt door het bevoegd gezag besloten in hoeverre de bestaande werkgebieden en gebiedsindelingen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanpassing behoeven. Op de besluiten daaromtrent is artikel 7, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

Waar in enig wettelijk voorschrift in algemene zin naar de Wet gemeenschappelijke regelingen wordt verwezen, wordt deze verwijzing geacht te zijn geschied naar deze wet.

Deze wet kan worden aangehaald als "Wet gemeenschappelijke regelingen".

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.