U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 22-12-2004.
Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 24 oktober 1985, houdende vaststelling van het Besluit opleiding rechterlijke ambtenarenBesluit opleiding rechterlijke ambtenarenWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 25 februari 1985, Hoofddirectie Organisatie Rechtspleging en Rechtshulp, nr. 334 P 885;

Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 530), artikel 59i van de Wet op de rechterlijke organisatie (Stb. 1972, 463), de artikelen 4, vijfde lid, en 31, vijfde lid, van de Beroepswet (Stb. 1955, 47) en artikel 5, vijfde lid, van de Ambtenarenwet 1929 (Stb. 530);

De Raad van State gehoord (advies van 17 mei 1985, nr. W03.85.0127/11.5.19);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 22 oktober 1985, Hoofddirectie Organisatie Rechtspleging en Rechtshulp, nr. 2069 P 885;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage24 oktober 1985BeatrixDe Minister van Justitie,F. Korthals Altesde negenentwintigste oktober 1985De Minister van Justitie,F. Korthals Altes

In dit besluit wordt verstaan onder:

Er is een opleiding die ten doel heeft toekomstige rechterlijke ambtenaren de kennis, de vaardigheden en de ervaring te verschaffen, die nodig zijn om een rechtsprekende functie, dan wel de functie van Officier van Justitie te kunnen uitoefenen. De opleiding duurt zes jaar en omvat een binnenstage, een buitenstage en een theoretisch vormingsprogramma.

Het toezicht op de buitenstage berust bij de rector.

Het studiecentrum rechtspleging is belast met de uitvoering van de opleiding van rechterlijke ambtenaren.

De Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal kunnen gezamenlijk algemene en bijzondere aanwijzingen geven aan het studiecentrum rechtspleging.

Het studiecentrum rechtspleging bekostigt de opleiding uit de daarvoor door de Raad voor de rechtspraak en het College van procureurs-generaal beschikbaar gestelde gelden.

Vervallen

Vervallen

Onze Minister beslist omtrent de toelating tot de opleiding na advies van een selectiecommissie. Hij laat geen kandidaat tot de opleiding toe dan op aanbeveling van die commissie.

Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk na de ontvangst van het advies.

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 16 tot en met 19 kan Onze Minister, gehoord de selectiecommissie, zonodig de toelatingsprocedure nader regelen.

Vervallen

Vervallen

Indien Onze Minister een der beslissingen, bedoeld in artikel 8, heeft genomen, kan hij de rechterlijk ambtenaar in opleiding ontslaan. Indien de rechterlijk ambtenaar in opleiding ten tijde van het te verlenen ontslag reeds was aangesteld in vaste dienst, kan het ontslag evenwel slechts worden verleend, indien het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de betrokkene binnen het gezagsbereik van Onze Minister andere, mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden voor hem passende, werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze weigert zodanige werkzaamheden te aanvaarden.

Een rechterlijk ambtenaar in opleiding maakt na het voltooien van de vierde deelstage van de binnenstage aan Onze Minister zijn voorkeur bekend voor een van de in artikel 2 bedoelde functies.

Op voordracht van Onze Minister benoemen Wij een rechterlijk ambtenaar in opleiding, die de opleiding met gunstig resultaat heeft beëindigd en geschikt wordt geacht voor een der in artikel 2 bedoelde functies, overeenkomstig diens voorkeur tot gerechtsauditeur bij een door Ons aan te wijzen gerecht of tot officier van justitie in de rang van substituut-officier van justitie in een door Ons aan te wijzen arrondissement. Bij de aanwijzing letten wij zowel op de voorkeur van de betrokken rechterlijk ambtenaar in opleiding als op het belang van de dienst.

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Door de rechterlijk ambtenaar in opleiding, bedoeld in artikel 21b van het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren

Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten van ons land zal eerbiedigen;

Ik zweer/verklaar dat ik noch direct, noch indirect in welke vorm dan ook valse informatie heb verstrekt in verband met het verkrijgen van mijn aanstelling;

Ik zweer/verklaar dat ik tot het verkrijgen van mijn aanstelling aan niemand iets heb geschonken of beloofd en dat ik dit ook niet zal gaan doen;

Ik zweer/verklaar dat ik tot het verkrijgen van mijn aanstelling van niemand giften heb aanvaard en niemand beloften heb gedaan en dat ik dit ook niet zal gaan doen;

Ik zweer/beloof dat ik plichtsgetrouw en nauwgezet de aan mij opgedragen taken zal vervullen en zaken die mij uit hoofd van mijn functie vertrouwelijk ter kennis komen of waarvan ik het vertrouwelijk karakter moet inzien, geheim zal houden voor anderen dan die personen aan wie ik ambtshalve tot mededeling verplicht ben;

Ik zweer/beloof dat ik mij zal gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt, dat ik zorgvuldig, onkreukbaar en betrouwbaar zal zijn en dat ik niets zal doen dat het aanzien van het ambt zal schaden.

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!

Op .................... , werd te ....................

ten overstaan van (1) .................... , en

in tegenwoordigheid van (2) ....................

door (3) ....................

de bovenvermelde eed/belofte afgelegd.

de ....................

(1) ....................

(2) ....................

(3) ....................

Krachtens de wet is de rechterlijk ambtenaar in opleiding tot geheimhouding verplicht van hetgeen in de raadkamer over aanhangige zaken is geuit. Daarbij is de rechterlijk ambtenaar in opleiding verplicht tot geheimhouding van de gegevens waarover hij bij de uitoefening van zijn taak de beschikking krijgt en waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.