U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 16-03-2003.

Wet · BWBR0005555

Wet luchtverkeer

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 18 juni 1992, houdende algemene regeling met betrekking tot het luchtverkeer Wet luchtvaartWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is mede ter uitvoering van het Verdrag van Chicago (Trb. 1973, 109), het Eurocontrol Verdrag (Trb. 1961, 62 gewijzigd Trb. 1981, 182) en de Multilaterale Overeenkomst betreffende "en route" heffingen (Trb. 1981, 181), nieuwe regels te stellen omtrent de bescherming van de openbare veiligheid bij het gebruik van het luchtruim en de bevordering van de veilige, ordelijke en vlotte afwikkeling van het luchtverkeer;

dat het tevens wenselijk is om de burgerlijke luchtverkeersbeveiliging onder te brengen in een zelfstandig bestuursorgaan;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage 18 juni 1992 Beatrix De Minister van Verkeer en Waterstaat, J. R. H. Maij-Weggen De Minister van Defensie, A. L. ter Beek De Minister van Binnenlandse Zaken, C. I. Dales de zestiende juli 1992 De Minister van Justitie, E. M. H. Hirsch Ballin

Een luchtvaartmaatschappij is verplicht er voor zorg te dragen, dat:

Voor zover Onze Minister van Verkeer en Waterstaat onderscheidenlijk Onze Minister van Defensie, beslissingen neemt ingevolge bij of krachtens deze wet verleende bevoegdheden, die mede betrekking hebben op de militaire luchtvaart onderscheidenlijk de burgerluchtvaart handelt hij in overeenstemming met Onze Minister van Defensie onderscheidenlijk Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op grond van internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties bewijzen van bevoegdheid of bewijzen van gelijkstelling, die op grond van eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens artikel 2.3, zesde lid, onderdeel c, gestelde eisen, zijn afgegeven door

Het is de houder van een bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling verboden werkzaamheden, tot het verrichten waarvan dat bewijs de bevoegdheid geeft, te verrichten wanneer de houder daardoor in verband met zijn lichamelijke of geestelijke gesteldheid de veiligheid van het luchtverkeer in gevaar brengt of in gevaar kan brengen.

Aan de ambtenaren, die belast zijn met de handhaving van artikel 2.12 worden uit het register, bedoeld in artikel 126 van de Wegenverkeerswet 1994, op door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze de gegevens verstrekt, die zij voor de uitoefening van hun taak nodig hebben.

Voor luchtvaartuigen, die behoren tot de bedrijfsvoorraad van een natuurlijke of rechtspersoon aan wie een erkenning als bedoeld in artikel 3.25 is verleend, geldt het vereiste, dat een inschrijvingskenmerk voor een bepaald luchtvaartuig is vastgesteld, niet, mits het betrokken luchtvaartuig een inschrijvingskenmerk voert, dat door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat aan die natuurlijke of rechtspersoon met het oog op de bedrijfsvoorraad is opgegeven. Artikel 3.2, tweede lid, is van toepassing.

Ten aanzien van burgerluchtvaartuigen worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gegeven ter uitvoering van de artikelen 3.4 en 3.5. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende:

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op grond van een internationale overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie type-certificaten, aanvullende type-certificaten of bewijzen van luchtwaardigheid, die op grond van eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens artikel 3.9, eerste lid, artikel 3.11 respectievelijk artikel 3.13, eerste lid, gestelde eisen, zijn afgegeven door

Ten aanzien van burgerluchtvaartuigen worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gegeven met betrekking tot het in deze paragraaf bepaalde. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende:

Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het model en de uitvoering van het type-certificaat, het aanvullend type-certificaat of het bewijs van luchtwaardigheid voor een burgerluchtvaartuig eisen worden vastgesteld.

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan op grond van een internationale overeenkomst of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie natuurlijke of rechtspersonen, die bedrijven voeren, welke op grond van eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens artikel 3.25 gestelde eisen,

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gegeven met betrekking tot deze paragraaf. Deze regels bevatten in ieder geval bepalingen betreffende:

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gegeven met betrekking tot startinrichtingen voor luchtvaartuigen zonder voortstuwingsinrichting.

Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5.3 tot en met 5.9 is van toepassing op:

Buiten het vluchtinformatiegebied Amsterdam houdt de gezagvoerder van een Nederlands luchtvaartuig zich aan de daar ter plaatse geldende regels. Indien in overeenstemming met internationale afspraken andere regels worden gehanteerd door de ter plaatse voor de luchtverkeersdienstverlening verantwoordelijke Staat, houdt de gezagvoerder zich aan deze regels.

Het is verboden op zodanige wijze aan het luchtverkeer deel te nemen dan wel luchtverkeersleiding te geven dat daardoor personen of zaken in gevaar worden of kunnen worden gebracht.

Het is verboden boven gebieden met aaneengesloten bebouwing of kunstwerken, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenmenigten, aan het luchtverkeer deel te nemen op een zodanige hoogte dat het niet meer mogelijk is een noodlanding uit te voeren zonder personen of zaken op het aardoppervlak in gevaar te brengen, tenzij zulks noodzakelijk is:

Het is verboden een vlucht uit te voeren zonder dat een gezagvoerder is aangewezen.

Voor de aanvang van iedere vlucht, neemt de gezagvoerder kennis van alle gegevens en inlichtingen die voor de uitvoering van de vlucht van belang zijn.

De instanties belast met luchtverkeersdienstverlening coördineren de uitvoering van deze taken met de instanties belast met de luchtverkeersdienstverlening binnen hetzelfde gebied of in aangrenzende gebieden.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter bevordering van een veilige, ordelijke en vlotte afwikkeling van het luchtverkeer regels worden gesteld betreffende de prioriteitstelling bij de luchtverkeersdienstverlening.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de beheerder van een burgerluchtvaartterrein met inachtneming van de daarbij te stellen regels na overleg met de gebruikers en de betrokken luchtverkeersleidingsinstanties, de volgorde van het gebruik van het luchtvaartterrein vaststelt.

Er is een organisatie voor luchtverkeersdienstverlening. Hij heeft rechtspersoonlijkheid.

De LVNL heeft een bestuur en een raad van toezicht.

Ingeval van schorsing of ontstentenis van een lid van het bestuur voorziet de raad van toezicht in de waarneming van zijn functie.

Het bestuur legt jaarlijks, en voorts tussentijds indien hiertoe naar het oordeel van de raad van toezicht bijzondere aanleiding bestaat, aan de raad van toezicht verantwoording af over het door hem gevoerde beleid.

De raad van toezicht bestaat uit zes leden, waaronder de voorzitter, alsmede een waarnemer, die de Minister van Verkeer en Waterstaat in de raad van toezicht vertegenwoordigt.

Het bestuur stelt bij reglement de hoofdlijnen vast van de inrichting van de LVNL en van de wijze van bedrijfsvoering.

De bedrijfsvoering van de LVNL geschiedt zoveel mogelijk overeenkomstig die, welke algemeen gebruikelijk is bij het particuliere bedrijfsleven.

Het bestuur van de LVNL voert op bij reglement vast te stellen wijze overleg met gebruikers van door de organisatie geleverde diensten of met hun vertegenwoordigers omtrent aangelegenheden terzake waarvan naar zijn oordeel overleg dienstig is, alsmede omtrent aangelegenheden terzake waarvan de deelnemers aan het geïnstitutionaliseerde overleg het bestuur te kennen hebben gegeven overleg te willen voeren.

De geldmiddelen van de LVNL bestaan uit:

Het bestuur stelt bij reglement de werkwijze vast voor het financiële beheer en de administratieve organisatie van de LVNL.

Waar in deze wet de goedkeuring van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is vereist, verleent dan wel onthoudt hij die, behoudens het bepaalde in artikel 5.43, derde lid, binnen twaalf weken na de datum van ontvangst van de goed te keuren stukken. Indien Onze Minister van Verkeer en Waterstaat goedkeuring onthoudt aan de financiële begroting, is het bestuur gerechtigd voor iedere maand gedurende welke de goedkeuring wordt onthouden, uitgaven te doen ter grootte van maximaal een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande boekjaar.

Indien naar het oordeel van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat het bestuur dan wel de raad van toezicht van de LVNL zijn taak niet of niet naar behoren vervult, kan Onze Minister van Verkeer en Waterstaat, na overleg met het betrokken orgaan, de noodzakelijke voorzieningen treffen. Onze Minister stelt de Tweede Kamer der Staten-Generaal onverwijld in kennis van de door hem getroffen voorzieningen.

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet en vervolgens na iedere vijf jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de werking en doeltreffendheid van de LVNL. De LVNL is gehouden aan deze evaluatie medewerking te verlenen.

Deze titel is, met uitzondering van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 6.55, 6.56 en 6.57, niet van toepassing op het vervoer van splijtstoffen, ertsen of radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Kernenergiewet.

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan ter uitvoering van internationale overeenkomsten of besluiten van volkenrechtelijke organisaties natuurlijke personen of rechtspersonen, die handelingen als bedoeld in artikel 6.55, eerste lid, verrichten op zodanige wijze, dat deze voldoen aan eisen, welke gelijkwaardig zijn aan de krachtens artikel 6.55 gestelde eisen, erkennen als erkende bedrijven voor zover die bedrijven erkend zijn door de bevoegde autoriteit van een bij ministeriële regeling aangewezen land of internationale organisatie. Aan de erkenning kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.

Het is passagiers en leden van het boordpersoneel verboden gevaarlijke stoffen aan boord van een luchtvaartuig te brengen, of met zich mee te voeren in hun bagage, anders dan met inachtneming van de door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk Onze Minister van Defensie aangewezen Technische Voorschriften van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie betreffende het vervoer van gevaarlijke stoffen door de lucht.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Dit hoofdstuk is van toepassing ten aanzien van de luchthaven Schiphol.

De uitoefening van de bevoegdheden die voortvloeien uit dit hoofdstuk is gericht op het bevorderen van een optimaal gebruik van de luchthaven als kwalitatief hoogwaardig knooppunt van nationaal en internationaal luchtverkeer, met inachtneming van de grenzen die met het oog op de veiligheid, de geluidbelasting, de lokale luchtverontreiniging en de geurbelasting noodzakelijk zijn.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de luchthaven een luchthavenindelingbesluit vastgesteld.

Het luchthavenindelingbesluit bevat voor het luchthavengebied regels omtrent de bestemming en het gebruik van de grond voor zover die regels noodzakelijk zijn met het oog op het gebruik van het gebied als luchthaven.

Voor zover het ontwerp van een bestemmingsplan zijn grondslag vindt in de uitvoering van het luchthavenindelingbesluit zijn artikel 23, eerste lid, onder c, en artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening niet van toepassing.

Voor de mogelijkheid van beroep ingevolge hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht worden een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 8.9, derde lid, en het besluit waarop de verklaring betrekking heeft als één besluit aangemerkt.

De voordracht voor een luchthavenindelingbesluit wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschiedt, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd.

Artikel 8.13 is van overeenkomstige toepassing op het wijzigen van het luchthavenindelingbesluit.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt voor de luchthaven een luchthavenverkeerbesluit vastgesteld.

Het luchthavenverkeerbesluit bevat een beschrijving van de luchtverkeerwegen.

De exploitant van de luchthaven, de verlener van luchtverkeersdienstverlening en de luchtvaartmaatschappijen bevorderen het goede verloop van het luchthavenluchtverkeer overeenkomstig het luchthavenverkeerbesluit. Zij treffen daartoe zelf en in onderlinge samenwerking de voorzieningen die redelijkerwijs van hen kunnen worden gevergd om te bewerkstelligen dat de belasting vanwege het luchthavenluchtverkeer de in artikel 8.17, vierde lid, bedoelde grenswaarden niet overschrijdt.

De exploitant van de luchthaven stelt de luchthaven beschikbaar overeenkomstig de regels van het luchthavenverkeerbesluit. De exploitant kan hiervan afwijken als dit in het belang van de veiligheid nodig is.

Luchtverkeersdienstverlening wordt verleend overeenkomstig de regels van het luchthavenverkeerbesluit. De verlener van de dienstverlening kan hiervan afwijken als dit in het belang van de veiligheid nodig is.

De artikelen 8.13 en 8.14 zijn van overeenkomstige toepassing op het voorbereiden en het wijzigen van het luchthavenverkeerbesluit.

Een ministeriële regeling op grond van deze titel wordt vastgesteld door Onze Minister van Verkeer en Waterstaat in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer een regeling vaststellen inzake het treffen van geluidwerende voorzieningen ten aanzien van in de regeling bepaalde woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen voor zover die gebouwen vanwege het luchthavenluchtverkeer een geluidbelasting kunnen ondervinden die ligt boven de in de regeling vastgestelde maximale waarden.

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat kan regels stellen ten aanzien van het verstrekken van geldelijke steun uit s Rijks kas aan gemeenten ter bestrijding van de kosten ten gevolge van uitvoering van de in overeenstemming met het luchthavenindelingbesluit gebrachte bestemmingsplannen.

De commissie heeft tot taak om door overleg tussen de in artikel 8.34 bedoelde betrokkenen een gebruik van de luchthaven te bevorderen dat zoveel mogelijk recht doet aan de belangen van die betrokkenen.

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat stelt nadere regels omtrent de taak en de samenstelling van de commissie. Daarbij wordt bepaald welke in artikel 8.34, tweede lid, bedoelde gemeenten en luchtvaartmaatschappijen in de commissie vertegenwoordigd zijn.

De commissie stelt een bestuursreglement vast. Het reglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat.

De commissie heeft een secretariaat. De samenstelling en de werkzaamheden van het secretariaat worden in het bestuursreglement geregeld.

Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie wordt in het bestuursreglement geregeld. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de commissie opgeborgen in het archief van het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Onze Minister van Defensie kan voor militaire luchtvaartuigen toestaan, dat van het nationaliteitskenmerk en het inschrijvingskenmerk bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onderdeel a, wordt afgeweken.

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Hoofdstuk 4 is niet van toepassing op de vluchtuitvoering met militaire luchtvaartuigen alsmede op de vluchtuitvoering ten behoeve van militaire doeleinden.

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Treedt op een later tijdstip in werking.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Titel 6.6 is niet van toepassing op vervoer van dieren met luchtvaartuigen waarvan de krijgsmacht of de krijgsmacht van een andere mogendheid houder is.

De artikelen 11.4, tweede lid, 11.5, eerste, derde en vierde lid, 11.6, 11.7 en 11.8 zijn van overeenkomstige toepassing op degene, die luchtverkeersdienstverlening geeft als bedoeld in artikel 5.16 of 10.2 dan wel een grondstation of een mobiel station als bedoeld in artikel 5.17 bedient, met dien verstande, dat voor de toepassing van artikel 11.5 in plaats van het opleggen van een vliegverbod treedt het verbieden van het geven van luchtverkeersdienstverlening of het gebruiken van een grondstation als bedoeld in artikel 5.17.

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.

Vervallen

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat zendt drie jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de werking en de doeltreffendheid van de LVNL.

De ambtenaren die op het moment van inwerkingtreding van titel 5.3 van deze wet tot het personeel van de directie Luchtverkeersbeveiliging van de Rijksluchtvaartdienst van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat behoren, gaan van rechtswege over in dienst van de LVNL.

In afwijking van het bepaalde in artikel 5.31 benoemt Onze Minister van Verkeer en Waterstaat de leden van de raad van toezicht, bedoeld in artikel 5.31, tweede lid onder a, b, c, en d de eerste maal als volgt:

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

Deze wet wordt aangehaald als: Wet luchtvaart.